Advies inzake Krasicki

NK1715 - Portret van een officier door J.F.A. Tischbein (foto: RCE)

Advies inzake Krasicki

Dossiernummer: 
RC 1.152
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
20 februari 2017
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
Buiten Nederland

Bij brief van 6 januari 2015 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies verzocht inzake het verzoek van 23 november 2014 van AA te BB, CC (hierna: verzoeker) tot teruggave van het schilderij Portret van een officier door J.F.A. Tischbein. Dit schilderij maakt thans onder inventarisnummer NK 1715 deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van het Rijk (hierna: NK-collectie). 
 

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog is er een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die:

a. onderdeel zijn van de NK-collectie; of
b. tot het overig bezit van de Staat der Nederlanden behoren.
Ingevolge het vierde lid adviseert de commissie over verzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, ingediend bij de minister voor 30 juni 2015, met inachtneming van het rijksbeleid ter zake.

De procedure

Naar aanleiding van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 7 maart 2016. Dit rapport is bij brief van 24 maart 2016 aan verzoeker toegezonden. Tevens heeft de commissie in deze brief aanvullende vragen gesteld aan verzoeker. Verzoeker heeft gereageerd bij e-mails van 30 maart, 1 april en 3 april 2016. Daarnaast heeft verzoeker gedurende de procedure veelvuldig gecorrespondeerd over de voortgang van de zaak. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 24 maart 2016 tevens voor feitelijke aanvulling toegezonden aan de minister, die in reactie daarop per e-mail van 29 april 2016 heeft laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen.
De commissie heeft vervolgens nader onderzoek laten uitvoeren, onder meer in Polen. Bij brief van 21 december 2016 heeft de commissie verzoeker verzocht te reageren op een deel van de resultaten van het nader onderzoek. Verzoeker heeft gereageerd bij e-mails van 25 december 2016 en 4 januari 2017. Vervolgens is het onderzoeksrapport vastgesteld op 20 februari 2017.

Overwegingen

1.  Verzoeker is geboren op [..] in DD, een stad die in het Interbellum tot de Poolse staat behoorde en toen EE genoemd werd. Verzoeker stelt dat het thans geclaimde schilderij tot 1939 in eigendom toebehoorde aan zijn vader, graaf Stanisław Tomasz August hr. Krasicki z Siecina h. Rogala (1906-1977). De commissie heeft geen reden te twijfelen aan de status van verzoeker als rechthebbende in het kader van dit restitutieverzoek.

2.  De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 20 februari 2017 beschreven. In de volgende overwegingen wordt volstaan met een samenvatting

De familie Krasicki
3.  Verzoeker stamt uit een adellijke Poolse familie. Een door verzoeker toegestuurde stamboom gaat terug tot halverwege de 18e eeuw. De grootvader van verzoeker was graaf August Konstanty Ksawery Hr. Krasicki h. Rogala (1873 Bachórzcu -1946 Kraków). Hij was getrouwd met Izabela Hr. Wodzicka z Granowa h. Leliwa (1882-1966). Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, onder wie de vader van verzoeker, de in overweging 1 genoemde Stanislaw Krasicki. Stanislaw werd geboren te Lesko in de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Op 12 juni 1930 trad hij in Lwów in het huwelijk met Jadwiga Maria Ewa hr. Bielska z Olbrachcic h. Jelita (1905-2000). Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren, te weten verzoeker en Andrzej Stanisław Edmund (1933-2011).

