Koenigs III (Kiev claim)

Ruiter met twee courtisanes te paard, Erhard Altdorfer (foto: Boijmans van Beuningen)

Advies inzake Koenigs

Dossiernummer: 
RC 1.35
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
14 april 2014
Periode bezitsverlies: 
1933-1940
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 13 juli 2005 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van mevrouw C.F. Koenigs (hierna: verzoekster) van 23 mei 2005 tot teruggave van verschillende werken uit het voormalig bezit van haar grootvader, Franz Wilhelm Koenigs (hierna: Koenigs). Het verzoek heeft betrekking op 139 tekeningen en drie etsen die in 2004 vanuit Kiev, Oekraïne, naar Nederland zijn gerecupereerd en thans deel uitmaken van de Nederlandse rijkscollectie (NK-collectie). Een lijst met een beschrijving van de betreffende 142 werken is opgenomen als bijlage bij dit advies. Deze kunstwerken bevinden zich in langdurig bruikleen in het Museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam.

In de onderhavige procedure treedt verzoekster mede op namens een aantal familieleden, te weten: de heer AA, mevrouw BB, mevrouw CC, mevrouw DD en mevrouw EE. Verzoekster heeft zich gedurende de hiernavolgende perioden laten vertegenwoordigen door achtereenvolgens de advocaten mr. C. Drion (van april 2008 tot september 2010), mr. M. Schut (van september 2010 tot januari 2011) en mr. G.J.T.M. van den Bergh (van januari 2011 tot maart 2011). Na hervatting van de procedure in november 2013 heeft zij zich laten bijstaan door advocaat mr. D. de Jong.


De procedure

Op 23 mei 2005 verzocht mevrouw C.F. Koenigs om teruggave van de tekeningen en etsen die in 2004 vanuit Kiev waren gerecupereerd naar Nederland. Bij brief van 13 juli 2005 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de commissie om advies over dit verzoek, dat bij de commissie is geregistreerd onder nummer RC 1.35. Hierna heeft verzoekster enkele malen om uitstel gevraagd om het verzoek om teruggave nader toe te kunnen lichten. Op 12 december 2006 en 12 november 2007 heeft verzoekster ter toelichting van haar verzoek rapportages overgelegd, met bijdragen van dr. H.B. Junz, prof.mr. A.F. Salomons, prof.mr. H.C.F. Schoordijk en prof.mr. P.A. Stein.

De commissie heeft naar aanleiding van het adviesverzoek en de door verzoekster gegeven toelichting een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. In het kader van dit onderzoek heeft de commissie op 7 februari 2008 de zoon van Koenigs (oom van verzoekster), de heer FF, op diens verzoek gehoord. FF heeft daarbij zijn mening naar voren gebracht, inhoudende dat zijn vader de eigendom van de tekeningen al in 1935 tot zekerheid had overgedragen aan de bank Lisser & Rosenkranz (hierna: L&R) en op 2 april 1940 aan deze bank de volledige eigendom heeft overgedragen. Ook stelde FF dat de bedoeling van zijn vader was dat de tekeningencollectie in zijn geheel en onder zijn naam bij Museum Boymans terecht zou komen, dat hij in dat kader bereid was concessies te doen ten aanzien van de voorwaarden van de transacties destijds, en dat, samengevat, de claim op werken die thans in Museum Boymans verblijven dient te worden afgewezen. Ter ondersteuning hiervan heeft hij enkele stukken uit zijn privé-archief aan de commissie overhandigd. Daaronder bevinden zich de akten van 2 april 1940 die betrekking hebben op voormelde eigendomsoverdracht.

De resultaten van het feitenonderzoek door de commissie zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 3 maart 2008, dat op 13 maart 2008, samen met een afschrift van de door FF ter inzage verstrekte stukken, ter commentaar is toegezonden aan verzoekster. Verzoekster heeft op 3 juli 2008 inhoudelijk op dit conceptrapport gereageerd. In deze reactie zijn nadere bijdragen opgenomen van dr. H.B. Junz, prof.mr. A.F. Salomons, prof.mr. H.C.F. Schoordijk, prof.mr. P.A. Stein, prof.mr. J.B.M. Vranken en prof.dr. J. de Vries.

Op 6 oktober 2008 heeft een eerste hoorzitting plaatsgevonden. Daarbij waren naast verzoekster en haar raadslieden mr. C. Drion en mr. S. van den Ende aanwezig J. Bragdon (filosoof en kunstenaar), mr. C. Siewertsz van Reesema (mediator), dr. H.B. Junz (economisch en financieel analiste) en de juridische deskundigen prof.mr. A.F. Salomons, prof.mr. H.C.F. Schoordijk en prof.mr. P.A. Stein.

Volgend op de hoorzitting heeft verzoekster een nadere reactie ingediend van 25 november 2008. Nadien heeft verzoekster de commissie verzocht om de advisering inzake RC 1.35 aan te houden in verband met een procedure voor de Nationale ombudsman over het handelen van de minister en de Restitutiecommissie die op 16 juli 2008 was aangevangen. De commissie heeft verzoekster bij brief van 16 december 2008 laten weten de zaak aan te houden voor de duur van de behandeling van de klacht door de Nationale ombudsman.

