Spring naar content
Advies inzake Abraham Nijstad

Nijstad

Dossiernummer: RC 1.188

Soort advies: NK-collectie

Adviesdatum: 20 januari 2025

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: kunsthandel

Plaats bezitsverlies: in Nederland

NK 1759 – Bergmeer met herten en vogels door A.D. Hondius

NK 2194 – Landschap met molen door A. Schelfhout

(foto’s: RCE)

  • NK1759 - Bergmeer met herten en vogels door A.D. Hondius

Samenvatting

De Restitutiecommissie heeft een verzoek beoordeeld tot teruggave van zeven schilderijen die deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit (NK)-collectie van de Nederlandse Staat. Het verzoek is in gang gezet door erfgenamen van de Joodse antiquair en makelaar Abraham Nijstad die de kunstwerken hadden aangetroffen op de website herkomstgezocht.nl.

Het gaat om de volgende schilderijen:

  • NK 1383 – De Kraamkamer, door C. Troost
  • NK 1384 – Wachtlokaal, door C. Troost
  • NK 1759 – Bergmeer met herten en vogels, door A.D. Hondius
  • NK 2194 – Landschap met molen, door A. Schelfhout
  • NK 2255 – Bergachtig rivierlandschap, door A. Cuyp
  • NK 2365 – Imaginaire haven aan de Middellandse Zee, door A. Storck
  • NK 2550 – Paar in Interieur, door P. Codde

Op basis van onderzoek is van drie schilderijen (Hondius, Schelfhout en Storck) in hoge mate aannemelijk dat deze eigendom waren van de Joodse antiquair Abraham Nijstad. Van deze drie schilderijen is tevens voldoende aannemelijk geworden dat Nijstad het bezit hiervan onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Abraham Nijstad werd als joodse kunsthandelaar gedurende de bezetting door de nazi’s gedwongen om op de Nederlandse kunstmarkt kunst aan te kopen voor de Sonderauftrag Linz, een organisatie die zich bezighield met de verwerving van kunstvoorwerpen voor een op te richten Führermuseum. Voor de aankoop uit particulieren collecties zette de Sonderauftrag Linz een netwerk in van Joodse experts en kunsthandelaren die door deze werkzaamheden tijdelijke diverse vrijstellingen van anti-Joodse maatregelen verkregen. De termijn van de vrijstellingen werd bewust niet meegedeeld om de onzekerheid te vergroten. Voor Joodse experts, handelaars en opkopers zoals Nijstad was duidelijk dat niet alleen hun eigen leven, maar ook dat van hun familieleden afhing van de welwillendheid van hun opdrachtgevers en de mate waarin zij in staat waren aan hun verwachtingen te voldoen. Na de bevrijding werden zij geconfronteerd met onbegrip over de positie waarin zij zich hadden bevonden en kregen het verwijt gecollaboreerd te hebben.

Uit onderzoek door het Expertisecentrum Restitutie NIOD is gebleken dat alle kunstwerken in 1943 en 1944 zijn verworven door de Sonderauftrag Linz door Nijstad. Bij bepaalde transacties deed hij dit als intermediair. Bij andere transacties kocht hij de schilderijen op eigen titel en verkocht hij deze door aan de dr. Erhard Göpel voor de Sonderauftrag Linz. Dit onderscheid vormt de basis voor het vaststellen van de oorspronkelijke eigendom van Nijstad. De commissie heeft uit door Abraham Nijstad ingevulde (Intern) Aangifteformulieren van de Stichting Nederlands Kunstbezit en andere archiefstukken kunnen opmaken dat Nijstad drie van de zeven schilderijen op het moment van verkoop in eigendom had.

Uit onderzoek blijkt dat de verkoop van de kustwerken door Abraham Nijstad aan Göpel verband hield met maatregelen van de bezetter en voortkwam uit lijfsbehoud. De feiten en omstandigheden maken onvrijwillig bezitsverlies van deze schilderijen door Nijstad voldoende aannemelijk.

De commissie heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geadviseerd de drie schilderijen (Hondius, Schelfhout en Storck) te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Abraham Nijstad en het verzoek tot restitutie van de vier andere schilderijen af te wijzen.

Advies inzake Nijstad

De Staatssecretaris Cultuur en Media (hierna: de Staatssecretaris) heeft de Restitutiecommissie (hierna ook: de commissie) op 23 maart 2021 verzocht advies uit te brengen. Dit advies heeft betrekking op een verzoek tot teruggave van zeven schilderijen uit de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: de NK-collectie).

Het verzoek tot teruggave is gedaan door AA namens de erven van Abraham Nijstad (1895-1960) en diens echtgenote Rosette Dasberg (1897-1976), en mede namens de nakomelingen van een overleden broer van een van de erven (hierna ook: Verzoekers). De Staatssecretaris heeft zich in deze zaak laten vertegenwoordigen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna ook: RCE).

Het verzoek betreft de volgende schilderijen:

  • NK 1383 – De Kraamkamer, door Troost
  • NK 1384 – Wachtlokaal, door Troost
  • NK 1759 – Bergmeer met herten en vogels, door D. Hondius
  • NK 2194 – Landschap met molen, door Schelfhout
  • NK 2255 – Bergachtig rivierlandschap, door Cuyp
  • NK 2365 – Imaginaire haven aan de Middellandse Zee, door Storck
  • NK 2550 – Paar in Interieur, door P. Codde

1. Het verzoek

Bij brief van 23 maart 2021 heeft de RCE namens de Staatssecretaris de commissie verzocht advies uit te brengen met betrekking tot teruggave van zeven schilderijen uit de NK-collectie (hierna ook: de Kunstwerken). Aanleiding hiervoor is het verzoek van Verzoekers aan de Staatssecretaris per e-mail van 10 februari 2021. Verzoekers zijn AA, BB, CC en DD. Zij zijn kleinkinderen van de Joodse antiquair en makelaar Abraham Nijstad. Het verzoek is mede gedaan namens de overleden broer van DD, EE.
De Kunstwerken zouden oorspronkelijk eigendom zijn geweest van Abraham Nijstad. Over het bezitsverlies van de Kunstwerken stellen Verzoekers:
Deze kunstwerken waren blijkens de gegevens op de website herkomstgezocht.nl in het bezit van de Heer A. Nijstad tot hij noodgedwongen zijn Kunsthandel overdroeg aan de Firma Borghouts op 15 augustus 1941. De schilderijen werden door deze Firma onder oorlogsomstandigheden verkocht aan tussenpersonen van de bezetter en zijn zo in de collectie voor het “Führermuseum” beland.

Op 23 maart 2021 is aan Verzoekers bevestigd dat NK 2194, Landschap met molen door Andreas Schelfhout in 1976 is ontvreemd bij het Ministerie van Justitie te Den Haag. Op 9 november 2023 is de commissie geïnformeerd dat het schilderij weer in bezit van het Rijk is gekomen. Het schilderij maakt deel uit van het onderhavige restitutieverzoek.

NK 2365 Imaginaire Haven aan de Middellandse Zee door Abraham Storck maakte eerder deel uit van een restitutieverzoek inzake kunsthandel Katz. Het door de commissie in 2012 uitgebrachte advies strekte tot afwijzing van het verzoek tot teruggave van 188 NK-werken, waaronder het betreffende schilderij (RC 1.90-B) en NK 2550 Paar in Interieur, door Pieter Codde. Nadien is met betrekking tot dit advies aan de commissie een verzoek om hernieuwd advies voorgelegd. In 2017 heeft de commissie geadviseerd om het eerdere besluit voor zover dit strekte tot afwijzing van het verzoek tot teruggave van 188 NK-werken niet te heroverwegen (RC 4.168).

NK 2550 Paar in Interieur, door Pieter Codde maakte eerder ook deel uit van een restitutieverzoek inzake Van Aldenburg Bentinck (RC 1.102). In 2010 heeft de commissie advies uitgebracht dat strekte tot afwijzing van het verzoek. Nadien is met betrekking tot dit advies aan de commissie een verzoek om hernieuwd advies voorgelegd (RC 4.125). In 2012 heeft de commissie geadviseerd de afwijzing van het restitutieverzoek in stand te laten.

2. De procedure en het toepasselijke beoordelingskader

De commissie heeft Verzoekers op 25 maart 2021 geïnformeerd over het adviesverzoek van de Staatssecretaris en op 28 april 2021 ingelicht over de procedure en het reglement van de commissie. De commissie heeft kennisgenomen van alle overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken aan Verzoekers en de RCE gezonden. Daarnaast heeft de commissie het Expertisecentrum Restitutie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (hierna ook: het ECR) verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het hierna te noemen onderzoeksrapport.

Chronologisch overzicht van acties

  • Op 10 februari 2021 hebben Verzoekers de Staatssecretaris verzocht om restitutie van de Kunstwerken die op dit moment deel uitmaken van de NK-collectie.
  • Op 23 maart 2021 heeft de RCE namens de Staatssecretaris de commissie verzocht haar over dit verzoek te adviseren.
  • Op 28 april 2021 heeft de commissie Verzoekers gevraagd volmachten van de erfgenamen en verklaringen van erfrecht te overleggen. Tevens zijn Verzoekers geïnformeerd over een dubbele claim inzake de kunstwerken NK 2365 en NK 2550.
  • Op 27 mei 2021 heeft de commissie de goede ontvangst van de volmachten van Verzoekers alsmede van de erfrechtelijke stukken aan Verzoekers bevestigd.
  • Eveneens op 27 mei 2021 heeft de commissie het ECR verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen.
  • De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een concept-onderzoeksrapport dat door het ECR op 31 augustus 2023 voor feitelijke aanvulling en/of commentaar aan de RCE en aan Verzoekers is toegezonden. De RCE heeft op 9 november 2023 gereageerd. Verzoekers hebben tweemaal verzocht om de reactietermijn te verlengen, welk uitstel is verleend. Op 4 januari 2024 hebben Verzoekers op het concept-onderzoeksrapport gereageerd en het ECR gevraagd in de gelegenheid te worden gesteld een mondelinge toelichting te verstrekken. In dat kader heeft op 10 januari 2024 een gesprek plaatsgevonden met Verzoekers bij het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD) te Amsterdam. Naar aanleiding van dit gesprek hebben Verzoekers op 23 januari 2024 aanvullende informatie toegezonden.
  • Op 9 februari 2024 heeft het ECR naar aanleiding van de reacties, het gesprek en de aanvullende informatie, redactionele correcties en inhoudelijke aanpassingen en aanvullingen in het concept-onderzoeksrapport aangebracht. Het herziene rapport is vervolgens toegezonden aan de commissie.
  • Op 26 februari 2024 heeft de commissie het concept-onderzoeksrapport met het ECR in haar vergadering besproken. Naar aanleiding van de vragen en opmerkingen van de commissie heeft het ECR in het definitieve onderzoeksrapport nog enkele redactionele correcties aangebracht. Daarnaast heeft het ECR aanvullend onderzoek uitgevoerd in het familiearchief van Laman Trip, waarbij nieuwe informatie naar voren is gekomen met betrekking tot het schilderij van Andreas Schelfhout (NK 2194). Naar aanleiding hiervan is hoofdstuk 8 van het onderzoeksrapport herzien en aangevuld.
  • Op 8 maart 2024 heeft de commissie het definitieve onderzoeksrapport van het ECR ontvangen en op 5 april 2024 toegezonden aan Verzoekers en de RCE. Daarbij is gemeld dat de commissie haar reglement heeft aangepast met betrekking tot artikel 8 en artikel 11. Tevens is gevraagd of partijen behoefte hadden aan een mondelinge behandeling. De RCE heeft op 30 april 2024 gereageerd en enkele feitelijke opmerkingen gemaakt. Verzoekers hebben op 14 mei 2024 gereageerd en enkele tekstuele opmerkingen gemaakt en tevens aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid om gehoord te worden.
  • Op 24 juni 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het CAOP te Den Haag.
  • Op 6 december 2024 heeft de commissie haar advies in concept aan de RCE en Verzoekers toegezonden. De RCE heeft op 11 december 2024 op het conceptadvies gereageerd met enkele opmerkingen. Verzoekers hebben op 2 januari 2025 met enkele tekstuele opmerkingen op het conceptadvies gereageerd.

3. Vaststelling van de feiten

De commissie stelt op grond van het door het ECR verrichte onderzoek de volgende feiten vast.

Familie Nijstad
Abraham (‘Bram’) Nijstad (hierna ook: Nijstad) werd op 5 juli 1895 geboren te Lochem, als zoon van Leena Trijbits en Hartog Nijstad. Hij had twee zusters: Bertha (1894-1976) en Helena (1896-1944). In 1919 trouwde Nijstad met Rosette Dasberg, dochter van een rabbijn uit Dordrecht. Het echtpaar voerde een religieus Joods huishouden en was actief zowel binnen als buiten de Joodse gemeente van Lochem. Zij kregen vier kinderen. Het eerste kind overleed op jonge leeftijd, waarna een dochter en twee zoons werden geboren: Samuel ‘Saam’ Nijstad (1922-2011), Lena ‘Leny’ Nijstad (1924-2012) en Hartog ‘Harts’ Nijstad (1925-2011).

Saam Nijstad trouwde met Lily Einhorn (1927-2016). Het echtpaar kreeg een zoon, FF (19xx-20xx, zonder nalating van kinderen) en een dochter, CC.

Lena Nijstad trouwde met Jules Cohen (1921-1994). Het echtpaar kreeg een tweeling: EE en DD. EE kreeg twee kinderen: GG en HH.
Harts Nijstad trouwde met Kitty de Wijze (1924-2018). Zij kregen een dochter (AA) en een zoon (BB).

Antiekhandel en makelaardij van Hartog en zoon Abraham Nijstad voor de bezetting
Abraham Nijstad groeide op in een familie van antiquairs. Zijn grootvader was in 1862 begonnen als koopman in manufacturen, antiek en gebruiksvoorwerpen. Zijn vader, Hartog Nijstad, vestigde zich in 1893 in Lochem waar hij een antiekwinkel dreef, eerst aan de Molenstraat maar al spoedig op het adres Markt 29. Volgens Verzoekers vond de eerste aankoop van het Amsterdamse Rijksmuseum bij Hartog Nijstad plaats in 1896. Naast de antiekhandel begon Hartog Nijstad in 1906 een veilingbedrijf samen met vennoot en bankmedewerker Jan Hammerman en bracht hij antiek, zilverwerk en schilderijen onder de hamer. Ook werd Hartog Nijstad in 1923 beëdigd als makelaar in onroerend goed.

Nadat zijn vader 1925 overleed zette Abraham Nijstad de handelsactiviteiten voort. Onder de naam A. Nijstad vestigde hij in dat jaar zijn handel in antiquiteiten en nam hij de antiekwinkel over. In de jaren ‘20 en ’30 verrichtte hij activiteiten als makelaar in onroerend goed en als vendumeester bij inboedelveilingen, die hij samen met Hammerman organiseerde en waar incidenteel schilderkunst werd geveild. In 1936 verhuisde Nijstad met zijn gezin naar de voormalige burgemeesterswoning in Lochem aan ’t Ei 1. Het betrof een groot pand met drie toonzalen.

