Hiegentlich

NK302-A-B: twee miniatuur muiltjes (foto: RCE)

Advies inzake Hiegentlich

Dossiernummer: 
1.116
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
14 november 2011
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 4 augustus 2009 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van H.W. (hierna: verzoekster) van 6 juli 2009 tot teruggave van keramische objecten, die na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland zijn gerecupereerd en thans deel uitmaken van de rijkscollectie. Verzoekster is een kleindochter van Aron Salomon Hiegentlich (hierna: Hiegentlich), aan wie de objecten tijdens de Tweede Wereldoorlog zouden hebben toebehoord. Dit advies betreft:

-       twee miniatuur muiltjes van geglazuurd aardewerk met polychroom decor (NK 302 A-B),
-       een schaal van geglazuurd porselein en blauwwit decor met bloemen (NK 915),
-       een schaal van geglazuurd porselein en blauwwit decor met bloemtakken (NK 936 B), en
-       een schotel van geglazuurd aardewerk en blauwwit decor met landschap en pauw in Wan Li stijl (NK 941).

DE PROCEDURE

De aanleiding van het restitutieverzoek vormde correspondentie van Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) met verzoekster, daterend uit 2007. Uit die correspondentie bleek dat BHG op zoek was naar erfgenamen van de antiquair Hiegentlich in verband met een achttal keramische objecten die na de oorlog naar Nederland waren gerecupereerd. Naar aanleiding hiervan diende verzoekster een restitutieverzoek in voor wat betreft alle acht objecten, te weten NK 302 A-B, NK 303 A-B, NK 935 A-B, NK 915 en NK 941, en dit verzoek legde de minister voor aan de Restitutiecommissie. Bij brief van 15 februari 2010 liet de minister de commissie echter weten dat sommige geclaimde objecten (NK 303 A-B en NK 935 A) zich niet meer in de rijkscollectie bevinden en dus feitelijk niet kunnen worden gerestitueerd. De minister heeft zijn adviesaanvraag voor die objecten ingetrokken.
Naar aanleiding van de adviesaanvraag van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 7 maart 2011. Dit is bij brieven van 11 maart 2011 door de commissie voor commentaar toegezonden aan verzoekster en voor feitelijke aanvulling voorgelegd aan de minister. De minister heeft op 4 april 2011 en verzoekster op 18 april 2011 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 19 september 2011.Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het betreffende rapport.
Verzoekster verblijft in het S.C. in A. en wordt vertegenwoordigd door R.v.P., bewindvoerder van verzoekster.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekster vraagt restitutie van de keramische objecten NK 302 A-B, NK 915, NK 936 B en NK 941 in haar hoedanigheid van erfgename van haar grootvader Hiegentlich. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van een aantal erfrechtelijke stukken, op grond waarvan de commissie geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de status van verzoekster als erfgename van Hiegentlich.

    Verzoekster stelt dat de geclaimde objecten afkomstig zijn uit de kunsthandel van haar grootvader Hiegentlich en dat die onder bedenkelijke omstandigheden terecht zijn gekomen bij de Duitse kunsthandelaar M. Lempertz te Keulen.

  2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Hiegentlich werd op 22 mei 1868 in Assen geboren en was van joodse afkomst. Hij trouwde in 1893 met Hannie de Löwe (1864-1934), uit welk huwelijk hun zoon Salomon Jacob en hun dochter Esther werden geboren.

    Hiegentlich had sinds 1893 een antiekhandel aan de Spiegelgracht 7 te Amsterdam (tot 1925 aan de Spiegelgracht 9), een relatief kleine eenmanszaak, waarin ook zijn zoon werkzaam was. Hiegentlich en zijn gezin woonden boven de antiekhandel.

    Zijn dochter Esther trouwde in 1929 met de Duitser Leo Wolff en verhuisde naar Duitsland. Eind jaren dertig vluchtte zij met haar gezin naar Nederland waarna ze (tijdelijk) bij Hiegentlich inwoonden. Het in 1941 voltrokken huwelijk van Hiegentlichs zoon Salomon Jacob met Judith Katoen bleef kinderloos. Zij doken onder en hebben de oorlog overleefd. Eind 1942 is Hiegentlich zelf vanuit zijn woning in Amsterdam weggevoerd. Hij is vervolgens op 22 januari 1943 vanuit de psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bosch naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij op 25 januari 1943 omkwam. Zijn dochter Esther, haar echtgenoot en hun beide zonen kwamen in november 1943 en maart 1944 in of nabij Auschwitz om het leven. De enige van het gezin Wolff-Hiegentlich die de oorlog heeft overleefd is verzoekster, die in Friesland ondergedoken was.

  3. Omdat de administratie van de antiekhandel na de oorlog was verdwenen en Hiegentlich zelf de oorlog niet overleefde, ontbreekt een goed overzicht van de gebeurtenissen tijdens de oorlog. Bovendien gaat het in het geval van de handelsvoorraad van Hiegentlich om moeilijk identificeerbare voorwerpen van toegepaste kunst. Op basis van de onderzoeksresultaten kan echter de volgende lijn worden gereconstrueerd.

    Hiegentlich kon na de Duitse inval niet rekenen op een zekere mate van bescherming tegen anti-joodse maatregelen, zoals bij sommige andere joodse kunsthandelaren wel het geval was. Het is onduidelijk of hij vanaf de aanvang van de bezetting nog actief kon handelen. Er zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen aangetroffen dat hij na mei 1940 nog voorwerpen heeft verworven. Nadat de bezetter op 12 maart 1941 de zogenaamde Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven had uitgevaardigd, volgde een periode die leidde tot de opheffing van de antiekhandel van Hiegentlich op 17 oktober 1941. Hiegentlich deed van deze opheffing opgave aan het Handelsregister op 3 september 1942, vermoedelijk vlak voordat hij weggevoerd werd. Deze datum van opheffing van de kunsthandel per 17 oktober 1941 wordt bevestigd in een brief van 28 maart 1950 van zijn zoon Salomon Jacob, waarin deze meedeelt dat ‘onze zaak den 17 Oct. 1941 door de Duitschers geliquideerd is’.

    Mogelijk is de kunsthandel vanaf de opheffing op 17 oktober 1941 een periode verzegeld geweest door de nazi's, zoals ook gebeurde met de twee panden verder aan de Spiegelgracht gelegen kunsthandel van Mozes Mogrobi, eveneens een eenmanszaak (zie RC 1.37).

    Omnia Treuhand GmbH, een Duitse roofinstelling, werd vervolgens op 12 november 1942 door de nazi-autoriteiten ingezet als Treuhänder (beheerder) in verband met de liquidatie van het bedrijf van Hiegentlich. Een deel van de handelsvoorraad van Hiegentlich lijkt op dat moment nog aanwezig te zijn geweest. Omnia confisqueerde en verkocht voorwerpen uit de handelsvoorraad. Aanwijzingen hiervoor zijn taxaties van de handelsvoorraad van Hiegentlich, uitgevoerd omstreeks 21 november 1942 en 26 januari 1943 in opdracht van Omnia, en een betaling door veilinghuis Dorotheum te Wenen van een bedrag van NLG 28.697,52 op de in verband met de liquidatie van Hiegentlich door Omnia geopende rekening. Dit laatste duidt op een grootschalige verkoop van voorwerpen uit de antiekhandel van Hiegentlich door Omnia bij of aan Dorotheum.

  4. Uiteindelijk is het woonhuis van Hiegentlich boven de antiekhandel op 22 maart 1943 leeggeroofd (gepulst). De commissie acht het waarschijnlijk dat op dat moment eventueel nog aanwezige voorwerpen in het onder het woonhuis gelegen winkelpand, bij deze gelegenheid eveneens zijn geroofd.

  5. Voor zover de commissie bekend, is door de familie van Hiegentlich die de oorlog had overleefd in de naoorlogse periode geen aangifte gedaan van vermissing van kunstvoorwerpen. Op verzoeken van de naoorlogse restitutieautoriteiten om inlichtingen over voorwerpen die mogelijk tot de handelsvoorraad van Hiegentlich hadden behoord, kon de zoon van Hiegentlich slechts melden dat hij zich 'met geen mogelijkheid kon herinneren' welke voorwerpen tijdens de oorlog waren verkocht. Er zijn evenmin aanwijzingen dat zou zijn afgezien van rechten op de thans geclaimde objecten. Van een eerder afgehandelde zaak is daarom geen sprake, en de commissie acht verzoekster ontvankelijk in haar restitutieverzoek.