4.  Het rivierdorp Lesko in Oost-Galicië maakte voor 1918 als ‘Lisko’ deel uit van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Sinds het begin van de negentiende eeuw bezat de familie Krasicki het ‘kasteel van Lesko’, de plaatselijke burcht gelegen aan de rivier San. Het kasteel vormde het sociale en intellectuele centrum van de regio, waarin de grootvader van verzoeker niet alleen politiek actief was, maar ook als botanisch onderzoeker bekendheid verwierf.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) trokken Russische troepen - in oorlog met de Habsburgse monarchie - door Lesko. Het kasteel werd daarbij niet ontzien. Russische soldaten plunderden de kasteelkamers en vernietigden het interieur, waarna zij het gebouw in brand staken. Delen van de waardevolle inboedel, het archief en de bibliotheek waren echter tijdig in veiligheid gebracht, waardoor zij grotendeels gespaard bleven. Na de ‘Grote Oorlog’ werd het kasteel herbouwd door August Krasicki.
In september 1939 werd het dorp Lesko, dat inmiddels deel uitmaakte van de Poolse Republiek, opnieuw getroffen door oorlogsgeweld. De inval van het Rode Leger op 17 september in oostelijk Polen, dat al sinds 1 september in het westen een strijd op leven en dood voerde met Nazi Duitsland, kwam zo onverwacht en ging gepaard met zoveel wetteloosheid dat de waardevolle kunstcollectie en meubels van kasteel Lesko niet tijdig in veiligheid waren gebracht en ten prooi vielen aan plundering. August Krasicki, de laatste graaf Krasicki die het kasteel bewoonde, wist met zijn familie te ontkomen.

5.  Naast het kasteel in Lesko bezat de familie Krasicki landhuizen in Bachórzec, Dubiecko en Stratyn. Het landgoed Stratyn was in bezit van de familie Krasicki gekomen via de echtgenote van Ignacy Adam Hr. Krasicki (1767-1844), die het als bruidsschat in haar huwelijk ontving. Via een aantal overervingen kwam het uiteindelijk in bezit van August Krasicki.
Volgens de Poolse historicus professor Roman Aftanazy (1914-2004), die onder de titel Dzieje rezydencji na dawnych kresach Rzeczypospolitej een elfdelig werk heeft samengesteld en geschreven over de geschiedenis van 1500 paleizen en herenhuizen en hun eigenaren in de oostelijke gebieden van Polen, zou zich in het landhuis Stratyn een kostbare bibliotheek hebben bevonden, alsmede een collectie van ongeveer 200 schilderijen van voornamelijk buitenlandse meesters. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zou het landhuis zijn verwoest en de zich daarin bevindende collecties vernietigd, ‘(...) behalve een klein aantal familieportretten die eerder naar het hoofdverblijf van de Krasicki familie in Lesko waren gebracht’. Nadat het landhuis was verwoest, diende het personeelsverblijf als woonhuis, aldus Aftanazy.

6.  Ten tijde van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Stratyn bewoond door Stanislaw en zijn familie, onder wie verzoeker. Over de gebeurtenissen in 1939 verklaarde deze: ‘In 1939 my father went to War, my mother and younger brother stayed in the manor at “Stratyn”, when the news come that Russians were invading Poland from the east, my mother was advised by local police to leave as our lives were in danger, we did immediately, leaving everything behind. It is reasonable to assume that the primary looters were local Ukrainians, who were hostile to all things Polish. Some days after our departure Russians arrived and completed what was left after the Ukrainian looting. Presumably this portrait was then sold or confiscated by that Dutch collaborator from Ukrainians, when germans invaded Russia in 1941 and occupied that part of Poland.’

Het geclaimde schilderij
7.  Het schilderij Portret van een officier door J.F.A. Tischbein maakt als NK 1715 deel uit van de NK-collectie. Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) vermeldt de volgende herkomstreconstructie van het schilderij op haar website (www.herkomstgezocht.nl):

1944-04-03   

P.N. Menten (collectie), Aerdenhout
ICN inventariskaart; Archief SNK nr.435, 865; Bundesarchiv Koblenz B323 nr.575

 

H. Posse
Archief SNK nr.435, 865

 

A. Hitler
ICN inventariskaart; Archief SNK nr.435, 865

1944-04-03   

Führermuseum (museum), Linz
Bundesarchiv Koblenz B323 nr.575

Daarnaast vermeldt BHG:
De herkomstgegevens zijn niet sluitend. Het is onbekend wanneer en van wie P.N. Menten het schilderij heeft verworven.
P.N. Menten keerde in 1943 uit het Poolse, door de Duitsers bezette, Lemberg terug met 'drie wagonladingen bezittingen'. Het behoort daarom tot de mogelijkheden dat dit schilderij een Poolse herkomst heeft. P.N. Menten werd in 1980 veroordeeld wegens oorlogsmisdaden in Polen.

