Spring naar content
Advies inzake Orde van Vrijmetselaren

Orde van Vrijmetselaren

Dossiernummer: RC 1.201

Soort advies: NK-collectie

Adviesdatum: 23 juni 2025

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: Orde van Vrijmetselaren

Plaats bezitsverlies: In Nederland

NK2856 – Fruitstilleven door Johannes Bosschaert (foto: RCE)

  • Schilderij Fruitstilleven door Johannes Bosschaert

Samenvatting

De Restitutiecommissie heeft een verzoek beoordeeld tot teruggave van het schilderij Fruitstilleven van de hand van de zeventiende-eeuwse schilder Johannes Bosschaert (ca. 1606–1628). Het schilderij maakt deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (NK-collectie), de verzameling kunstvoorwerpen die na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland is teruggevoerd.

Het verzoek is ingediend door de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. Het onderzoek dat is verricht door het Expertisecentrum Restitutie NIOD (ECR), waarbij gebruik is gemaakt van het onderzoek van kunsthistoricus mw. dr. Andrea Kroon, wijst uit dat het schilderij zichtbaar is op een groepsfoto van het hoofdbestuur van de Orde uit 1938.  Aanvullend fotomateriaal ondersteunt de conclusie dat de opname is gemaakt in het logegebouw aan de Fluwelen Burgwal te Den Haag.

Tijdens de bezetting werd de Orde door de Duitse bezetter verboden en haar bezit onder dwang geliquideerd. In juni 1944 werd het schilderij verkocht aan de Duitse rijksambtenaar dr. Erhard Göpel ten behoeve van de Sonderauftrag Linz, een organisatie die zich bezighield met de verwerving van kunstvoorwerpen voor een op te richten Führermuseum. De verkoop werd afgehandeld via restaurator Hendrik Schuuring. In mei 1944 was het schilderij op verzoek van Schuuring gefotografeerd door kunstfotograaf Lex Dingjan. In de beelddocumentatie van gelijktijdig gefotografeerde schilderijen wordt als herkomst “verz. Arntzenius” vermeld.

Willem Nicolaas Arntzenius was vanaf 1925 als conservator verbonden aan de Orde en speelde na de oorlog een centrale rol bij pogingen van de Orde om haar bezit te recupereren. In naoorlogse documentatie van de Orde bevindt zich correspondentie van zijn hand. Hoewel het schilderij daarin niet afzonderlijk wordt vermeld, blijkt uit meerdere bronnen dat Arntzenius tijdens de bezetting kunstobjecten uit het logegebouw in veiligheid bracht.

Na de oorlog werd het schilderij uit Duitsland gerecupereerd en opgenomen in de NK-collectie. De Orde heeft het werk niet afzonderlijk bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) als vermist opgegeven. In SNK-documentatie is als herkomst van het schilderij “verz. Arntzenius, Den Haag” genoteerd. Mede gelet op het bovenvermelde ziet de commissie géén reden om aan te nemen dat het schilderij aan Arntzenius persoonlijk toebehoorde.

Op grond van het onderzoek oordeelt de commissie dat het in hoge mate aannemelijk is dat het schilderij eigendom was van de Orde van Vrijmetselaren. Daarnaast acht de commissie het voldoende aannemelijk dat de Orde het bezit van het schilderij onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

De commissie heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geadviseerd het schilderij te restitueren aan de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.

Advies inzake Orde van Vrijmetselaren

De Staatssecretaris van Cultuur en Media (hierna: de staatssecretaris) heeft de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) gevraagd advies uit te brengen over een verzoek tot teruggave van het schilderij Fruitstilleven door Johannes Bosschaert (hierna: het Schilderij), dat onder inventarisnummer NK 2856 deel uitmaakt van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: de NK-collectie). De staatssecretaris heeft zich in deze zaak laten vertegenwoordigen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna ook: RCE).

Het verzoek tot teruggave is gedaan door de Orde van Vri1jmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, vertegenwoordigd door de heer L. Jonkers, Grootmeester van de Orde (hierna ook: Verzoeker). Verzoeker wordt bijgestaan door kunsthistoricus mevrouw dr. A. Kroon, die onderzoek doet naar de vermiste museumcollectie van de Nederlandse vrijmetselaarsloges, die rond 1940 door de nazi’s werd geroofd.

  1. Het verzoek

Bij brief van 17 januari 2023 heeft de RCE, namens de staatssecretaris, de commissie verzocht advies uit te brengen over het verzoek tot teruggave van het Schilderij. Aanleiding hiervoor is het restitutieverzoek van Verzoeker, zoals opgenomen in een brief van 2 december 2022. Dit verzoek is mede ingegeven door het lopende onderzoek van kunsthistoricus Kroon. Het Schilderij zou oorspronkelijk eigendom van Verzoeker zijn geweest. Over het bezitsverlies van het Schilderij stelt Verzoeker dat het onvrijwillig is verloren ten tijde van het naziregime.

2. De procedure en het toepasselijke beoordelingskader

De commissie heeft Verzoeker bij brief van 24 januari 2023 geïnformeerd over het adviesverzoek van de staatssecretaris en op 31 maart 2023 ingelicht over de procedure en het reglement van de commissie. De commissie heeft kennisgenomen van alle door Verzoeker en de RCE overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken met Verzoeker en de RCE gedeeld. De commissie heeft het Expertisecentrum Restitutie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (hierna ook: het ECR) onderzoeksvragen voorgelegd. Het ECR heeft zijn bevindingen neergelegd in een feitenrapport.

