Spring naar content
Advies inzake het verzoek tot teruggave van drie schilderijen uit het bezit van Hugo F. Kaufmann

Kaufmann

Dossiernummer: RC 1.46

Soort advies: NK-collectie

Adviesdatum: 18 december 2006

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: Particulier

Plaats bezitsverlies: In Nederland

NK 1415 – Rivierlandschap met windmolens en schepen door Jan Brueghel de Oudere

  • NK 1415 - Rivierlandschap met windmolens en schepen door Jan Brueghel de Oudere

Het advies

Bij brief van 6 juni 2006 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van E.L. N. te R. B., C., Verenigde Staten, mede namens H.L. K. (hierna: verzoekers), tot teruggave van drie schilderijen uit het voormalig bezit van hun oom Hugo Felix Kaufmann, te weten een zestiende-eeuws paneel Rivierlandschap met windmolens en schepen van Jan Brueghel de Oudere (NK 1415), een zeventiende-eeuws paneel De Heilige Petrus in de stijl van A. van Dyck (NK 1675), en een zeventiende-eeuws doek Stilleven met roemer, schaal en roos van S. Luttichuys (NK 2296). Deze werken maken sinds de recuperatie door de Nederlandse autoriteiten na de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Rijkscollectie.

De procedure

De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde de brief- en mailwisseling tussen verzoekers en Bureau Herkomst Gezocht (BHG), in december 2004 geïnitieerd door BHG, over de betreffende kunstwerken. BHG heeft verzoekers daarbij attent gemaakt op het feit dat deze werken waarschijnlijk in bezit waren geweest van de heer Hugo Felix Kaufmann, alsmede op de mogelijkheid een restitutieverzoek in te dienen bij de staatssecretaris van OCW. Naar aanleiding van het vervolgens ingediende adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 25 september 2006. Dit rapport is voorgelegd aan verzoekers, waarop deze bij brief van E.L. N. van 25 november 2006 hebben gereageerd. Het rapport, dat geacht wordt deel uit te maken van het advies en waarnaar wordt verwezen voor wat betreft de feiten, is vervolgens vastgesteld in de vergadering van de commissie van 18 december 2006. Gezien de leeftijd en gezondheidssituatie van verzoeker E.L. N. heeft de Restitutiecommissie deze adviesaanvraag met voorrang behandeld.

Algemene overwegingen

a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de regering.

b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.

c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede) oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.

d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten).

e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van rechten.