Op 8 november 2010 rapporteerde de Nationale ombudsman naar aanleiding van de door verzoekster ingediende klachten. In verband hiermee is het volgende van belang. In 2002 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot teruggave van verschillende werken uit de collectie van haar grootvader, welk verzoek de minister op advies van de commissie (zaaknummer RC 1.6) op 10 december 2003 heeft afgewezen. Gedurende de behandeling van onderhavig verzoek heeft verzoekster de minister om herziening van deze eerdere beslissing gevraagd. De minister heeft aan dit verzoek destijds geen gevolg gegeven, maar in plaats daarvan de commissie op 24 april 2007 verzocht om eventuele door verzoekster ingebrachte nieuwe feiten te betrekken bij de advisering inzake RC 1.35. Op grond van de aanbevelingen van de Nationale ombudsman van 8 november 2010 heeft de minister de commissie gevraagd te adviseren over de feiten die door verzoekster waren aangeduid als ‘nova’ in het licht van haar verzoek tot herziening van RC 1.6, en het aanvankelijke verzoek aan de commissie per brief van 13 december 2010 ingetrokken. Op 18 januari 2011 heeft de commissie dit verzoek om hernieuwd advies inzake RC 1.6 ondergebracht in een apart dossier met nummer RC 4.123 en verzoekster bericht dat de procedure inzake RC 1.35 zou worden hervat. Per brief van 11 april 2011 echter heeft verzoekster de commissie verzocht om de behandeling van RC 1.35 aan te houden tot na afhandeling van RC 4.123, een verzoek dat de commissie op 4 mei 2011 heeft ingewilligd. Op 12 november 2013 heeft de commissie het hernieuwde advies inzake RC 1.6 (RC 4.123) vastgesteld, waarna de procedure inzake RC 1.35 weer in actieve behandeling is genomen, waarover verzoekster per brief van 16 december 2013 is geïnformeerd.

Vanwege de verstreken tijd sinds de laatste inhoudelijke behandeling van de zaak in 2008 en de gebeurtenissen sindsdien is verzoekster opnieuw en voor de laatste maal de gelegenheid geboden om gegevens toe te zenden en haar standpunten mondeling toe te lichten. Op 23 januari 2014 heeft verzoekster daaraan gevolg gegeven en een aanvullende toelichting met bijlagen aan de commissie gestuurd. Op 20 maart 2014 is verzoekster vervolgens door de commissie voor de tweede maal in deze procedure gehoord. Daarbij was, naast haar raadsman mr. D. de Jong en diens assistent M. Maeder, aanwezig J. Bragdon (filosoof en kunstenaar). Mr. De Jong heeft het woord gevoerd en aantekeningen inzake het verzoek overgelegd. J. Bragdon heeft enige opmerkingen gemaakt. Verzoekster heeft een presentatie gegeven en eveneens documenten overgelegd, waaronder enkele nieuwe archiefstukken.

Het onderhavige verzoek heeft voor een groot deel betrekking op hetzelfde feitencomplex dat aan de eerdere adviezen RC 1.6 en RC 4.123 ten grondslag ligt. De commissie heeft in het kader van haar advisering in onderhavige zaak daarom, naast het op 14 april 2014 vastgestelde onderzoeksrapport inzake RC 1.35 met daaraan gehecht de reacties van verzoekster van 3 juli 2008, 25 november 2008 en 23 januari 2014, tevens alle stukken betrokken die gewisseld zijn tijdens de eerdere procedures RC 1.6 en RC 4.123.

A. De feiten

Voor zover voor de beoordeling van het verzoek van belang neemt de commissie de volgende feiten als vaststaand aan.

A.1. Koenigs werd op 3 september 1881 geboren te Kierberg, Duitsland. In 1920 richtte hij samen met een neef de N.V. Rhodius Koenigs Handelmaatschappij op. De onderneming werd gevestigd in Amsterdam. Enkele jaren later verhuisde Koenigs met zijn echtgenote Anna gravin von Kalckreuth (hierna: Anna Koenigs) en hun kinderen definitief naar Nederland. Beiden waren niet van joodse afkomst. In 1939 werd Koenigs het Nederlandse staatsburgerschap verleend.

A.2. In de jaren twintig heeft Koenigs een grote verzameling tekeningen en schilderijen aangelegd. Met name de tekeningencollectie, ook wel de ‘Koenigs-collectie’ genaamd, is van kunsthistorisch belang.

A.3. Uit een door Koenigs met de hand opgestelde en ondertekende verklaring van 9 september 1931 kan worden afgeleid dat Koenigs een overeenkomst is aangegaan met de Amsterdamse bank N.V. Bankierskantoor Lisser & Rosenkranz (hierna: L&R), met wiens joodse directeur S. Kramarsky hij bevriend was. In de verklaring schrijft Koenigs aan L&R: ‘Sie haben mir namens einer Gruppe zugesagt an der Capital erhöhung von Rhodius Koenigs Handel Mij im Ausmass von fl. 1.500.000,- mitzuwirken’. Tevens schrijft hij dat hij tot zekerheid van terugbetaling daarvan zijn collectie tekeningen, zoals aanwezig in zijn woon-huis in Haarlem, in eigendom overdraagt aan L&R. De overeenkomst tussen Koenigs en L&R is waarschijnlijk enkele weken later geformaliseerd, onder meer per akte van 2 oktober 1931, waarvan de inhoud de commissie niet bekend is.

A.4. Bij geregistreerde onderhandse akte van 1 juni 1935 werd een nieuwe overeenkomst tussen Koenigs en L&R vastgelegd, waarbij tevens uitdrukkelijk werd vastgesteld dat de oude afspraken vervielen. In dit door FF overgelegde document is vermeld dat Koenigs erkende een bedrag van NLG 1.375.000 en GBP 17.000 te lenen tegen 4% rente met een looptijd van 5 jaar. Tot zekerheid van terugbetaling werd daarbij de collectie tekeningen en schilderijen van Koenigs, zoals op een bij de akte gevoegde lijst gespecificeerd, in eigendom overgedragen aan L&R. De lijst, die blijkens de tekst oorspronkelijk bij de akte van 1 juni 1935 gevoegd moet zijn geweest, ontbreekt vandaag de dag, maar uit de tekst van de overeenkomst zelf blijkt dat het schilderijen en tekeningen betrof die kort tevoren in bruikleen waren gegeven aan het Museum Boymans te Rotterdam en het Rijksmuseum te Amsterdam. Koenigs en L&R kwamen verder overeen dat Koenigs het recht had de geldlening te allen tijde geheel of gedeeltelijk af te lossen, terwijl L&R gerechtigd zou zijn de collectie in het openbaar of ondershands te verkopen en zich op de opbrengst te verhalen bij ommekomst van de looptijd (31 mei 1940) of bij het in liquidatie treden van L&R.