Chronologisch overzicht

  • Bij brief van 2 december 2022 heeft Verzoeker de staatssecretaris verzocht om restitutie van het Schilderij.
  • Op 17 januari 2023 heeft de RCE, namens de staatssecretaris, de commissie verzocht haar over dit verzoek te adviseren.
  • Bij brief van 31 maart 2023 heeft de commissie het ECR verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen.
  • De resultaten van het onderzoek zijn door het ECR neergelegd in een conceptonderzoeksrapport dat op 18 maart 2024 voor feitelijke aanvulling en/of commentaar aan de RCE en Verzoeker is toegezonden. Op dit concept is door de RCE gereageerd op 17 april 2024 en door Verzoeker op 30 april 2024. Naar aanleiding van deze reacties zijn enkele aanvullingen en redactionele aanpassingen aangebracht in het conceptonderzoeksrapport.
  • Op 21 mei 2024 heeft het ECR een bijgewerkte versie van het conceptonderzoeksrapport, samen met de reactie van de RCE en Verzoeker, toegezonden aan de commissie.
  • Tijdens de vergadering van 8 juli 2024 heeft de commissie het conceptonderzoeksrapport met het ECR besproken.
  • Op 23 juli 2024 heeft het ECR het onderzoeksrapport vastgesteld.
  • Op 15 augustus 2024 heeft de commissie het definitieve onderzoeksrapport van het ECR ontvangen en dit op 10 september 2024 toegezonden aan de RCE en Verzoeker. Daarbij is partijen gevraagd of zij een mondelinge behandeling wensten.
  • De RCE heeft op 8 oktober 2024 aan de commissie laten weten geen opmerkingen te hebben ten aanzien van het definitieve onderzoeksrapport en zich te conformeren aan de wens van Verzoeker met betrekking tot een mondelinge behandeling. Verzoeker heeft op 21 oktober 2024 uitgebreid gereageerd op het definitieve onderzoeksrapport en te kennen gegeven graag gebruik te willen maken van de mogelijkheid tot een mondelinge behandeling.
  • Op 20 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van Verzoeker, een afvaardiging van de commissie, de RCE en het ECR.
  • Het verslag van de mondelinge behandeling is op 4 april 2025 verzonden aan Verzoeker en de RCE.
  • Op 17 april 2025 heeft de commissie haar advies in concept toegezonden aan Verzoeker en de RCE.
  • De RCE heeft op 22 mei 2025 gereageerd met enkele opmerkingen van feitelijke aard. Verzoeker heeft op 16 juni 2025 gereageerd en gemeld geen opmerkingen te hebben.

3. Vaststelling van de feiten

De commissie stelt op grond van het door het ECR verrichte onderzoek, waarin tevens delen van het onderzoek van dr. Kroon zijn betrokken, de volgende feiten vast.

De Orde van Vrijmetselaren voor de bezetting

De vrijmetselarij is een inwijdingsgenootschap met een humanistisch ideaal dat in Groot-Brittannië is ontstaan. In het begin van de achttiende eeuw voegden verschillende genootschappen zich samen in grootloges, waarvan die van Engeland, gesticht in 1717, de oudste is. In 1734 werd de eerste vrijmetselaarsloge in Nederland gesticht in Den Haag, L’Union Royale. Een jaar later volgde de oprichting van een grootloge, die nog altijd actief is als de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden (hierna ook: Orde).

Van 1816 tot 1881 vervulde prins Frederik der Nederlanden (1797–1881), de tweede zoon van koning Willem I, de rol van Grootmeester, het hoogste gezag binnen de Orde. In 1846 kocht hij het pand aan de Fluwelen Burgwal 22 te Den Haag. Aanvankelijk stelde hij dit gebouw ter beschikking aan de lokale loges, maar tien jaar later schonk hij het officieel aan de Grootloge. Dr. Kroon beschrijft hoe in de oudste Nederlandse loge, L’Union Royale, al aan het begin van de negentiende eeuw gesproken werd over het opzetten van een ‘maçonniek museum’. In 1826 werd een bibliotheek opricht. Bij de verhuizing naar de Fluwelen Burgwal in 1848 fuseerde L’Union Royale met de Haagse loges. Hun erfgoed werd samengevoegd met het bezit van de Orde, dat in de loop der tijd verder werd uitgebreid. In 1854 werd de zogeheten Kloss-bibliotheek, een collectie zeldzame handschriften en manuscripten geschonken door prins Frederik, ondergebracht in het pand aan de Fluwelen Burgwal. Vanaf dat moment werden ook tentoonstellingen met archiefstukken en objecten georganiseerd, waarvoor vanaf 1859 tentoonstellingscatalogi werden gedrukt.

Dankzij schenkingen, legaten van leden en aankopen bleef de collectie groeien. In 1910 werd in het pand een museumzaal ingericht. In 1920 benoemde het Hoofdbestuur van de Orde Willem Nicolaas Arntzenius (1884–1971) tot adjunct-conservator van het museum.

Willem Nicolaas Arntzenius

Willem Nicolaas Arntzenius werd in januari 1920 ingewijd in de vrijmetselaarsloge Hiram Abiff. Nadat hij in 1920 als adjunct-conservator van het museum van de vrijmetselaren was aangesteld, werd hij in 1923 benoemd tot adjunct-bibliothecaris, een functie die hij vervulde in samenwerking met André Jean Hooiberg (1873-1937). Vanaf 1925 was Arntzenius als conservator verantwoordelijk voor het archief en de museumcollectie van de Orde, en Hooiberg voor de bibliotheek. Na het overlijden van Hooiberg in 1937 werd een waarnemend bibliothecaris aangenomen, de Duitse vrijmetselaar Wilhelm Henrich Steul (geb. 1894). Bij aanvang van de Duitse bezetting in Nederland in 1940 waren Arntzenius en Steul verantwoordelijk voor de verzamelingen van de Grootloge.

Naast zijn werkzaamheden voor de Orde heeft Arntzenius vrijwel zijn gehele werkzame leven verschillende functies bij de gemeente Den Haag vervuld, waaronder die van conservator bij het gemeentearchief. Vanwege deze functie heeft hij tijdens de bezetting archieven kunnen veiligstellen. Na zijn pensioen heeft hij zich volledig gewijd aan het werk voor de Orde en zich in hoge mate ingezet voor de recuperatie van bezittingen van de vrijmetselarij.

Arntzenius verzamelde zelf antiek en kunst, waaronder schilderijen en gravures. Zijn schilderijencollectie bestond voornamelijk uit familieportretten en werken van de Haagse School. Voor zover bij zijn familieleden bekend, maakte zeventiende-eeuwse schilderkunst geen deel uit van Arntzenius’ verzameling.

De Orde van Vrijmetselarij gedurende de bezetting

De nazi’s zagen de vrijmetselarij, met haar gesloten karakter en vrijheidsideaal, als een bedreiging. In hun propaganda presenteerden zij de vrijmetselarij als een Joods complot. Op 21 mei 1940, een week na de Nederlandse capitulatie op 15 mei, viel de bezetter het logegebouw van de Orde aan de Fluwelen Burgwal 22 binnen. Grootsecretaris August Frederik Leopold Faubel (1865-1953) schreef over dit bezoek:

Het was tekenend voor de geest van dat bezoek, dat het al dadelijk begon met de vraag of de Grootmeester Jood was, hetgeen – misschien wel tot teleurstelling van de heren – ontkennend moest worden beantwoord. Hoeveel Joden lid der orde waren? Ook deze vraag kon niet beantwoord worden bij gebrek aan gegevens; wij hadden geen jodenstatistiek, omdat de orde niet vraagt tot welk ras haar leden behoren.