Naast hun lokale activiteiten vonden Nijstad en zijn echtgenote aansluiting bij de regionale en nationale kunstwereld. Ook onderhielden zij goede contacten met kasteelheren en notabelen in de Achterhoek en opkomende fabrikanten in Twente. Nijstad was landelijk actief, zoals blijkt uit zijn vermelding op een ledenlijst uit 1929 van De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland. Volgens Harts Nijstad reisde zijn vader ‘bijna alle veilingen af die er waren’, niet alleen grote kunstveilingen maar vooral ook boedelveilingen. Nijstad bracht ook stukken in op tentoonstellingen in het Rijksmuseum Amsterdam en het Oranje-Nassau Museum in Den Haag. In 1936 werd aan Nijstad het predicaat Hofleverancier toegekend, waarna hij een koninklijk wapen aan zijn gevel liet hangen.

Welk aandeel de handel in schilderijen in de vooroorlogse jaren in de zaak van Nijstad heeft gehad kon niet worden vastgesteld. In de databases van het RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis werd de naam ‘Nijstad’ voor de oorlog vermeld bij drie verhandelde schilderijen. Er is geen informatie gevonden over de samenstelling van de eigen handelsvoorraad van Nijstad in de jaren voor de Duitse inval. Of daar schilderijen toe behoorden en zo ja, welke dat waren, is niet duidelijk. Er zijn daarnaast geen vooroorlogse tentoonstellingscatalogi bekend van de firma Nijstad. Ook is er geen archief van de kunsthandel bekend of foto’s van het interieur van de zaak in Lochem. Evenmin is bekend of de familie Nijstad schilderijen in particulier bezit had. In een door de Amerikaanse autoriteiten opgestelde opsomming van tijdens de bezetting op grond van afkomst geliquideerde ondernemingen, is over A. Nijstad te Lochem het volgende opgetekend: ‘Known to have stored works of art belonging to a number of Dutch firms or private owners.’

Opvang van Joodse vluchtelingen omstreeks 1936
In zijn boek Van antiquair tot kunsthandelaar (2004) beschrijft Saam Nijstad dat zijn vader omstreeks 1936 steeds vaker na het avondeten afwezig was: ‘Het was wel vreemd dat hij ‘s avonds nog dergelijk werk deed, maar iets bijzonders zochten wij, de kinderen, er niet achter.’ In de vakantie dat jaar zou Nijstad zijn zoon mee hebben genomen naar collega-kunsthandelaar Katz te Dieren. Het was gebruikelijk dat Saam bij de zakelijke besprekingen aanwezig was, maar dit keer werd hij weggestuurd. Saam Nijstad schreef hierover:
Pas veel later heb ik begrepen dat zowel dit gesprek als die vreemde avondlijke taxaties met elkaar in verband stonden. Mijn vader ging in de avonduren naar de grens om in het geheim joodse vluchtelingen, voornamelijk kinderen, op te vangen.

Harts Nijstad vertelde in een interview in 1996 dat het gezin Nijstad daaraan niet de conclusie verbond dat het verstandig was ook zelf te vluchten, erop vertrouwende dat zij in Nederland veilig zouden blijven.

Het gezin Nijstad na de Duitse inval
In augustus 1941 werd het huis van het gezin Nijstad in Lochem belaagd door NSB-ers, die ruiten ingooiden en het koninklijk hofleverancierswapen vernielden. Twee maanden later werden leden van de Joodse gemeenschap in Lochem gearresteerd en naar Mauthausen gedeporteerd. Het gezin Nijstad wist ternauwernood te ontkomen, doordat het vantevoren was gewaarschuwd. Nijstad dook samen met zijn zoon Saam zes weken onder bij de bevriende meubelmaker J.G. Wigman, de beheerder (huisbewaarder) van het filiaal van kunsthandel Firma D. Katz aan het Lange Voorhout 35 in Den Haag. Nadat de vereiste toestemming was verkregen, schreef Nijstad het gezin in december 1941 uit bij de gemeente Lochem en op dezelfde datum in op het adres Daniël Willinkplein 21a in Amsterdam. Circa twee jaar later, in september 1943, verhuisde het gezin naar een woning op het adres Retiefstraat 71hs en 1 hoog te Amsterdam.

Overdracht van de kunsthandel aan J.H. Borghouts
Abraham Nijstad is er in geslaagd om zijn antiekhandel op 15 augustus 1941 formeel over te dragen aan de bevriende kunsthandelaar J.H. Borghouts, waarbij diens procuratiehouder Willem van der Velden gedurende de bezettingsjaren het feitelijke beheer over de kunsthandel in Lochem voerde. De constructie met Borghouts en Van der Velden zou door Nijstad zelf zijn uitgedacht. In het boek Kunst, Kennis en Kwaliteit. De vereniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland 1911-heden vertelde Harts Nijstad hier het volgende over:
Mijn vader […] die aan het begin van de oorlog een tip had gekregen dat de Duitse bezetters een beheerder zouden gaan aanstellen over joodse zaken, is naar J.H. Borghouts, handelaar in oude schilderijen in Utrecht gegaan en vroeg hem of hij niet iemand kende die de zaak als Verwalter kon “overnemen”. Hij zei “Ik weet wel iemand voor je” en riep “Willem?”. Willem van de[r] Velde[n] was daar procuratiehouder en wilde wel helpen. Hij heeft, onverstoorbaar, de zaak onder moeilijke omstandigheden door de oorlog geloodst. De verwijten van de plaatselijke bevolking, die hem uitmaakte voor “vuile NSB-er”, heeft hij naast zich neergelegd. […] Het is aan Van de[r] Velde[n] te danken dat de zaak behouden is gebleven en wij het bedrijf na de oorlog weer terugkregen. Willem is altijd bij ons gebleven, ook toen ik [Harts, RC] naar Amsterdam ging.

In het dossier van de firma Nijstad uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Deventer is aangetekend: ‘De handel in antiquiteiten is met ingang van 15 Augustus 1941 overdragen aan J.H. Borghouts, die haar voortzet onder den naam: Schilderijen- en Antiekhandel J.H. Borghouts.

De door Borghouts aan Nijstad betaalde koopsom, volgens naoorlogs bericht ongeveer NLG 50.000, is terechtgekomen bij de Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstalt, een instelling die optrad als beheerder van kapitaal dat afkomstig was van de verschillende instellingen die tijdens de bezettingsjaren betrokken waren bij de liquidatie en ‘arisering’ van Joods bezit. De formele datum van overdracht aan Borghouts ligt ruim na de registratieplicht en na de invoering van verordening 48/1941 van 12 maart 1941 betreffende de behandeling van het joodsche geldelijke vermogen, de ‘Eerste Liro-verordening’. De Duitse autoriteiten hebben met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toestemming gegeven voor de overdracht van de zaak. Op een overzicht van ondernemingen van 11 november 1941 met betrekking tot de firma Nijstad werd opgemerkt:
Es liegt ein Vorvertrag vor mit J.H. Borghout in Utrecht. Er ist mit der Auflage zu genehmigen, dass Borghout sich verpflichtet, das Geschäft durch einen Fachmann in der bisherigen Weise weiterführen zu lassen.

Volgens Harts Nijstad zouden naast de directbetrokkenen slechts twee andere personen met de onderlinge afspraken bekend zijn geweest. De geheimhouding bracht met zich dat Borghouts en Van der Velden zich ten opzichte van de buitenwereld tijdens en na de bezetting in een lastig parket bevonden. Met name Van der Velden zou hiervan de gevolgen hebben ervaren, zoals Harts Nijstad beschreef:
Voor de buitenwacht was de heer van der Velden een foute NSB-er. Willem Van der Velden heeft zich vier jaar lang dit plakkaat om laten hangen, met alle consequenties van dien dat hij door geen sterveling aangekeken wordt.

Kunsthandelaar Jan Borghouts en procuratiehouder Willem van der Velden
Johannes Hendrikus (Jan) Borghouts werd geboren op 22 oktober 1892 te Vaassen. Op enig moment vestigden zijn ouders zich in het dorp Dieren. Eind 1924 vertrok Borghouts vanuit Dieren naar Venlo. Over zijn werkzaamheden in deze periode is alleen bekend dat hij bedrijfsleider was. Duidelijk is dat hij in 1937 een kunsthandel in Nederlandse, Vlaamse, Italiaanse en Spaanse oude meesters dreef onder de naam kunsthandel J.H. Borghouts, waarvan de toonzalen gevestigd waren aan de Maagdenberg 17 en 19 te Venlo. Op 15 december 1938 verhuisde Borghouts deze showrooms van Venlo naar de Utrechtse Maliebaan 70, het adres waar hij enkele weken later zijn kunsthandel registreerde.

Wilhelmus Cornelis van der Velden werd op 1 december 1913 geboren in het dorp Voorst. Op 11 december 1941 werd hij in het handelsregister geregistreerd als beheerder van het filiaal van Borghouts te Lochem – de antiekzaak van Nijstad – en was hij gerechtigd tot handelingen tot een bedrag van NLG 2.500. Over de activiteiten van de zaak in Lochem tijdens de bezetting verklaarde Harts Nijstad in 2010 dat er tijdens de oorlog niet heel veel gehandeld is door Van der Velden: ‘Hij probeerde dit zoveel mogelijk te vermijden.’ Het enige bij het onderzoek gevonden spoor van een transactie die eenduidig betrekking heeft op het filiaal van Borghouts in Lochem is de verkoop van enkele stuks achttiende-eeuws keramiek aan een antiekhandel in Amsterdam.

In de zomer van 1940 werd een groot deel van de handelsvoorraad van kunsthandel Firma D. Katz te Dieren door de Duitse handelaar Alois Miedl aangekocht. De inventarisatie van de individuele kunstwerken vond plaats in het pand van Borghouts aan de Maliebaan 70, waar op dat moment circa 320 kunstwerken waren opgesteld. Borghouts opende in november 1940 een filiaal op het adres Rokin 64 in Amsterdam. In april 1948 gaf hij bij het handelsregister te Amsterdam op dat dit filiaal was overgedragen aan de Heer H. Katz (…). Het betrof Hartog (Harry) Katz, geboren in 1916. Na het overlijden van Borghouts in 1962 werd de kunsthandel opgeheven. Een bedrijfsarchief van de kunsthandel is niet achterhaald.

Makelaarskantoor Nijstad & Hammerman tijdens de bezetting
Abraham Nijstad trad op 1 mei 1941 als vennoot uit de zaak Nijstad en Hammerman, vermoedelijk in een poging het venduhuis te behoeden voor overname. In zijn boek Lochem in oorlogstijd 1940-1945 schrijft H.J. ten Broeke dat het verkooplokaal van Nijstad en Hammerman actief bleef: Hier werden soms hele inboedels geveild, waaronder vaak zeer begeerde zaken die normaal niet meer te koop waren. Per 1 januari 1957 werd de vennootschap ontbonden, blijkens opgave van Abraham Nijstad bij het handelsregister.

Verhuizing van het gezin Nijstad naar Amsterdam
Abraham Nijstad ondernam tijdens de bezettingsjaren verschillende pogingen om de precaire positie van zijn gezin te verbeteren en deportatie te voorkomen. Vanaf juli 1942 wist hij een vrijstelling te verkrijgen voor Arbeitseinsatz, omdat hij een positie had weten te verwerven bij de Joodsche Raad voor Amsterdam als adm. Kracht/Buroangestellter. Op Nijstads persoonsbewijs was vermeld dat hij werkzaam was op de afdeling Expositur, die als verbinding tussen de Joodsche Raad en de Zentralstelle für jüdische Auswanderung fungeerde. Daar ontstond soms ook de gelegenheid tot het verkrijgen van informatie van levensbelang of het regelen van vrijstellingen. Harts Nijstad verklaarde in 1996 dat het gezin op de ‘Weinreblijst’ heeft gestaan: ‘Wij hebben daar ook in geloofd. […] Daar kocht je je in. Pure oplichtersbende. Maar je wou zo graag geloven dat er nog een mogelijkheid was.’ In juli 1943 kreeg het gezin Nijstad via het Comité Internationale de la Croix-Rouge in Genève een bericht van de Jewish Agency in Jerusalem, dat het geregistreerd stond op de exchange list for immigration [to] Palestine.

Abraham Nijstad en de Sonderauftrag Linz
In 1939 gaf Adolf Hitler de opdracht aan de directeur van de Dresdner Gemäldegalerie, dr. Hans Posse (1879-1942) om een kunstcollectie ten behoeve van het in Linz op te richten Führermuseum samen te stellen. De kleine organisatie die zich onder zijn leiding bezighield met de verwerving van kunstvoorwerpen bestond voor een deel uit medewerkers van de Dresdner Gemäldegalerie en staat ook wel bekend als de ‘Sonderauftrag Linz’. Het doel van deze activiteiten werd aanvankelijk versluierd: Posse presenteerde zich als directeur van het museum in Dresden en kocht objecten aan op eigen titel. Ook werden de faciliteiten van de Dresdner Gemäldegalerie, zoals bergplaatsen, gebruikt om de verworven objecten te catalogiseren en op te slaan.

De verwerving van kunst door de Sonderauftrag Linz in Nederland vond voornamelijk plaats door aankoop: op veilingen, via de kunsthandel of, al dan niet via bemiddelaars en tussenpersonen, uit particuliere verzamelingen. Vanaf mei 1942 werd Posse in Nederland ondersteund door de Duitse kunsthistoricus dr. Erhard Göpel, die was aangesteld bij een ambtelijke afdeling van het Rijkscommissariaat. Göpel was goed bekend met Nederland en beschikte over vele persoonlijke en zakelijke connecties in de Nederlandse kunstwereld. Voor de aankoop van kunst op de Nederlandse markt, onder meer uit particuliere collecties, zette de Sonderauftrag Linz in de loop der tijd een netwerk in van Joodse experts en kunsthandelaren, deels Duitse vluchtelingen, die ten behoeve van deze werkzaamheden tijdelijk diverse vrijstellingen van anti-Joodse maatregelen verkregen.

Zij faciliteerden Göpel bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en vervulden daarbij verschillende rollen. Voor de Joodse experts, handelaars en opkopers was duidelijk dat niet alleen hun eigen leven, maar ook dat van hun familieleden bij voortduring afhing van de welwillendheid van hun opdrachtgevers en de mate waarin zij in staat waren aan hun verwachtingen te voldoen. Uit literatuur blijkt dat de persoonlijke verhouding tussen de Joodse betrokkenen en hun Duitse opdrachtgevers soms complex was. Door inzet van hun specifieke kennis en de bemoeienis van de medewerkers van de Sonderauftrag Linz heeft een kleine groep Joodse kunstkenners de oorlog weten te overleven, maar meestal niet zonder blijvend getekend te worden door de spanningen van de bezettingsjaren en het verlies van familie. Voor een deel van de betrokkenen was ook na de bevrijding de beproeving niet voorbij: zij werden geconfronteerd met onbegrip over de positie waarin zij zich hadden bevonden en kregen het verwijt gecollaboreerd te hebben.