A.5. Vanaf 1939, in het zicht van het aflopen van de overeengekomen termijn en onder de toenemende oorlogsdreiging, hebben Koenigs en de bank L&R, onder bemiddeling van kunsthandelaar Jacques Goudstikker, onderhandelingen gevoerd met D. Hannema, directeur van het Museum Boymans. Het doel van Koenigs was daarbij kennelijk, zo kan worden afgeleid uit de correspondentie, om de collectie tekeningen als geheel, onder zijn naam, definitief onder te brengen bij Museum Boymans. De vermogende Rotterdamse ondernemers D.G. van Beuningen en W. van der Vorm werden als financiers bij de besprekingen betrokken. Andere belangstellenden werden door Koenigs op afstand gehouden. Uit een (concept)brief van omstreeks februari 1940 van Jacques Goudstikker aan Hannema kan worden afgeleid dat Koenigs bereid was geweest tot verregaande tegemoetkomingen om te bewerkstelligen dat de collectie voor het museum behouden bleef. De onderhandelingen strandden echter. Koenigs en L&R maakten ondertussen plannen voor vervoer van de collectie naar het buitenland.

A.6. Op 2 april 1940 is L&R in liquidatie getreden. De bedoeling hiervan was de bank, die een grotendeels joodse directie had, te vrijwaren van Duitse inmenging in geval van een Duitse inval. Koenigs, die als medeaandeelhouder aanwezig was bij de aandeelhouders-vergadering waar daartoe bij acclamatie was besloten, zou nauw betrokken zijn geweest bij de totstandkoming en verdere uitvoering van de plannen.

A.7. In een tweetal onderhandse geregistreerde akten van 2 april 1940, die mede zijn ondertekend door Koenigs, is vermeld dat Koenigs als saldo van zijn per 2 april 1940 tussen hem en L&R afgesloten rekening-courantverhouding, inclusief rente, de somma van NLG 1.662.915,14 benevens GBP 20.559.13.7 aan L&R schuldig is. Ook deze twee akten zijn in 2008 overgelegd door FF.

A.8. In de eerste akte, een nadere overeenkomst die het hoofddeel van de schuld en de tekeningencollectie betreft, is vermeld dat ‘partijen thans te rade zijn geworden, tot gedeeltelijke delging der schuld van Koenigs aan Lisser & Rosenkranz over te gaan’ en dat partijen daartoe het navolgende zijn overeengekomen: ‘Ter gedeeltelijke voldoening zijner voorschreven schuld en wel tot een bedrag van f 1.250.000.-, geeft Koenigs aan Lisser & Rosenkranz in betaling, welke laatste bij deze van genen in betaling aanneemt, de verzameling teekeningen, welke door Koenigs in bruikleen zijn gegeven aan het Museum Boymans te Rotterdam, en als nauwkeurig gespecificeerd op de aan bovenvermelde acte van den 1. Juni 1935 gehechte en door beide partijen gewaarmerkte lijst. Mitsdien draagt Koenigs bij deze de genoemde teekeningen aan Lisser & Rosenkranz in vollen en vrijen eigendom over, welke eigendomsoverdracht door Lisser & Rosenkranz wordt aangenomen, en waartegenover zij aan Koenigs kwijting zijner voorschreven schuld tot een bedrag van
f 1.250.000,- verleent’.
De tweede akte is van gelijke strekking en heeft betrekking op de schilderijen.

A.9. Uit bewaard gebleven correspondentie blijkt dat L&R en Koenigs ieder afzonderlijk diezelfde dag aan Museum Boymans hebben gemeld dat de tekeningencollectie in eigendom van de bank L&R was overgegaan. Koenigs schreef daarbij dat hij, gezien het uitblijven van een reactie van de zijde van het museum, genoodzaakt was geweest de tekeningen in betaling te geven, als gevolg waarvan de tekeningen in ‘vollen en vryen eigendom’ van L&R waren overgegaan en dat hij, ‘voor zooveel noodig onder beëindiging Uwer bruikleen’, de tekeningen ter algehele beschikking van L&R stelde. L&R meldde het museum dat zij voornemens waren de tekeningen nog diezelfde week door de expediteur te laten weghalen.

A.10. Na 2 april 1940 vond opnieuw overleg plaats tussen L&R, vertegenwoordigd door Jacques Goudstikker, het Museum Boymans vertegenwoordigd door directeur Hannema, en D.G. van Beuningen. Uit een bewaard gebleven brief van 9 april 1940 van Hannema aan L&R blijkt dat ook Koenigs bij deze besprekingen betrokken was. Na 2 april 1940 bleef L&R rekening houden met Koenigs’ wensen, zo blijkt uit een brief van L&R aan Goudstikker van 8 april 1940: ‘(…) U gelieve er rekening mee te houden, dat wij uit nationale overwegingen en, ten einde den wensch van den voor-bezitter [Koenigs, RC] te respecteren, tegenover het Museum Boymans, zoals u bekend is, wat den prijs betreft, de grootst mogelijke tegemoetkoming willen betrachten. (…)’.