Bijzondere overwegingen

  1. Verzoekers vragen teruggave van Rivierlandschap met windmolens en schepen van Jan Brueghel de Oudere (NK 1415), De Heilige Petrus in de stijl van A. van Dyck (NK 1675), en Stilleven met roemer, schaal en roos van S. Luttichuys (NK 2296), die volgens verzoekers gedurende de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig zijn verkocht door hun oom Hugo Felix Kaufmann (1886-1942) (hierna: Kaufmann). Verzoekers treden hierbij op in hun hoedanigheid van erfgenaam van Kaufmann. In dit kader heeft de commissie kennis genomen van een verklaring van erfrecht van 24 april 1952, opgesteld door notaris E. Bennink Bolt te Amsterdam, waaruit onder meer blijkt dat verzoeker E. L. N., alsmede T. N.-K., moeder van verzoekster H.L. K., in 1952 tot de erfgenamen behoren van Kaufmann.
  2. De relevante feiten, in het onderzoeksrapport uitgebreid beschreven, komen kort samengevat op het volgende neer. Kaufmann, een joodse bankier van Duitse afkomst, was sinds 1918 woonachtig te Amsterdam en verkreeg in 1924 de Nederlandse nationaliteit. Van alledrie de geclaimde werken staat vast dat Kaufmann deze in zijn bezit had en deze in de loop van 1941 verkocht in voorbereiding op zijn geplande vertrek uit Nederland. Uit het onderzoek blijkt dat Kaufmann één van de drie geclaimde schilderijen, Stilleven met roemer, schaal en roos van S. Luttichuys (NK 2296), op 9 mei 1941 verkocht aan kunsthandel D.A. Hoogendijk voor waarschijnlijk NLG 7.000. De overige twee werken, Rivierlandschap met windmolens en schepen van Jan Brueghel de Oudere (NK 1415) en De Heilige Petrus in de stijl van A. van Dyck (NK 1675), verkocht Kaufmann op 25 juni 1941, na bemiddeling van de van oorsprong Duitse kunsthandelaar Gustav Cramer, aan dr. Hans Posse voor in totaal NLG 45.000. Alhoewel niet meer is vast te stellen wanneer Kaufmann de drie geclaimde werken heeft verworven, zijn er aanwijzingen dat hij deze verwierf bij de gelegenheid van de aanschaf van zijn woonhuis aan de Oranje Nassaulaan te Amsterdam begin jaren twintig.
  3. Uit het onderzoek is gebleken dat Kaufmann, in de periode dat hij de geclaimde schilderijen verkocht, verschillende pogingen heeft ondernomen om met medewerking van de nazi-autoriteiten te ontkomen naar de Verenigde Staten. Aanvankelijk leek het er op dat hij een uitreisvisum zou kunnen bemachtigen, als hij aan bepaalde door de nazi-autoriteiten gestelde financiële eisen zou voldoen. Deze eisen werden echter verschillende keren aangescherpt, en in augustus 1941 werd duidelijk dat Kaufmann de helft van zijn in Amerika aanwezige activa diende over te dragen aan de nazi’s, wat neerkwam op betaling van ongeveer USD 240.000. Uit correspondentie tussen Duitse functionarissen uit 1941 blijkt dat de nazi-autoriteiten Kaufmann niet wilden laten gaan uit angst dat hij zijn vermogen aan Duitse invloed zou onttrekken. Kaufmanns pogingen het land met zijn familie te verlaten zijn uiteindelijk dan ook mislukt, en in juli 1942 werd hij gearresteerd. Hij werd via Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz waar hij in september 1942 om het leven kwam, evenals zijn vrouw en kinderen en vele andere directe familieleden.
  4. Na de oorlog hebben F. N. – de neef van Kaufmann tevens broer van de huidige verzoeker E.L. N. – en de over het vermogen van Kaufmann aangestelde bewindvoerder A.E. Meckman, pogingen ondernomen om het kunstbezit van Kaufmann terug te vinden. Dit leidde in 1947 tot contact met de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) en tot indiening van een verzoek tot teruggave van het schilderij van Brueghel (NK 1415). SNK-directeur dr. A.B. de Vries wees dit teruggaveverzoek bij brief van 6 december 1947 echter af, vooral omdat hij van mening was dat er op het moment van verkoop (1941) nog geen sprake kon zijn van gedwongen verkoop door joden. Over de twee andere thans geclaimde schilderijen is geen nader contact geweest met de SNK, en aangenomen mag worden dat de familie noch de bewindvoerder ooit op de hoogte zijn gesteld van de terugkeer van de werken in Nederland. De thans geclaimde schilderijen zijn, voor zover de commissie bekend, de enige die na de oorlog werden teruggevonden van het kunstbezit van Kaufmann. Verzoeker schrijft hierover in zijn brief van 4 mei 2006 aan de staatssecretaris:Over the years, I had thought that these paintings and other family belongings were in the possession of the Nazis. At the age of 90, I am happy to learn that these paintings have resurfaced.
  5. Ten aanzien van de hierboven aangehaalde beslissing van de SNK uit 1947 over NK 1415 merkt de commissie allereerst op dat dit niet betekent dat het huidige verzoek tot teruggave van NK 1415 als een afgehandelde zaak dient te worden gezien. Zij verwijst hiervoor naar de eerste aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001, waarin het begrip ‘afgehandelde zaken’ wordt beperkt tot die zaken waarin door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter een vonnis is gewezen of waarin een formele schikking tussen rechthebbenden en de boven de SNK geplaatste organen is getroffen. Hieruit blijkt dat beslissingen van de SNK niet in de weg staan aan de ontvankelijkheid van onder het huidige beleid ingediende claims.
  6. Ingevolge het geldende rijksbeleid dient de commissie zich vervolgens de vraag te stellen of de werken geacht kunnen worden eigendom te zijn geweest van Kaufmann en onvrijwillig uit zijn bezit zijn geraakt door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Verzoeker stelt hieromtrent in zijn brief aan de commissie van 25 november 2006 onder meer:The most important comment (…) is that my uncle’s paintings and possible other valuables (…) were sold under duress. The duress did not come from the actual buyer but from the German occupation powers that blocked my family’s assets. (…) The inability to access any of their assets probably forced my uncle to seek to obtain large amounts of cash by selling valuables both to survive day-to-day and for his plan to escape from Nazi-occupied territory.
  7. De commissie acht op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat Kaufmann eigenaar was van de geclaimde werken aan het begin van de oorlog, en stelt vast dat Kaufmann eigenaar was op het moment van de verkoop van de werken in 1941. De commissie overweegt verder dat onder het huidige rijksbeleid de verkoop van de schilderijen als onvrijwillig, als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime, dient te worden aangemerkt. Voor dit oordeel verwijst zij naar de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001, overgenomen door de regering, die bepaalt dat verkopen door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillig dienen te worden beschouwd, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. De commissie is van oordeel dat het onderzoek heeft aangetoond dat Kaufmann genoodzaakt was de schilderijen te verkopen om te kunnen voldoen aan de hem door de nazi’s opgelegde betalingsverplichtingen in verband met de uitreisvisa.
  8. Gezien het voorgaande acht de commissie het verzoek tot teruggave van de werken Rivierlandschap met windmolens en schepen van Jan Brueghel de Oudere (NK 1415), De Heilige Petrus in de stijl van A. van Dyck (NK 1675) en Stilleven met roemer, schaal en roos van S. Luttichuys (NK 2296), toewijsbaar. De commissie is van mening dat daaraan geen voorwaarde tot afdracht van de destijds ontvangen koopsommen dient te worden verbonden, aangezien Kaufmann deze gelden niet ter vrije beschikking heeft gekregen. Hiervoor verwijst de commissie naar de toelichting van de Commissie Ekkart op haar aanbevelingen van 26 april 2001, waarin het volgende wordt gesteld: ‘In alle gevallen waarin betaling ontvangen is waarvan het waarschijnlijk is dat die uitsluitend besteed is aan al dan niet geslaagde pogingen het land te verlaten of onder te duiken, is er geen reden tot terugbetaling.’