8.  Wie de geportretteerde officier op NK 1715 is, vermeldt de herkomstreconstructie van BHG niet. Verzoeker stelt in zijn restitutieverzoek dat het gaat om een voorvader van hem:
‘This painting is in fakt an ancestor, Jan Krasicki, major of cavallery, one of the first recipants of “virtuti Milittari”, highest Polish decoration for valour (…) This decoration is clearly visible in the painting, the light and dark blue ribbon hanging on his brest.’
Uit de door verzoeker toegestuurde familiestamboom blijkt dat deze Jan Krascicki (1763-1830) een broer van de oudvader van verzoeker is. De Virtuti Militari is de hoogste onderscheiding voor militaire moed in Polen en werd in juni 1792 in het leven geroepen, vlak voor de Tweede Poolse Deling. Majoor der Cavalerie Jan Krasicki was een van de eerste militairen die de onderscheiding in 1792 ontvingen.

9.  Volgens verzoeker hing het schilderij vroeger bij hen thuis in Stratyn:
‘As a child I well remember number of portraits adorning the walls of main dining room in Stratyn. The portrait was displayed there. My father often pointed it out to me stressing the fact that he was national hero, one of the 1st recipants of “Virtuti Militari”, Poland, highest cross for valour in battle.’
Later voegde hij hier aan toe:
‘Jan Krasicki was land owner and Polish “Szlachcic” or nobelman, Polish patriot and fighter for Independence against Russian Tsarist occupation of his native land. This painting together with other family members was displayed on the walls of our dining room in “Stratyn”. As a background, you should be aware that we as children were brought up to be very patriotically minded, as were all Poles. Poland over the centuries was subject to many foreign invasions and occupations, it never accepted subjugation and ferociously fought for its independence, which was greatly valued. Any citizen who took part in these wars was greatly admired, venerated and honoured. I well remember my father pointing to me Jan’s portrait as one of these brave and noble fighters for independence of which our family should be proud. This always stayed in my memory, although it happened so many years ago.’

10.  Verzoeker heeft zijn restitutieverzoek ingediend mede door toedoen van de Communi Hereditate, een Poolse stichting die tot doel heeft om Pools cultureel erfgoed te documenteren en te beschermen. Deze stichting heeft een verslag gepubliceerd waarin het schilderij centraal staat. De auteur van dit verslag, Marius Pilusz, beschrijft hoe hij het schilderij aantrof op de website van BHG. Korte tijd daarna vond Pilusz in deel 8 van de hiervoor in overweging 5 genoemde boekenserie van Aftanazy bij toeval een foto van het interieur van het kasteel in Lesko. Op deze foto, die dateerde van voor 1914, was een portret te zien dat een kopie leek van het thans geclaimde schilderij. Nader onderzoek bracht Pilusz tot de conclusie dat het portret aan de muur van kasteel Lesko was geschilderd door Joseph Pitschmann (1758-1834), die in de periode 1794-1806 in Lemberg had gewoond. Dit portret bevindt zich vandaag de dag in het Nationaal Museum in Warschau. In zijn verslag concludeert Pilusz dat hij op grond van nader onderzoek tot de conclusie is gekomen dat het door Pitschmann geschilderde werk een kopie is van het origineel door Tischbein.

11.  In het archief van het Nationaal Museum in Warschau is nader onderzoek verricht naar dit portret door Pitschmann. Op de achterkant ervan wordt de naam van Jan Krasicki vermeld. Uit aangetroffen documentatie kan worden afgeleid dat dit portret op 31 januari 1948 arriveerde in het Nationaal Museum als onderdeel van een collectie schilderijen, verpakt in negen kisten, afkomstig uit Kraków. Op een door het museum opgesteld protocol is een lijst van de betreffende werken weergegeven en is aangegeven dat het om werken ging ‘Uit de collectie van de Krasicki’s’.
Onder de werken op de lijst bevindt zich de volgende omschrijving :
Jan Krasicki z Baranowa             Pitschman       olieverf doek   70x60  gesneden

In het archief is tevens een kwitantie aangetroffen uit 1948, waarop als onderwerp is vermeld ‘30 schilderijen volgens bijgevoegde specificatie / ingekocht magazijn’ en als ‘persoon die de aanvraag indient’: ‘Krasicki Ksewery, ul. Sienkiewicza 3a m.4’.
Hieruit kan worden afgeleid dat het portret door Pitschmann in 1948 aan het Nationaal Museum is verkocht door Ksawery Franciszek Krasicki (1911-1999), een oom van verzoeker.