Uit de bij het onderzoek aangetroffen documenten kan worden afgeleid dat Abraham Nijstad gedurende de bezetting door de nazi’s werd ingezet bij de aankoop van kunst op de Nederlandse kunstmarkt door de Sonderauftrag Linz. Wanneer deze betrokkenheid van Nijstad aanving is niet zeker. In een naoorlogse brief sprak Nijstad zelf over het jaar 1943, maar duidelijk is dat aan Nijstad en zijn gezin al enige tijd eerder, op 12 oktober 1942, vrijstellingen waren verleend op voorspraak van het Referat Sonderfragen, de afdeling van het Rijkscommissariaat waaraan Göpel verbonden was. De termijn waarvoor deze vrijstelling geldig was, werd bewust niet aan Nijstad meegedeeld om de onzekerheid te vergroten

Nijstads naam werd opgenomen op een Liste der im Kunsthandel eingesetzten Juden van 5 februari 1943. Op voordracht van de Generalkommissar zur besonderen Verwendung, Fritz Schmidt, werd hij op 23 april 1943 vrijgesteld van deportatie met ingang van 1 mei 1943, met de volgende motivering: Mein Referat Sonderfragen hat bei der Durchführungen eines Reichswichtigen Auftragen für die Ausführung von Gemälden und anderen Kunstgegenständen die Mitarbeit des jüdischen holländischen Staatsangehörigen A. Nijstad, Amsterdam Daniël Willinkplein 21a nötig.

Uit een ongedateerde lijst, medio of eind 1943 opgesteld, kan worden afgeleid dat de familie Nijstad was vrijgesteld van Arbeitseinsatz in Deutschland omdat Nijstad, die werd omschreven als Kunsthändler und Agent, nodig was voor het opsporen van kunstwerken in bezit van de adel, waartoe hij alleen in staat zou zijn als hij tevens vrijgesteld zou worden van het dragen van een gele ster en het hem zou worden toegestaan in Amsterdam te verblijven:
Wird weiterhin für Sonderauftrag Linz zum Aufspüren von Kunstwerken in Adelsbesitz benötigt. Gedeihliche Weiterarbeit jedoch nur falls N [Nijstad] und Familie vom Tragen des Judensternes befreit wird und in Amsterdam wohnen kann.

Na de oorlog schreef Abraham Nijstad aan een bekende een brief over deze werkzaamheden, waarin hij het volgende schreef:
Gekocht voor de Duitsers heb ik nooit. Doch in 1943 heeft men mij voor de keus gesteld: Voor de Duitsers schilderijen te taxeren en te adviseren in aankopen, of met mijn gehele gezin naar Polen te worden doorgezonden. Alvorens hier verder op in te gaan, heb ik mij toen in verbinding gesteld met enige goede Nederlanders uit de museum- en bankkringen. Men adviseerde mij, coûte que coûte deze relatie niet te verbreken om hierdoor het gevaar van deportatie te voorkomen. De zeer weinige zaken die ik daarna op deze wijze tot stand bracht, vonden slechts dan plaats, na advies ingewonnen te hebben bij Dr. J.G. van Gelder, directeur van het Mauritshuis die de onbelangrijkheid van deze zaken vaststelde. In de brief voegde hij toe: Deze zaken zouden ook zonder mij doorgang gevonden hebben, aangezien de heren Duitsers beschikten over een leger van adviseurs, en met hun geld deze vrijwillige verkopen afdwongen.

Plaatsing op de Barneveld-lijst
Nijstad en zijn gezin kregen tijdens de bezettingsjaren hulp van vrienden en bekenden, in het bijzonder van dr. Jan Gerrit van Gelder (1903-1980), waarnemend directeur van het RKD en later directeur van het Mauritshuis. Van Gelder wist te bewerkstelligen dat Nijstad en zijn gezin werden toegevoegd aan de lijst van Joden die bescherming genoten in het kader van het ‘Lijst-Frederiks’. Gedurende de bezetting groeide de lijst tot vele honderden personen. Een groot deel van hen werd geïnterneerd in huis De Schaffelaar in Barneveld: de Barneveld-groep.

Voor zover bekend is het gezin Nijstad administratief gelijkgesteld aan de Barneveld-groep, maar heeft het fysiek geen deel uitgemaakt van deze groep, totdat op 29 september 1943 een grote razzia werd gehouden waarbij de groep werd weggevoerd naar Westerbork. Het gezin Nijstad werd voor zover bekend op diezelfde dag naar Westerbork vervoerd. In 2001 vertelde Harts Nijstad dat het initiatief tot plaatsing op de Lijst-Frederiks was uitgegaan van Van Gelder.
Wij moesten naar Amsterdam verhuizen, en toen zei de kunsthistoricus Jan van Gelder tegen mijn vader, dat hij hem graag op de lijst zou zien. En toen zijn wij naar Westerbork gehaald, als Barnevelders, en werden daar nog iets vreemd aangekeken, hoe dat kon, dat je een Barnevelder was en niet in Barneveld bent geweest?

Blijkens het archief van het Nederlandse Rode Kruis werd Abraham Nijstad op 29 september 1943 ingeschreven in Westerbork. Na de bezetting schreef hij dat de gehele inboedel, inclusief de kunstbibliotheek die hij in twintig jaar had verzameld, door de Duitsers in beslag was genomen en dat hij er, in ieder geval op het moment van schrijven, nooit één stuk van terug had gezien.

Tijdens een vergadering in oktober 1943 nam Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart de lijst door waarop ‘niet-ariërs’ vermeld waren die vrijstelling hadden gekregen van het dragen van de gele ster. Op de lijst bevonden zich op dat moment ongeveer 90 personen, waaronder een groep die als ‘die für den Sonderauftrag Museum Linz vom Sterntragen befreiten Juden’ werd aangeduid. Daartoe behoorde ook het gezin Nijstad. Seyss-Inquart besloot het volgende: ‘Nijstad wird vom Tragen des Judensterns befreit, seine Familie bleibt mit den Frederiks-Juden im Lager Westerbork und wird nicht abtransportiert.’ Nijstad die werd geacht kunst op te sporen ten behoeve van de Sonderauftrag Linz, verliet daartoe op 3 februari 1944 Kamp Westerbork, terwijl zijn familie in het kamp achter moest blijven. Vijf van de zeven thans teruggevraagde Kunstwerken zijn na dit moment door de Sonderauftrag Linz aangekocht. Nijstads gezin bleef vastzitten in Westerbork, terwijl Nijstad zich in maart 1944 inschreef op de Zuider Amstellaan 31hs in Amsterdam. Op een in 1944 door Van Gelder verzonden lijst met personalia is vermeld dat Nijstad in juni 1944 feitelijk in Den Haag aan het Lange Voorhout 35 woonde.

J.G. Wigman, huisbewaarder van het Haagse filiaal van de firma D. Katz
In de documentatie met betrekking tot de aankopen door de Sonderauftrag Linz komt de naam Johannes Gerardus Wigman veelvuldig voor, waaronder ook bij een deel van de Kunstwerken. De in 1900 te Arnhem geboren Wigman was bevriend met Abraham Nijstad. In 1940 werd Wigman beheerder bij het kort daarvoor geopende Haagse filiaal van kunsthandel Firma D. Katz aan het Lange Voorhout 35 in Den Haag, tevens zijn woonadres. In een naoorlogse brief aan een zakenrelatie ontkende Abraham Nijstad dat hij iets te maken had met de Firma Katz en stelde hij: […] dat ik bevriend ben met den concierge van een huis van de Fa. Katz, de heer J. Wigman Lange Voorhout 35 Den Haag, bij wien ik tijdens de Mauthausen-razzia in 1941 gedurende 6 weken ondergedoken was, en die ons in 1943-44 op buitengewone wijze met voedselpaketten verzorgde toen wij in Westerbork waren.

Tijdens een verhoor in juli 1948 door de Rijksrecherche verklaarde Wigman zelf dat hij in dienst was als huisbewaarder van de kunsthandel, maar dat hij als meubelmaker ‘in het geheel geen verstand [had] van schilderijen.’ Desondanks kan uit een brief van Wigman aan Nathan Katz van 1 februari 1943 worden afgeleid dat Wigman actief deelnam aan de handel met kunstwerken, hoewel niet duidelijk is of hij daarbij voor eigen rekening optrad of ten behoeve van anderen.
[Nu] mijnheer ik ben afgelopen week aan het handelen geweest. Ridder had van iemand een goed schilderij wat wij moesten verkopen nu heb ik het voor mijn doen met succes aan Bandertje [mogelijk Heinz Bandermann, ECR] verkocht het was een vroege J. Steen volgens Dr. v. Gelder en Friedländer een goed schilderij. Het heeft 50 mil opgebracht dit was voor ons een buitenkansje.

Wigman bleef gedurende de bezettingsjaren betrokken bij de afhandeling van kunstaankopen door de Sonderauftrag Linz en onderhield in die jaren contact met leden van de familie Katz binnen en buiten Nederland. Zijn naam komt veelvuldig voor bij aankopen door de Sonderauftrag Linz, met name in het jaar 1944. In welke hoedanigheid Wigman optrad, is vaak onduidelijk. Zo zijn in de archieven nota’s aangetroffen voor schilderijen en zilverwerk, waaronder zilverwerk dat waarschijnlijk eigendom was van de firma Nijstad, dat in de loop van 1944 geleverd is aan de Sonderauftrag Linz. De rekeningen en kwitanties zijn ondertekend door Wigman, terwijl naoorlogse informatie erop wijst dat in ieder geval een deel van de objecten eigendom was van derden. Aannemelijk is daarom dat Wigman in elk geval bij een deel van deze transacties optrad als tussenpersoon of zorg droeg voor transport en emballage.

Poging tot uitreis Nijstad en familie in 1944 door levering van kunst
De vrijstellingen die Nijstad en zijn gezin wisten te verkrijgen waren tijdelijk en uiterst onzeker. Op 28 maart 1944 nam Van Gelder contact op met de secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken, mr. K.J. Frederiks, om een op korte termijn dreigende aanstaande deportatie af te wenden. Hij schreef:
Hierbij doe ik U de gegevens toekomen betreffende de familie A. Nijstad te Lochem, waarvoor ik u zoojuist heb opgebeld. Deze familie is indertijd mede door Jhr. Sandberg van Heldring en Pierson gelijkgesteld en volgens een beschikking van 20-12-’43 toegevoegd aan de Barneveld-groep. Voor de heer Nijstad kunnen de heer Sandberg en ik ten volle instaan. Desondanks is de Heer N. thans medegedeeld dat hij maandag a.s. met familie naar The.Stadt zou moeten vertrekken. Kan dit als hij reeds toegevoegd is? En wat is daar nog aan te doen. Staat hij, ondanks wat bereikt, niet op de lijst, dan zou dit feit nog hersteld kunnen worden, naar ik hoop. Zeer hoop ik dat u iets kunt bereiken vòòr maandag a.s.

Niet lang daarna ondernam Van Gelder een poging om Nijstad definitief uit het bereik van het naziregime te brengen door hem te laten uitreizen naar een neutraal land en wendde hij zich tot de leider van de Sonderauftrag Linz, prof. Hermann Voss, met een verzoek om medewerking. Van Gelder schreef daarna een uitgebreide dankbrief aan Voss naar aanleiding van de door hem geboden steun en meldde dat er inmiddels een ‘Curatorium angesehener Holländer […], zu dem auch einiger Ihrer Kollegen und bekannte Kunsthändler gehören’ was gevormd dat bereid was om een waardevol schilderij door Jacob Marrel aan een Duits museum ter beschikking te stellen indien Nijstad zou kunnen uitreizen naar een neutraal land.

In juni 1944 schreef dr. Erhard Göpel een lange brief aan Voss over allerlei verwikkelingen rond de aankoop van kunstwerken. Daarin ging hij ook kort in op het schilderij dat werd aangeboden door het Curatorium dat onder leiding van Van Gelder voor de Vermittler Nijstad was gevormd. Göpel uitte zich positief over de kwaliteit van het schilderij en benadrukte de recente verwerving via Nijstad van werken van Codde en Cuyp (naar alle waarschijnlijkheid NK 2550 en NK 2255) als argument om er bij zijn superieuren op aan te dringen Nijstad niet over te brengen naar een kamp:
Da mir sehr daran liegt, den Vermittler Nijstadt bis zu seiner eventuelle Ausreise mit seiner Familie zu meiner Verfügung zu haben, so würde ich bitten, falls Sie sich zu einer Weitergabe des Vorschlages von Dr. v. Gelder entschliessen könnten, die Sperrung des Nijstadt von der Verbringung in ein Lager zu beantragen. Da der augenblickliche kritische Zustand in den Küstengebieten überraschende Massnahmen möglich erscheinen lässt, eilt die Angelegenheit. Über N. ist kürzlich der Pieter Codde und neuerdings der Cuyp gekommen, sowie zahlreiche Silbergegenstände.

Ondertussen gingen de besprekingen over de uitreis van Nijstad door. Voss stond positief ten opzichte van het verzoek van Van Gelder. Diezelfde dag bracht hij de kwestie schriftelijk onder de aandacht van Hitlers rechterhand Martin Bormann, waarbij hij zich lovend uitliet over het voorgedragen kunstwerk:
Es handelt sich bei den fraglichen Personen um die Familie des jüdischen Kunsthandlers Nystad, der sich, wie mir Herr van Gelder mitteilt, vielfache Verdienste um die öffentliche holländischen Kunstsammlung erworben und in übrigen wiederholt auch wichtige Gemälde und kunstgewerbliche Gegenstände für den Sonderauftrag Linz sowie andere deutsche Museen beschafft ist.

Onder de bijlagen die Voss meestuurde aan Bormann bevond zich een lijst met de personen die door de levering van het schilderij uit zouden moeten reizen, te weten:
PERSONALIA von der Familie A. Nystad.

                                                                                                                    Kernkarte

  1. Nystad Abraham.    Geboren 5-7-1895 in Lochem                No P.B.L. 36 No 002907
  2. Dasberg Rosette.     Geboren 11-9-1897 in Dordrecht          No P.B.L. 35 No 000773
  3. Nystad Samuel.       Geboren 20-5-1922 in Lochem             No P.B.L. 36 No 002906
  4. Nystad Lena.           Gebo ren 11-4-1924 in Lochem             No P.B.L. 35 No 596574
  5. Nystad Hartog.       Geboren 12-9-1925 in Lochem             No P.B.L. 36 No 002906

PERSONALIA von Jules Cohen (Ehemann von Lena Nystad (4))

  1. Cohen Jules.           Geboren 21-12-1921 in Groningen.       No P.B.G. 49 No 033322

Die in dieser Liste aufgeführten Personen (2-6) befinden sich momentan im Lager Westerbork (Holland). Herr Nystad selbst (1) wohnt im Haag, Lange Voorhout 35. Gültige Pässe (bis Mai 1944) sind in ihrem Besitz.