Uit het naoorlogs verslag van Faubel blijkt eveneens dat de Duitsers na het gesprek door het gebouw zijn getrokken en de ledenadministratie en enkele vertrekken hebben verzegeld. De weken daarop “werd het ordegebouw voortdurend bezocht door Duitse politie; ter plaatse onderzocht dan wel medegenomen naar haar bureau werden de archiefstukken, briefwisseling, ledenlijsten, notulenboeken, verslagen van allerlei bijeenkomsten, de bibliotheek enz.” Ook vonden er vanaf mei 1940 individuele diefstallen uit logegebouwen plaats.

Liquidaties

In september 1940 werd de vrijmetselarij ontbonden. Dat gold ook voor organisaties zoals de Rotaryclub en het Nederlandse Rozenkruisers Genootschap. Deze maatregel werd genomen door de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD. Met een maatregel van de Generalkommissar zur besonderen Verwendung, Fritz Schmidt (1903-1943), van 30 september 1940, werd het vermogen van de ontbonden organisaties op grond van Verordening 33/1940 voor het bezette Nederlandse gebied voor ‘algemeen nut’ gevorderd. Het Referat internationale Organisationen (RIO) onder leiding van de Duitser Werner Schwier (1907-1971) was verantwoordelijk voor de opheffing van deze – door de nazi’s als ‘vijandig’ bestempelde – internationale organisaties. Schwier vestigde zijn hoofdkantoor in het Ordegebouw aan de Fluwelen Burgwal 22. Voor de liquidatie van de loges werd de Haagse advocaat en procureur Joan Muller (1886-1955) aangesteld als liquidateur-generaal. Twaalf Nederlandse juristen werden benoemd tot provincie-liquidateurs. Vervolgens zijn de loges van de vrijmetselarij door het hele land systematisch geliquideerd.

Vooruitlopend op de liquidaties zijn de waardevolle archieven en bibliotheken van de Orde – inclusief de Kloss-bibliotheek – evenals die van haar loges en aanverwante organisaties, al door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg (ERR) weggevoerd naar Duitsland. De bedoeling was om deze ter beschikking te stellen van Alfred Rosenbergs Hohe Schule der NSDAP. Het betroffen 470 kisten aan bibliotheek- en archiefmateriaal. Ook zijn kostbare sieraden van de Orde voorafgaand aan de liquidatie uit het pand verwijderd. De provincie-liquidateurs waren vervolgens belast met het liquideren van de roerende goederen. Dit geschiedde door middel van publieke en onderhandse verkopen. De opbrengst werd afgedragen aan Muller. In 1940 en begin 1941 werden in het gehele land liquidatieveilingen gehouden. Op deze veilingen probeerden leden van de vrijmetselarij objecten van historische of sentimentele waarde terug te kopen.

De provincie-liquidateurs kregen instructies om alle objecten met vrijmetselaarssymboliek te vernietigen, tenzij deze waardevol waren of ze na het verwijderen van de symboliek alsnog konden worden verkocht. In dat geval moesten ze worden ingeleverd bij RIO of op de daarvoor aangewezen verzamelplaatsen. Dit gold ook voor schilderijen.

Uit het naoorlogse proces-verbaal over de activiteiten van liquidateur-generaal Joan Muller blijkt dat hij in sommige gevallen coulance betrachtte. De provincie-liquidateur voor de stad Den Haag en het noordelijke gedeelte van de provincie Zuid-Holland, mr. Fred.C. Stähle, verklaarde:

Mij zijn enige gevallen bekend, dat Muller in overleg met mij, en mogelijk ook met anderen, heeft getracht schilderijen en andere kunstvoorwerpen van waarde in Nederlands bezit te houden. Dit kon gebeuren door deze te schenken of te verkopen aan Musea of soortgelijke instellingen.

Muller was gevoelig voor verklaringen van leden dat bepaalde objecten familiebezit waren, aldus Stähle:

Voorzover het de liquidatie in mijn rayon aangaat, weet ik, dat Muller nogal coulant was, waar het goederen betrof, die privé-eigendom der leden waren. Deze werden vaak afgestaan op de blote verklaring van deze leden, dat dit of dat hun persoonlijk eigendom was.

Enkele leden van de vrijmetselarij werden ook gehoord over de verrichtingen van Muller. Uit de verklaring van Arntzenius blijkt dat de portrettencollectie van de Orde in overleg met Muller werd gered van vernietiging:

Op het einde van 1940 heeft hij [Muller] mij eens bij zich laten komen met de bedoeling om de weg te bespreken, die hij moest bewandelen om de portretten, die eigendom waren van de orde, te redden uit genealogisch standpunt. […] Wij zijn overeengekomen om deze te schenken aan het Rijk, waarbij ik de mogelijkheid zag om deze voor de loge te redden.

Zelf verklaarde Muller hierover:

Door mij zijn een, naar schatting 150 à 200 tal schilderijen en lithografieën uit de loge te ’s-Gravenhage voor ondergang behoed door ze te schenken aan het Iconografisch bureau te ’s-Gravenhage in overleg met Dr. Van Gelder, Directeur van genoemd bureau, daar zij eigenlijk op voorschrift van Schwier vernietigd moesten worden. Zo heb ik hieraan ook een levensgroot geschilderd portret voorstellende H.M. de Koningin, geschilderd door Nauta en een levensgroot geschilderd portret van Prins Frederik voor een op zichzelf zeer laag bedrag van f. 200,- verkocht. Ik bereikte daarmede, dat deze portretten niet verloren gingen en kon aan de andere kant wijzen op de baten ten voordele van de liquidatie. Voor het laatste argument zwichtte Schwier en stond hij de verkoop toe.

