Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van B. Strozzi (Semmel/De Fundatie)

Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Bernardo Strozzi

Bindend advies inzake het geschil over teruggave van het schilderij getiteld Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Bernardo Strozzi uit het bezit van Richard Semmel, thans in bezit van Museum de Fundatie

Dossiernummer: 
RC 3.128
Soort advies: 
Bindend advies
Adviesdatum: 
25 april 2013
Periode bezitsverlies: 
1933-1940
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

BINDEND ADVIES

in het geschil tussen:

A.A. en B.B.,
te C. respectievelijk D. (Zuid-Afrika)
vertegenwoordigd door advocaat Olaf S. Ossmann
te Winterthur, Zwitserland
(hierna ook: verzoekers),

en:

Stichting Hannema - de Stuers Fundatie (Museum de Fundatie)
vertegenwoordigd door Ralph Keuning, directeur Stichting Hannema - de Stuers Fundatie (Museum de Fundatie)
te Heino/Wijhe
(hierna ook: het Museum),

gegeven door de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog te Den Haag (de Restitutiecommissie), verder te noemen: de commissie.

1. HET GESCHIL

Het schilderij Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van de Italiaanse schilder Bernardo Strozzi maakt sinds 1964 deel uit van de collectie van het Museum te Heino/Wijhe. Het Museum stelt dat Dirk Hannema, oprichter van het Museum, het schilderij in 1933 heeft verworven voor zijn moeder, vervolgens van haar heeft geërfd en in 1964 net als de rest van zijn kunstcollectie heeft geschonken aan de Stichting Hannema - de Stuers Fundatie. Verzoekers stellen dat de joodse ondernemer Richard Semmel (1875-1950, hierna ook: Semmel) uit Berlijn het schilderij tot november 1933 in eigendom heeft gehad. Zij verklaren de ‘heirs of Richard Semmel’ te zijn en maken aanspraak op de restitutie van het kunstwerk wegens de door hen gestelde onvrijwilligheid van het bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Partijen hebben een gezamenlijk verzoek gericht aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna ook: de staatssecretaris) teneinde de aanspraak van verzoekers voor bindend advies aan de commissie voor te leggen.

2. DE PROCEDURE

De staatssecretaris heeft de commissie bij brief van 31 augustus 2011 verzocht om advies uit te brengen aan partijen in het kader van artikel 2 lid 2 van het Instellingsbesluit van 16 november 2001 (hierna: het Instellingsbesluit). Bij brieven van dezelfde datum stelde de staatssecretaris partijen op de hoogte van zijn adviesverzoek aan de commissie, waarbij hij benadrukte dat zijn tussenkomst is ingegeven om pragmatische redenen, en dat de Staat op geen enkel tijdstip partij in de procedure wordt.

Partijen hebben schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het door de commissie vastgestelde ‘Reglement inzake adviesprocedure in het kader van artikel 2, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (hierna: het Reglement), en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden, verzoekers bij brief van 6 oktober 2011 en het Museum bij brief van 18 oktober 2011. De commissie heeft zich overtuigd van de identiteit van partijen. Museum de Fundatie heeft zijn statuten overgelegd, waaruit blijkt dat de directeur bevoegd is in deze procedure voor het Museum op te treden. Verzoekers hebben drie verklaringen van erfrecht overgelegd, waaruit blijkt dat zij gerechtigd zijn tot de nalatenschap van Richard Semmel.

De commissie heeft kennis genomen van alle door partijen overgelegde stukken en heeft daarnaast zelfstandig nader onderzoek verricht. De bevindingen van het onderzoek, zowel van partijen als van de commissie zelf, zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport, dat bij brieven van 1 augustus 2012 voor commentaar naar partijen is toegestuurd. Verzoekers hebben hierop bij brief van 30 augustus 2012 gereageerd en daarbij nadere stukken overgelegd. Het Museum heeft op het conceptrapport gereageerd bij brief van 6 september 2012. Nadien heeft de commissie nog nader onderzoek verricht, waarvan de resultaten aan verzoekers en het Museum zijn gezonden bij brief van 25 februari 2013. De relevante gegevens uit het onderzoek en uit de reacties van partijen zijn in dit advies verwerkt.

Artikel 9 van het Reglement schrijft voor dat partijen van alle stukken die zij in deze procedure aan de commissie doen toekomen, elkaar terstond een afschrift sturen. Partijen hebben hieraan tijdens deze procedure echter geen gehoor gegeven. De Commissie heeft daarom, bij brieven van 8 maart 2013 en 11 maart 2013 respectievelijk verzoekers en het Museum de ontbrekende stukken alsnog doen toekomen.

Op 7 februari 2013 heeft een gesprek via een videoverbinding plaats gehad van de voorzitter en de secretaris van de commissie met verzoekers in Kaapstad (Zuid-Afrika), met een geluidsverbinding met advocaat Ossmann in Winterthur (Zwitserland). Tijdens dit gesprek heeft de heer E.E., echtgenoot van verzoekster A.A., een verklaring voorgelezen en het woord gevoerd voor verzoekers.