Betrokkenheid Pieter Menten
12.  Opvallend in de door BHG opgestelde herkomstreconstructie is de vermelding dat het geclaimde schilderij afkomstig is uit het bezit van Pieter Menten (1899-1987). Zoals de herkomstreconstructie vermeldt, is Menten in 1980 veroordeeld wegens medeplichtigheid aan een massamoord op joodse inwoners van het Galicische dorp Podhorodce op 7 juli 1941. In de periode 1977-1979 heeft een driekoppige onderzoekscommissie, onder leiding van de historicus prof. dr. I. Schöffer, in opdracht van de Nederlandse regering onderzoek verricht naar Menten. Dit heeft geresulteerd in een vuistdik eindrapport, het ‘Rapport Menten’.

13.  Uit onder meer dit rapport kan het volgende worden afgeleid. Menten vestigde zich kort na de Eerste Wereldoorlog als zakenman in Polen, eerst in Danzig en Warschau, uiteindelijk in Lwów. Naast zijn gewone werk, ontwikkelde Menten zich tot handelaar in kunst en antiek. Hij werd daarbij geadviseerd door zijn broer Dirk Menten. Na het binnenvallen van het Rode Leger in Polen in september 1939 vluchtte Menten via Lwów naar Kraków. Tot zijn vertrek uit Polen, begin 1943, zou hij aldaar blijven wonen. Vanuit Kraków zette Menten zijn activiteiten als kunstinkoper voort. De Duitse verovering van Oost-Galicië in de zomer van 1941 en de inlijving van dit landsdeel in het Generaal-gouvernement (het door de Nazi’s bezette centrale deel van Polen) stelde Menten in staat om weer af te reizen naar Lemberg, onder meer om zijn kunstbezit uit te breiden. De goede relaties die Menten intussen had aangeknoopt met dr. Eberhard Schöngarth, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und Sicherheitsdienst in het Generaal-gouvernement, kwamen Menten daarbij goed van pas. In deze periode was Menten ook actief als SS Hauptscharführer in een Einsatzgruppe zur besonderen Verwendung die onder leiding stond van deze Schöngarth. Het was in die tijd dat Menten betrokken is geweest bij de executie van vele joden in het dorp Podhorodce en hoogstwaarschijnlijk eveneens in het nabijgelegen Urycz.

14.  Het vergaren van kunst door Menten in de periode 1941-1943 is goed gedocumenteerd. Menten beperkte zich in geografische zin niet tot Lemberg maar deed bijvoorbeeld ook Kiev en Riga aan. Een precies overzicht van de door Menten in deze periode verworven kunst en andere goederen ontbreekt echter.
In januari 1943 werd Menten op last van Heinrich Himmler gedwongen het Generaal-gouvernement te verlaten. Het echtpaar Menten keerde terug naar Nederland en vestigde zich te Aerdenhout. Het echtpaar bracht uit Polen elf koffers en vier wagons van de Duitse spoorwegen mee, gevuld met kunst en waardevolle voorwerpen. Een door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen te Haarlem op 9 februari 1943 opgesteld overzicht van de goederen, die Menten vanuit Kraków had meegenomen, vermeldt 87 schilderijen, maar deze worden niet met naam genoemd.
Op 3 april 1944 verkocht Pieter Menten het geclaimde schilderij aan de Sonderauftrag Linz voor een bedrag van NLG 3000, zoals BHG vermeldt in de herkomstreconstructie. Bij haar eigen onderzoek heeft de commissie gegevens aangetroffen die deze transactie bevestigen. Het schilderij is na de oorlog naar Nederland gerecupereerd.
Tot slot dient vermeld te worden dat bij het onderzoek in het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit een foto is aangetroffen van het huidige NK 1715 met op de achterzijde de aantekening ‘F. Tischbein / D. Menten’. Door wie deze aantekening is gemaakt is onbekend.