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de werken Rivierlandschap met windmolens en schepen van Jan Brueghel de Oudere (NK 1415), De Heilige Petrus in de stijl van A. van Dyck (NK 1675), en Stilleven met roemer, schaal en roos van S. Luttichuys (NK 2296) te restitueren aan verzoekers ten behoeve van de erven van Hugo F. Kaufmann.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 18 december 2006,

B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies

Samenvatting RC 1.46

DRIE SCHILDERIJEN UIT HET BEZIT VAN HUGO F. KAUFMANN

De laatste zaak die de commissie in 2006 behandelde betrof het verzoek tot teruggave van drie werken uit het voormalig bezit van Hugo Felix Kaufmann (1883 – 1942). Vanwege de hoge leeftijd van verzoeker is het restitutieverzoek, dat op 6 juni 2006 aan de commissie ter advisering werd voorgelegd, met voorrang behandeld. Het verzoek betrof een zestiende eeuws paneel Rivierlandschap met windmolens en schepen van Jan Breughel de Oudere (NK 1415), een zeventiende-eeuws paneel De Heilige Petrus in de stijl van A. van Dyck (NK 1675) en een zeventiende-eeuws doek Stilleven met roemer, schaal en roos van S. Luttichuys (NK 2296). Deze werken maakten sinds de recuperatie door de Nederlandse autoriteiten na de Tweede Wereldoorlog deel uit van de NK-collectie.
Verzoeker, een neef van Kaufmann, die het verzoek mede namens een nicht van Kaufmann indiende, schreef in een brief met herinneringen aan zijn oom: ‘Over the years, I had thought that these paintings and other family belongings were in the possession of Nazis. At the age of 90, I am happy to learn that these paintings have resurfaced.’