Na de liquidatie

Naast de opheffing van de vrijmetselarij en de roof van haar bezittingen, voerden de nazi’s een propagandacampagne tegen het genootschap. Eerdergenoemde Werner Schwier publiceerde in 1941 het boekje De Vrijmetselarij, een volkvijandige organisatie. De tentoonstelling ‘De vrijmetselarij in Nederland’ opende in mei 1941 in het pand aan de Fluwelen Burgwal en was later in verschillende steden in Nederland te bezichtigen. De brochure bij de tentoonstelling ‘onthult’ de (internationale) samenwerking tussen vrijmetselaars en Joden, en noemt de vrijmetselarij onder meer ‘een instrument voor uitsluitend joodsche belangen.’ Uit een door de geallieerden vertaald rapport van de ERR blijkt dat de voorwerpen bestemd waren om aan deze instantie te worden overgedragen.

Hoewel er geen systematisch vervolgingsbeleid was tegen individuele leden van de Orde werd Grootmeester Hermannus van Tongeren (1876-1941) in oktober 1940 gearresteerd. Begin maart 1941 werd hij naar concentratiekamp Sachsenhausen gedeporteerd, waar hij op 29 maart 1941 overleed.

De Orde van Vrijmetselaren na de bezetting

In september 1945 heeft het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) de rechtspersoonlijkheid van de Orde met terugwerkende kracht hersteld. Het pand aan de Fluwelen Burgwal 22 werd in april 1946 vrijgegeven. De Orde had geen geld meer in kas en moest dringend aan middelen komen om haar activiteiten te kunnen hervatten. Hiertoe zijn enkele geschilderde schoorsteenstukken verkocht. In een brief uit 1964, afkomstig uit het archief van de Orde, laten advocaten mr. dr. W. Diamand en mr. M. Ingrid Roessel weten dat de Orde een schadeclaim van DM 600.000 was toegekend. Deze toekenning vond plaats op grond van de naoorlogse wetgeving van de Bondsrepubliek Duitsland. Te weten de Bundesrückerstattungsgesetz (BRüG). Verzoeker licht hierover het volgende toe.

Hier past verder een kanttekening bij het genoemde bedrag van 600.000 gulden [sic DM] schadevergoeding. Tot nu toe werd geschat dat de beroving van de vrijmetselarij de nazi’s circa 9 miljoen gulden opleverde (het huidige equivalent van circa 74 miljoen euro!). In werkelijkheid was het bedrag vele malen hoger. Vanaf mei 1940 en gedurende de hele liquidatie vonden individuele diefstallen uit logegebouwen plaats, buiten blikveld van de liquidateurs. Zoals gezegd, hielden zij zelf nauwelijks een verantwoording bij van hun eigen roof. Er zijn opgaves van door de bezetter gehouden veilingen van vrijmetselaarsbezit, maar de taxaties van de geroofde goederen werden bewust laag gehouden, alsof het de dagwaarde van gebruiksvoorwerpen betrof, terwijl het vaak om kostbaar antiek, kunst of erfgoed ging. De rituele voorwerpen werden buiten de liquidatie en daarmee buiten de berekeningen gehouden. Van de regalia en rituele voorwerpen van edelmetaal en edelstenen, die bij Schwier persoonlijk moesten worden ingeleverd, is geen verantwoording bekend. Bovendien zijn de door ERR en RSHA weggevoerde historische bibliotheken, archieven en museale voorwerpen niet op antiquarische waarde getaxeerd. De waarde van alleen de Kloss-bibliotheek werd in 1930 op 5 miljoen dollar geschat.

Omdat financiële administratie waren vernietigd of geroofd, was het na de bevrijding voor de Grootloge en de aangesloten loges onmogelijk om aan te tonen hoe zwaar zij daadwerkelijk getroffen waren.

Het Schilderij

Het Schilderij, Fruitstilleven door Johannes Bosschaert, is een olieverfschilderij op paneel met de afmetingen 68,6 x 108,9 cm. Sinds de recuperatie uit Duitsland in 1948 maakt het Schilderij deel uit van de NK-collectie.

Veel van Bosschaerts werk wordt in dezelfde bewoording omschreven: het zijn stillevens met bloemen of fruit, of een combinatie hiervan, doorgaans gepresenteerd in een vaas, een mand of op een schaal. De individuele kunstwerken zijn echter goed van elkaar te onderscheiden. Er zijn geen kopieën of sterk gelijkende exemplaren van het Schilderij bekend.

Uit onderzoek zijn geen herkomstgegevens van het Schilderij boven water gekomen van vóór 1938. De bestudeerde collectie-, tentoonstellings- en veilingcatalogi leverden geen aanknopingspunten op. Verzoeker ziet hierin bevestiging dat het Schilderij reeds lange tijd in bezit van de Orde was en gedurende die periode buiten het zicht van het publiek bleef.

Op een foto van het hoofdbestuur van de Orde staat een fruitstilleven afgebeeld dat kan worden geïdentificeerd als het Schilderij. Volgens Verzoeker werd met deze foto in een ledenblad van de vrijmetselarij uit 1938 het nieuwe bestuur aan leden geïntroduceerd. Op de achterzijde van deze foto staat het jaartal 1938.

Aanvullend fotomateriaal van Verzoeker biedt ondersteuning aan diens stelling dat de foto is genomen in het Ordegebouw. Het betreffen foto’s van het Grootsecretariaat uit 1911. Verzoeker wijst op de overeenkomst in het motief van groeven in de schouw. Ook de lichtarmaturen naast de spiegel komen sterk overeen met die op de foto uit 1938.

De foto is waarschijnlijk in de kamer van de Grootsecretaris genomen. Begin jaren dertig werd het logegebouw in het kader van stadsvernieuwing verkocht, waarna het interieur volledig is vernieuwd. Dr. Kroon schreef hierover:

Op een groepsfoto uit 1938 van HB [Hoofdbestuur, RC] is het stilleven van Bosschaert te zien naast een kast met een aardglobe erop. In de inventaris van 1932 wordt een ‘globe’ genoemd in de kamer van de Grootsecretaris. Aangezien er in de jaren 30 renovatiewerkzaamheden plaatsvonden, lijkt het aannemelijk dat het stilleven in die periode van de eetzaal naar de kamer van de Grootsecretaris is verplaatst. De groepsfoto van 1938, zonder herkenbare ramen of andere identificatiepunten, werd hoogstwaarschijnlijk in de kamer van de Grootsecretaris genomen, wat consistent is met andere foto’s uit de jaren 20-30 van HB die in beter herkenbare bestuurskamers zijn genomen.