A.11. Op 9 april 1940 bevestigde L&R schriftelijk aan Van Beuningen dat zij de tekeningen-collectie alsmede 12 schilderijen aan hem hadden verkocht voor NLG 1 miljoen. In de brief schreef L&R: ‘Uit Uw desbetreffende toezegging hebben wy met dank genoteerd, dat bovengenoemde verzamelingen teekeningen en schilderyen, zoolang deze in het Museum Boymans zullen zyn tentoongesteld, aldaar zullen verblyven onder de tot nu toe bestaande benaming van “Collectie F. Koenigs”’.

A.12. Felicitaties over en weer volgden. De directie van L&R sprak haar voldoening uit over het feit dat zij eraan hadden kunnen bijdragen dat ‘deze belangryke verzameling voor Nederland en het Museum Boymans behouden is gebleven’. Met de toezegging door Van Beuningen dat de naam van Koenigs verbonden zou blijven aan de collectie was ‘tevens de wensch van den heer Koenigs vervuld’, aldus L&R. Op 12 april 1940 verzekerde Hannema Koenigs ‘dat ook in de toekomst de verzameling, waaraan steeds Uw naam verbonden zal blijven, met de meeste zorg beheerd zal worden’. Op 17 april 1940 schreef Koenigs aan Hannema: ‘Ook ons verheugt het, dat de collectie in Holland is gebleven en wij zien haar natuurlijk het liefst in Museum Boymans’. Om uiting te geven aan deze gevoelens schonk Koenigs ter aanvulling van de collectie het museum nog een tweetal tekeningen van Carpaccio. Op 19 april 1940 schreef Hannema aan L&R dat hij verheugd was dat ‘.. de geheele verzameling Koenigs (...) in het Museum Boymans blijft (...)’ en bedankte hij de directie van de bank L&R voor de medewerking.

A.13. In diens biografie over D.G. van Beuningen (pag. 317) schrijft Harry van Wijnen dat op 28 april 1940 - enkele weken na de transactie van 9 april 1940 tussen L&R en Van Beuningen, maar nog voor de Duitse inval - een verkennende ontmoeting te Den Haag plaatsvond tussen de schoonzoon van Van Beuningen, Lucas Peterich, en de Duitser dr. H. Posse, die in opdracht van Adolf Hitler kunst inkocht ten behoeve van het op te richten Führermuseum te Linz. Peterich herinnerde Posse op 5 augustus 1940 per brief aan deze bespreking. Daarbij stelde hij destijds in de veronderstelling te hebben verkeerd dat zijn schoonvader niets wilde verkopen, maar ‘so glaube ich heute, daβ er jetzt vielleicht doch dazu bereit sein würde, wenn Sie ein gutes Angebot auf die Zeichnungen der Sammlung Königs machen könnten’. In de daarop volgende maanden onderhandelde Peterich namens Van Beuningen met Posse over de aankoop van een deel van de tekeningencollectie.

A.14. Van Beuningen verkocht begin december 1940 voor een bedrag van NLG 1.4 miljoen circa 528 tekeningen aan Posse. Op 9 december 1940 meldde Hannema over de verkoop door Van Beuningen aan een lid van het curatorium van de Stichting Museum Boymans, dat .. de heer van Beuningen het plan had om voor een bepaald bedrag teekeningen te verkoopen uit de collectie Koenigs, welke hij vóór den oorlog had verworven. Deze transactie is thans tot stand gekomen’. De thans geclaimde werken op papier maakten deel uit van deze groep. De overige tekeningen (circa 2000 in getal) en 8 schilderijen schonk Van Beuningen aan de Stichting Museum Boymans.

A.15. Koenigs werd op 19 december 1940 aangehouden door de SD. Na een week lang te zijn vastgehouden en verhoord, werd hij op 24 december 1940 vrijgelaten, waarschijnlijk na interventie van Alois Miedl. Verzoekster heeft op 20 maart 2014 een nota van 11 januari 1941 overgelegd, geschreven door mr. J.P. Hooykaas, raadadviseur bij de Afdeling staats- en strafrecht van het Departement van Justitie. Deze nota was ‘in tegenwoordigheid van den Heer Koenigs gedicteerd, zoodat in ieder geval het door den Heer Koenigs medegedeelde goed is weergegeven’. In de nota is vermeld dat Koenigs zelf op 11 januari 1941 het volgende had meegedeeld: ‘Op Donderdag 19 December, had de Heer Koenigs een gesprek met den Heer GG van de firma Labouchère te Amsterdam. De Heer GG deelde aan den Heer Koenigs mede, dat er plannen hangende waren van de zijde van de N.S.B., waarvan hij vreesde, dat de Duitsche S.S. ze zou steunen. De Heer Koenigs heeft de inhoud van dit gesprek medegedeeld aan den Heer Miedl te Amsterdam, eveneens bankier (…). De Heer Koenigs wist n.l. dat de Heer Miedl persoonlijke relaties had met den Rijksmaarschalk Goering. De Heer Miedl heeft zich hierop telefonisch in verbinding gesteld met een neef van den Rijksmaarschalk, Hauptmann Goering, te Berlijn, teneinde een en ander mede te deelen. In den nacht van 19 op 20 December is hierop de Heer Koenigs gearresteerd en verhoord, o.a. omtrent zijn zegsman. Den volgende morgen is hierop de Heer GG gearresteerd en beiden zijn op 24 December in vrijheid gesteld. De Heer Koenigs veronderstelt, dat deze invrijheidsstelling samenhangt met de tusschenkomst van den Heer Miedl bij den Commissaris-Generaal Rauter. De Heer Miedl had op 23 December een onderhoud terzake met den S.S. Brigadeführer (…). Miedl verklaarde in een brief van 10 april 1947: ‘Ende 1940 wurden Herr Koenigs und ich vom deutschen Sicherheitsdienst in Amsterdam verhaftet. Nachdem mein seinerzeitiger Sekretaer HH, es verstand, die Schwester Goerings zu verstaendigen, musste ich auf telegrafischen Befehl freigelassen werden und konnte dann auch die Befreiung Koenigs erreichen. Zeuge ist die in Haarlem wohnende Witwe des Herrn Koenigs. Die seinerzeit durch den S.D. ausgesprochenen Drohungen sowie das Nachspiel dieser Verhaftung mahnten zur Vorsicht’. In een door verzoekster op 23 oktober 2013 inzake RC 4.123 toegezonden rapportage wordt over dit onderwerp het volgende citaat aangehaald, dat afkomstig zou zijn uit een naoorlogs dossier betreffende een ontvijandingsverzoek van Miedl: ‘M[iedl] zelf heeft verklaard, hoe hij, door Koenigs gewaarschuwd, Göring telefonisch voor een moordaanslag heeft gewaarschuwd, waardoor hij een nacht in de gevangenis heeft moeten doorbrengen met als gevolg de overplaatsing van Wilkens, de voorganger van Lages, door toedoen van Miedl’.