Op 15 juni 1944 rapporteerde Voss aan Göpel over de voortgang, waarbij hij ook schreef over de dreigende opheffing van Göpels bureau in Den Haag:
Das Schriftstück des Herrn van Gelder hatte ich bereits erhalten und die Bitte des holländischen Komitees sogleich befürwortend und Herrn Reichleiter Bormann weitergereicht. Nachdem ich heute telefonisch erfuhr, daß Ihre Dienststelle aufgelöst werden soll, sandte ich sogleich ein Telegram an Herrn Dr. von Hummel, in dem ich mich auf Ihren telefonischen Anruf bei ihm bezog und den Standpunkt vertrat, daß weitere Erwerbungen gerade in diesem Augenblick leicht zu machen und Fortsetzung Ihrer Tätigkeit mithin erwünscht sei. Hoffentlich haben wir damit Erfolg.

Alle pleidooien ten gunste van de regeling ten spijt berichtte Bormanns persoonlijke secretaris Helmut von Hummel op 20 juni 1944 aan Voss dat Bormann het verzoek ‘om principiële redenen’ had afgewezen. Von Hummel sloot het bericht af met een vingerwijzing aan Voss: ‘Ich bitte Sie, künftig Anträge und Anregungen dieser Art von vornherein als ungeeignet unmittelbar abzulehnen.’ Het duurde daarna enkele weken voordat het bericht over de afwijzing Van Gelder en Nijstad bereikte, omdat Bormanns secretariaat over het hoofd had gezien enkele poststukken te versturen: pas op 7 juli 1944 deed Bormann die alsnog aan Voss toekomen. Onwetend van de mislukking schreef Van Gelder in juni 1944 nog een bedankje aan Voss en meldde hij dat hij met Göpel had afgesproken dat Voss telefonisch geïnformeerd zou worden voor het geval van dreigende deportatie:
Darf ich Ihnen verbindlichst danken für Ihr freundliches Schreiben vom 13 Juni. Wir sind Ihnen besonderes erkenntlich, dass Sie unser Anliegen so rasch und energisch bei der zuständigen Stelle vertreten haben. Ich spreche in Namen des gesamten Komitees, wenn ich Ihnen für diese Hilfe unseren herzlichen Dank sage. Wir wollen hoffen, dass unsere gemeinsamen Bemühungen Erfolg haben werden. Mit Herrn Dr. Göpel habe ich verabredet, dass ich mir erlauben wurde, Sie telefonisch zu benachrichtigen für den Fall, dass sich hier die Verhältnissen in den Sinne Ändern, dass die betreffenden Personen gezwungen würden das Land zu verlassen. Ich nehme an, dass in einer sochen Notlage vielleicht durch eine telefonische Rücksprache ein kurzer Aufschub zu erwirken ist, bis die ganze Angelegenheit geklärt ist. Unter Wiederholung meines und meiner Kollegen Dankes verbleibe ich mit den besten Empfehlungen.

Nadat Voss in juli 1944 alsnog het bericht met de afwijzing had ontvangen belde hij met Göpel en vroeg hem diezelfde dag per brief de uitkomst persoonlijk aan Van Gelder mede te delen (‘bedauerlicherweise’ in de laatste zin is doorgehaald op het document):
Anliegend übersende ich Ihnen zur Kenntnisnahme eine Abschrift der in der Angelegenheit Nystad an mich ergangenen Antwort. Wie ich Ihnen heute bereits telefonisch mitteilte, wäre ich Ihnen dankbar, wenn Sie den negativen Ausgang dieser Aktion Herrn van Gelder persönlich mitteilen und ihm zugleich sagen würden, dass die Angelegenheit bedauerlicherweise damit leider erledigt sei.

Abraham Nijstad en zijn gezin werden in september 1944 vanuit Westerbork gedeporteerd naar concentratiekamp Theresienstadt. Na de oorlog schreef hij hierover: ‘Doordat ik toen mede door toedoen van genoemde Dr. v. Gelder op de zgn. Barneveld-lijst geplaatst was, ben ik tenslotte in Theresienstadt terecht gekomen, hetgeen uiteindelijk onze redding bleek te zijn.’

Lotgevallen Nijstad na de bezetting
Het gezin Nijstad overleefde de verschrikkingen van de bezettingsjaren en het verblijf in Theresienstadt, maar niet ongeschonden. Verzoekers schreven over Abraham Nijstad:
     De realiteit in 1945 was bitter en het is belangrijk om een paar van de verliezen te benoemen.

  1. Zijn zusje, Helena Vromen-Nijstad werd met haar man en hun drie kinderen vermoord. Twee broers van zijn echtgenote vonden hetzelfde noodlot.
  2. Van de Joodse Gemeente in Lochem, waarvan hij de laatste voorzitter was, overleefden slechts 18 leden, 100 werden vermoord en dientengevolge moest onze grootvader zien hoe zijn gemeente niet langer kon bestaan omdat er simpelweg geen minjan meer was.
  3. Ook in zijn ruime sociale- en professionele netwerk waren de verliezen onder het Joodse deel enorm.

Het kostte na de bevrijding enige tijd om de verdenking van collaboratie tegen Van der Velden van tafel te krijgen. In het levensbericht van Saam Nijstad is hierover te lezen:
Na de oorlog moest Abraham Nijstad alle zeilen bijzetten om ‘oom Wim’, zoals Saams kinderen hem ongedwongen noemden, van landverraad vrijgepleit te krijgen.

Werkzaamheden voor de SNK
Vanaf oktober 1945 werkte Abraham Nijstad als taxateur voor de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Zijn zoon Saam verleende er hand- en spandiensten:
Van juni 1945 tot 1 januari 1947 was ik [J.G. Van Gelders] knechtje en chauffeur geweest. Terug uit Theresienstadt was ik op aanraden van mijn vader naar Van Gelder gegaan. Ik had hem gevraagd of hij mij kon helpen omdat ik mij wilde gaan bezighouden met kunst om later kunsthandelaar te worden. Mijn vader was al jarenlang bevriend met, zoals hij hen noemde, de oude en de jonge Van Gelder. De oude dr. H.E. van Gelder was directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag. De vriendschapsband met de jonge Van Gelder dateerde uit de oorlogsjaren. […] Een nieuwe periode in mijn leven brak aan. Van Gelder had de opdracht gekregen om voor de Nederlandse Staat alle schilderijen uit Nederlandse musea die opgeslagen waren in schuilkelders en andere bewaarplaatsen te gaan controleren. Hij had hiervoor een auto toegewezen gekregen, maar hij kon zelf niet autorijden. Zijn chauffeur en leerjongen werd ik. […] Hij werd mijn tweede vader, zoals hij dat voor vele tientallen van zijn studenten werd.

Administratie SNK, Aangifte Formulieren en Witte Kaarten
Een groot deel van de Kunstwerken werd in 1944 aangekocht door Göpel, die in deze periode gebruik maakte van de diensten van een groep Joodse experts die van zijn bescherming afhankelijk waren. Bij een aantal van de transacties waren ook personen uit de nabije omgeving van de experts betrokken. Tot de kring rond Göpel behoorden onder meer de Russisch-Joodse kunsthistoricus, -handelaar en -verzamelaar Vitale Bloch (1900-1975) en decorateur en restaurator Hendrik Schuuring (1883-1955) (zij woonden op hetzelfde adres), de broers Nathan en Benjamin Katz en hun filiaalbeheerder J.G. Wigman (die met Abraham Nijstad bevriend was). Hun namen komen in wisselende samenstelling voor in de documentatie die betrekking heeft op Göpels aankopen. Welke rol zij bij een individuele transactie vervulden is niet altijd helder. Er zijn aanwijzingen dat de namen die bij de transacties zijn vermeld op facturen van destijds niet altijd die van de eigenaar waren.

Na de bezettingsjaren is de onduidelijkheid over de toedracht van de aankopen voor een deel van deze transacties vergroot, doordat een verband werd gelegd tussen het pand Lange Voorhout 35 en de daar gevestigde kunsthandel Firma D. Katz. Dit heeft ertoe geleid dat de naam Katz gekoppeld is aan verschillende kunstwerken. Een aantal van de door Göpel aangekochte werken was inderdaad aangeleverd door of via de inmiddels ‘geariseerde’ N.V. Katz of de broers individueel, terwijl in veel gevallen ook aannemelijk is dat het pand aan het Lange Voorhout of beheerder Wigman het enige verband met deze kunsthandel vormt. Ook de verdere administratieve verwerking van de verstrekte informatie heeft ertoe geleid dat gegevens in circulatie raakten en vermeld zijn op documenten of inventariskaarten die een rol speelden binnen het administratieve proces van opsporing en repatriëring. Dit heeft ertoe geleid dat zich ook binnen dit bronnencomplex soms tegenstrijdige vermeldingen met betrekking tot herkomst en eigendom bevinden.

Door Abraham Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren
Na de oorlog was de SNK onder meer belast met het opsporen van kunstwerken en de recuperatie daarvan uit Duitsland. Hiertoe was informatie nodig over wat er was kwijtgeraakt. Om documentatie te verkrijgen die voor deze taken nodig was, werd iedereen die kennis had over kunst in vijandelijk bezit per verordening van het naoorlogse Militair Gezag verplicht om gegevens te verstrekken aan de SNK. De aangifteplicht gold niet alleen voor voormalige eigenaren van de kunstwerken, maar voor iedereen die kennis had over kunstwerken die na 10 mei 1940 in vijandelijke handen terecht waren gekomen, ongeacht hun eigen betrokkenheid daarbij en ongeacht de manier waarop de kunst uit handen was geraakt van de eigenaar. Tot dat doel werden voorgedrukte ‘Aangifte Formulieren’ uitgegeven, waarop gegevens konden worden ingevuld met betrekking tot het kunstobject en de aard van het bezitsverlies.

Met behulp van de aldus verzamelde gegevens werden kunstwerken opgespoord in Duitsland en dienden de Nederlandse autoriteiten bij de geallieerde collecting points claims in, op grond waarvan de kunstwerken naar Nederland konden worden teruggevoerd. Dat iemand de SNK informatie verstrekte over een kunstwerk door middel van het invullen van een Aangifte Formulier impliceert niet dat diegene daarmee de SNK om restitutie vroeg, of dat die persoon eigenaar was van het kunstwerk.

Abraham Nijstad vulde na de bevrijding meerdere Aangifte Formulieren in die betrekking hebben op kunstwerken die tijdens de bezetting in handen van Göpel waren geraakt. In totaal zijn in het SNK-archief 16 formulieren gevonden die door Nijstad zijn ingevuld en ondertekend. Voor vijf van de zeven Kunstwerken is een door Abraham Nijstad ingevuld Aangifte Formulier voorhanden. Alleen met betrekking tot de twee gouaches van Troost zijn geen door Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren gevonden.

Ongeveer twee maanden nadat hij de formulieren had ingediend bij de SNK schreef Nijstad over zijn rol als taxateur en adviseur bij aankopen van kunst voor de Duitsers:
Het voordeel is dan ook dat ik, en met mij vrijwel de gehele kunsthandel na de oorlog waardevolle inlichtingen kon geven aan de Stichting Nederlands Kunstbezit die konden leiden tot het terugvinden van verdwenen kunstvoorwerpen.

Op de Aangifte Formulieren bevinden zich twee velden die betrekking hebben op de eigendom: veld 8 en veld 14.

Veld 8 (Herkomst) was bedoeld om aan te geven wat de oudere herkomst van het object was: Ad. 8 Niet slechts opgave van vroegere verzamelingen, maar ook van eventueelen kunsthandelaar of veilinghouder bij wien het object werd gekocht. Verzoekers wijzen er terecht op dat aan het begrip herkomst in de kunstwereld regelmatig invulling is gegeven door te verwijzen naar de meest prestigieuze collectie waarvan het object enige tijd tevoren deel had uitgemaakt, om daarmee het object cachet te verschaffen. Zij schrijven onder meer:
De ‘handel’ werd vaak overgeslagen omdat ze in de geschiedenis van de herkomst niet relevant werd geacht en vooral werd gezien als tussenpersoon. Het noemen van de laatste eigenaar als bron van herkomst was dus niet zo vreemd en het kan ook een verklaring zijn voor de wijze van invullen van de formulieren door onze grootvader.

Veld 14 betreft een voorbedrukte zin (oorspronkelijk bezit, gebruik, bewaring of anderszins) gevolgd door een in te vullen naam, waarbij de indiener van het formulier geacht werd in de voorbedrukte zin de niet-relevante woorden door te strepen, om daarmee duidelijkheid over de actuele eigendomssituatie te verschaffen:
Ad 14. Doorhalen hetgeen niet van toepassing is, zoodat b.v. gelezen wordt “Was oorspronkelijk in bezit van”. Indien object eigendom was van twee of meer personen of firma’s (contameta) s.v.p. opgeven.

Nijstad heeft de door hem ondertekende formulieren op betrekkelijk consistente wijze ingevuld. Van de 16 formulieren die hij indiende hebben er 11 de datum 18 maart 1946 en vijf de datum 23 maart 1946. Vijf van de 16 formulieren hebben betrekking op de Kunstwerken. Alle formulieren zijn ingevuld met een schrijfmachine en met de hand ondertekend door Abraham Nijstad.

Op zes formulieren gaf hij in veld 8 aan dat het werk afkomstig was van A. Nijstad, Lochem (Hondius) of van de Fa. A. Nijstad, Lochem (de op 23 maart 1946 ingediende formulieren met betrekking tot zilverwerk). Of bij de Hondius de expliciete vermelding naar de firma bewust achterwege is gelaten om onderscheid te maken tussen handelsvoorraad en privébezit is niet duidelijk. Op 4 oktober 1946 verstrekte Nijstad uit zijn herinnering aanvullende gegevens over de objecten aan de SNK. De zilveren objecten zijn op de Duitse afrekening uit 1944 geboekt op naam van Wigman, wat een indicatie is dat de naam die voorkomt in de (Duitse) documentatie rond de transacties van de Sonderauftrag Linz in 1944 niet altijd naar de oorspronkelijke eigenaar van de objecten verwijst.

Op de overige vijf formulieren verwijst Nijstad op eenduidige wijze naar anderen dan zichzelf of zijn firma en heeft hij in vrijwel alle gevallen bij veld 8 en veld 14 dezelfde naam ingevuld.
– NK 2194 (Schelfhout)         – ‘Jhr. Laman Trip Laan Copes v. Cattenburgh 89 Den Haag’
– NK 2255 (Cuyp)                – ‘Borghouts, Utrecht’
– NK 2550 (Codde)              – ‘Graaf Bentinck, Middachten’
– NK 2365 (Storck)               – ‘J.H. Borghouts, Utrecht’

Naast de Kunstwerken vulde Nijstad formulieren in voor zes schilderijen die zich niet in de NK-collectie bevinden, waarbij hij als herkomst niet de naam van zichzelf of van zijn kunsthandel noemde, maar de naam van een derde.

Op de Aangifte Formulieren is ook een veld 15 opgenomen om de wijze van bezitsverlies aan te geven, evenals welke kwalificatie aan dat bezitsverlies werd verbonden door degene die het formulier invulde. Het gaat hier eveneens om een voorgedrukte zin waarbij de indiener van het formulier geacht werd de niet ter zake doende woorden door te strepen. Ad 15. Doorhalen hetgeen niet van toepassing is, zoodat b.v. gelezen wordt: “Is door confiscatie in bezit gekomen van”.
Voor zover bekend heeft Nijstad nooit om teruggave van kunstwerken verzocht. Op alle door hem ondertekende formulieren is onder veld 15 met de schrijfmachine het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of doorgehaald, zodat nog leesbaar is: Is door vrijwillige verkoop in bezit gekomen van.