Op 5 maart 2013 was er een mondelinge behandeling van de zaak. Verzoekers waren vertegenwoordigd door hun advocaat Olaf Ossmann, vergezeld door de historica Beate Schreiber van het historisch onderzoeksbureau Facts & Files te Berlijn. Voor het Museum waren Ralph Keuning, directeur, en Kristian Garssen, coördinator collecties, aanwezig. Tijdens deze mondelinge behandeling is een DVD vertoond van het gesprek op 7 februari 2013 met verzoekers.

3. DE FEITEN

De commissie gaat in deze procedure uit van de volgende feiten:

3.1. Richard Semmel, geboren op 15 september 1875 te Zobten am Berge, destijds in Duitsland, thans Sobótka in Polen, was een vermogende Duitse ondernemer en kunstverzamelaar van joodse afkomst. Ten tijde van de machtsovername door de nazi’s in Duitsland in 1933 was hij eigenaar van de textielfabriek Arthur Samulon in Berlijn en bewoonde hij met zijn echtgenote Clara Cäcilie Brück een villa in deze stad, waar hij een omvangrijke kunstcollectie bijeen had gebracht. Het echtpaar had geen kinderen. Verzoekers hebben gesteld dat hun grootouders in Berlijn nauw bevriend waren met het echtpaar Semmel en dat de vriendschapsbanden teruggingen tot de periode dat de respectieve families nog in Zobten am Berge woonden. Op 27 juni 2002 heeft F.F., de moeder van verzoekers, in het kader van rechtsherstelprocedures betreffende het vermogen van Semmel een getuigenverklaring afgelegd waarin zij verklaart dat zij als kind vaak met haar ouders bij Semmel op bezoek is geweest in zijn villa in Berlijn.

3.2. Kort na de machtsgreep van de nazi’s in 1933 ondervond Semmel de gevolgen van het anti-joodse klimaat in Duitsland. Volgens verzoekers kwam hij reeds in 1933 onder zodanig zware druk van de nazi’s te staan dat hij in april 1933 het land ontvluchtte. In een naoorlogse verklaring over zijn vervolging tijdens het naziregime heeft Semmel hierover het volgende gesteld:

Im Anschluß hieran will ich noch sagen, daß der Inhalt der Schreiben von Peck u. Gross nur zum kleinen Teil zeigen, was ich durch den Beginn der Hitler-Zeit zu leiden hatte. Ich wurde buchstäblich Tag und Nacht mit Drohungen telefonisch und schriftlich bombardiert, unflätige Zettel kamen täglich in meine Wohnung, es war eine von der Nazipartei organisierte Hetze mit Hilfe der aufgepeitschten Angestellten. Obgleich ich immer Demokrat war, hat man behauptet, ich konspiriere mit Severing u. Braun, weil Severing mal in meinem Kontor war und u. um Beisteuerung für einen Jugendbund bat, dessen Name mir entfallen ist. Man behauptete, ich hätte nicht nur mein Haus, auch Waren vom Geschäft ins Ausland verschoben. Ich war gerade geschäftlich in St. Gallen, als die Hitler-Katastrophe hereinbrach, sofort kam ich zurück, wurde schon auf dem Bahnhof bei der Ankunft gewarnt, in meine Wohnung zu gehen, so daß ich ein Zimmer in dem Hotel in der Fasanenstr. nahm. Wie richtig diese Maßnahme war, sollte sich bald zeigen, denn im Geschäft spielten sich die Vertrauensleute der Nazis als Herren auf und es kam so weit, daß ich, wie schon gesagt, im letzten Moment nach Holland entkam’.

De vervolging van Semmel in dit vroege stadium van het naziregime had volgens verzoekers te maken met zijn betrokkenheid bij de Deutsche Demokratische Partei, maar vooral ook met het feit dat hij een joodse eigenaar was van een grote textielfabriek in Berlijn. Het streven van de nazi-autoriteiten naar beheersing en arisering van de textielindustrie zou Semmel, die een vooraanstaande figuur was binnen deze bedrijfssector, tot een belangrijk doelwit hebben gemaakt. Verzoekers hebben gesteld dat Semmel verliezen had geleden door de economische crisis in de jaren dertig en dat hij onder meer financiële verplichtingen had die teruggingen tot de periode voor het naziregime. Zijn onderneming was volgens verzoekers echter gezond genoeg om hier het hoofd aan te bieden, wanneer er geen sprake zou zijn geweest van de anti-joodse economische politiek van de nationaalsocialisten. Verzoekers verklaren dat de op 1 april 1933 georganiseerde boycot van joodse winkels en bedrijven, de inmenging in het bedrijf van een door de nazi-autoriteiten aangestelde Treuhänder der Arbeit en de financiële maatregelen van de Deutsche Bank en de Dresdner Bank onder invloed van het naziregime uiteindelijk hebben geleid tot het verlies door Semmel van zijn onderneming en vermogen.

Na zijn vlucht uit Duitsland in 1933 heeft Semmel zich in Nederland gevestigd. Hij is vervolgens in 1939 weer uit Nederland vertrokken, om zich uiteindelijk in 1941 in New York te vestigen. Uit verschillende bronnen kan worden afgeleid dat Semmel in het kader van zijn vlucht uit Duitsland Reichsfluchtsteuer heeft moeten afdragen. Verzoekers hebben gesteld dat Semmel daarnaast Judenvermögensabgabe aan de nazi-autoriteiten heeft betaald.

Semmel heeft een gedeelte van zijn kunstcollectie ingebracht op een veiling van 21 november 1933 bij de firma Frederik Muller & Cie. in Amsterdam. Onder de op deze veiling ingebrachte kunstwerken bevond zich het thans geclaimde schilderij. Uit documentatie die is opgesteld in het kader van een rechtsherstelprocedure van F.F. in Duitsland in de jaren negentig kan worden opgemaakt dat Semmel de opbrengst van de geveilde kunstwerken heeft aangewend om te voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud, om aan diverse financiële verplichtingen in Duitsland die dateerden van voor het naziregime te blijven voldoen en bij pogingen zijn vermogen in Duitsland te behouden. Er zijn geen nadere gegevens bekend over het tijdstip en de wijze waarop de kunstwerken uit de collectie Semmel naar Nederland zijn gebracht.

3.3. F.F. heeft in haar verklaring, hiervoor genoemd in 3.1, vermeld dat zij in 1937 naar Zuid-Afrika is geëmigreerd, terwijl haar moeder Grete Gross-Eisenstädt (de grootmoeder van verzoekers) in 1939 naar Cuba vluchtte, waarna zij zich twee jaar later in New York vestigde. Grete Gross-Eisenstädt kwam in New York weer in contact met de echtelieden Semmel, die aldaar in berooide omstandigheden leefden. Grete Gross-Eisenstädt zou Semmel, die in zeer slechte gezondheid verkeerde, na het overlijden van diens echtgenote in 1945, dagelijks hebben verzorgd. Volgens F.F. is haar moeder door Semmel tot enig erfgename benoemd als dank voor haar zorgen. Ten bewijze hiervan bevindt zich een verklaring van erfrecht van 16 september 1997 in het dossier van de commissie. Op 2 december 1950 overleed Semmel in New York. Grete Gross-Eisenstädt overleed in New York op 22 januari 1958.

3.4. Het onderhavige schilderij is ingebracht in een veiling van 17-20 november 1925 bij de firma Frederik Muller & Cie. te Amsterdam (lotnummer en afbeelding 24). Deze veiling betrof volgens de veilingcatalogus ‘Collections Camillo Castiglioni de Vienne’. Als herkomst wordt bij dit schilderij ‘Collection du comte de Spinola de Gênes’ genoemd. In exemplaren van de veilingcatalogus in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) is in handschrift ‘2000’, ‘3700 en ‘Douwes’ bij het schilderij aangetekend. Waarschijnlijk wordt met ‘Douwes’ de kunsthandel Gebroeders Douwes te Amsterdam bedoeld. In 1930 publiceerde P. Wescher een artikel over de schilderijen uit de collectie Semmel in het kunsttijdschrift Pantheon. De auteur merkte hierin over de betreffende collectie op dat ‘Nur einige wenige Bilder, die aus der Castiglionisammlung stammen’ een Italiaanse oorsprong hebben, waarbij hij onder meer een ‘Halbfigurendarstellung, Jesus und die Samariterin am Brunnen, von Bernardo Strozzi’ noemde. Waarschijnlijk betreft het hierbij het thans geclaimde schilderij, onder meer gezien het feit dat Strozzi verschillende schilderijen met de voorstelling Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron heeft vervaardigd, maar dat hiervan, voor zover bekend, alleen het thans geclaimde kunstwerk tot de collectie Castiglioni heeft behoord.

Het schilderij is ingebracht in een veiling van 21-24 november 1933 bij de firma Frederik Muller & Cie. te Amsterdam. Voor deze veiling heeft de firma volgens informatie van het RKD twee catalogi en twee supplement-catalogi vervaardigd. Het onderhavige kunstwerk wordt vermeld in een catalogus betreffende oude schilderijen ‘provenant de diverses collections privées’ die op 21 november werden geveild (lotnummer en afbeelding 60). Als herkomst van het kunstwerk wordt ‘Collection du comte de Spinola, Gênes / Collection Castiglioni, Vienne, vendue par notre maison en 1925’ vermeld. Op de omslag en het titelblad van een exemplaar van de desbetreffende catalogus uit het RKD is onder de vermelding ‘provenant de diverses collections privées’, met de hand genoteerd: ‘(o.a. R. Semmel uit Berlijn)’. Het is onbekend op welke van de in de catalogus vermelde individuele schilderijen deze opmerking betrekking heeft. Op fotodocumentatie van het RKD en in exemplaren van de catalogus uit de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam en het Rijksmuseum is bij het onderhavige schilderij het bedrag NLG 975,- en ‘Hannema’ / ‘Hannema voor Boymans’ vermeld (zie voor deze naam ook 3.5). Onderzoek van de commissie aan de achterkant van het thans geclaimde schilderij heeft geen nadere herkomstgegevens opgeleverd.

3.5. Het onderhavige schilderij is op de veiling van Frederik Muller & Cie. van 21 november 1933 verworven door Dirk Hannema, destijds directeur van het Museum Boymans te Rotterdam, ten behoeve van zijn moeder Jonkvrouwe Hermine Elise de Stuers. Het Museum heeft met betrekking tot deze verwerving een kopie overgelegd van een kwitantie uit het museumarchief van 2 februari 1934 van het veilinghuis aan Hannema. In deze kwitantie wordt Hannema bedankt voor de goede ontvangst van zijn remise van NLG 1078,- ‘ter voldoening onzer rekening voor door U gekocht in onze veiling van 21 November j.l. schilderij van B. Strozzi’. Na het overlijden van zijn moeder, op 29 maart 1940, erfde Hannema het thans geclaimde schilderij. Op 12 november 1957 richtte hij de Stichting Hannema - de Stuers Fundatie op, om vervolgens op 21 januari 1964 zijn gehele kunstverzameling, waaronder het onderhavige kunstwerk, aan deze stichting te schenken.

3.6. Bij onderzoek door de commissie zijn geen aanwijzingen gevonden dat Semmel of de gerechtigden tot zijn nalatenschap na de oorlog getracht hebben het thans geclaimde schilderij weer in bezit te krijgen, of om schadevergoeding te verkrijgen voor het bezitsverlies. Het onderhavige schilderij wordt niet genoemd in het archief van advocaat Benno J. Stokvis, de vertegenwoordiger van achtereenvolgens Semmel en Grete Gross-Eisenstädt in Nederland, dat aanwezig is in het Stadsarchief Amsterdam. Wel wordt in dit archief verwezen naar verschillende andere kunstwerken uit de collectie Semmel, waaronder voorwerpen die tijdens de bezetting van Nederland (1940-1945) waren ingeleverd bij de Duitse roofinstantie Lippmann, Rosenthal & Co., Sarphatistraat te Amsterdam, waarvoor Semmel na de oorlog rechtsherstel zocht.

4. HET STANDPUNT VAN VERZOEKERS

4.1. Verzoekers hebben gesteld dat het onderhavige schilderij, Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron, door Semmel is ingebracht in de veiling bij firma Frederik Muller & Cie. van 21 november 1933. In dit kader hebben zij onder meer gewezen op de twee bronnen die genoemd worden in 3.4, te weten de catalogus van de veiling van de ‘Collections Camillo Castiglioni de Vienne’ van 17-20 november 1925 bij de firma Frederik Muller & Cie., waarin het onderhavige schilderij wordt vermeld, en het artikel van P. Wescher over de schilderijen uit de collectie Semmel in het kunsttijdschrift Pantheon uit 1930, waarin wordt verwezen naar een ‘Halbfigurendarstellung, Jesus und die Samariterin am Brunnen, von Bernardo Strozzi’ in een passage over ‘Bilder, die aus der Castiglionisammlung stammen’. Daarnaast verwijzen verzoekers naar de veiling bij Frederik Muller & Cie. van 21 november 1933, waar het onderhavige schilderij deel van uitmaakte, en naar de aantekening ‘(o.a. R. Semmel uit Berlijn)’ op de omslag en het titelblad van een exemplaar van de bij deze veiling behorende catalogus uit het RKD.

4.2. Tevens stellen verzoekers dat alle 71 schilderijen (69 lotnummers) uit de catalogus van de veiling bij firma Frederik Muller & Cie. van Semmel afkomstig waren. Deze herkomstnaam kon volgens verzoekers niet door het veilinghuis openbaar worden gemaakt, onder meer omdat Semmel de schilderijen zonder uitvoervergunning uit nazi-Duitsland naar Nederland had overgebracht. Ter verklaring van het feit dat de titel van de veilingcatalogus naar meerdere inbrengers verwijst (‘provenant de diverses collections privées’), stellen verzoekers dat deze verwijzing betrekking heeft op andere kunstwerken die op 21-24 november 1933 bij de firma Frederik Muller & Cie. werden geveild, in het bijzonder op schilderijen die in een supplement-catalogus van het veilinghuis worden genoemd: ‘The plural refers to the supplement catalogue’.

4.3. Verzoekers hebben gesteld dat het thans geclaimde kunstwerk onvrijwillig uit het bezit is geraakt van Semmel als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Zij verklaren dat de economische moeilijkheden waarin Semmel door de toenemende druk van het naziregime verkeerde, hebben geleid tot de verkoop van een gedeelte van zijn collectie, waaronder het onderhavige schilderij. Semmel zag zich volgens verzoekers gedwongen tot de verkoop van kunstwerken op veilingen in Amsterdam, omdat hij liquide middelen nodig had voor zijn pogingen om zijn onderneming in Duitsland te redden: ‘The actions of the National Socialists against Richard Semmel resulted in the enormous damage of his businesses. The “trustee of work” (Treuhänder der Arbeit) was demanding no staff reduction; the options for selling the products were limited due to the boycott of Jewish businesses and increasing demands by the banks. Therefore assets were needed. As there were no other assets left and accessible to him, Richard Semmel started to sell his art collection. The auctions in Amsterdam were caused by the political and “racial” persecution of Richard Semmel by the Nazis in early 1933. In consequence they should be regarded as forced sales’. Daarnaast hebben verzoekers over de veilingopbrengst gesteld: ‘Proceeds of the auction have been used to pay discriminating debts of the Third Reich’.

4.4. Over de mate van inspanning om het onderhavige schilderij na de oorlog te achterhalen, hebben verzoekers gesteld dat Semmel destijds geen informatie had over de verblijfplaats van de schilderijen die in en na 1933 ter veiling waren gebracht. Hij was ernstig ziek en probeerde volgens verzoekers om eigendommen te claimen waarover wel documentatie voorhanden was. Verzoekers weten niet of Semmel de firma Frederik Muller & Cie. om informatie heeft gevraagd over de geveilde schilderijen, terwijl het archief van het betreffende bedrijf niet bewaard is gebleven. Pogingen van hun eigen familie om documentatie over schilderijen uit de collectie Semmel te achterhalen, liepen volgens verzoekers aanvankelijk op niets uit. De zoektocht naar het lot van de collectie Semmel zou een nieuwe impuls hebben gekregen toen hun moeder, F.F., vanaf de jaren negentig een schadevergoedingsprocedure voerde in Duitsland met betrekking tot het vermogen van Semmel.

4.5. Het belang van verzoekers bij het onderhavige schilderij hebben zij omschreven als ‘Getting family history back’. In het gesprek met de commissie op 7 februari 2013 heeft de heer E.E., de echtgenoot van A.A., namens verzoekers verklaard dat de schilderijen uit de collectie Semmel voor hen verbonden zijn met de onderling verweven, door vervolging en vlucht bepaalde geschiedenissen van hun eigen familie en die van Semmel. In dit kader hebben verzoekers verklaard dat hun grootmoeder Grete Gross-Eisenstädt en haar echtgenoot in Berlijn hecht bevriend waren met Semmel en dat de relatie van beide families na hun vlucht uit Duitsland en het uiteenvallen van hun levens weer werd voortgezet in New York, waar Grete Gross-Eisenstädt de zieke en berooide Semmel tot aan zijn overlijden heeft verzorgd. F.F., die naar Zuid-Afrika was gevlucht en haar moeder nooit meer heeft teruggezien, herinnerde zich volgens verzoekers hoe ze als jong meisje de schilderijen in de woning van Semmel had bewonderd. De vele gesprekken met haar over de grandeur en het lot van de collectie Semmel zouden verzoekers hebben doordrongen van de band van hun eigen familie met deze verzameling: ‘Over the years our mother often talked to us about Mr. Semmels art collection, telling us what a grand collection it was. And we began to understand just how important the collection was to Mr. Semmel and how our family was emotionally tied to it. Our mother could never get over that. She used to say how terrible it was that these paintings were stolen from him [...]’. Verzoekers hebben in dit kader gesteld dat zij het als erfgenamen van Semmel rechtvaardig achten om terug te krijgen wat hen rechtens toebehoort. Verzoekers hebben tevens verklaard dat zij de schilderijen uit de collectie Semmel nooit zelf hebben gezien en dat hun moeder zich in het algemeen geen details herinnerde over de schilderijen die zij als kind in de woning van Semmel had gezien.

4.6. Verzoekers hebben tijdens het videogesprek verklaard dat zij nog niet kunnen bepalen wat zij met eventueel te restitueren schilderijen uit de collectie Semmel zullen doen. Een ander schilderij uit de collectie Semmel, dat in 2009 tot de Nederlands Kunstbezit-collectie behoorde en na advies van de commissie is gerestitueerd in de zaak RC 1.75, heeft de familie volgens verzoekers moeten verkopen om de hoge kosten van het langdurige onderzoek te betalen.

4.7. Voorts hebben verzoekers gesteld dat ingeval de commissie zou adviseren het thans geclaimde schilderij aan hen te restitueren, zij eventueel zouden openstaan voor een regeling waardoor het schilderij in het Museum zou kunnen blijven, echter alleen tegen betaling van de fair market value van het schilderij.

5. HET STANDPUNT VAN HET MUSEUM

5.1. Met betrekking tot de herkomst van het schilderij constateert het Museum dat er een lacune is in de herkomstgeschiedenis tussen 1930 en 1933. Het Museum stelt dat het weliswaar duidelijk is dat Semmel in 1930 eigenaar was van dit werk, maar dat niet kan worden uitgesloten dat Semmel het onderhavige schilderij in de periode tussen 1930 en de veiling in 1933 al had verkocht. Daarbij wordt gewezen op het feit dat het niet ongebruikelijk is dat collectioneurs werken verkopen.

5.2. Het Museum verklaart dat zijn stichter, Dirk Hannema, het schilderij heeft aangekocht voor zijn moeder en dat het derhalve nauw verbonden is met de geschiedenis van het Museum. Het Museum verklaart dat Hannema op zijn gevoel aankocht en een persoonlijke band had met de door hem verzamelde kunstwerken. Dit leverde een bijzondere collectie op van circa 3500 objecten met een aantal internationale hoogtepunten. Het Museum heeft twintig cruciale werken in zijn collectie: als ‘diamanten’ aangemerkte werken die samen een overzicht bieden van 500 jaar kunstgeschiedenis. Het Museum stelt dat het onderhavige schilderij van Strozzi binnen deze selectie een belangrijke plaats inneemt. Het kunstwerk is in het Museum tentoongesteld als pendant van het schilderij De dode zwaan van de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder Jan Baptist Weenix en vormt tezamen daarmee het hoogtepunt van de zeventiende-eeuwse presentatie van het Museum. Het Museum verklaart dat de genoemde twee werken twee werelden verbeelden: enerzijds die van de protestantse Republiek en de Reformatie en anderzijds die van het katholieke Italië en de Contrareformatie. Het Museum geeft in dit kader aan dat beide werken bij elkaar horen en de basis van het oude deel van het Museum vormen. Als het Museum het thans geclaimde schilderij zou verliezen, zou het datgene verliezen waardoor het zich onderscheidt van andere grote Nederlandse collecties van werken uit de zeventiende eeuw, namelijk de internationale dimensie. Het Museum stelt voorts dat het schilderij zeer geliefd is bij het publiek.

5.3. Het Museum heeft gesteld dat niet geheel duidelijk is voor welk bedrag het kunstwerk in 1933 op de veiling is aangekocht. Hannema heeft het desbetreffende bedrag volgens het Museum vermoedelijk in termijnen betaald, aangezien dit zijn gewoonte was bij belangrijke aankopen en aangezien de in het archief van het Museum aangetroffen kwitantie (zie 3.5) van enige maanden na de veiling dateert. Voorts heeft het Museum gesteld dat de herkomst Semmel van het schilderij niet aan het Museum bekend was.

5.4. Tot slot heeft het Museum verklaard dat het schilderij vanaf het moment dat het in bezit was van de familie Hannema een aantal restauraties heeft ondergaan.

6. DE TAAK VAN DE COMMISSIE

6.1. Op grond van artikel 2 lid 2 van het Instellingsbesluit heeft de commissie tot taak op verzoek van partijen advies aan hen uit te brengen over geschillen over teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen, en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden. Conform artikel 2 lid 5 van het Instellingsbesluit adviseert de commissie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit advies is een bindend advies in de zin van art. 7: 900 van het Burgerlijk Wetboek.

6.2. De commissie stelt voorop dat zij, conform artikel 3 van het Reglement, bij haar advisering in ieder geval in haar overwegingen kan betrekken de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan, de mate waarin de partij die om teruggave verzoekt zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen, alsmede het tijdstip en de omstandigheden van de verwerving van het bezit door de huidige bezitter en het door hem verrichte onderzoek voor de verwerving. Daarnaast kan het onderscheidenlijke belang van het werk voor de beide partijen en van het openbaar kunstbezit in de overweging worden betrokken. De internationaal en nationaal aanvaarde beginselen, zoals de Washington Principles en de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst, kunnen in de overweging worden betrokken voor zover zij naar de opvatting van de commissie in het concrete geval van overeenkomstige toepassing zijn.

7. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

7.1. De commissie heeft zich ervan vergewist dat het geschil tussen verzoekers en het Museum niet reeds definitief is afgehandeld. Zo is de commissie niet gebleken van een rechterlijke procedure of van een rechterlijke uitspraak inzake het onderhavige geschil. Evenmin hebben verzoekers eerder uitdrukkelijk afstand gedaan van hun rechten op het schilderij. De commissie acht partijen derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

7.2. Verzoekers hebben geen familieband met de oorspronkelijke eigenaar Semmel en stellen gerechtigd te zijn tot de nalatenschap van Richard Semmel als gevolg van het feit dat hun grootmoeder Grete Gross-Eisenstädt bij testament als enig erfgenaam is aangewezen door Semmel.
Tijdens de procedure is naar voren gekomen dat een familielid van het echtpaar Semmel in de jaren negentig heeft getracht de aanspraken van F.F., de moeder van verzoekers, op de nalatenschap van Semmel aan te vechten. De commissie heeft naar aanleiding daarvan nadere vragen gesteld aan verzoekers. Deze vragen zijn door verzoekers afdoende beantwoord door overlegging van drie verklaringen van erfrecht inzake de nalatenschappen van respectievelijk Richard Semmel (d.d. 16 september 1997), Grete Gross-Eisenstädt (d.d. 1 juni 1993) en F.F. (d.d. 13 januari 2011). De commissie concludeert dat verzoekers thans als enigen gerechtigd zijn tot de nalatenschap van Richard Semmel.

7.3. Ten aanzien van de vraag of het schilderij Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron als voormalig eigendom van Semmel kan worden aangemerkt, oordeelt de commissie dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat Semmel dit werk naar alle waarschijnlijkheid in de jaren tussen 1925 en 1930 heeft verworven en heeft ingebracht op de veiling van 21 november 1933. Hiervoor verwijst de commissie allereerst naar de onder 3.4 omschreven catalogus van de veiling van 21 november 1933, waarin het kunstwerk als lotnummer en afbeelding 60 is opgenomen. De titel van de veilingcatalogus duidt op meerdere anonieme inbrengers (‘provenant de diverses collections privées’). De aantekening ‘o.a. R. Semmel uit Berlijn’ op een geannoteerde versie van de catalogus en het door de commissie verrichte herkomstonderzoek (zie hierna), duiden erop dat Semmel in elk geval een aanzienlijk deel van de kunstwerken op deze veiling heeft ingebracht. Dat ook het onderhavige schilderij uit zijn collectie kwam, blijkt naar het oordeel van de commissie uit het volgende.
Als herkomst in de bovengenoemde veilingcatalogus van 21 november 1933 is bij het schilderij van Strozzi het volgende vermeld: ‘Collection du comte de Spinola, Gênes / Collection Castiglioni, Vienne, vendue par notre maison en 1925’. Deze herkomstvermelding komt overeen met het feit dat het schilderij is vermeld in de catalogus van ‘Collections Camillo Castiglioni de Vienne’, die op 17-20 november 1925 bij Frederik Muller & Cie. werd gehouden. De verwijzing naar de Castiglionisammlung bij het schilderij ‘eine Halbfigurendarstellung, Jesus und die Samariterin am Brunnen, von Bernardo Strozzi’ in het in 3.4 genoemde Pantheon-artikel uit 1930 betreffende schilderijen uit de collectie Semmel, bevestigt naar het oordeel van de commissie dat het thans geclaimde schilderij in bezit van Semmel was.

Naar aanleiding van de stelling van verzoekers dat alle 71 schilderijen op de veiling van 21 november van Semmel afkomstig waren (zie onder 4.2) overweegt de commissie het volgende. De commissie heeft naar aanleiding van deze stelling steekproefsgewijs nader onderzoek in het RKD verricht naar vijf niet tot de onderhavige claim behorende schilderijen uit deze catalogus. Het betreft kunstwerken waarvan op basis van hun kwaliteit verwacht kan worden dat hierover nadere herkomstgegevens te vinden zijn. Bij dit onderzoek zijn voor drie van de vijf kunstwerken aanwijzingen gevonden dat deze op enig tijdstip deel hebben uitgemaakt van de collectie Semmel. Bij de twee overige kunstwerken zijn hier geen aanwijzingen voor gevonden, doch evenmin is voor deze beide schilderijen gevonden wie destijds wel als eigenaar kon worden aangemerkt. Op basis hiervan concludeert de commissie dat een aanzienlijk aantal, maar niet alle werken met zekerheid een herkomst Semmel hebben. Hiermee is de juistheid van de stelling van verzoekers niet aangetoond. Niettemin kunnen de resultaten van het dienaangaande verrichte onderzoek positieve steun verlenen aan de mate van waarschijnlijkheid van Semmels eigendom, nu die waarschijnlijkheid uit andere bronnen kan worden afgeleid.

Gezien de aanwijzingen dat het werk in 1930 en in 1933 tot de collectie van Semmel behoorde, acht de commissie de mogelijkheid dat hij het werk in deze tussenliggende periode zou hebben verkocht, een mogelijkheid waar het Museum op heeft gewezen, verwaarloosbaar klein.

7.4. Met betrekking tot de aard van het bezitsverlies overweegt de commissie het volgende. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat Semmel reeds in een zeer vroeg stadium tijdens het naziregime werd vervolgd. Verzoekers hebben betoogd dat dit te maken had met Semmels betrokkenheid bij de Deutsche Demokratische Partei, maar vooral ook met het feit dat hij een joodse eigenaar was van een grote textielfabriek in Berlijn. De commissie acht het aannemelijk dat het streven van de nazi-autoriteiten naar beheersing en arisering van de textielindustrie Semmel tot een belangrijk doelwit heeft gemaakt, en dat de druk die in verband hiermee door het naziregime op Semmel persoonlijk en op zijn onderneming werd uitgeoefend uiteindelijk heeft geleid tot het verlies van zijn bedrijf en vermogen. Ook acht de commissie het in het licht van het feitencomplex aannemelijk dat Semmel zich gedwongen heeft gezien om zijn kunstcollectie te gelde te maken omdat hij acuut liquide middelen nodig had. Semmel moest zijn onderneming overeind houden en daarnaast in het levensonderhoud voorzien van zichzelf, zijn gezin en anderen die van hem afhankelijk waren. De commissie concludeert dan ook dat de verkoop van zijn schilderijen op de veiling bij Frederik Muller & Cie. in 1933, hoewel op het eerste gezicht ingegeven door economische factoren, niet los kan worden gezien van de vervolging van Semmel door het naziregime in Duitsland. De commissie oordeelt derhalve dat deze verkoop als onvrijwillig dient te worden aangemerkt.

7.5. De commissie komt vervolgens toe aan de positie van het Museum. Naar Nederlands recht moet het ervoor worden gehouden dat het Museum sinds 1964 eigenaar is van het schilderij Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron, toen het werk door Hannema, de oprichter van het Museum, als deel uitmakende van zijn gehele verzameling aan het Museum werd geschonken. Hannema had het kunstwerk op zijn beurt in 1933 ten behoeve van de collectie van zijn moeder Hermine Elise De Stuers verworven op de veiling te Amsterdam. De commissie heeft geen enkele aanwijzing dat het Museum bij de verkrijging van het werk onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar het oordeel van de commissie kan Hannema dit verwijt evenmin worden gemaakt bij de aankoop van het werk in 1933. Een aankoop in november 1933 op een veiling te Amsterdam, zeven jaar voor de Duitse inval in Nederland behoefde geen vragen op te roepen. De herkomst Semmel van dit werk was niet aan het Museum bekend.

7.6. Thans komt de commissie toe aan een afweging van de belangen van partijen bij teruggave respectievelijk behoud van het schilderij. Op dit punt overweegt de commissie als volgt.
Het belang van verzoekers bij teruggave van het onderhavige schilderij, enerzijds, is het terughalen van familiegeschiedenis (‘Getting family history back’) waarbij verzoekers hebben gewezen op de hechte vriendschap tussen hun grootmoeder Grete Gross-Eisenstädt en het echtpaar Semmel. Door de onderling verweven, door vervolging en vlucht bepaalde geschiedenissen van hun eigen familie en die van het echtpaar Semmel, is het werk met hen verbonden. Als erfgenamen van Semmel achten verzoekers het daarnaast rechtvaardig om terug te krijgen wat hun toebehoort.

Anderzijds wordt het belang van het Museum bepaald door het feit dat het schilderij van Strozzi binnen de collectie en geschiedenis van het Museum een prominente plaats inneemt. Het vormt een internationaal hoogtepunt van de zeventiende-eeuwse presentatie in de vaste opstelling van het Museum en blijkt bij het publiek zeer geliefd. Door het verlies van dit schilderij zou, in de woorden van de directeur van het Museum, een internationaal topstuk verloren gaan en daarmee datgene wat zijn collectie onderscheidt van andere Nederlandse collecties. Het schilderij is door Hannema op de veiling van 21 november 1933 aangekocht voor zijn moeder, waardoor het nauw verbonden is geraakt met de (familie)geschiedenis van het Museum.

7.7. Oordelend naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid komt de commissie tot de conclusie dat, ondanks het onvrijwillige karakter van het bezitsverlies door Semmel in 1933, het door verzoekers aangevoerde belang bij teruggave van het geclaimde schilderij onvoldoende gewicht in de schaal legt om het eigendomsrecht van dit werk voor het Museum terzijde te schuiven.
Verzoekers staan niet in familierelatie tot Richard Semmel, hebben hem nooit gekend en hebben geen herinneringen aan het schilderij. Dat de kunstcollectie van groot belang moet zijn geweest voor Semmel staat los van het belang van het werk voor verzoekers aangezien de bijzondere vriendschap tussen Semmel en hun grootmoeder Grete Gross-Eisenstädt naar het oordeel van de commissie niet door de kunstcollectie van Semmel of dit werk wordt belichaamd. Daarbij komt een relatief kortdurend bezit van Semmel (in de jaren 1925-1930 verworven en in 1933 geveild, zie 3.4) en het feit dat uit niets blijkt dat Semmel of zijn erfgenaam in een eerder stadium pogingen heeft ondernomen om het schilderij terug te vinden.
De commissie is daartegenover van oordeel dat het Museum overtuigend heeft aangetoond dat het behoud van het schilderij van groot belang is voor de collectie van het Museum en het museumpubliek. Het kunstwerk maakt sinds het ontstaan van het Museum deel uit van de collectie - en daarvoor van de familiecollectie van de oprichters - en bekleedt daarin een centrale rol.

Gelet op het bovenstaande is de commissie van oordeel dat het Museum het schilderij Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron niet hoeft terug te geven aan verzoekers.

7.8. De commissie verbindt aan dit oordeel de aanbeveling aan het Museum om door middel van een bijschrift bij het schilderij, een publicatie, een tentoonstelling of anderszins aandacht te besteden aan de geschiedenis van de voormalige eigenaar Richard Semmel en het lot van zijn collectie. De commissie laat het aan het Museum over op welke manier het hieraan invulling wil geven.


BINDEND ADVIES

Het Museum is niet gehouden tot teruggave van het schilderij Christus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Bernardo Strozzi aan verzoekers noch tot betaling van enige compensatie.

Dit bindend advies is gegeven op 25 april 2013 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, R. Herrmann, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)