A.16. Koenigs kwam op 6 mei 1941 op een treinstation te Keulen, Duitsland, om het leven.

A.17. In mei 1942, een jaar na het plotselinge overlijden van Koenigs, schreef zijn weduwe, Anna Koenigs, aan Hannema: ‘Ik ben blij om alles, wat in het museum Boymans en in Nederland is gebleven, want het was altijd de wens van mijn man, dat zijn verzameling in ons land zou blijven’.

A.18. FF verklaarde in 2008 dat zijn vader ‘niet enthousiast’ was over de doorverkoop van een deel van de tekeningencollectie door Van Beuningen en dat zijn vader hier zeker nog met Van Beuningen over had willen spreken. Enige jaren na de oorlog hebben een of meerdere erfgenamen van Koenigs laten onderzoeken of Van Beuningen kon worden aangesproken op de doorverkoop van werken uit de collectie aan Posse. Hiervan is destijds afgezien naar aanleiding van een negatief juridisch advies, inhoudende dat ‘de bewuste overeenkomst [tussen L&R in liq. en Van Beuningen, RC] alleen rechtsbetrekkingen schiep tussen de Heer van Beuningen en de N.V. voornoemd en dat een eventuele toezegging tot in standhouding der Koenigs collectie en tot continuatie van de bruikleen aan het Boymans Museum niet het karakter heeft van een derden beding waarvan de nakoming door de erven in rechte zou kunnen worden afgedwongen’ (brief van mr. Max Meijer aan FF van 19 augustus 1953).

A.19. De thans geclaimde werken op papier behoren tot een door Van Beuningen doorverkocht deel van de collectie (zie A.14) dat na de Tweede Wereldoorlog terecht is gekomen in de Sovjet Unie en pas in 2004 vanuit Kiev, Oekraïne, aan de Nederlandse regering is geretourneerd. Deze overdracht is gebaseerd op internationale regelingen die bepalen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog uit de bezette landen verdwenen kunstwerken dienen te worden overgedragen aan de nationale regering van het land van herkomst. De kunstwerken zijn onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse rijkscollectie (en in het bijzonder van de NK-collectie).

 

B. Beoordeling

B.1. Verzoekster is een kleindochter van Koenigs. Zij vraagt om teruggave van 139 tekeningen en drie etsen die in 2004 uit Kiev, Oekraïne, naar Nederland zijn gerecupereerd (voor een opsomming en beschrijving van de geclaimde werken, zie de bijlage). Verzoekster heeft in de huidige procedure verwezen naar documenten die zij de commissie in het kader van restitutieverzoek RC 1.6. heeft doen toekomen met betrekking tot haar erfrechtelijke positie, waaruit blijkt dat zij behoort tot de kring van rechthebbenden op de nalatenschap van Koenigs.

B.2. Verzoekster stelt dat Koenigs het bezit van de geclaimde kunstwerken onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. De reconstructie van de gebeurtenissen die zij mede op grond van eigen onderzoek heeft opgesteld, luidt kort samengevat als volgt. Van Beuningen zou al voor de Duitse inval met de vertegenwoordiger van Hitler, dr. H. Posse, een afspraak hebben gemaakt om de collectie aan hem te leveren. Van Beuningen en Hannema zouden in dat kader hebben samengespannen om Koenigs, die zich volgens verzoekster in een kwetsbare positie ten opzichte van het naziregime bevond, te beletten zijn collectie uit te voeren. Zij zouden hem daarna onder druk van een ophanden zijnde Duitse inval zijn collectie afhandig hebben gemaakt. De liquidatie van de bank L&R op 2 april 1940 zou een schijnhandeling zijn geweest om deze uit handen van de Duitsers te houden. Daarbij zou sprake zijn geweest van een (schijn)overdracht van de collectie, die was ingegeven door de wens de collectie voor confiscatie door het naziregime te behoeden. De overdracht van de collectie op 2 april 1940 aan L&R en de daaropvolgende overdrachten aan Van Beuningen en Posse zouden bovendien op verschillende civiel-rechtelijke gronden nietig, althans aantastbaar zijn.

Beoordelingskader

B.3. Verzoekster heeft herhaaldelijk aangevoerd dat de commissie het onderhavige verzoek tot teruggave naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft te beoordelen (3 juli 2008, pag. 40). Hiervoor verwijst zij onder meer naar artikel 2 lid 5 van het Instellingsbesluit 2001 (23 januari 2014, pag. 5). Daarnaast pleit zij ervoor om onder onvrijwillig bezitsverlies dat direct verband houdt met het naziregime ook te verstaan ‘de verkoop tot stand gekomen door schending van goede trouw in het vooruitzicht om te collaboreren’ (mondelinge behandeling, 20 maart 2014).