Inventaris Logegebouw 1932

De inventaris waar in bovenstaand citaat naar wordt verwezen, is een inventarisstaat van het gebouw aan de Fluwelen Burgwal 22 opgemaakt door M.J.N. Wakkie op 20 september 1932. De inventaris van de kamer van de Grootsecretaris bestond op dat moment uit een aantal objecten, waaronder vier schilderijen. In de inventaris worden tevens twee niet nader gespecificeerde stillevens vermeld in de ruimte van de eetzaal: een aan de muur en een boven de schoorsteen.

Vooroorlogse catalogi van het museum van de Orde dateren uit 1910 en 1913. Het Schilderij is in deze catalogi niet aangetroffen. De objecten die deel uitmaakten van de museumcollectie hadden wat betreft geschiedenis of symboliek een duidelijke link met de vrijmetselarij. Het Schilderij kent geen vrijmetselaarssymboliek en zou daarom hoogstwaarschijnlijk niet tot de museumcollectie, maar tot de inboedel van de Orde moeten worden gerekend. Dit wordt ook bevestigd door onderzoek van Verzoeker in de handgeschreven lijsten van museumstukken: ‘NK 2856 en 14698 lijken op deze lijsten niet voor te komen, wat nogmaals onderstreept dat ze als deel van de inboedel, niet de collectie, zijn beschouwd’.

Volgens Verzoeker kende het museum van de Orde bovendien wel een acquisitiebeleid, maar geen afstotingsbeleid. De Orde had volgens hem geen financiële noodzaak om inboedel af te stoten.

Het Schilderij tijdens de bezetting

Na de capitulatie van Nederland in mei 1940 en de inbeslagname van het pand aan de Fluwelen Burgwal 22 door de nazi’s, werd de vrijmetselaren de toegang tot het gebouw ontzegd. Desondanks wisten Arntzenius en de conciërge van het gebouw, Nicolaas Peters, enkele belangrijke stukken in veiligheid te brengen. In een artikel van het Algemeen Maçonniek Tijdschrift, geschreven door G.F. Venema naar aanleiding van Arntzenius’ vijftigjarig jubileum als vrijmetselaar in 1970, is te lezen dat Arntzenius samen met Peters aan het begin van de oorlog ‘archiefstukken, museumstukken, tableaus en regalia’ in veiligheid heeft gebracht door ’s nachts het ordegebouw binnen te dringen. Volgens Venema werden hierbij enkele kostbare schilderijen ‘uit de lijst gesneden en later in overleg met de Bbr. Caron en Faubel verkocht, om de, voor de voortzetting van de Orde zo noodzakelijke, fondsen te verkrijgen’.

Aangezien het Schilderij op paneel is geschilderd zal het niet tot de schilderijen behoren waarop Venema doelde. Toch is duidelijk dat leden van de Orde in de beginfase van de bezetting erin slaagden om objecten uit het logebouw weg te halen. Welke kunstwerken door Arntzenius en Peters precies zijn veiliggesteld, is niet bekend.

Mogelijk bevond zich onder de veiliggestelde objecten het Schilderij. In archiefstukken wordt Arntzenius diverse malen met het Schilderij in verband gebracht. Zo wordt in documentatie van het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD) bij twee schilderijen, die in mei 1944 gelijktijdig met het Schilderij in opdracht van Hendrik Schuuring zijn gefotografeerd, verwezen naar respectievelijk de ‘verz. Arntzenius, Den Haag, 1944’ en ‘verz. Arntzenius, Wassenaar, 1944’. De voor dit onderzoek geïnterviewde nabestaanden van Arntzenius herkennen de beschrijvingen over hun grootvader uit familieverhalen. Zij weten daarbij te vertellen dat hun grootvader objecten van de Orde in zijn woning onderbracht. Zo verklaarden zij dat hun grootvader bij een rechtszaak heeft moeten getuigen en heeft verklaard dat de gestolen spullen van de Orde familiestukken betroffen, terwijl het feitelijk stukken van de Orde waren. Op die manier heeft Arntzenius volgens zijn kleinkinderen bezittingen van de Orde veiliggesteld en na de oorlog weer teruggegeven aan de vrijmetselarij. De rol die Arntzenius en Peters speelden in het veiligstellen van de bezittingen van de Orde komt in verschillende bronnen en familieverhalen terug.

De verkoop van het Schilderij in 1944

De Sonderauftrag Linz

In 1939 gaf Adolf Hitler de opdracht aan de directeur van de Dresdner Gemäldegalerie, dr. Hans Posse (1879-1942), om een kunstcollectie samen te stellen voor het in Linz op te richten Führermuseum. De kleine organisatie die aanvankelijk in het geheim uitvoering gaf aan deze opdracht bestond grotendeels uit medewerkers van de Dresdner Gemäldegalerie en werd bekend als de Sonderauftrag Linz. De Sonderauftrag Linz verwierf in Nederland voornamelijk kunst door aankopen op veilingen, via de kunsthandel of, al dan niet via bemiddelaars en tussenpersonen, uit particuliere collecties. Vanaf 1 mei 1942 werd Posse in Nederland ondersteund door de Duitse kunsthistoricus dr. Erhard Göpel, die was aangesteld bij een ambtelijke afdeling van het Rijkscommissariaat. Göpel was goed bekend met Nederland en beschikte over vele persoonlijke en zakelijke connecties in de Nederlandse kunstwereld.

De bedragen die gedurende de bezetting voor schilderijen werden betaald door de Duitse autoriteiten, waren hoog. Tijdens de bezettingsjaren vond er een ware prijsexplosie plaats. De angst dat de hausse op de kunstmarkt over zijn hoogtepunt was, leidde tot een plotse groei van het aanbod van kunstwerken: tussen 1 januari 1944 en 30 juni 1944 kocht de Sonderauftrag Linz in Nederland nog vele tientallen schilderijen aan voor in totaal NLG 3,6 miljoen.

Ondanks de hoge prijzen die Duitse kopers boden, bleven sommige Nederlandse kunstbezitters terughoudend om hun werken te verkopen, zowel om principiële redenen als uit angst later in een kwaad daglicht te komen staan, of erger: om beschuldigd te worden van collaboratie of handel met de vijand. Gedurende de bezettingsjaren mobiliseerden zowel Posse als later ook Göpel een kleine kring van veelal Duits-Joodse vluchtelingen, die werden ingezet bij het signaleren en verwerven van kunst ten behoeve van het Derde Rijk en daartoe tijdelijk diverse vrijstellingen van anti-Joodse maatregelen verkregen. Zij faciliteerden Göpel bij de uitvoering van zijn opdracht en vervulden daarbij verschillende rollen. Voor de Joodse experts, handelaars en opkopers was duidelijk dat niet alleen hun eigen leven, maar ook dat van hun familieleden bij voortduring afhing van de welwillendheid van hun opdrachtgevers en de mate waarin zij in staat waren aan hun verwachtingen te voldoen.