Beoordeling claim: eigendom

15.  Het restitutieverzoek heeft betrekking op een cultuurgoed uit de NK-collectie en is ingediend bij de minister voor 30 juni 2015. Dit brengt met zich dat de commissie over het verzoek dient te adviseren aan de minister met inachtneming van het rijksbeleid ter zake.
Op grond van de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001 kan tot teruggave worden overgegaan indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. In de toelichting op deze aanbeveling wordt onder meer het volgende vermeld:
“Het is duidelijk dat sluitend bewijs voor eigendom en voor de juistheid van de door voormalige eigenaars aangegeven gang van zaken bij het bezitsverlies vaak moeilijk te leveren is, mede doordat in vele gevallen bewijsstukken dienaangaande door de oorlogsomstandigheden verloren zijn gegaan. Het is noodzakelijk dat bij beoordeling van de bewijslast het voordeel van de twijfel aan de kant van de particulier dient te liggen en niet aan die van de Staat.(…)”

16.  Bij de beoordeling van de eigendomsvraag is het volgende van belang:
a) Van het thans geclaimde schilderij is bekend dat het op 3 april 1944 door Menten is verkocht aan de Sonderauftrag Linz voor een bedrag van NLG 3000,-. Hoe Menten het schilderij heeft verworven is nog steeds onbekend. Het is goed mogelijk dat Menten het schilderij tijdens zijn periode in Polen heeft verworven en in 1943 heeft meegenomen naar Nederland.
b) Verder is bekend dat de op het schilderij afgebeelde persoon Jan Krasicki (1763-1830) voorstelt, een broer van de oudvader van verzoeker, die in 1792 de Virtuti Militari ontving. Deze onderscheiding is afgebeeld op het schilderij.
c) Van deze Jan Krasicki bestaat ook een portret door Joseph Pitschmann, dat door Pilusz als een kopie van het portret door Tischbein wordt aangemerkt. Het portret door Pitschmann is in 1948 aan het Nationaal Museum verkocht door Ksawery Krasicki, de oom van verzoeker, en bevindt zich daar nog steeds. Op een foto van het interieur van het kasteel in Lesko, die dateert van voor 1914, is het portret door Pitschmann te zien.
d) Volgens Aftanazy zou het landhuis Stratyn tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn verwoest en de zich daarin bevindende collecties zijn vernietigd, ‘(...) behalve een klein aantal familieportretten die eerder naar het hoofdverblijf van de Krasicki familie in Lesko waren gebracht’. 

17.  Naast de hierboven onder a tot en met d genoemde feiten, zijn van belang de verklaringen van verzoeker, zoals weergegeven onder 8 en 9. Verzoeker, geboren in 1931, heeft stellig en gedetailleerd verklaard over het schilderij, de daarop afgebeelde persoon en zijn familiegeschiedenis. Deze verklaringen zijn niet in tegenspraak met de wel bekende feiten. Aan deze verklaringen hecht de commissie grote betekenis. Daarbij komt dat het geclaimde schilderij op unieke wijze is verbonden met de familiegeschiedenis van verzoeker. Op het schilderij is een voorvader van verzoeker afgebeeld die was gedecoreerd met de hoogste militaire onderscheiding in Polen. Volgens de verklaring van verzoeker heeft zijn vader hem hier dikwijls vol trots op gewezen. Het is zonder meer aannemelijk dat een dergelijk schilderij zich in het bezit van de familie bevond. Ook zet deze bijzondere betekenis van het schilderij voor de familiegeschiedenis de verklaring van verzoeker, dat hij zich het schilderij herinnert uit zijn jeugd, kracht bij.

18.  Zoals vermeld in overweging 10 concludeert Pilusz dat het door Pitschmann geschilderde werk een kopie is van het origineel door Tischbein. De commissie is geneigd Pilusz hierin te volgen. De schilderijen zijn immers vrijwel identiek. Daarnaast was het voor Poolse adellijke families niet ongebruikelijk om van een familieportret meerdere versies te hebben, die in verschillende landgoederen konden worden opgehangen. Dit roept echter de vraag op, of verzoeker zich niet het geclaimde schilderij door Tischbein herinnert maar het schilderij door Pitschmann. Naast de fysieke overeenkomsten tussen beide schilderijen, speelt een rol dat over het schilderij door Pitschmann meer gegevens bekend zijn, op grond waarvan het schilderij te plaatsen is in het familiebezit van Krasicki, dan over het schilderij door Tischbein. Zo is bekend dat het zich in Lesko bevond, in ieder geval voor 1914, en in 1948 door Ksawery Krasicki is verkocht aan het Nationaal Museum te Warschau, waar het zich nu nog steeds bevindt. Het is aannemelijk dat het schilderij in de tussenliggende periode in het bezit van de familie is gebleven.
De commissie acht het echter aannemelijker dat verzoeker zich inderdaad het schilderij door Tischbein herinnert. Verzoeker heeft dit immers verklaard en heeft, nadat hij is gewezen op de mogelijkheid van een vergissing, deze verklaring niet herroepen. Daarnaast bevond het schilderij door Pitschmann zich, in ieder geval voor 1914, in Lesko. Hoewel dit uiteraard niet betekent dat het daarna niet naar Stratyn kan zijn verplaatst, zijn er ook geen redenen te veronderstellen dat dit is gebeurd.

19.  Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het in hoge mate aannemelijk kan worden geacht dat het geclaimde schilderij afkomstig is uit het bezit van de familie Krasicki.

Beoordeling claim: bezitsverlies

20.  Vervolgens komt de vraag aan de orde of het bezit van het schilderij onvrijwillig is verloren gegaan door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Verzoeker gaat er vanuit dat Stratyn na de inval door het Sovjet leger in 1939 in eerste instantie is geplunderd door ‘local Ukrainians’ en dat de plundering is voortgezet door het Rode Leger, dat een aantal dagen daarna arriveerde. Het schilderij zou daarbij ook zijn meegenomen, en uiteindelijk in de handen van Menten terecht zijn gekomen.

Deze verklaring van verzoeker is een veronderstelling. Bij het onderzoek door de commissie zijn geen documenten of andere bewijsstukken gevonden die deze veronderstelling ondersteunen. Een dergelijk scenario is niet onaannemelijk maar er zijn ook andere scenario’s denkbaar.

21.  Dàt het bezitsverlies heeft plaatsgevonden in de periode vlak na de vlucht van verzoeker en zijn familie van Stratyn en dat dit bezitsverlies onvrijwillig was, acht de commissie aannemelijk. Het is immers niet goed voorstelbaar dat de familie vrijwillig afstand zou doen van een dergelijk schilderij, dat zo’n bijzondere betekenis had en heeft voor de familie. Bovendien heeft verzoeker, geboren in 1931, verklaard dat het schilderij in Stratyn aan de muur hing. De commissie acht het daarom aannemelijk dat de familie van verzoeker het bezit van het schilderij omstreeks september 1939 onvrijwillig heeft verloren. Dit komt overeen met de verklaring van verzoeker.

22.  Anno 2017 proberen te achterhalen op welke wijze, en door toedoen van wie, concreet het bezit van het schilderij in Stratyn eind september 1939 verloren is gegaan, is een bijna onmogelijke opgave. De commissie neemt voor de beoordeling van het verzoek om teruggave daarom de volgende feiten in acht:
Eind augustus 1939 hebben Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie een niet-aanvalsverdrag gesloten (Molotov – Von Ribbentrop Pact). In een geheime clausule bij dit verdrag zijn afspraken gemaakt over een nieuwe Poolse Deling tussen beide staten en over andere grenswijzigingen in oostelijk Europa. Een week na de ondertekening viel Duitsland op 1 september 1939 vanuit het westen Polen binnen. Dit leidde op 3 september 1939 tot een oorlogsverklaring aan Duitsland door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk en daarmee tot het begin van de Tweede Wereldoorlog. Op 17 september 1939 viel de Sovjet-Unie Polen vanuit het oosten binnen. De Sovjettroepen ontmoetten de Duitse en vierden hun samenwerking met een parade in Brest-Litovsk (de plaats waar in 1918 tussen beide landen vrede was gesloten).
Stratyn lag in het oostelijk deel van Polen dat aan de Sovjet-Unie was toegewezen en dat na de verovering door het Rode Leger deel ging uitmaken van de sovjet-republiek Oekraïne. De adellijke familie Krasicki zag zich, volgens de verklaring van verzoeker, genoodzaakt te vluchten voor het Rode Leger. De geschiedenis gaf hun gelijk. In de bossen van Katyn zijn 22.000 Poolse militairen en intellectuelen vermoord. Bijna driehonderdduizend Poolse staatsburgers zijn tussen 1939 en 1941 uit de oostelijke provincies naar de Goelag gedeporteerd. Stalin had zich al schuldig gemaakt aan gruwelijke massamoorden en Hitler zou daarna niet voor hem onderdoen. De vlucht van de familie, waarmee het bezit van Stratyn en dus het schilderij werden opgegeven, is een reactie op de heersende wetteloosheid. Zo konden landgoederen van de Poolse adel worden geplunderd, al dan niet door lokale Oekraïners of Russische militairen.
In de zomer van 1941 werd Oekraïne door het Duitse leger veroverd. In Galicië dook Pieter Menten op als SS-Hauptscharführer en in deze tijd ook als kunsthandelaar. Op 3 april 1944 heeft hij het betreffende schilderij verkocht aan de Sonderauftrag Linz voor plaatsing in het toekomstige Führer-museum. De handelwijze van Menten was mogelijk gemaakt door de Duitse bezetting. Het is niet duidelijk geworden hoe hij het schilderij heeft verworven. Wel is aanwijsbaar dat hij zich niet alleen kunstwerken van vervolgde Joodse eigenaars toeëigende maar ook van de Poolse adel.
Deze feiten rechtvaardigen in hun samenhang de conclusie, dat het bezit van het schilderij onvrijwillig verloren is gegaan door omstandigheden, die direct verband hielden met het naziregime, te weten met zijn sovjet-bondgenoot in 1939 en rechtstreeks vanaf 1941.

23.  Resteert nog de vraag wie bij restitutie als rechthebbenden dienen te worden aangemerkt. Volgens Aftanazy zou de grootvader van verzoeker, August Krasicki, de laatste eigenaar van zowel Lesko als Stratyn zijn geweest, tot september 1939. Dit wordt bevestigd door een brief van Ksawery Krasicki, de oom van verzoeker, van 16 februari 1964, waarin deze schrijft: ‘De laatste eigenaar van Stratyn was mijn vader, terwijl mijn broer Stanislaw daar woonde en het landgoed beheerde’.

24.  Verzoeker heeft, nadat deze brief hem door de commissie was voorgelegd, hierop het volgende verklaard:
‘I remember well that amongst the grown up in conversation Stratyn was refered as "Stratyn byl majatek Stasia" . Translated "Stratyn was Stas property", Stanislaw was my father and Stas was dimunitive of his name. In any event, assuming that August [grandfather] was the owner , it doesnt follow that that fixtures and fittings also belonged to him’.
Daarnaast heeft verzoeker erop gewezen dat, indien Stratyn plus inboedel eigendom zou zijn van August Krasicki, het voor de hand zou liggen dat August Krasicki het schilderij door Tischbein in Lesko zou hangen, waar hij woonde. In Lesko hing echter het schilderij door Pitschmann, aldus verzoeker.

25.  Hoewel verzoeker ook op dit punt stellig en gedetailleerd heeft verklaard, kan de commissie in dit geval niet meegaan in deze verklaringen. Ksawery Krasicki, een directe nazaat, heeft immers verklaard dat August Krasicki de laatste eigenaar was van Stratyn. Het is daarom op voorhand aannemelijk dat hij ook de eigenaar was van de inboedel, waaronder het thans geclaimde schilderij. Bij gebrek aan overtuigend bewijs voor het tegendeel, waarbij de commissie de verklaring van verzoeker op dit punt dus onvoldoende acht, dient naar de het oordeel van de commissie August Krasicki als laatste eigenaar van het thans geclaimde schilderij te worden aangemerkt. Dit leidt er toe dat de commissie de minister zal adviseren NK1715 te restitueren aan de erven van August Krasicki.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Portret van een officier door J.F.A. Tischbein (NK 1715) te restitueren aan de erven van graaf August Konstanty Ksawery Hr. Krasicki h. Rogala (1873-1946).

Aldus vastgesteld op 20 februari 2017 door A. Hammerstein (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.H.W. Koster, P.J.N. van Os, H.M. Verrijn Stuart, G.N. Verschoor en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(A. Hammerstein, voorzitter)                        (M.C.J. Kooij, secretaris)