B.4. De commissie kan niet meegaan in deze zienswijze. Op grond van haar Instellingsbesluit uit 2001 heeft de commissie de opdracht om met inachtneming van het restitutiebeleid (artikel 2 lid 4 Instellingsbesluit) de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen uit de rijkscollectie waarvan de eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren. Bij bezitsverlies door particulieren die, zoals Koenigs (zie hierna onder B.5, B.6 en B.7) niet behoorden tot een vervolgde bevolkingsgroep is van een dergelijk onvrijwillig bezitsverlies sprake indien er een direct verband bestaat tussen een van het naziregime uitgaande specifieke dreiging of dwang en het bewuste bezitsverlies (zie ook de adviezen inzake Weijers, RC 1.68, overweging 14 en Aldenburg-Bentinck, RC 1.102, overweging 7).

Omkering bewijslast

B.5. Verzoekster voert aan dat Koenigs actief politiek tegenstander was van het naziregime en aangemerkt dient te worden als vervolgingsslachtoffer. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst zij onder meer naar een brief van het Nederlandse Beheersinstituut, waarin Koenigs omschreven werd als ‘verklaard tegenstander van het nazibewind’; diverse getuigen-verklaringen die in de jaren na de oorlog zijn afgegeven en die strekken ten gunste van de politieke betrouwbaarheid van Koenigs; zijn betrokkenheid bij het Duitse culturele leven; de internationale faam van zijn kunstcollectie; zijn naturalisatie tot Nederlander in 1939; documenten waaruit kan worden afgeleid dat Koenigs inlichtingen verstrekte aan onder meer de Britse geheime dienst; gegevens over Koenigs’ zakelijke en persoonlijke omgang met joden na 1933, waaronder aanwijzingen dat hij op diverse manieren joodse relaties steunde en te hulp is geschoten, en informatie over familierelaties die actief waren in het verzet tegen het naziregime in Duitsland. Daarbij voert verzoekster tevens aan dat de verkoop van de collectie in verband kan worden gebracht met de liquidatie van de (‘joodse’) bank L&R. Verzoekster betoogt dat Koenigs op gelijke voet beoordeeld dient te worden als particulieren die op grond van hun afkomst vervolgd zijn door het naziregime, zoals joden, en dat dient te worden uitgegaan van onvrijwillig bezitsverlies. Daarmee doet zij een beroep op de omkering van de bewijslast, zoals vervat in de Aanbevelingen van de Commissie Ekkart inzake de restitutie van particulier kunstbezit (april 2001).

B.6. De commissie overweegt dat ingevolge de derde aanbeveling voor particulier kunstbezit van de Commissie Ekkart, overgenomen door de regering, de verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillig wordt beschouwd, tenzij uit de feiten nadrukkelijk anders blijkt. De regering heeft in reactie op deze aanbeveling de verwijzing naar joodse particulieren uitgebreid tot andere vervolgingsslachtoffers, zoals Roma en Sinti. Ook wordt in de regeringsreactie verwezen naar ‘andere specifieke groepen van vervolgingsslachtoffers’ (TK, 2001-2002, 25 839, nr. 27). Het voorgaande geldt voor bezitsverlies dat in Nederland plaatsvond vanaf 10 mei 1940, de datum waarop de nazi’s Nederland binnenvielen. Vóór deze datum wordt bij bezitsverlies in Nederland uitgegaan van vrijwillig bezitsverlies, tenzij de feiten het tegendeel hoogstwaarschijnlijk doen zijn, zelfs bij particulieren die behoren tot een vervolgde bevolkingsgroep. Nu de eigendomsoverdracht van onderhavige kunstwerken door Koenigs plaatsvond op 2 april 1940, derhalve vóór 10 mei 1940, kan van een bewijslastomkering zonder meer in deze zaak alleen al om deze reden geen sprake zijn.

B.7. Daarnaast is de commissie van oordeel dat Koenigs niet is aan te merken als verzetsdeelnemer of vervolgingsslachtoffer zoals bedoeld in het restitutiebeleid. Van een erkenning van Koenigs als verzetsstrijder door de Nederlandse overheid is geen sprake. Het is aannemelijk dat Koenigs in december 1940 enige tijd door de SD is vastgehouden en ondervraagd, maar op grond van het onder overweging A.15 vermelde acht de commissie het aannemelijk dat een en ander verband hield met een poging van Koenigs om Göring in kennis te stellen van berichten over een op handen zijnde aanslag en niet met verzetsactiviteiten of de verkochte kunstwerken. Deze arrestatie en dit verhoor rechtvaardigen daarmee niet de conclusie dat Koenigs als vervolgingsslachtoffer zou dienen te worden aangemerkt. Ook is niet aannemelijk geworden dat Koenigs in 1941 is vermoord. In samenhang bezien blijkt ook uit het overige aangevoerde niet dat Koenigs’ houding en activiteiten zodanig waren dat deze van de zijde van het naziregime hebben geleid tot maatregelen gericht tegen hem persoonlijk, op grond waarvan hij is aan te merken als vervolgingsslachtoffer. De commissie is daarentegen van oordeel dat Koenigs een invloedrijk zakenman was die zich – zeker in vergelijking met het joodse volksdeel – in vrijheid kon bewegen.