Mei 1944: fotoreproducties in opdracht van Hendrik Schuuring

In mei 1944 is een fotoreproductie van het Schilderij gemaakt door de Haagse fotograaf Alexander Jean Alphonsus Antonius (‘Lex’) Dingjan (1893-1966), een specialist in het fotograferen van kunstobjecten. Veel glasnegatieven van de firma Dingjan zijn bewaard gebleven en bevinden zich in het RKD. Op deze glasnegatieven staat doorgaans een negatiefnummer en een cliëntnummer vermeld. In het schrift van 1944 waarin Dingjan zijn opdrachtgevers bijhield, staat onder de maand mei en achter cliëntnummer 430 de naam ‘Schuuring’ opgetekend, met als corresponderende negatiefnummers 441312 tot en met 441314. De fotoreproductie van het Schilderij heeft negatiefnummer 441312 en cliëntnummer 430. Negatiefnummer 441313 betreft een schilderij met schapen en een geit van Henriëtte Ronner-Knip (1821-1909). Op een fotokaart uit de beelddocumentatie van het RKD staat bij dit werk vermeld: ‘verz. Arntzenius, Den Haag, 1944’. Negatiefnummer 441314 betreft een visstilleven van Abraham van Beyeren (1620-1690). Op de bij het werk behorende fotokaart uit de beelddocumentatie van het RKD is vermeld: ‘Verz. Arntzenius, Wassenaar 1944’. Ten aanzien van het Visstilleven stelt Verzoeker dat het aannemelijk is dat ook dit schilderij eigendom was van de Orde.

Aangezien de drie genoemde reproducties op hetzelfde moment en met dezelfde opdracht van Schuuring werden gemaakt door Dingjan, ligt het voor de hand dat met de vermelding ‘Arntzenius’ in de beelddocumentatie van het RKD dezelfde persoon wordt bedoeld. Van het Schilderij is een dergelijke verwijzing naar Arntzenius in de beelddocumentatie van het RKD niet aangetroffen.

Vitale Bloch en Hendrik Schuuring

De aantekening ‘Schuuring’ in het handschrift van Dingjan verwijst, gezien de overige aangetroffen gegevens, naar restaurator Hendrik Schuuring (1883-1955). Hij werkte samen met de Russisch-Joodse kunsthistoricus, kunsthandelaar en verzamelaar Vitale Bloch (1900-1975). Tijdens de oorlogsjaren zijn Bloch en Schuuring betrokken geweest bij meerdere aankopen door dr. Erhard Göpel ten behoeve van de Sonderauftrag Linz. Bloch bewoonde in de oorlogsjaren een kamer in Schuurings huis aan de 2e Sweelinckstraat in Den Haag.

Aankoop door Göpel

Uit onderzoek blijkt dat het Schilderij omstreeks 5 juni 1944 voor NLG 20.000 is gekocht door dr. Erhard Göpel ten behoeve van de Sonderauftrag Linz. Op 5 juni 1944 stuurde Hendrik Schuuring een handgeschreven rekening aan de Sonderauftrag Linz met betrekking tot vier kunstwerken, waarvan het Schilderij veruit het meest waardevol was: ‘Stilleven van Jan Bosschaaert (…) f. 20.000’. In het archief van de Sonderauftrag Linz is een door Schuuring ondertekende kwitantie aangetroffen waarin Schuuring op 7 juni 1944 bevestigde het bedrag van in totaal NLG 23.650 in goede orde te hebben ontvangen. Het bedrag van NLG 20.000 is terug te vinden op de afrekening van het zogenoemde Sonderkonto: de rekening waarop de Duitse autoriteiten in Nederland de aankopen van kunstwerken boekten. De vermelding bevat de naam Schuuring en de datum 9 juni 1944.

Ook het eerdergenoemde visstilleven van Abraham van Beyeren werd in mei 1944 gefotografeerd door Dingjan, gelijktijdig met het schilderij van Bosschaert. De opdracht kwam van Schuuring, en het werk zou afkomstig zijn uit de ‘verz. Arntzenius, Wassenaar’. Omstreeks 30 juni 1944 werd het visstilleven door of via Schuuring voor NLG 12.500 verkocht aan Göpel.

Bij een brief van 20 juli 1944 van dr. Hermann Voss aan Chef der Reichskanzlei Hans Lammers voegde Voss een overzicht bij van aankopen uit ‘die besetzten niederländischen Gebiete im Haag’, over de periode van 1 januari tot 30 juni 1944. In dit overzicht wordt ook melding gemaakt van de aankoop van het Schilderij, “Stilleben”, bij H. Schuuring te Den Haag voor een bedrag van NLG 20.000, met als overdrachtsdatum 9 juni 1944. Na verwerving door de Sonderauftrag Linz werd het schilderij op 28 en 29 juni 1944 naar Duitsland overgebracht.

Diefstal uit de Führerbau en recuperatie

Toen de geallieerden eind april 1945 München naderden, bevond het Schilderij zich in de schuilkelders van de Führerbau te München, tezamen met honderden andere kunstvoorwerpen. Daarvan was een groot deel bestemd voor het te bouwen Führermuseum in Linz. In april 1945 tijdens de zogenaamde Führerbau-Diebstahl is het Schilderij uit de schuilkelders gestolen. Het gestolen Schilderij werd in september 1946 teruggevonden en door de Kriminalpolizei overgebracht naar het Central Collecting Point München (CCPM). In juli 1948 werd het Schilderij vanuit München naar Amsterdam gerecupereerd, waar het in beheer kwam van de SNK.

Aangiften Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK)

Voor het opsporen van kunstwerken uit Duitsland was informatie nodig over wat verloren was gegaan. Iedereen die kennis had van kunstwerken in vijandelijk bezit was verplicht om informatie te verstrekken aan de SNK, zodat de benodigde documentatie kon worden verzameld. In dat kader vaardigde het Militair Gezag op 24 juli 1945 Verordening 133 uit. De aangifteplicht gold niet alleen voor voormalige eigenaren van de kunstwerken, maar voor iedereen die kennis had van kunstwerken die na 10 mei 1940 in vijandelijke handen waren terechtgekomen. Dit gold ongeacht iemands betrokkenheid daarbij en ongeacht de wijze waarop het werk uit handen van de oorspronkelijke eigenaar was geraakt.

Uit onderzoek is niet gebleken dat na de bezetting aangifte is gedaan van het Schilderij. Op een door de SNK opgesteld Intern Aangifteformulier van 12 februari 1946 is ingevuld dat het schilderij, met als herkomst ‘Arntzenius Z., Den Haag’, oorspronkelijk in bezit was van ‘Bloch, Den Haag’. Het zou door vrijwillige verkoop in bezit zijn gekomen ‘Via Schuuring aan Goepel d.d. 9 Juni 1944’.

In het archief van de SNK bevindt zich een getypte naoorlogse lijst met als aanhef ‘AANKOOPEN GOEPEL sinds 7 Juni ’44 (vermeld in brieven)’. Op deze lijst staat met de datum 7 juni 1944 genoteerd: ‘J. Bosschaert, Vruchtenstilleven’. Een medewerker van de SNK heeft bij deze vermelding in potlood de naam ‘Arntzenius’ aangetekend. Op een los notitievel met daarop werken die via Schuuring aan Göpel waren verkocht, wordt eveneens verwezen naar ‘Verz. Arntzenius Den Haag’ als herkomst van het Schilderij.

Ook in Duitse bronnen over de recuperatie van het kunstwerk wordt verwezen naar de naam Arntzenius, onder meer in een vermelding in de zogenoemde Dresdner Katalog.

Arntzenius speelde zelf ook een belangrijke rol in de inspanningen van de Orde diens bezit terug te krijgen. In het archief van de SNK is een beheersdossier aangetroffen op naam van het Grootoosten der Nederlanden (Den Haag). Hierin bevindt zich correspondentie tussen de SNK en (vertegenwoordigers van) de Orde, veelal afkomstig van Arntzenius. De meeste documentatie in het beheersdossier heeft betrekking op de recuperatie van boeken en archieven. Daarnaast wordt melding gemaakt van meer algemene objecten, zoals stoelen en gordijnen en van specifieke voorwerpen, zoals de gouden hamer en de buste van prins Frederik.

Arntzenius stuurde de SNK in augustus 1945 catalogi en een korte beschrijving van de verzamelingen van de Orde. In zijn beschrijving noemt Arntzenius de volgende verzamelingen van de Orde: de bibliotheek (1), de handschriftenverzameling (2), de prentverzameling (3), de museumcollectie (4) en de Kloss-bibliotheek (5). In het beheersdossier is ook een opgave van in beslag genomen bezittingen aangetroffen, ‘vervoerd naar Duitschland, waarschijnlijk naar Frankfort, Stuttgart en Berlijn’. Deze lijst bevat naast bovengenoemde verzamelingen ook het archief (6) en de tempel van de Orde (7). Verwijzingen naar het Schilderij zijn niet aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat de Orde na de bevrijding aangifte van het Schilderij heeft gedaan bij de SNK.

Naast de overzichten van erfgoedcollecties die de Orde met het oog op recuperatie aan de SNK heeft verstrekt, bevindt zich in het archief ook een taxatierapport getiteld ‘van ontvreemde goederen’. Dit rapport is in augustus 1945 opgesteld door taxateur Leendert Kok. Het rapport betreft de roerende goederen die op 10 mei 1940 aanwezig waren in het pand aan de Fluwelen Burgwal 22, maar op 1 augustus 1945 bij onderzoek niet meer werden aangetroffen. Op de inventaris van de kamer van de Grootsecretaris, de heer Faubel, worden geen schilderijen vermeld.

Onderaan de gehele inventarislijst en het totale getaxeerde bedrag is een kopje ‘in memorie’ opgenomen. Onder dit kopje worden, naast de museumcollectie en de bibliotheek, ook ‘schilderijen’ als aparte categorie vermeld. Dit, in combinatie met het ontbreken van schilderijen op de lijst zelf, wijst erop dat deze categorieën geheel buiten de taxatie zijn gehouden. Verzoeker licht dit als volgt toe:

De omissie van schilderijen inclusief NK 2856 in de taxatie door Leendert Kok van 1945 is eenvoudig te verklaren. Arntzenius was verantwoordelijk voor het verstrekken van inlichtingen over de collectie en leverde daartoe catalogi aan de SNK. NK 2856 viel daar niet onder vanwege ontbreken van vrijmetselaarssymboliek. Taxateur Kok was verantwoordelijk voor opgave van de inboedel en in de veronderstelling dat Arntzenius zich over alle schilderijen zou buigen, niet beseffend dat sommige niet tot het museum, maar de inboedel behoorden. Ze gingen er dus ieder vanuit dat de ander NK 2856 zou opvoeren. In de enorme papierwinkel die met rechtsherstel gepaard ging, zal dat misschien niemand zijn opgevallen.

De inspanningen van de Orde en de SNK leidden tot recuperatie van met name kostbare boeken en archieven. In het jaarverslag van de Grootloge van 1946 meldde het Hoofdbestuur:

Onze door de Duitschers geroofde kostbare bibliotheek en grootendeels ons archief konden in Duitschland worden opgespoord en naar hun oude tehuis worden opgezonden. (…) Het Hoofdbestuur betuigt zijn bijzondere erkentelijkheid aan br. W.N. Arntzenius, Conservator van het Archief voor het uitstekende, zeer bezwaarlijke werk ten deze door hem verricht.

En het jaarverslag van de periode 1 maart 1947 tot 1 maart 1948 meldde:

Het maçonniek museum heeft van zijn vroegere bezittingen nog maar een zeer klein gedeelte terugontvangen; de portretten-verzameling en de collectie tabliers vormen hierop een gunstige uitzondering. De gouden voorzittershamer van Prins Frederik, door de Duitschers gestolen, is weer in ons bezit gekomen, dank zij de bemoeiingen van de Stichting Nederlandsch Kunstbezit, welke ook gezorgd heeft voor het terugbrengen van onze bibliotheek.

De genoemde ‘portretten-verzameling’ is behouden gebleven doordat ze bij Broeders thuis is ondergebracht geweest, de schootsvellen evenzo. De reeds genoemde conservator Br. Arntzenius met name had grote hoeveelheden materiaal in huis gehad.

Naast de inspanningen van de SNK werden ook enkele objecten door het NBI aan de Orde gerestitueerd. In dit geval ging het om objecten die liquidateur Joan Muller in zijn beheer had, maar die eigendom waren van de Orde. Als vertegenwoordiger van de Orde tekende Arntzenius voor de ontvangst van deze goederen. In 2000 schreef Evert Kwaadgras, op dat moment bibliothecaris van het Cultureel Maçonniek Centrum Prins Frederik, dat 95% van de bibliotheek en 80% van het archief van de Orde was teruggekeerd. Enkele jaren later, in 2003, werd een archiefdeel vanuit Moskou gerestitueerd aan de Grootloge. Met name archiefmateriaal uit de jaren ’30 ontbreekt tegenwoordig nog steeds.

In tegenstelling tot archieven en bibliotheken zijn vandaag de dag de meeste (museale) objecten niet teruggekeerd.

4. Inhoudelijke beoordeling van het restitutieverzoek

De commissie kan het verzoek, gelet op het bepaalde in § 1 a t/m e van het Beoordelingskader, inhoudelijk in behandeling nemen.
Gelet op § 2 van het Beoordelingskader moet de commissie beoordelen of in hoge mate aannemelijk is dat het Schilderij eigendom was van de Orde en op grond van § 3 of voldoende aannemelijk is dat het bezit van het Schilderij onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Hiertoe overweegt de commissie het volgende:

Eigendomsvereiste (§ 2 van het Beoordelingskader)

De tijdens het onderzoek aangetroffen documentatie bevat geen gegevens over de aankoop van het Schilderij door de Orde. Hoewel daarom niet duidelijk is wanneer het Schilderij door de Orde is verworven, acht de commissie het op grond van met elkaar in samenhang beoordeelde bronnen in hoge mate aannemelijk dat de Orde ten tijde van de bezetting hiervan de rechtmatige eigenaar was.

De commissie stelt vast dat het Schilderij zichtbaar is op een foto van het hoofdbestuur van de Orde uit 1938, waarop een fruitstilleven is afgebeeld. Het door Verzoeker overgelegde aanvullende fotomateriaal ondersteunt deze constatering. Voorts ziet de commissie geen aanleiding om aan te nemen dat het Schilderij aan Arntzenius, en niet aan de Orde, toebehoorde. Hoewel Arntzenius kunst verzamelde, verklaarden zijn familieleden dat schilderkunst uit de zeventiende eeuw geen deel uitmaakte van zijn collectie. De commissie heeft geen reden om aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen. Evenmin ziet de commissie aanleiding om aan te nemen dat het Schilderij tussen 1938 en het moment van verzegeling van het logegebouw aan de Fluwelen Burgwal in mei 1940 uit het bezit van de Orde is geraakt. Gelet op de financiële positie van de Orde acht de commissie de stelling van Verzoeker, dat de Orde geen noodzaak had om kunst af te stoten, aannemelijk.

Op basis van deze gegevens, in onderlinge samenhang bezien, concludeert de commissie dat het in hoge mate aannemelijk is dat het Schilderij ten tijde van het bezitsverlies eigendom was van de Orde. Dit betekent dat is voldaan aan het eigendomsvereiste van § 2 van het beoordelingskader.

Onvrijwillig bezitsverlies (§ 3 van het beoordelingskader)

Onvrijwillig bezitsverlies wordt aangenomen wanneer de onvrijwilligheid voldoende aannemelijk is, ongeacht de hoedanigheid van de oorspronkelijke eigenaar, het land of het tijdstip van het verlies – mits het verlies heeft plaatsgevonden na 30 januari 1933.

De commissie stelt vast dat de vrijmetselarij met haar gesloten karakter en vrijheidsideaal door de bezetter als een bedreiging werd gezien. Volgens de bezetter was de vrijmetselarij een Joods complot. Verondersteld werd dat zowel de Grootmeester van de Orde als een groot deel van de leden van de loges Joods waren. Mede vanwege de door de bezetter vervaardigde Verordening 26/1940 ‘vijandelijk vermogen’ en de Verordening 33/1940 werd de Orde slachtoffer van de systematische roof van bezittingen en liquidaties van de verschillende loges. Daarmee staat voor de commissie vast dat het bezitsverlies van het Schilderij door de Orde onvrijwillig is geweest. Deze conclusie vindt steun in de omstandigheid dat het Schilderij tijdens de bezetting in 1944 is aangekocht door Sonderauftrag Linz, terwijl op basis van de verklaring van Verzoeker aannemelijk is dat de Orde – ook tijdens de bezetting – geen financiële noodzaak had om kunst af te stoten. Uit onderzoek is juist gebleken dat leden van de Orde op door de bezetter georganiseerde veilingen van de bezittingen van de Orde hebben getracht de verloren bezittingen terug te kopen. Het ligt dan ook niet in de rede dat (leden van) de Orde hiervan vrijwillig afstand hebben willen doen. Dit leidt de commissie tot de conclusie dat de onvrijwilligheid van het bezitsverlies, tussen 30 januari 1933 en het moment van verkoop aan de Sonderauftrag Linz, in juni 1944 voldoende aannemelijk is en direct verband houdt met het naziregime.

Conclusie ten aanzien van het verzoek om restitutie

De commissie concludeert dat het in hoge mate aannemelijk is dat NK 2856 eigendom was van de Orde van Vrijmetselaren, en dat voldoende aannemelijk is dat de Orde het bezit van het Schilderij onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Dit alles leidt ertoe, gelet op het Beoordelingskader § 2 en § 3 (criterium 3.3 in combinatie en het slot van § 3) dat de commissie zal adviseren het Schilderij te restitueren aan de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.

5. Advies

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Fruitstilleven door Johannes Bosschaert, dat op dit moment deel uitmaakt van de Nederlands Kunstbezit-collectie onder inventarisnummer NK 2856 te restitueren aan de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 23 juni 2025 door A.I.M. van Mierlo (voorzitter), D. Oostinga (plv. voorzitter), J.F. Cohen, S.G. Cohen-Willner, J.J. Euwe, C.J.H. Jansen en A. Marck en ondertekend door de voorzitter en commissielid J.F. Cohen.

(A.I.M. van Mierlo, voorzitter)        (J.F. Cohen, commissielid)