  6. De commissie overweegt dat Hiegentlich zich als antiquair (ook) heeft bezig gehouden met de kunsthandel, zodat het restitutieverzoek in het kader van het geldende rijksbeleid ter zake moet worden beoordeeld naar de Aanbevelingen voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart (2003). Hiervoor is allereerst noodzakelijk dat in hoge mate aannemelijk is dat de geclaimde voorwerpen tot de handelsvoorraad van Hiegentlich behoorden. Vervolgens dient te worden onderzocht of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies als bedoeld in de Aanbevelingen voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart. Indien, zoals in het geval van Hiegentlich, aangifteformulieren bij de naoorlogse rechtsherstelautoriteiten ontbreken, kan de vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid van onvrijwillig bezitsverlies ook worden aangenomen indien sprake is geweest van diefstal, confiscatie of dwang. Aanbeveling 4 houdt in dat bij de beoordeling van aanwijzingen daarvoor de ten aanzien van joodse handelaren bedreigende algemene omstandigheden dienen te worden verdisconteerd. Aanbeveling 6 verstaat onder onvrijwillige verkoop onder meer verkoop door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde voorraden. Volgens de toelichting van de Commissie Ekkart op deze aanbevelingen dient bij afwezigheid van harde bewijsstukken soepelheid te worden betracht en dienen aanwijzingen die onvrijwillig bezitsverlies waarschijnlijk maken, ruimhartig te worden gehanteerd.

    Identificatie van de voorwerpen als eigendom Hiegentlich

  7. Met betrekking tot de eigendom van de geclaimde objecten heeft het onderzoek van de commissie uitgewezen dat de geclaimde objecten waarschijnlijk in de periode tussen 1941 en 1944 in Nederland zijn verworven door de firma ‘Math. Lempertz/Buchhandlung und Antiquariat’ te Keulen. Dit bedrijf was tijdens de oorlog actief op de Nederlandse kunstmarkt en was tevens een van de belangrijkste afnemers van bij de roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co. ingeleverd joods kunstbezit. In het archief van de SNK is een lijst aangetroffen met als opschrift ‘LISTE A DER NOCH VORHANDENEN, IN HOLLAND ERWORBENEN KUNSTGEGENSTÄNDE IM BESITZE DER FIRMA MATH. LEMPERTZ, KÖLN, SCHILDERGASSE 107/9’ (hierna: de Lempertz-lijst). De lijst behoort bij een verklaring gedateerd ‘Köln, den 30.6.46’, opgemaakt door de eigenaar van Lempertz, Josef Hanstein. In die verklaring vermeldt Hanstein dat Lempertz de voorwerpen op de lijst in de periode 1941-1944 ‘in Holland bei folgenden Firmen, teils auf Versteigerungen’ had verworven. Hierna volgen de nummers 1 tot en met 12 met daarachter twaalf namen, waaronder ‘2. Hiegentlich, Amsterdam, Nieuwe Spiegelstraat’. Voorts verklaart Hanstein dat hij niet voor alle voorwerpen meer met zekerheid kon zeggen van wie hij deze had verkregen, in verband met het verloren gaan van zijn bedrijfsadministratie tijdens de oorlog. Voor zover hij zich nog herinnerde van welke handelaren hij de op de lijst vermelde objecten had gekocht, had hij dit ‘durch Beifügung einer der obigen Zahlen 1 bis 12’ aangegeven. Dat er handelsbetrekkingen bestonden met Lempertz wordt bevestigd door een brief van 9 april 1950 van de zoon van Hiegentlich aan de SNK, waarin hij schreef zich te herinneren dat zijn vader aan Lempertz te Keulen ‘eenige kleine dingen’ verkocht had. Of het bij deze transactie om de thans geclaimde voorwerpen ging, is onbekend: 'Ik herinner mij nog wel dat mijn vader aan Lempertz enige kleine dingen verkocht heeft. Dat is dan gebeurd voor den 16 October 1941. [..] De zaak is geliquideerd en de boeken zijn weg. Gaarne zou ik u alle mogelijke inlichtingen willen geven. Maar ik kan mij met geen mogelijkheid herinneren wat het geweest is'.

  8. De geclaimde objecten zijn blijkens het onderzoeksrapport alle te herleiden tot de Lempertz-lijst.

    a. NK 302 A-B – Twee miniatuur muiltjes van geglazuurd aardewerk met polychroom decor, Delft, eerste helft 18e eeuw, aardewerk.

    Met betrekking tot deze objecten wordt in de SNK-documentatie het kengetal 3089 genoemd. Dit getal verwijst waarschijnlijk naar het nummer waaronder de objecten zijn opgenomen op de Lempertz-lijst. Op de lijst worden met ‘Erkennungsmerkmal 3089’ vermeld: ‘2 polychrome Delfter Schuhe’. Aangezien voor de omschrijving van de objecten het cijfer 2 is geplaatst, zijn deze objecten volgens de Lempertz-lijst waarschijnlijk verworven van Hiegentlich.

    b. NK 915 – Schaal van geglazuurd porselein en blauwwit decor met bloemen, China, 18e eeuw

    Met betrekking tot de schaal NK 915 zijn in de documentatie van de SNK verschillende kengetallen vermeld, die ook zijn aangetroffen op de Lempertz-lijst, namelijk 3308 en 3328/3329. Op de Lempertz-lijst is onder Erkennungsmerkmal 3308 een ‘Delfter Teller, blau-weiss’ zonder code vermeld en onder Erkennungsmerkmal 3328/3329 een ‘blaue China-Teller’, waarbij de code 2 is genoteerd.

    De vraag doet zich voor welke van de kengetallen (3308 of 3328/3329) betrekking zou kunnen hebben op NK 915. De inventariskaart van de SNK vermeldt dat op de achterzijde van NK 915 het merkteken ‘L 3329’ geschreven staat. Behalve dit merkteken op de achterzijde van NK 915 wijst ook het materiaal waarvan NK 915 is gemaakt (porselein) erop dat NK 915 niet een in Delft gemaakt bord (3308 op de Lempertz-lijst) is, maar een Chinese schaal (3328/3329 op de Lempertz-lijst).[1]

    De conclusie is dat de omschrijving van NK 915 als ‘Delfts bord, blauw wit/3308’ op een intern SNK-aangifteformulier vermoedelijk op een vergissing berust en dat het waarschijnlijk is dat NK 915 kan worden geïdentificeerd met het waarschijnlijk bij Hiegentlich verworven object 3329 op de Lempertz-lijst.

    c. NK 936 B – Schaal van geglazuurd porselein en blauwwit decor met bloemtakken en bruine achterzijde, China, 18e eeuw

    Met betrekking tot schaal NK 936 B wordt in documentatie van de SNK het nummer L 3327 genoemd, dat waarschijnlijk verwijst naar de Lempertz-lijst. Op die lijst worden onder 3327 ‘blaue China-Teller’ vermeld, met de code ‘2’, die wijst op een herkomst Hiegentlich.

    d. NK 941 – Schotel van geglazuurd aardewerk en blauwwit decor met oeverlandschap en pauw in Wan Li stijl, Delft, 18e eeuw

    Ook met betrekking tot dit object worden in de door de commissie geraadpleegde documenten twee kengetallen genoemd, die waarschijnlijk naar nummers op de Lempertz-lijst verwijzen: 3336 en 1319. Onder nummer 3336 op de Lempertz-lijst wordt vermeld: ‘China-Schüssel, blau-weiss’ met code ‘2’, derhalve waarschijnlijk afkomstig van Hiegentlich. Volgens de inventariskaart van de SNK staat op de achterzijde van de schotel in inkt ‘L 1319’ geschreven. Op de Lempertz-lijst vinden we onder 1319 de vermelding ‘Delfter Pfauenschwanz-Schüssel’. Bij dit nummer staat geen herkomstcode vermeld, hetgeen er op wijst dat Lempertz niet in staat was de herkomst van nummer 1319 aan te geven. Er zijn argumenten om NK 941 eerder te identificeren met nummer 1319 dan met nummer 3336 van de Lempertz-lijst. In de eerste plaats vanwege het op de achterzijde van NK 941 met inkt aangebrachte merkteken L 1319. In de tweede plaats, omdat NK 941 een Delfts aardewerken schotel is, hetgeen wel klopt met de omschrijving op de Lempertz-lijst van nummer 1319 (Delfter Pfauenschwanz-Schüssel), maar niet met de omschrijving van nummer 3336 (‘China-Schüssel’). In de derde plaats omdat nummer 1319 wordt beschreven als een ‘Pfauenschwanz-Schüssel’, hetgeen klopt met de voorstelling van een pauw op NK 941. Met betrekking tot de herkomst van nummer 1319 op de Lempertz-lijst kan, bij ontbreken van een herkomstcode, niet meer worden gezegd dan dat het object waarschijnlijk door Lempertz is gekocht bij een van de twaalf door Hanstein in zijn verklaring genoemde instanties, waaronder de roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co.

    Samenvattend acht de commissie in hoge mate aannemelijk dat vier van de vijf objecten waarop dit advies betrekking heeft (NK 302 A-B, NK 915 en NK 936 B) in de oorlog eigendom van Hiegentlich zijn geweest en tot diens handelsvoorraad hebben behoord. Voor het object NK 941 acht zij een herkomst van Hiegentlich mogelijk, maar niet in hoge mate aannemelijk. Met betrekking tot NK 941 zal het advies van de commissie dan ook tot afwijzing van het restitutieverzoek luiden.

    Beoordeling van de onvrijwilligheid van het bezitsverlies

  9. De wijze en het tijdstip waarop Hiegentlich het bezit van de geclaimde objecten NK 302 A-B, NK 915 en NK 936 B verloor, heeft de commissie niet kunnen vaststellen. In het licht van de verklaring van Hanstein (zie hiervoor onder 7) in samenhang met de Lempertz-lijst, dient te worden aangenomen dat het bezit van de objecten op enig moment in de periode tussen 1941-1944 op Lempertz is overgegaan, direct dan wel via een derde. Dit betekent dat de commissie rekening dient te houden met de volgende mogelijkheden:

    a.           het betrof een verkoop in de periode van tien maanden tussen januari 1941 en 17 oktober 1941 waarbij Hiegentlich persoonlijk betrokken kan zijn geweest;
    b.           het betrof een aankoop van Lempertz in het tijdsbestek van drie jaar (17 oktober 1941 tot 1944) nadat de opheffing van het bedrijf van Hiegentlich een feit was.

    Voor zover de verkopen van de geclaimde voorwerpen na 17 oktober 1941 hebben plaats gehad (mogelijkheid b), moet naar het oordeel van de commissie onvrijwillig bezitsverlies zonder meer worden aangenomen. De gebeurtenissen, in overweging 2 beschreven, duiden immers op een bezitsverlies dat naar alle waarschijnlijkheid zijn beslag heeft gekregen door confiscatie door de Duitse roofinstelling Omnia, dan wel door roof van de overgebleven voorwerpen tijdens het 'pulsen' van de boven de antiekzaak van Hiegentlich gelegen woning in 1943 (zie hiervoor onder 2).

    Voor wat betreft de beoordeling van het bezitsverlies door Hiegentlich in de periode daarvoor (mogelijkheid a) overweegt de commissie het volgende.

    Allereerst gaat het in het geval Hiegentlich om een relatief kleine eenmanszaak van een joodse eigenaar die niet, zoals sommige collega’s, bijzondere bescherming genoot tegen anti-joodse maatregelen. Voor wat betreft de periode vanaf 12 maart 1941, wijst de commissie op het belang van de 'Verordening tot de verwijdering van joden uit het bedrijfsleven'. De afkondiging van deze maatregel zal de vrijheid van handelen van joodse handelaren zoals Hiegentlich op zijn minst ernstig hebben bemoeilijkt. Daarnaast is het aannemelijk dat Hiegentlich in deze periode ten overstaan van de Duitse koper Lempertz extra druk zal hebben gevoeld gezien de bedenkelijke reputatie van Lempertz in de oorlogsjaren (zie hiervoor ‘Investigation report on the auction house M. Lempertz-Cologne’ van 12 mei 1947).

    De mogelijkheid bestaat dat de voorwerpen met instemming van Hiegentlich in de periode van twee maanden tussen januari 1941 en maart 1941 zijn verkocht aan Lempertz. Gelet op de korte duur van deze periode terwijl het ontbreken van voldoende informatie sedert het begin van de bezetting naar het oordeel van de commissie niet volledig voor risico van de verzoekster behoort te komen, meent zij dat deze mogelijkheid niet opweegt tegenover de hiervoor met meer zekerheid en over een veel langere periode vastgestelde feiten en omstandigheden.

  10. Een en ander overziende, en gelet op het beleidskader dat de commissie in haar beslissingen dient te hanteren (zie hiervoor onder 6), komt de commissie tot de conclusie dat het in hoge mate waarschijnlijk is dat Hiegentlich het bezit van de hiervoor onder 8 a, b en c genoemde werken onvrijwillig heeft verloren.

CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om
-          de keramische objecten Twee miniatuur muiltjes van geglazuurd aardewerk met polychroom decor (NK 302 A-B), Schaal van geglazuurd porselein en blauwwit decor met bloemen (NK 915 ) en Schaal van geglazuurd porselein en blauwwit decor met bloemtakken en bruine achterzijde (NK 936 B) te restitueren aan de erfgenamen van Aron Salomon Hiegentlich;
-          het verzoek tot teruggave van het keramisch object Schotel van geglazuurd aardewerk en blauwwit decor met oeverlandschap en pauw in Wan Li Stijl (NK 941) af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 14 november 2011 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)


[1]     Een voorwerp wordt ‘Delfts’ genoemd, wanneer het van relatief zacht gebakken en geglazuurd aardewerk is gemaakt. De herkomst is dan Noord-Nederlands. Een voorwerp wordt meestal ‘Chinees’ genoemd wanneer het, zoals NK 915, van (hard) porselein is gemaakt: een materiaal dat tot ver in de 18e eeuw exclusief in China werd geproduceerd.