B.8. Op grond van het voorgaande is het aan verzoekster om aannemelijk te maken dat Koenigs het bezit van de thans geclaimde kunstwerken onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

De akten van 2 april 1940

B.9. Met de door verzoekster opgeworpen en door overgelegde deskundigenberichten ondersteunde civielrechtelijke bezwaren - waaronder strijd met het toeëigeningsverbod als bedoeld in artikel 1200 BW (oud) en het verrichten van ‘schijnhandelingen’ - wordt betoogd dat bij de onderhandse akten van 2 april 1940 de geclaimde kunstwerken in strijd met de regels van het civiel recht aan L&R zijn overgedragen. De conclusies die verzoekster hieraan verbindt zijn niet in alle stukken eenduidig, maar lijken betrekking te hebben op zowel de juridische en feitelijke status van de collectie als op de beleidsmatige aanmerking van het bezitsverlies als onvrijwillig. In de reactie van 3 juli 2008 schrijft verzoekster met betrekking tot de eigendomsstatus van de collectie: ‘Alvorens daaraan toe te komen, willen verzoek(st)ers echter één kwestie bijzonder benadrukken: volgens alle juridische deskundigen staat vast dat Koenigs eigenaar is gebleven van de Collectie en dat noch Van Beuningen, noch enige latere verkrijger de eigendom op de Collectie heeft verkregen. Franz Koenigs heeft nog immer als eigenaar te gelden’. Daarnaast heeft verzoekster op 20 maart 2014 via haar vertegenwoordiger gesteld: ‘Maar als de overeenkomsten van 2 april 1940 schijnhandelingen zijn geweest, en als Koenigs de facto nog beschikte over de collectie, de jure nog beschikkingsbevoegd was en de eigendom nog niet verloor, dan kon die verkoop, los van de omstandigheden, niet buiten hem om. En dan heeft Koenigs het bezit inderdaad onvrijwillig verloren’ (Aantekeningen mr. De Jong, bladzijde 5). Verzoekster voert aan dat de commissie bij het uitvoeren van haar adviestaak regelmatig tot juridische kwalificaties komt en zich daarom ook in onderhavige zaak dient uit te spreken over de civielrechtelijke gronden die de nietigheid of aantastbaarheid van de overdracht aan L&R en de daaropvolgende overdrachten aan Van Beuningen en Posse tot gevolg zouden hebben.

B.10. Juist is dat de commissie regelmatig tot juridische kwalificaties komt’, bijvoorbeeld bij de vraag of de (rechtsvoorganger van een) verzoeker de oorspronkelijke eigenaar is in de zin van artikel 2 lid 1 van het Instellingsbesluit. De vraag die hier aan de orde is, luidt of Koenigs het bezit van de tekeningen onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Dat Koenigs in casu het bezit van de tekeningen heeft verloren, dat wil zeggen dat de tekeningen uit de (feitelijke) macht van Koenigs als houder van die tekeningen voor zichzelf (vergelijk art. 3: 107 lid 1 BW) zijn geraakt, staat vast. Zulks heeft plaats gevonden op 2 en 9 april 1940. De vraag of dit verlies van de (feitelijke) macht berust op een of meer op civielrechtelijke gronden nietige of vernietigbare rechtshandelingen valt onder de ‘gewone rechtsregels’ als bedoeld in de toelichting bij artikel 2 van het Instellingsbesluit. Zij valt derhalve buiten het kader van het restitutiebeleid en de taakopdracht van de commissie. Voor zover de argumentatie van verzoekster, zoals samengevat in B.9, betrekking heeft op de vraag of sprake is van onvrijwilligheid van het bezitsverlies door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime, verwijst de commissie naar de overwegingen B.13 – 19.

Waarde collectie

B.11. Verzoekster voert aan dat Koenigs op 2 april 1940 genoegen zou hebben genomen met slechts een deel van de werkelijke waarde van de collectie, hetgeen zou duiden op een schijnhandeling. Zij wijst daarbij onder meer op het feit dat Hannema de collectie in december 1940 waardeerde op aanzienlijk hogere bedragen (NLG 7.29 miljoen en NLG 3.5 miljoen) dan de koopsom van 1 miljoen die kort tevoren door Van Beuningen was betaald. Daarbij heeft verzoekster aangevoerd dat noch Koenigs noch zijn onderneming Rhodius Koenigs in financiële moeilijkheden verkeerde, zodat de overdracht van de collectie aan L&R niet vanuit een zakelijke optiek verklaarbaar zou zijn.

B.12. De commissie is van oordeel dat de vraag of Koenigs in april 1940 al dan niet financieel bij machte was de lening af te lossen, in het midden kan blijven. Uit de akten blijkt immers dat Koenigs niet voor aflossing koos. Daarbij acht de commissie het aannemelijk dat Koenigs en L&R genoegen hebben genomen met een relatief geringe tegenprestatie voor de collectie omdat zij beoogd hebben Museum Boymans en het nationaal kunstbezit te ondersteunen (zie overwegingen A.5 en A.10). De commissie is derhalve van oordeel dat objectieve waardebepalingen, zo die al te reconstrueren zouden zijn, voor een beoordeling van het onderhavige adviesverzoek niet noodzakelijk zijn.

Omstandigheden bezitsverlies

B.13. Dat de niet-joodse Koenigs zijn collectie door overdracht aan een ‘joodse’ bank wilde behoeden voor confiscatie door de nazi’s, zoals verzoekster betoogt, acht de commissie hoogst onwaarschijnlijk. Daarentegen acht de commissie het op grond van de bewaard gebleven uitingen in correspondentie (zie ook overweging A.10, A.11, A.12 en A.17) aannemelijk dat Koenigs en L&R zich vanaf 1939 gezamenlijk hebben ingespannen om de collectie in zijn geheel en definitief onder te brengen bij Museum Boymans.

B.14. Welke overwegingen precies ten grondslag hebben gelegen aan de eigendomsoverdracht op 2 april 1940 door Koenigs aan L&R van zijn collectie tekeningen en schilderijen, zoals gespecificeerd bij de overeenkomst van 1 juni 1935, tegen kwijting van zijn schuld aan L&R alsmede de uiteindelijke verkoop op 9 april 1940 door L&R van de tekeningencollectie en 12 schilderijen aan Van Beuningen, valt thans niet meer te achterhalen. Wel staat vast dat genoemde transacties plaatsvonden vóór 10 mei 1940. Het naziregime was op dat moment niet in Nederland gevestigd en dit maakt een verband tussen de overdracht van de collectie en een door het naziregime uitgeoefende specifieke dreiging of dwang jegens Koenigs weinig plausibel.