Hierover schrijven Verzoekers:
Over hoe overlevenden van de holocaust omgingen met het niet te bevatten verlies is na de oorlog veel geschreven. De oorlog en het daarmee gepaard gaande verdriet was een moeilijk gespreksonderwerp. Voor onze grootvader is dat zeker voorstelbaar gezien het feit dat hij en zijn gezin waarschijnlijk overleefd hebben en hij de deportatie heeft kunnen uitstellen door zijn positie als kunsthandelaar, die waardevol was voor de bezetter. Daarbij is het ook heel aannemelijk dat hij de behoefte had om deze intens trieste periode af te sluiten, de deur dicht te doen en niet verwikkeld blijven in allerlei eindeloze procedures. Bijvoorbeeld over restitutie van schilderijen. Vooruit kijken en doorgaan was het devies en ook een manier om door te kùnnen leven. In dit kader is het ons inziens terecht om vraagtekens te stellen bij het woordje “vrijwillig”.

Naoorlogse schadevergoeding JOKOS
Na de oorlog heeft Abraham Nijstad een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij de Duitse overheid in het kader van het Bundesrückerstattungsgesetz (BRüG). De schadeclaim had betrekking op inbeslaggenomen huisraad op het adres Retiefstraat 71hs en 1 hoog in Amsterdam. Naar aanleiding van het verzoek is NLG 16.838,75 uitgekeerd. In het dossier wordt geen melding gemaakt van kunstwerken of objecten van bijzondere waarde of van bezitsverlies op andere adressen.

Abraham Nijstad en zijn kunsthandel na de bezetting
De overname van de firma A. Nijstad te Lochem door Borghouts tijdens de Duitse bezetting gebeurde volgens Harts Nijstad ‘met de afspraak dat de zaak na de oorlog zou worden teruggekocht, en zo is het gegaan.’ In het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te Deventer is aangetekend dat de zaak vanaf juli 1945 weer door Nijstad was overgenomen van Borghouts. In april 1949 werd in de Staatscourant bericht dat het Nederlandse Beheersinstituut definitief een vordering van Abraham Nijstad had erkend op de Stichting Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstalt te Amsterdam ‘Wegens koopsom der firma A. Nijstad te Lochem, f. 51 007,05’. Volgens verzoekers was het bedrag van ca. f 50.000 niet evenredig met de verkoop van zowel het onroerend goed van Nijstad als met de totale handelsvoorraad van de zaak, wetende dat hij voor die tijd een al internationaal bekende bijzonder goedlopende kunsthandel had.

In de naoorlogse jaren speelden Saam en Harts Nijstad een grote rol in het bestendigen en uitbreiden van de reputatie van de naam Nijstad. Op 1 januari 1953 werd de N.V. A. Nijstad & Zn opgericht, met als vennoten Nijstad en zijn zoons. In 1949 deed Abraham Nijstad opgave van de vestiging van een filiaal aan de Surinamestraat 34 in Den Haag.
Abraham Nijstad overleed op 21 mei 1960. In het handelsregister is aangetekend:
De eigenaar A. Nijstad is op 21 mei 1960 overleden. De makelaardij in roerende en onroerende goederen is met ingang van 21 mei 1960 opgeheven. De rest van het bedrijf is per die datum ingebracht in […] Nijstad, Antiquairs N.V.’.

Herkomstgeschiedenis van de Kunstwerken

NK 1383 en NK 1384– Twee gouaches door Cornelis Troost (1696-1750)

NK 1383 – De Kraamkamer
Het betreft een werk op papier in inkt, waterverf en dekverf (gouache) met de afmetingen 260 x 420 mm. Het is gesigneerd en gedateerd 1748. Op een afbeelding van de achterzijde zijn diverse nummers en een verzamelaarsstempel te zien. In het inventarisboek van het Rijksmuseum Amsterdam, waar het schilderij sinds 1953 deel uitmaakt van de collectie, is vermeld: Cornelis Troost, 1748, De Kraamkamer. Een dokter schrijft een recept bij het bed van de moeder, terwijl de kraamheer staat toe te zien hoe het kind pap krijgt gevoerd. Links een dienstmaagd bij het raam. Gesigneerd en gejaarmerkt: 1748 / Gouache / 26.6 x 43.5 cm / Coll. C. Ploos van Amstel de Groot.

NK 1384 – Het Wachtlokaal
Het betreft een werk op papier in inkt, waterverf en dekverf (gouache) met de afmetingen 312 x 485 mm. Het is gesigneerd en gedateerd 1748. Op een afbeelding van de achterzijde zijn diverse aantekeningen en een verzamelaarsstempel te zien. In het inventarisboek van het Rijksmuseum Amsterdam waar het schilderij zich op dit moment bevindt, is vermeld: Cornelis Troost, 1748, Officieren rokende aan tafel in een wachtlokaal; één leest een brief, hem door een ordonnans gebracht, rechts staat een ander een kaart van Holland te bekijken. Andere warmen zich bij de haard en spelen een kaartspel. Gesigneerd en gejaarmerkt: 1748. / Gouache / 31.4 x 48.6 cm. / Coll. C. Ploos van Amstel de Groot.

Bezit van de graven Van Aldenburg Bentinck te Middachten en Weldam
Het huidige NK 1383 en NK 1384 zijn waarschijnlijk aan het einde van de negentiende eeuw in bezit gekomen van Willem graaf Bentinck (1848–1912), die gehuwd was met Maria (Mary) Cornelia barones van Heeckeren van Wassenaer (1855-1912). Na hun dood in 1912 werden hun bezittingen verdeeld, waarbij kasteel Middachten in De Steeg in bezit kwam van hun oudste zoon Willem Frederik Charles Henry graaf van Aldenburg Bentinck (1880-1958). Kasteel Weldam te Goor kwam in bezit van hun jongste zoon Frederik George Unico Willem graaf van Aldenburg Bentinck (1888-1942). Naar alle waarschijnlijkheid zijn de twee gouaches verdeeld onder de twee broers, mogelijk als deel van de inboedel en hingen de schilderijen op respectievelijk Weldam en Middachten.

Aankoop door de Sonderauftrag Linz
Op 26 januari 1943 vroeg Göpel toestemming voor de verwerving van twee gouaches van Troost, die geïdentificeerd kunnen worden als het huidige NK 1383 en NK 1384. Over de gouaches schreef hij: Die Blätter entstammen den Besitz des Grafen Bentinck. Das eine, Die Wachstube, hing wahrscheinlich seit den 18.Jahrhundert auf Schloss Weldam, das andere auf Schloss Midachten. Ich habe die Blätter bei einem Besuche wegen andere Bilder entdeckt und sie sofort von befreundete Seite erwerben lassen, da schnelles Handeln unbedingt geboten war. Der Preis beträgt für beide Blätter incl. Provision 20.000 Gulden. Der augenblickliche Marktwert beläuft such auf 25 bis 30.000 Gulden.

Over de omstandigheden van de verwerving schreef Göpel: Die Geschichte der Erwerbung ist ein ganzer Roman und eignet sich nicht zur brieflichen Darstellung. Um die feinen Blätter festzuhalten, habe ich mir verpflichtete Freunde veranlasst, den Betrag zur Verfügung zu stellen. Ich möchte diese Art von Überbrückung natürlich nur möglichst kurz in anspruch nehmen und bitte Sie deshalb um telegraphische Antwort.

Op 3 februari 1943 verkreeg Göpel de gevraagde toestemming per telegram. Uit de brieven blijkt niet wie Göpels verpflichtete Freunde waren van wie hij een voorschot voor de snelle aankoop van beide werken had gekregen. Wel is bekend dat het vaker voorkwam dat bij Duitse acquisities een beroep werd gedaan op middelen van derden om aankoopsommen voor te schieten.

Bij het onderzoek zijn de kwitanties aangetroffen die betrekking hebben op de aankoop van de gouaches. De eerste betreft een niet-ondertekende kopie van een kwitantie van de rentmeester van Weldam, gedateerd 21 januari 1943, waarin hij bevestigt 8000 gulden van A. Nystad, Amsterdam te hebben ontvangen voor de saldatenprent [sic] van C. Troost, het huidige NK 1384. Dat Nijstad bij deze aankoop optrad ten behoeve van de Sonderauftrag Linz, mogelijk als commissionair, blijkt uit een overzicht van de rekening ten laste waarvan verwervingen door het Referat Sonderfragen werden afgeboekt. Daarop is met betrekking tot het huidige NK 1384 vermeld: Ausgaben Hfl 8.000,–; 27.1.43; an Rentmeister von Weldam für 1 Soldatenbild von Troost. De tweede kwitantie betreft een duplicaat, naar alle waarschijnlijkheid ondertekend door graaf van Aldenburg Bentinck van Middachten, waarin deze bevestigt 10.000 gulden te hebben ontvangen van dr. Göpel in Den Haag voor een aquarel van Troost.

Mogelijke betrokkenheid Hendrik Schuuring en Vitale Bloch
Na de verwerving van de twee gouaches werd in de Dresdner Katalog ‘Het Wachtlokaal’ als volgt ingeschreven: 21.1.1943 von Graf Bentinck, Middachten über A. Nystad, Amsterdam vermittelt durch restaurator H. Schüüring den Haag für hfl.8.000,- erworben. Zahlung am Rentmeister van Weldam. ‘De Kraamkamer’ werd als volgt ingeschreven: 27.1.1943 von Graf Bentinck, Middachten, für hfl 10.000,- durch Vermittlung von Restaurator H. Schüüring, den Haag erworben.

Bij het onderzoek zijn ook een rekening en kwitantie aangetroffen op naam van H. Schuuring, Restaurateur van Schilderijen, 2e Sweelinckstraat 61, die op 27 februari 1943 NLG 2.000 factureerde voor kosten en honorarium betreffende twee schilderijen van Cornelis Troost. Op 1 maart 1943 werd de uitbetaling van het bedrag door de Duitse autoriteiten ten behoeve van Schuuring geboekt van het Sonderkonto onder vermelding van Honorar u. Unkosten f.d.Vermittlung v.2 Gemälden v. C. Troost.
Hendrik Schuuring werd tijdens de oorlogsjaren veelvuldig door Göpel betrokken bij aankopen van de Sonderauftrag Linz en het op te richten Führermuseum. Hij werkte daarbij samen met Vitale Bloch, die in de oorlogsjaren een kamer in Schuurings huis bewoonde op de 2e Sweelinckstraat 61 in Den Haag. Tijdens de bezetting werd de Joodse kunstexpert Bloch in ruil voor bescherming door de Sonderauftrag Linz ingezet bij het verwerven van schilderijen.

In een handgeschreven notitie die is aangetroffen op de achterzijde van een foto bij een inventariskaart uit het archief van de SNK (‘Witte Kaart’) is aangetekend dat ook Bloch een rol heeft gespeeld bij de verwerving van ‘Het Wachtlokaal’. De notitie luidt: ‘Door bemiddeling v. Bloch uit de verz. Graaf Bentinck, kasteel mid.’ Schuin eronder is het woord ‘middachten’ aangetekend. Op de foto zelf is een ander kunstwerk afgebeeld, namelijk het huidige NK 1385, een gravure die gerelateerd is aan ‘Het Wachtlokaal’. Welke rol of rollen Nijstad, Schuuring en Bloch precies hebben gespeeld bij de aankoop van de gouaches van Troost door Göpel uit het bezit van de graven Van Aldenburg Bentinck, is niet duidelijk. Het lijkt erop dat Schuuring en/of Bloch hebben bemiddeld bij de aankoop en dat Nijstad zorg heeft gedragen voor de overhandiging van de door de Duitse autoriteiten betaalde koopsom aan de rentmeester van Weldam.

Recuperatie door de SNK
In de maanden na de bevrijding probeerde de SNK zicht te krijgen op de verblijfplaats van de twee gouaches. Op 7 augustus 1945 schreef SNK-medewerker K.G. Boon in een brief aan A. Staring te Vorden: Er zijn uit het bezit van Graaf Bentinck twee waardevolle aquarellen van Troost verdwenen. Beide zijn U natuurlijk wel bekend, n.l. de Corps de Garde en het Kraambed van 1748.

Adolph (Dof) Staring (1890-1980) was een bekende van de familie Nijstad. In het vervolg vroeg Boon aan Staring of hij nadere inlichtingen en afmetingen van de werken had. Staring antwoordde op 31 augustus aan de SNK: ‘Op Weldam is niet veel bijzonders tusschen de vele schilderijen. Een kleine Terborgh was er bij mijn laatste bezoek al niet meer; Een Troost is blijkbaar al naar Middachten verhuisd en sindsdien door de Duitschers gestolen blijkens een navraag bij mij van Boon.’ Boon en Staring spraken af om de oude lijsten van beide werken op Weldam en Middachten op te meten en te fotograferen voor nader onderzoek. Het is niet bekend of dat is gebeurd. De twee werken van de hand van Troost werden op 12 juli 1948 vanuit Duitsland teruggevoerd naar Nederland.

Gegevens administratie SNK
Er zijn geen door Abraham Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren met betrekking tot het huidige NK 1383 en NK 1384 aangetroffen in het archief van de SNK. Op 11 december 1945 stelde de SNK zelf een zogenoemd Intern Aangifteformulier op voor ‘Het Wachtlokaal’, daar ‘Corps de garde’ genoemd. Op het formulier is vermeld dat het werk oorspronkelijk in bezit was van Graaf Bentinck, Kasteel Weldam, Goor. Het werk was in bezit gekomen van: Dr. Göpel, verkocht door Graaf Bentinck by intermediance of Nijstadt 1942. Op het formulier is aangegeven dat het daarbij ging om een vrijwillige verkoop. De volgende dag stelde de SNK ook een Intern Aangifteformulier op voor het werk ‘De Kraamkamer’. Daarop is vermeld dat de Kraamkamer oorspronkelijk in bezit was van Bentinck, Middachten. Het werk was eveneens in bezit gekomen van Dr. Göpel, sold by intermediary of Nijstadt 1942. Ook voor dat werk gaf de SNK aan dat het ging om een vrijwillige verkoop.

In de administratie van de SNK wordt bij de werken van Troost consistent verwezen naar graaf Bentinck als eigenaar. Uit de gegevens op een uit het Bundesarchiv Koblenz afkomstige Verzeichnis der Treuhandverwaltung von Kulturgut München bekanntgewordenen Restitutionen von 1945 bis 1962, een lijst waarop uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken met beschrijving worden opgesomd, zijn bij Graf Bentinck – Middachten drie kunstwerken vermeld – de twee gouaches van Troost en het thans geclaimde werk door Codde (NK 2550). 

NK 1759 – Bergmeer met herten en vogels, door Abraham Hondius (ca. 1625-1695)

Objectgegevens en herkomstgegevens
NK 1759 betreft een schilderij in olieverf op doek met de afmetingen 81 x 104 cm, gedateerd 1690. Op een afbeelding van de achterzijde zijn diverse nummers zichtbaar die geen nieuwe inzichten bieden in de geschiedenis van het schilderij. Het werk bevindt zich thans in depot bij de RCE. Bureau Herkomst Gezocht (BHG) heeft eerder onderzoek verricht naar het schilderij. De eigendomsverhoudingen tussen 1934 en 1944 konden destijds niet worden opgehelderd en BHG concludeerde met betrekking tot de herkomst van het schilderij: De herkomstgegevens zijn niet sluitend. Het is onbekend wanneer en van wie A. Nijstad dit schilderij heeft verworven en tot wanneer hij eigenaar is geweest.
In diverse bronnen wordt het schilderij geïdentificeerd als een werk dat op 1 juni 1934 onder de hamer kwam bij veilinghuis Christie’s te London en in 1936 in bezit was van kunsthandel Schwagermann te Schiedam. Het is niet bekend waar het werk zich tussen 1936 en de verkoop in 1944 bevond.

Aankoop door de Sonderauftrag Linz
Het schilderij werd in 1944 voor NLG 12.000 aangekocht door Göpel ten behoeve van de Sonderauftrag Linz. In het Bundesarchiv Koblenz is een door J.G. Wigman ondertekende factuur gevonden van 28 maart 1944, die mede betrekking heeft op het huidige NK 1759. Daarop is vermeld: Ein Gemälde: Hondius (ein Landschaft mit Tiere). 81,5 bei 105 cm. auf Leinwand. 12.000.- gld.
Op 31 maart 1944 bevestigde Wigman aan het Referat Sonderfragen een bedrag van NLG 101.000 te hebben ontvangen als tegenwaarde voor vijf aangekochte kunstwerken, waaronder het schilderij door Hondius. De afrekening van het bedrag is vermeld op de in juni 1944 opgemaakte 6de afrekening van het zogenoemde Sonderkonto, de rekening die werd gebruikt voor de uitbetalingen van koopsommen van de door de Sonderauftrag Linz verworven kunstwerken.

Na de oorlog
Op 9 juli 1946 werd het werk van de hand van Hondius teruggevoerd naar Nederland. Na de oorlog vulde Nijstad een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op het huidige NK 1759. Het formulier is gedateerd op 18 maart 1946, voorzien van Nijstads handtekening en ingevuld met een schrijfmachine. Als herkomst van het kunstwerk gaf Nijstad zelf op A.Nystad Lochem. Op het formulier is aangegeven dat het werk in bezit was gekomen van Dr.Göpel. Over de omstandigheden waaronder dat was gebeurd, is op het formulier onder veld 15 met de schrijfmachine het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of doorgehaald, zodat leesbaar is: Is door […] vrijwillige verkoop in bezit gekomen van:. Op het Intern Aangifteformulier, dat een week later door de SNK werd opgesteld mede op basis van Nijstads aangifte, is vermeld dat het werk oorspronkelijk in bezit was van A. Nijstad te Lochem en dat het werk als gevolg van vrijwillige verkoop in bezit was gekomen van Dr Göpel. Op een inventariskaart van de SNK, de ‘Witte kaart’ is onder het kopje Owner vermeld: A. Nijstad, Lochem. Achter op de inventariskaart is door de SNK een omschrijving van het werk getypt.

Op een naoorlogse door de Duitse autoriteiten opgestelde lijst van naar Nederland gerepatrieerde werken wordt onder de naam A. Nijstad, Lochem één kunstwerk genoemd, het hier ter zake doende werk van de hand van Hondius. Onder verwijzing naar het volgnummer van het door de SNK opgestelde Intern Aangifteformulier (8526) wordt het werk daar als volgt vermeld:

8981    Hondius, A.      Gebirgslandschaft        28.3.1944 aus dem holl.
(Linz    1690                  Lwd. 82 : 105 cm          Kunsthandel (J.G. Wigmann,
3474)                                                                        Den Haag) für hfl. 12.ooo,-
An SL LF II/64/393
Nach Doc.File Holland Office
Nr. 8526 Eigent.: A.Nijstad

Op een inventariskaart voor het kunstwerk is als herkomst aangegeven:
A. Nijstad, Lochem,
Hitler,
Ned. Kunstbezit 1031.

NK 2194 – Landschap met molen, door Andreas Schelfhout (1787-1870)

Objectgegevens
NK 2194 betreft een olieverfschilderij op paneel met de afmetingen 28 x 37cm en is gesigneerd. Het schilderij is in 1976 gestolen, maar gedurende het onderzoek weer in bezit van het Rijk gekomen. BHG heeft eerder onderzoek verricht naar de herkomst van het schilderij. Destijds kon niet worden opgehelderd wie eigenaar van het kunstwerk was tot de verwerving in 1944 door de Sonderauftrag Linz. BHG concludeerde: De herkomstgegevens zijn niet sluitend. Het is onbekend wanneer en van wie kunsthandel A. Nijstad of kunsthandel J.H. Borghouts het schilderij heeft verworven.

Verkoop door jhr. Willem Laman Trip
Bij aanvullend onderzoek in het familiearchief van Laman Trip zijn aantekeningen gevonden die erop duiden dat de Schelfhout in juni 1944 voor NLG 750 is verkocht aan Nijstad door jhr. Willem Laman Trip (1877-1972), kolonel adjudant van H.M., die woonachtig was aan Laan Copes van Cattenburch 89 te Den Haag. Laman Trip hield dagboekaantekeningen bij, die hij in handschrift noteerde in een kleine zakagenda. Op woensdag 31 mei 1944 noteerde hij: Antiquair Nijstad bij mij om schilderijen te keuren. Vervolgens: Bij Nijstad geweest, schilderijen van [HenP?] terug. Nieuw arrangement in mijn kamer. Globes vervangen voor blauw stel, schilderijen afgenomen. […]. En: Bij Nijstad geweest, die op korten termijn hoopt te verkoopen. Op een potloodaantekening in het Groot Kasboek vanaf 1 november 1942 is op de pagina met betrekking tot de maand juni 1944 te lezen: Verkocht meubels, schilderijen, [onleesbaar] aan Nijstad f 3975 […] id. “” f 405. Op een los blad in het kasboek is een potloodaantekening van gelijke strekking aangebracht. In een klein aantekeningenboekje waarin Laman Trip verkopen van onroerend goed aantekende, is voor de maand juni 1944 een opsomming verstrekt van de zaken hij in juni 1944 Aan Nystad Lg.Voorhout 35 had verkocht. Het betreft 13 objecten, met name meubels, waaronder de in de dagboekaantekeningen genoemde globes en de vermelding van 1 Schelfhout schild met daarachter het getal 750.

Aankoop door de Sonderauftrag Linz
Kort nadat Laman Trip het schilderij ten verkoop had aangeboden aan Nijstad kwam het schilderij in handen van Göpel. In het archief van de Sonderauftrag Linz is een door J.G. Wigman ondertekende rekening van NLG 2.500 aangetroffen van 8 juli 1944 Für geliefert: Ein Gemälde A. Schelfhout, auf Holz, 28 x 37 cm. Darstellend eine Landschaft mit einer Mühle im Vordergrunde. Op 12 juli 1944 bevestigde Wigman schriftelijk het bedrag te hebben ontvangen.

Naoorlogse gegevens
Na de oorlog vulde Nijstad een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op het huidige NK 2194. Het formulier is gedateerd op 18 maart 1946, voorzien van zijn handtekening en ingevuld met een schrijfmachine. Als herkomst van het schilderij gaf Nijstad op Jhr. Laman Trip Laan Copes v.Cattenburgh 89 Den Haag. Hij gaf op het door hem ingevulde Aangifte Formulier aan dat het schilderij in bezit was gekomen van Dr.Göpel. Over de omstandigheden waaronder dat was gebeurd, is op het formulier onder veld 15 met de schrijfmachine het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of doorgehaald, zodat leesbaar is: Is door […] vrijwillige verkoop in bezit gekomen van:. Op het Intern Aangifteformulier, dat een week later door de SNK werd opgesteld op basis van Nijstads aangifte, is vermeld dat het werk oorspronkelijk in bezit was van A. Nijstad te Lochem en dat het werk door vrijwillige verkoop in bezit was gekomen van Dr. Göpel.
Op een inventariskaart van de SNK, de ‘Witte Kaart’ is onder het kopje Owner vermeld: A Nijstadt, Lochem. Achter op de foto die aan de kaart is gehecht zijn de aantekeningen R. Schelfhout en Katz leesbaar. Ook op andere stukken uit het SNK-archief die betrekking hebben op dit schilderij komen verwijzingen voor naar de naam Katz, soms in combinatie met de naam Wigman. Vermoedelijk zijn deze verwijzingen te herleiden naar de betrokkenheid van de beheerder van het eerder door de firma Katz in gebruik zijnde pand Lange Voorhout 35 te Den Haag bij de verwerving door de Duitse autoriteiten.
Op een naoorlogse door de Duitse autoriteiten opgestelde lijst van naar Nederland gerepatrieerde Gemälde u. Zeichnungen met een herkomst J.G. Wigman, den Haag zijn München-nummer 1517 en Linz-nummer 3835 zijn aangetekend op de achterzijde van de bewaard gebleven lijst. Op de inventariskaart die door de geallieerden is opgesteld ten behoeve van de opsporing van het kunstwerk is onder de kop Owner de naam Nijstad vermeld, die echter is doorgestreept en waaronder de aantekening Wigman, den Haag is aangebracht.

Diefstal in 1976 en recente terugkeer
Het kunstwerk is in 1976 ontvreemd bij het Ministerie van Justitie aan het Plein te Den Haag. Per brief van 9 november 2023 is gemeld dat het schilderij weer in bezit van het Rijk is gekomen.

NK 2255 – Bergachtig rivierlandschap, door Aelbert Cuyp (1620-1691)

Objectgegevens
NK 2255 betreft een olieverfschilderij op paneel van omstreeks 1635 met de afmetingen 53 x 74,4 cm. Het schilderij is gesigneerd en op dit moment in bruikleen bij het Dordrechts Museum. Tijdens het onderzoek van BHG rond de eeuwwisseling kon niet worden opgehelderd wie het werk tussen 1898 en 1944 in bezit had. BHG concludeerde: De herkomstgegevens zijn niet sluitend. Het is onbekend wanneer en van wie kunsthandel A. Nijstad of kunsthandel J.H. Borghouts het schilderij heeft verworven.

Voor en tijdens de oorlog
Het schilderij is in 1944 in Nederland aangekocht door de Sonderauftrag Linz voor NLG 90.000. Op 13 juni 1944 schreef Göpel een brief aan Voss, waarin hij de ontwikkelingen rond diverse (voorgenomen) aankopen op een rij zette. Over de verwervingen via Nijstad schreef hij: Über N. ist kürzlich der Pieter Codde und neuerdings der Cuyp gekommen, sowie zahlreiche Silbergegenstände. Over het werk door Cuyp schreef Göpel dat het hem was gelukt iets af te dingen op de vraagprijs: Auch den Cuyp habe ich nach einigem hin und her um 10 000 Gulden weniger, nämlich für 90 000 Gulden bekommen können.

Na de oorlog
Na de oorlog werd het schilderij gerecupereerd uit Duitsland. In het archief van de SNK is een Aangifte Formulier gevonden dat betrekking heeft op het huidige NK 2255. Het formulier is gedateerd 18 maart 1946, ingevuld met een schrijfmachine en voorzien van de handtekening van Abraham Nijstad. Bij het formulier is een foto gevoegd, maar de materiële eigenschappen van het werk vulde Nijstad in uit zijn herinnering, aangezien hij een vraagteken plaatste achter paneel en bij de afmetingen ca. 40 x 60 aangaf. Als herkomst van het kunstwerk gaf hij op Borghouts, Utrecht. Op het formulier is aangegeven dat het werk in bezit was gekomen van Dr.Göpel. Over de omstandigheden waaronder dat was gebeurd, is op het formulier onder veld 15 met de schrijfmachine het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of doorgehaald, zodat leesbaar is: Is door […] vrijwillige verkoop in bezit gekomen van.’

Nog voor Nijstad opgave had gedaan van het schilderij, stelde de SNK zelf een Intern Aangifteformulier op met gegevens over het werk, gedateerd 20 december 1945. Onder de kop personen-eigenaars wordt vermeld Onbekend. Op het formulier is aangegeven dat het werk door vrijwillige verkoop in bezit was gekomen van Göpel, waarbij in de toelichting was aangetekend: Door bemiddeling van Nijstadt via Göpel gekocht voor Linz 1944.
Op een inventariskaart van de SNK, de ‘Witte Kaart’ is onder het kopje Owner vermeld: Wigman (volgens rec.lijst). Het werk is vermeld op een naoorlogse door de Duitse autoriteiten opgestelde lijst van naar Nederland gerepatrieerde Gemälde u. Zeichnungen met een herkomst J.G. Wigman, den Haag.

NK 2365 – Imaginaire haven aan de Middellandse Zee, door Abraham Storck (ca. 1635-1710)

Objectgegevens
NK 2365 betreft een olieverfschilderij op doek met de afmetingen 54 x 74 cm, gesigneerd en gedateerd circa 1700. Het werk bevindt zich op dit moment in bruikleen bij het Scheepvaartmuseum te Amsterdam. Omdat de achterzijde van het werk vrijwel geheel is afgedekt door een schuimplaat, zijn merktekens niet of slecht zichtbaar. In een behandelingsvoorstel uit 2018 bevindt zich een verslag van de conditie van het werk, waaronder een opsomming van de etiketten en opschriften die op dat moment op de achterzijde zichtbaar waren. Deze houden merendeels verband met de recuperatie van het werk en de periode daarna en konden voor het overige niet gerelateerd worden aan de herkomst van het werk in de voorafgaande periode. BHG heeft eerder onderzoek verricht naar de herkomst van het schilderij. Daarbij kon geen helderheid worden verkregen over de periode tot de verwerving door Göpel ten behoeve van de Sonderauftrag Linz in 1944. BHG concludeerde: De herkomstgegevens zijn niet sluitend. Het is onbekend wanneer en van wie kunsthandel A. Nijstad of kunsthandel J.H. Borghouts het schilderij heeft verworven.

Gegevens SNK
Na de oorlog vulde Nijstad een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op NK 2355. Het formulier is gedateerd 18 maart 1946, voorzien van zijn handtekening en ingevuld met een schrijfmachine. Het formulier is voorzien van een foto. De materiële eigenschappen van het werk vulde Nijstad in uit herinnering, aangezien hij bij het materiaal een vraagteken plaatste achter doek en ook bij de afmetingen het voorbehoud ca. 50 x 70 aangaf. Als herkomst van het kunstwerk gaf Nijstad op: J.H. Borghouts, Utrecht. Op het formulier is aangegeven dat het werk in bezit was gekomen van Dr.Göpel. Over de omstandigheden waaronder dat was gebeurd, is op het formulier onder veld 15 met de schrijfmachine het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of doorgehaald, zodat leesbaar is: Is door […] vrijwillige verkoop in bezit gekomen van. De door Nijstad opgegeven herkomst van het werk komt overeen met de wijze waarop hij het formulier heeft ingevuld dat betrekking heeft op de Cuyp, een werk waarvoor aanwijzingen zijn voor een bemiddelende rol van Nijstad.

Een week na de opgave van Nijstad stelde de SNK op basis van de door Nijstad verstrekte informatie een Intern Aangifteformulier op voor het schilderij, waarop als herkomst is vermeld J.H. Borghouts, Utrecht. Op het formulier is aangegeven dat het schilderij oorspronkelijk in bezit was van A. Nijstad Lochem en door vrijwillige verkoop in bezit was gekomen van Dr. Göpel. Op een inventariskaart van de SNK, de ‘Witte Kaart’ is onder het kopje Origin vermeld: J.H. Borghouts, Utrecht. Als Owner wordt vermeld A. Nijstad, Lochem. Achter op de kaart is een beschrijving van het schilderij aangebracht, waaronder de aantekening Herk. Kunsth. J.H. Borghouts, Utrecht; A. Nijstad, Lochem; D. Katz (Wichmann) Den Haag.
Op een naoorlogse door de Duitse autoriteiten opgestelde lijst van naar Nederland gerepatrieerde ‘Gemälde u. Zeichnungen’ staat het werk vermeld met een herkomst ‘J.G. Wigman, den Haag.’
Verwijzingen naar Katz en Wigman zijn ook terechtgekomen in documentatie in het RKD en administraties van de SNK en taakopvolgers. Het kunstwerk is eerder onderwerp geweest van de adviezen van de commissie RC 1.90-B (kunsthandel Katz) en RC 4.168 (Katz).

NK 2550 – Paar in Interieur, door Pieter Codde (1599-1678)

Objectgegevens
NK 2550 betreft een olieverfschilderij op paneel met de afmetingen 43 x 35 cm. Het schilderij is gemerkt en gedateerd 1634. Op een inventariskaart van het Mauritshuis is over de herkomst van het schilderij aangetekend:
1900-1903 als bruikleen in het Mauritshuis, nr., zie corr 1900/265 en 1903/269
1944 teruggezien door A. de Vries, voor 50.000 aan Hitler verkocht door Graaf Bentinck te Middachten / Volgens de not. In het inventarisboek / In bruikleen ontvangen van Rijksinspec. roerende monumenten 1953 (versl. p.3.)

BHG heeft eerder onderzoek verricht naar de herkomst van het schilderij. Destijds is geen helderheid verkregen over wie eigenaar van het schilderij was tot de verwerving in 1944 door de Sonderauftrag Linz. BHG concludeerde op grond van de toen beschikbare gegevens: De herkomstgegevens zijn niet sluitend. Het is onbekend wanneer en van wie kunsthandel A. Nijstad het schilderij heeft verworven.

Aankoop in 1944
Uit de aangetroffen archiefstukken en literatuur kan worden afgeleid dat het schilderij lange tijd in bezit is geweest van de familie Bentinck. Willem graaf Bentinck gaf de Codde op 16 april 1900 in bruikleen aan het Mauritshuis. In 1903 keerde het schilderij terug naar kasteel Middachten, waarna het vermoedelijk in 1912 als onderdeel van de inboedel samen met het kasteel werd geërfd door zijn zoon Willem Frederik Charles Henry graaf van Aldenburg Bentinck. Het werk is duidelijk te herkennen op een foto van onbekende datum van het interieur van het ‘bouwhuis’ op landgoed Middachten.
Uit de gevonden gegevens kan worden afgeleid dat het schilderij in 1944 is aangekocht door de Sonderauftrag Linz voor NLG 50.000. In het Bundesarchiv Koblenz is een kopie gevonden van wat hoogstwaarschijnlijk een factuur is van Wigman aan de Sonderauftrag Linz.

Ook is een kwitantie van Wigman gevonden van 31 maart 1944, waaruit kan worden afgeleid dat hij van de Duitse autoriteiten NLG 101.000 had ontvangen voor vijf kunstwerken, waaronder de Codde. Göpel schreef in een brief aan Voss over de verwerving: Über N. ist kürzlich der Pieter Codde und neuerdings der Cuyp gekommen, sowie zahlreiche Silbergegenstände.

Na de oorlog vulde Abraham Nijstad een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op het huidige NK 2550. Het formulier is gedateerd op 18 maart 1946, voorzien van de handtekening van Abraham Nijstad en ingevuld met een schrijfmachine. Als herkomst van het kunstwerk gaf Nijstad op Graaf Bentinck Middachten. Op de vraag wie de oorspronkelijke bezitter was van het werk vulde hij eveneens die naam in. Op het formulier gaf Nijstad aan dat het werk in bezit was gekomen van Dr.Göpel. Over de omstandigheden is op het formulier onder veld 15 met de schrijfmachine het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of doorgehaald, zodat leesbaar is: Is door […] vrijwillige verkoop in bezit gekomen van.

Kort daarop stelde de SNK op basis van de door Nijstad verstrekte informatie een Intern Aangifteformulier op voor het kunstwerk, waarop als herkomst is vermeld Graaf Bentinck, Middachten. Op het formulier is aangegeven dat het kunstwerk oorspronkelijk in bezit was van A. Nijstad Lochem en door vrijwillige verkoop in bezit was gekomen van Dr. Göpel.
Op een inventariskaart van de SNK, de ‘Witte Kaart’ is onder het kopje Origin vermeld: Coll. Graaf Bentinck von Waldeck-Limpurg, Middachten. Als Owner wordt vermeld Count Bentinck, Middachten. Onder het kopje Present Facts is vermeld: Bought through Nijstadt by Goepel (Museum Linz) 1944.
Uit de gegevens van een op een uit het Bundesarchiv Koblenz afkomstige Verzeichnis der Treuhandverwaltung von Kulturgut München bekanntgewordenen Restitutionen von 1945 bis 1962, zijn onder de kop Graf Bentinck – Middachten drie kunstwerken vermeld – de twee gouaches door Troost (NK 1383 en NK 1384) en het schilderij door Codde (NK 2550).

4. Inhoudelijke beoordeling van het restitutieverzoek

De commissie kan het verzoek, gelet op het bepaalde in § 1 a t/m e van het Beoordelingskader, inhoudelijk in behandeling nemen.

Gelet op § 2 van het Beoordelingskader moet de commissie beoordelen of in hoge mate aannemelijk is dat de Kunstwerken eigendom waren van Nijstad en op grond van § 3 of voldoende aannemelijk is dat het bezit van de Kunstwerken onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Hiertoe overweegt de commissie het volgende.

Eigendomsvereiste (§ 2 van het Beoordelingskader)
De onderzoeksresultaten van het ECR wijzen erop dat Nijstad ten aanzien van de kunstwerken die hij verkocht veelal een bemiddelende rol had. De commissie stelt vast dat Nijstad gedurende de bezetting door de nazi’s in ieder geval omstreeks oktober 1942 als intermediair optrad voor de Sonderauftrag Linz. Op dat moment waren Nijstad en zijn gezin al vrijstellingen verleend op voorspraak van het Referat Sonderfragen.

Uit onderzoek is gebleken dat alle Kunstwerken in 1943 (de gouaches – NK 1283 en NK 1284) of 1944 (de overige Kunstwerken) zijn verworven door de Sonderauftrag Linz, gedurende de periode waarin Nijstad vrijstellingen verkreeg van de Duitse autoriteiten die verbonden waren aan het verlenen van diensten ten behoeve van het Führermuseum.

Voor zover uit onderzoek naar voren is gekomen dat Nijstad kunstwerken heeft gekocht dan wel verkocht, dient de oorspronkelijke eigendom van Nijstad naar het oordeel van de commissie te worden vastgesteld door de volgende situaties van elkaar te onderscheiden:

  1. de situatie waarin Nijstad met zijn tussenkomst in opdracht van en ten behoeve van de Sonderauftrag Linz (al dan niet tegen ontvangst van commissie) een kunstwerk heeft gekocht en verkocht;
  2. de situatie waarin Nijstad op eigen titel ten behoeve van Sonderauftrag Linz een kunstwerk kocht en verkocht. In die situatie droeg Nijstad het risico van de aankoop zelf, in die zin dat hij zelf eigenaar bleef indien hij zijn aankoop niet kon doorverkopen.

Bij het beantwoorden van de vraag of Nijstad ten aanzien van de Kunstwerken als eigenaar kan worden beoordeeld, heeft de commissie het volgende in aanmerking genomen:
a) de omstandigheden waaronder de Kunstwerken zijn aangekocht/verkocht, voor zover dit uit de bij het onderzoek aangetroffen documentatie blijkt, b) de informatie op door Nijstad zelf ingevulde Aangifte Formulieren en c) de informatie op zogenoemde Intern Aangifteformulieren, die door de SNK zelf werden ingevuld, alsmede de informatie op de inventariskaart van de SNK, ook wel de Witte Kaart genoemd. De commissie heeft deze bronnen in samenhang met elkaar beoordeeld.

Op grond hiervan oordeelt de commissie het volgende:

NK 1383 en NK 1384 – Twee gouaches door C. Troost
Over de omstandigheden waaronder de verkoop van de twee gouaches door C. Troost (Kraamkamer en Wachtlokaal) heeft plaatsgevonden stelt de commissie op grond van de bovenvermelde resultaten uit het feitenonderzoek vast dat Göpel de twee kunstwerken van de graven Bentinck heeft verworven. Hierbij heeft hij zijn ‘verplichtete freunde’ gevraagd het bedrag voor te schieten. Uit de kwitantie van Rentmeester Weldam blijkt dat hij fl. 8000 van Nijstad had ontvangen voor de soldatenprent. Deze documentatie correspondeert met het overzicht van de rekening ten laste waarvan verwervingen door het Referat Sonderfragen werden afgeboekt. Met betrekking tot het kunstwerk Kraamkamer is niet duidelijk of en hoe Nijstad bij de verkoop aan de Sonterauftrag Linz was betrokken. Ook van deze verkoop is een kwitantie aanwezig waarin graaf Bentinck bevestigt NLG 10.000 te hebben ontvangen van Göpel. Hoewel uit onderzoek niet duidelijk is geworden welke rol of rollen Nijstad, Schuuring en Bloch precies hebben gespeeld bij de aankoop van de gouaches van Troost door Göpel uit het bezit van de graven Van Aldenburg Bentinck blijkt in ieder geval niet dat Nijstad op enig moment zelf eigenaar van de twee gouaches is geweest. Met betrekking tot deze kunstwerken zijn geen door Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren aangetroffen. Op de Intern Aangifteformulieren is voor beide kunstwerken ingevuld dat deze oorspronkelijk in het bezit waren van Graaf Bentinck en dat deze ‘by intermediance of Nijstad 1942’ in het bezit waren gekomen van Göpel. Op grond van deze informatie oordeelt de commissie dat niet in hoge mate aannemelijk is dat Nijstad als eigenaar van de twee gouaches kan worden aangemerkt.

NK 1759 – A.D. Hondius, Bergmeer met herten en vogels
Over de omstandigheden waaronder dit kunstwerk aan de Sonderauftrag Linz is verkocht stelt de commissie op grond van het eerder beschreven feitenonderzoek vast dat het in 1944 voor NLG 12.000 door Göpel is gekocht. In de onderzoeksdocumentatie bevindt zich een door J.G. Wigman ondertekende factuur en een bevestiging dat hij een bedrag heeft ontvangen van NLG 101.000 voor in totaal vijf kunstwerken waaronder dit kunstwerk door Hondius.
Na de oorlog vulde Nijstad op het Aangifte Formulier zijn eigen naam als herkomst in. Ook vulde hij in dat het kunstwerk in bezit was gekomen van Göpel. Op het door de SNK ingevulde Intern Aangifteformulier is eveneens A. Nijstad als oorspronkelijke eigenaar ingevuld. De Witte Kaart vermeldt als ‘Owner’ eveneens Nijstad. De commissie stelt vast dat van alle door Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren hij uitsluitend ten aanzien van dit kunstwerk zichzelf als herkomst heeft opgegeven. Evenals bij het schilderij van Schelfhout (zie hierna) valt op dat het kunstwerk door J.G. Wigman aan Göpel is verkocht en er geen directe betrokkenheid van Nijstad was bij de verkoop. Dit is wel het geval bij de kunstwerken ten aanzien waarvan de commissie oordeelt dat Nijstad niet als eigenaar maar als intermediair dient te worden aangemerkt. Bovenstaande gegevens met elkaar in samenhang bezien leidt de commissie tot het oordeel dat het in hoge mate aannemelijk is dat Nijstad dit kunstwerk in eigendom had.

NK 2194 – A. Schelfhout, Landschap met molen
Met betrekking tot de omstandigheden waaronder dit kunstwerk is verkocht, stelt de commissie vast dat het kunstwerk in juni 1944 voor NLG 750 is verkocht aan Nijstad door jhr. Willem Laman Trip. Kort nadat Nijstad het schilderij van Laman Trip had gekocht is het kunstwerk door J.G. Wigman aan de Sonderauftrag Linz verkocht voor NLG 2.500. Na de oorlog vulde Nijstad op een Aangifte Formulier als herkomst in ‘Jhr. Laman Trip Laan Copes v. Cattenburgh 89 Den Haag’. Ook vulde hij in dat het werk in het bezit was gekomen van Göpel. Op een later door de SNK ingevuld Intern Aangifteformulier is vermeld dat het kunstwerk oorspronkelijk in bezit was van A. Nijstad. De Witte Kaart vermeldt A. Nijstad vervolgens als ‘Owner’. Vergeleken met de kunstwerken waarbij een bemiddelende rol van Nijstad duidelijk gedocumenteerd is, is dat bij dit kunstwerk anders. Tevens neemt de commissie in aanmerking dat de dagboekaantekeningen van Laman Trip de Schelfhout vermelden met daarachter het getal ‘750’. De commissie is van oordeel dat zeer onwaarschijnlijk is dat dit bedrag als provisie kan worden aangemerkt, aangezien een dergelijk bedrag voor een intermediair destijds exceptioneel veel geld was. Dit geldt temeer in verhouding tot het bedrag waarvoor het kunstwerk aan Sonderauftrag Linz is verkocht:
NLG 2.500.

De kleinzoon van Nijstad heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat Nijstad zichzelf weliswaar als uitgesproken intermediair zag, maar dat hij wel eigenaar was van de objecten die hij kocht en vervolgens doorverkocht. Volgens hem zag Nijstad zichzelf als tussenpersoon omdat hij al bepaalde klanten in zijn achterhoofd had op het moment dat hij iets aankocht. Deze verklaring sluit aan op de dagboekaantekeningen van Laman Trip waarin hij schreef dat Nijstad op korte termijn hoopte te verkopen. Bovenstaande informatie met elkaar in samenhang bezien leidt de commissie tot het oordeel dat in hoge mate aannemelijk is dat Nijstad, na de aankoop bij Laman Trip, eigenaar is geweest van het kunstwerk. Dat hij het kort daarna ten behoeve van Sonderauftrag Linz heeft doorverkocht, maakt dit niet anders.

NK 2255 – A. Cuyp, Bergachtig rivierlandschap
Ten aanzien van het kunstwerk Bergachtig rivierlandschap door A. Cuyp, stelt de commissie op grond van het hiervoor beschreven feitenonderzoek vast dat dit in 1944 door de Sonderauftrag Linz voor NLG 90.000 is aangekocht. Uit documentatie komt naar voren dat Göpel over de verwervingen van de kunstwerken van Codde (zie hierna) en Cuyp via Nijstad correspondeerde. Na de oorlog heeft Nijstad op een Aangifte Formulier als herkomst van het kunstwerk ‘Borghouts, Utrecht’ ingevuld. Op het Intern Aangifteformulier gedateerd vóór Nijstads eigen aangifte heeft de SNK expliciet vermeld dat het kunstwerk in 1944 ‘door bemiddeling van Nijstad’ via Göpel is aangekocht voor de Sonderauftrag Linz. Bij het onderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen die erop wijzen dat deze vermelding onjuist zou zijn. Ook zijn er geen gegevens aangetroffen die een conclusie zouden rechtvaardigen dat Nijstad de Cuyp in eigendom zou hebben gehad. Op grond van deze gegevens komt de commissie tot het oordeel dat Nijstad bij de transactie met betrekking tot de Cuyp niet betrokken was als eigenaar, maar als makelaar, commissionair, tussenpersoon of expert. De commissie is van oordeel dat niet in hoge mate aannemelijk is dat Nijstad als eigenaar van het kunstwerk kan worden aangemerkt.

NK 2365 – A. Storck, Imaginaire haven aan de Middellandse Zee
De commissie stelt vast dat het schilderij van Storck in 1944 door Göpel is verworven ten behoeve van de Sonderauftrag Linz. Na de oorlog heeft Nijstad op grond van de onder het feitenoverzicht beschreven aangifteplicht een Aangifte Formulier ingevuld met betrekking tot het schilderij. Als herkomst vulde Nijstad ‘J.H. Borghouts, Utrecht’ in. Daarnaast vermeldde hij dat het werk in bezit was gekomen van Göpel. Op het Aangifte Formulier is niets vermeld over een eventuele eigen betrokkenheid van Nijstad bij de transactie.

Een week na Nijstads opgave vulde de SNK een Intern Aangifteformulier in met betrekking tot de Storck. Voor het invullen van de Intern Aangifteformulieren maakte de SNK veelvuldig gebruik van de ingeleverde ‘Aangifte Formulieren’. De gegevens die konden worden afgeleid uit de Aangifte Formulieren werden overgenomen op de Intern Aangifteformulieren en – indien van toepassing – aangevuld met elders door de SNK verkregen gegevens over de transactie, bijvoorbeeld in de administratie van Duitse kopers. In het geval van het schilderij van Storck heeft de SNK op het Intern Aangifteformulier de naam van J.H. Borghouts overgenomen bij de herkomst, maar in afwijking van Nijstads eigen aangifte is tevens vermeld dat het kunstwerk oorspronkelijk in bezit was van A. Nijstad Lochem. Eenzelfde combinatie van gegevens is terug te vinden op de SNK-inventariskaart. Op deze zogenoemde Witte Kaart is onder het kopje Origin J.H. Borghouts vermeld en onder Owner A. Nijstad Lochem.
De commissie stelt op grond hiervan vast dat de SNK na de oorlog concludeerde dat het schilderij van Storck op het moment van verkoop eigendom was van Nijstad. De commissie oordeelt dat de vermelding van Borghouts hiermee niet in tegenspraak is en dat het voor de hand ligt dat Borghouts de persoon was die als laatste betrokken was bij de transactie met Göpel en om die reden door Nijstad is opgevoerd. Hiermee verstrekte Nijstad de SNK immers de informatie die nodig was om het zoeken naar de op dat moment verdwenen Storck te vergemakkelijken, aangezien de naam Borghouts terug te vinden zou zijn in de administratie van de koper. Mede op grond van het feit dat Nijstad in dezelfde periode werkzaam was bij de SNK concludeert de commissie dat hij bij het invullen van de Aangifte Formulieren bijzonder gefocust moet zijn geweest op de informatie die de SNK nodig had om te zoeken naar verdwenen kunstwerken. Hierover verklaarde hij zelf, twee maanden na het invullen van de Aangifte Formulieren, het volgende:
Het voordeel is dan ook dat ik (…) na de oorlog waardevolle inlichtingen kon geven aan de Stichting Nederlands Kunstbezit die konden leiden tot het terugvinden van verdwenen kunstvoorwerpen.
Dat Nijstad werkzaamheden voor de SNK verrichtte, maakt het voor de commissie overtuigend dat de SNK bij het invullen van het Intern Aangifteformulier met betrekking tot de Storck kon beschikken over informatie uit de eerste hand, namelijk Nijstad zelf.

In verband met de combinatie van de namen Borghouts en Nijstad wijst de commissie nog op het feit dat J.H. Borghouts de kunsthandel van Nijstad tijdens de bezetting heeft overgenomen, in een poging Nijstad te helpen, waarna de naam is gewijzigd in Kunsthandel Borghouts, Lochem. Deze transactie, door verzoekers bestempeld als een ‘gentleman’s agreement’ tussen twee bevriende handelaren, is na de oorlog weer teruggedraaid.

Op basis van de bovenstaande gegevens in samenhang bezien acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat niet Borghouts, maar Nijstad het schilderij van Storck op het moment van verkoop in eigendom had.

NK 2550 – P. Codde – Paar in Interieur
Met betrekking tot het kunstwerk door P. Codde komt de commissie tot een andere conclusie. Uit documentatie is niet gebleken wie tot de verwerving in 1944 door de Sonderauftrag Linz eigenaar was van het kunstwerk. Evenals de gouaches door Troost is ook dit kunstwerk gedurende lange tijd in bezit geweest van de familie Van Aldenburg Bentinck. Verzoekers hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat met betrekking tot de gouaches door Troost en het kunstwerk door P. Codde bijna geen andere conclusie voorstelbaar is dan dat hun grootvader uitsluitend als intermediair heeft gefunctioneerd. Gelet op de huidige stand van het onderzoek acht de commissie het niet onaannemelijk dat het kunstwerk in het bezit was van Bentinck en dat Nijstad bij de verkoop aan de Sonderauftrag Linz optrad als bemiddelaar. In ieder geval blijkt niet dat Nijstad op enig moment zelf eigenaar is geweest van het kunstwerk. De commissie hecht daarbij ook waarde aan het door Nijstad ingevulde Aangifte Formulier waarop hij Graaf Bentinck, Middachten als herkomst heeft vermeld. Ook op het door de SNK ingevulde Intern Aangifteformulier is onder de ‘herkomst’ Graaf Bentinck genoemd. Hoewel op het Intern Aangifteformulier Nijstad als oorspronkelijk eigenaar is vermeld, is op de Witte Kaart opgenomen dat het kunstwerk ‘via Nijstad’ door Göpel is gekocht. Bovenstaande informatie in samenhang bezien leidt de commissie tot het oordeel dat niet in hoge mate aannemelijk is dat Nijstad als eigenaar van het kunstwerk kan worden aangemerkt.

Onvrijwillig bezitsverlies (§ 3 van het Beoordelingskader)
Nu ten aanzien van de kunstwerken door Troost, Codde en Cuyp niet in hoge mate aannemelijk is geworden dat de eigendom aan Nijstad toebehoorde, komt de commissie met betrekking tot die kunstwerken aan de beoordeling van de aard van het bezitsverlies niet toe.

Bij de beoordeling van de aard van het bezitsverlies van de werken door Storck, Schelfhout en Hondius geldt op grond van het eerste lid van criterium 3.2 van § 3 van het beoordelingskader dat een verkoop door een Joodse kunsthandelaar als onvrijwillig wordt beschouwd indien er aanwijzingen zijn die onvrijwillig bezitsverlies voldoende aannemelijk maken.

De commissie stelt vast dat met betrekking tot deze drie kunstwerken door Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren zijn aangetroffen waarin hij consequent het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of’ heeft doorgehaald, zodat leesbaar is: ‘Is door […] vrijwillige verkoop in bezit gekomen van’. Hoewel de commissie in beginsel van de juistheid van de gegevens verstrekt op de Aangifte Formulieren dient uit te gaan, hebben Verzoekers in hun schriftelijke reactie en tijdens de mondelinge behandeling gewezen op de omstandigheden waaronder Nijstad deze formulieren heeft ingevuld. Verzoekers stellen dat wat hen betreft grote vraagtekens moeten worden geplaatst bij het woord ‘vrijwillig’ tegen de achtergrond van het feit dat het gezin van Nijstad ten tijde van de verkoop van vijf van de zeven Kunstwerken in Westerbork gevangen was en met deportatie werd bedreigd. De commissie vindt steun voor deze stelling van Verzoekers in het door het ECR verrichte onderzoek. Hierin is gewezen op de bijzonder benarde positie waarin Joodse kunstkenners in de kring van Göpel verkeerden, waarbij niet alleen hun eigen leven maar ook dat van hun familieleden bij voortduring afhing van de welwillendheid van hun opdrachtgevers en de mate waarin zij in staat waren aan hun verwachtingen te voldoen. De personen die vanwege de inzet van hun kennis aan de Sonderauftrag Linz de oorlog hebben weten te overleven, waren na de bevrijding blijvend getekend. Zij werden geconfronteerd met onbegrip over de positie waarin zij zich hadden bevonden, vaak met het verwijt dat zij hadden gecollaboreerd. Dit gegeven in samenhang met de voor deze zaak kenmerkende omstandigheden, waaronder de internering van het gezin van Nijstad in Westerbork, leidt de commissie tot het oordeel dat aan de wijze van invulling door Nijstad van het Aangifte Formulier na de oorlog niet het gewicht kan worden toegekend dat doorgaans aan een schriftelijke verklaring wordt toegekend. Dat Nijstad zelf goed wist dat zijn medewerking aan de betreffende verkopen niet vrijwillig was geweest, blijkt uit zijn brief van 21 juni 1946 waarin hij het volgende opmerkte over zijn werkzaamheden: “(..) Deze zaken zouden ook zonder mij doorgang gevonden hebben, aangezien de heren Duitsers beschikten over een leger van adviseurs, en met hun geld deze vrijwillige verkopen afdwongen”.

Nu de door Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren niet als uitgangspunt kunnen gelden voor de beoordeling van de aard van het bezitsverlies, is het aan de commissie om op grond van overige feiten en omstandigheden te beoordelen of er aanwijzingen zijn die onvrijwillig bezitsverlies voldoende aannemelijk maken. De commissie neemt in dit kader het volgende in aanmerking.

Na de Duitse inval in Nederland kon Nijstad niet direct rekenen op de bescherming tegen anti-Joodse maatregelen waarvan vanaf ca. 1942 sprake was. De commissie wijst in dit kader op de volgende feiten en algemene bedreigende omstandigheden:

  • Op 12 maart 1941 werd VO 48/1941 uitgevaardigd, de verordening tot verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven. Deze verordening was erop gericht Joodse bedrijven te ‘ariseren’ of op te heffen.
  • In augustus 1941 werd het huis van het gezin Nijstad in Lochem belaagd door NSB-ers, die ruiten ingooiden en het koninklijk hofleverancierswapen vernielden.
  • Twee maanden later werden leden van de Joodse gemeenschap in Lochem gearresteerd en naar Mauthausen gedeporteerd. Het gezin Nijstad wist ternauwernood te ontkomen, vermoedelijk doordat het was gewaarschuwd.
  • Nijstad dook samen met zijn zoon Saam zes weken onder bij de bevriende meubelmaker J.G. Wigman, de beheerder (huisbewaarder) van het filiaal van kunsthandel Firma D. Katz aan het Lange Voorhout 35 in Den Haag.

Er zijn geen aanwijzingen dat Nijstad was vrijgesteld van de ‘Eerste Liro-verordening’ 148/1941 van 8 augustus 1941 en de ‘Tweede Liro-verordening’ 58/1942 van 21 mei 1942. Gezien de tegen Joden genomen maatregelen is het niet aannemelijk dat Nijstad in deze periode nog openlijk kon beschikken over financiële middelen en voor eigen rekening kon handelen. Verzoekers sluiten niet uit dat Nijstad, gezien zijn uitstekende relaties met verschillende zeer vermogende mensen, in staat is geweest om clandestien over het nodige kapitaal te beschikken.

De commissie neemt bij haar beoordeling ook het volgende in overweging:

  • Op 29 september 1943 werd een grote razzia gehouden waarbij de Joden die op de zogenoemde Barneveld-lijst stonden (of daarmee werden gelijkgesteld) werden weggevoerd naar Westerbork.
  • Na de bezetting schreef Nijstad dat de gehele inboedel, inclusief de kunstbibliotheek die hij in twintig jaar had verzameld, door de Duitsers in beslag was genomen en dat hij er, in ieder geval op het moment van schrijven, nooit één stuk van terug had gezien.
  • Nijstad verliet Kamp Westerbork op 3 februari 1944 en werd geacht om kunst op te sporen ten behoeve van de Sonderauftrag Linz terwijl zijn familie in Westerbork moest achterblijven.
  • Vijf van de zeven Kunstwerken zijn na dit moment aangekocht door de Sonderauftrag Linz.

Tegen de achtergrond van het vorenstaande is naar het oordeel van de commissie ondenkbaar, bij afwezigheid van omstandigheden waaruit van het tegendeel blijkt, dat Nijstad geen druk of dreiging heeft ervaren ten tijde van de verkopen aan Göpel. De commissie meent dan ook dat in die periode van gewone verkoop door Nijstad als kunsthandelaar geen sprake is geweest.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien acht de commissie onvrijwillig bezitsverlies door Nijstad, overeenkomstig het eerste lid van criterium 3.2 van § 3 van het beoordelingskader voldoende aannemelijk.

Conclusie ten aanzien van het verzoek om restitutie
De commissie concludeert dat het in hoge mate aannemelijk is dat NK 1759, NK 2194 en NK 2365 eigendom waren van de kunsthandelaar Abraham Nijstad, en dat voldoende aannemelijk is dat Nijstad het bezit van de Kunstwerken onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Dit alles leidt ertoe, gelet op het Beoordelingskader § 2 en § 3 (criterium 3.2, en het slot van § 3), dat de commissie zal adviseren deze kunstwerken te restitueren aan Verzoekers.

De commissie zal de minister adviseren het verzoek tot teruggave van NK 1383, NK 1384, NK 2255 en NK 2550 af te wijzen.

5. Advies

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de kunstwerken die op dit moment deel zijn van de Nederlands Kunstbezit-collectie onder inventarisnummers NK 1759, NK 2194 en NK 2365 te restitueren aan de rechthebbenden van de nalatenschap van Abraham Nijstad. Voorts adviseert de Restitutiecommissie de minister het verzoek tot restitutie van de kunstwerken NK 1383, NK 1384, NK 2255 en NK 2550 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 20 januari 2025 door A.I.M. van Mierlo (voorzitter), D. Oostinga (plv. voorzitter), J.F. Cohen, S.G. Cohen-Willner, J.J. Euwe, C.J.H. Jansen, en A. Marck en ondertekend door de voorzitter en commissielid S.G. Cohen-Willner.

(A.I.M. van Mierlo, voorzitter)                     (S.G. Cohen-Willner, commissielid)