B.15. Door zijn goede verstandhouding met de directie van L&R bleef Koenigs ook na de overdracht van de collectie op 2 april 1940 betrokken bij de onderhandelingen en ging hij er kennelijk (naar later bleek terecht) van uit dat de bank zijn wens tot terbeschikkingstelling van de collectie aan het Museum Boymans zou respecteren. Het feit dat Koenigs op 17 april 1940 als gebaar nog een tweetal tekeningen van Carpaccio aan het museum schonk, toont aan dat Koenigs er verheugd over was dat, naar hij toen veronderstelde, de tekeningencollectie bijeen zou blijven en dat Van Beuningen geacht werd deze ook onder de naam Koenigs, door een schenking dan wel bruikleen, in Museum Boymans te laten. Ook de uitingen van de directie van L&R geven blijk van tevredenheid met de transactie en de voorwaarden waaronder deze, naar men toen veronderstelde, was gesloten. Dit alles wijst niet op onvrijwillig bezitsverlies als bedoeld in overweging B.4.

B.16. Voor alle betrokkenen moet duidelijk zijn geweest dat Koenigs in de veronderstelling verkeerde dat de tekeningencollectie bijeen zou blijven en dat Van Beuningen werd geacht deze onder de naam collectie-Koenigs, door een schenking dan wel een bruikleen, in Museum Boymans te laten. De commissie acht het aannemelijk dat de doorverkoop door Van Beuningen ten behoeve van Hitlers kunstcollectie, acht maanden nadat hij de collectie van L&R had verworven, strijdig was met de door Koenigs gekoesterde samenhang van de door hem zorgvuldig opgebouwde collectie en ten koste ging van Museum Boymans en het Nederlands kunstbezit. Tevens acht de commissie het aannemelijk dat deze doorverkoop, mede als gevolg van de door Koenigs en L&R gedane concessies, voor Van Beuningen persoonlijk zeer winstgevend was. Een en ander was in strijd met Koenigs’ wensen en de bij hem gewekte verwachtingen (zie ook overweging A.18). Deze gang van zaken leidt evenwel niet tot de conclusie dat hier sprake is van onvrijwillig bezitsverlies als bedoeld in overweging B.4.

B.17. Verzoekster betoogt echter dat sprake is geweest van een ‘listig samenspel tussen Van Beuningen, Hannema en Posse’, dat tot doel had dat L&R de Koenigs-collectie voor een zeer lage prijs aan Van Beuningen (en niet aan het Museum Boymans) zou verkopen, waarna deze een deel van die collectie aan Posse/Hitler zou kunnen verkopen en leveren tegen een hogere prijs dan Van Beuningen voor de gehele collectie heeft betaald. Van Beuningen zou al voor de bezetting afspraken hebben gemaakt met Hitlers vertegenwoordiger, dr. H. Posse, om de collectie ten behoeve van Hitler veilig te stellen en uitvoer door Koenigs daarvan te verhinderen. Hannema en Van Beuningen zouden vervolgens hebben samengespannen met het doel Koenigs zijn collectie afhandig te maken, waarbij zij de dreiging van een Duitse inval hebben aangewend als dwangmiddel. Verzoekster voert in dit kader aan dat het curatorium van het museum al in 1939 zou hebben geweten dat de collectie het daaropvolgende jaar het museum zou verlaten, ‘dat hier Joden bij betrokken zijn’, en dat in de visie van financier Van Beuningen en Boymans-directeur Hannema ‘van Joden wordt gekocht’.

B.18. De commissie overweegt dat niet alle in dit opzicht aangevoerde feiten voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Ook als de juistheid van dit betoog zou worden aanvaard, zou dit niet tot restitutie leiden. Volgens verzoekster zou één en ander tot de conclusie moeten leiden dat sprake was van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Anders dan waarvan verzoekster kennelijk uitgaat, rechtvaardigt het enkele feit dat deze gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden op een tijdstip dat een Duitse inval dreigde, niet de conclusie dat een direct verband bestond tussen een van het naziregime uitgaande specifieke dreiging of dwang en het bezitsverlies door Koenigs (vergelijk overweging B.4). Het is bovendien niet aannemelijk dat Van Beuningen, Hannema en Posse betrokken zijn geweest bij de inbetalinggeving door Koenigs aan L&R. Aangezien Van Beuningen de collectie heeft verkregen van L&R, kan niet de stelling worden aanvaard dat de feiten en omstandigheden waaronder die laatstbedoelde verkrijging plaats vond, gevolgen kan hebben ten aanzien van Koenigs.

B.19. Uit niets blijkt dat door de nabestaanden van Koenigs in de jaren na de oorlog een verzoek tot restitutie is ingediend met betrekking tot (delen van) de hier besproken tekeningencollectie. Tekenend acht de commissie in dit kader dat de naoorlogse inwinning van juridisch advies zoals vermeld in overweging A.18 niet zag op restitutie van de collectie aan diens erven, maar op de kennelijke wens om Van Beuningen aan te spreken op zijn niet nagekomen ‘toezegging tot in standhouding der Koenigs collectie en tot continuatie van de bruikleen aan het Boymans Museum’ als gevolg van de doorverkoop van een deel van de collectie aan Posse.

B.20. De commissie is derhalve van oordeel dat Koenigs het bezit van de hier geclaimde kunstwerken niet onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot afwijzing van het restitutieverzoek.

Aldus vastgesteld op 14 april 2014 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                                  (E. Campfens, secretaris)

Bijlage advies: lijst geclaimde kunstwerken

Relevante persberichten: 
Gerelateerde adviezen: