3. Vaststelling van de feiten
De commissie stelt op grond van het door het ECR verrichte onderzoek de volgende feiten vast.
Familie Nijstad
Abraham (‘Bram’) Nijstad (hierna ook: Nijstad) werd op 5 juli 1895 geboren te Lochem, als zoon van Leena Trijbits en Hartog Nijstad. Hij had twee zusters: Bertha (1894-1976) en Helena (1896-1944). In 1919 trouwde Nijstad met Rosette Dasberg, dochter van een rabbijn uit Dordrecht. Het echtpaar voerde een religieus Joods huishouden en was actief zowel binnen als buiten de Joodse gemeente van Lochem. Zij kregen vier kinderen. Het eerste kind overleed op jonge leeftijd, waarna een dochter en twee zoons werden geboren: Samuel ‘Saam’ Nijstad (1922-2011), Lena ‘Leny’ Nijstad (1924-2012) en Hartog ‘Harts’ Nijstad (1925-2011).
Saam Nijstad trouwde met Lily Einhorn (1927-2016). Het echtpaar kreeg een zoon, FF (19xx-20xx, zonder nalating van kinderen) en een dochter, CC.
Lena Nijstad trouwde met Jules Cohen (1921-1994). Het echtpaar kreeg een tweeling: EE en DD. EE kreeg twee kinderen: GG en HH.
Harts Nijstad trouwde met Kitty de Wijze (1924-2018). Zij kregen een dochter (AA) en een zoon (BB).
Antiekhandel en makelaardij van Hartog en zoon Abraham Nijstad voor de bezetting
Abraham Nijstad groeide op in een familie van antiquairs. Zijn grootvader was in 1862 begonnen als koopman in manufacturen, antiek en gebruiksvoorwerpen. Zijn vader, Hartog Nijstad, vestigde zich in 1893 in Lochem waar hij een antiekwinkel dreef, eerst aan de Molenstraat maar al spoedig op het adres Markt 29. Volgens Verzoekers vond de eerste aankoop van het Amsterdamse Rijksmuseum bij Hartog Nijstad plaats in 1896. Naast de antiekhandel begon Hartog Nijstad in 1906 een veilingbedrijf samen met vennoot en bankmedewerker Jan Hammerman en bracht hij antiek, zilverwerk en schilderijen onder de hamer. Ook werd Hartog Nijstad in 1923 beëdigd als makelaar in onroerend goed.
Nadat zijn vader 1925 overleed zette Abraham Nijstad de handelsactiviteiten voort. Onder de naam A. Nijstad vestigde hij in dat jaar zijn handel in antiquiteiten en nam hij de antiekwinkel over. In de jaren ‘20 en ’30 verrichtte hij activiteiten als makelaar in onroerend goed en als vendumeester bij inboedelveilingen, die hij samen met Hammerman organiseerde en waar incidenteel schilderkunst werd geveild. In 1936 verhuisde Nijstad met zijn gezin naar de voormalige burgemeesterswoning in Lochem aan ’t Ei 1. Het betrof een groot pand met drie toonzalen.
Naast hun lokale activiteiten vonden Nijstad en zijn echtgenote aansluiting bij de regionale en nationale kunstwereld. Ook onderhielden zij goede contacten met kasteelheren en notabelen in de Achterhoek en opkomende fabrikanten in Twente. Nijstad was landelijk actief, zoals blijkt uit zijn vermelding op een ledenlijst uit 1929 van De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland. Volgens Harts Nijstad reisde zijn vader ‘bijna alle veilingen af die er waren’, niet alleen grote kunstveilingen maar vooral ook boedelveilingen. Nijstad bracht ook stukken in op tentoonstellingen in het Rijksmuseum Amsterdam en het Oranje-Nassau Museum in Den Haag. In 1936 werd aan Nijstad het predicaat Hofleverancier toegekend, waarna hij een koninklijk wapen aan zijn gevel liet hangen.
Welk aandeel de handel in schilderijen in de vooroorlogse jaren in de zaak van Nijstad heeft gehad kon niet worden vastgesteld. In de databases van het RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis werd de naam ‘Nijstad’ voor de oorlog vermeld bij drie verhandelde schilderijen. Er is geen informatie gevonden over de samenstelling van de eigen handelsvoorraad van Nijstad in de jaren voor de Duitse inval. Of daar schilderijen toe behoorden en zo ja, welke dat waren, is niet duidelijk. Er zijn daarnaast geen vooroorlogse tentoonstellingscatalogi bekend van de firma Nijstad. Ook is er geen archief van de kunsthandel bekend of foto’s van het interieur van de zaak in Lochem. Evenmin is bekend of de familie Nijstad schilderijen in particulier bezit had. In een door de Amerikaanse autoriteiten opgestelde opsomming van tijdens de bezetting op grond van afkomst geliquideerde ondernemingen, is over A. Nijstad te Lochem het volgende opgetekend: ‘Known to have stored works of art belonging to a number of Dutch firms or private owners.’
Opvang van Joodse vluchtelingen omstreeks 1936
In zijn boek Van antiquair tot kunsthandelaar (2004) beschrijft Saam Nijstad dat zijn vader omstreeks 1936 steeds vaker na het avondeten afwezig was: ‘Het was wel vreemd dat hij ‘s avonds nog dergelijk werk deed, maar iets bijzonders zochten wij, de kinderen, er niet achter.’ In de vakantie dat jaar zou Nijstad zijn zoon mee hebben genomen naar collega-kunsthandelaar Katz te Dieren. Het was gebruikelijk dat Saam bij de zakelijke besprekingen aanwezig was, maar dit keer werd hij weggestuurd. Saam Nijstad schreef hierover:
Pas veel later heb ik begrepen dat zowel dit gesprek als die vreemde avondlijke taxaties met elkaar in verband stonden. Mijn vader ging in de avonduren naar de grens om in het geheim joodse vluchtelingen, voornamelijk kinderen, op te vangen.
Harts Nijstad vertelde in een interview in 1996 dat het gezin Nijstad daaraan niet de conclusie verbond dat het verstandig was ook zelf te vluchten, erop vertrouwende dat zij in Nederland veilig zouden blijven.
Het gezin Nijstad na de Duitse inval
In augustus 1941 werd het huis van het gezin Nijstad in Lochem belaagd door NSB-ers, die ruiten ingooiden en het koninklijk hofleverancierswapen vernielden. Twee maanden later werden leden van de Joodse gemeenschap in Lochem gearresteerd en naar Mauthausen gedeporteerd. Het gezin Nijstad wist ternauwernood te ontkomen, doordat het vantevoren was gewaarschuwd. Nijstad dook samen met zijn zoon Saam zes weken onder bij de bevriende meubelmaker J.G. Wigman, de beheerder (huisbewaarder) van het filiaal van kunsthandel Firma D. Katz aan het Lange Voorhout 35 in Den Haag. Nadat de vereiste toestemming was verkregen, schreef Nijstad het gezin in december 1941 uit bij de gemeente Lochem en op dezelfde datum in op het adres Daniël Willinkplein 21a in Amsterdam. Circa twee jaar later, in september 1943, verhuisde het gezin naar een woning op het adres Retiefstraat 71hs en 1 hoog te Amsterdam.
Overdracht van de kunsthandel aan J.H. Borghouts
Abraham Nijstad is er in geslaagd om zijn antiekhandel op 15 augustus 1941 formeel over te dragen aan de bevriende kunsthandelaar J.H. Borghouts, waarbij diens procuratiehouder Willem van der Velden gedurende de bezettingsjaren het feitelijke beheer over de kunsthandel in Lochem voerde. De constructie met Borghouts en Van der Velden zou door Nijstad zelf zijn uitgedacht. In het boek Kunst, Kennis en Kwaliteit. De vereniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland 1911-heden vertelde Harts Nijstad hier het volgende over:
Mijn vader […] die aan het begin van de oorlog een tip had gekregen dat de Duitse bezetters een beheerder zouden gaan aanstellen over joodse zaken, is naar J.H. Borghouts, handelaar in oude schilderijen in Utrecht gegaan en vroeg hem of hij niet iemand kende die de zaak als Verwalter kon “overnemen”. Hij zei “Ik weet wel iemand voor je” en riep “Willem?”. Willem van de[r] Velde[n] was daar procuratiehouder en wilde wel helpen. Hij heeft, onverstoorbaar, de zaak onder moeilijke omstandigheden door de oorlog geloodst. De verwijten van de plaatselijke bevolking, die hem uitmaakte voor “vuile NSB-er”, heeft hij naast zich neergelegd. […] Het is aan Van de[r] Velde[n] te danken dat de zaak behouden is gebleven en wij het bedrijf na de oorlog weer terugkregen. Willem is altijd bij ons gebleven, ook toen ik [Harts, RC] naar Amsterdam ging.
In het dossier van de firma Nijstad uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Deventer is aangetekend: ‘De handel in antiquiteiten is met ingang van 15 Augustus 1941 overdragen aan J.H. Borghouts, die haar voortzet onder den naam: Schilderijen- en Antiekhandel J.H. Borghouts.
De door Borghouts aan Nijstad betaalde koopsom, volgens naoorlogs bericht ongeveer NLG 50.000, is terechtgekomen bij de Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstalt, een instelling die optrad als beheerder van kapitaal dat afkomstig was van de verschillende instellingen die tijdens de bezettingsjaren betrokken waren bij de liquidatie en ‘arisering’ van Joods bezit. De formele datum van overdracht aan Borghouts ligt ruim na de registratieplicht en na de invoering van verordening 48/1941 van 12 maart 1941 betreffende de behandeling van het joodsche geldelijke vermogen, de ‘Eerste Liro-verordening’. De Duitse autoriteiten hebben met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toestemming gegeven voor de overdracht van de zaak. Op een overzicht van ondernemingen van 11 november 1941 met betrekking tot de firma Nijstad werd opgemerkt:
Es liegt ein Vorvertrag vor mit J.H. Borghout in Utrecht. Er ist mit der Auflage zu genehmigen, dass Borghout sich verpflichtet, das Geschäft durch einen Fachmann in der bisherigen Weise weiterführen zu lassen.
Volgens Harts Nijstad zouden naast de directbetrokkenen slechts twee andere personen met de onderlinge afspraken bekend zijn geweest. De geheimhouding bracht met zich dat Borghouts en Van der Velden zich ten opzichte van de buitenwereld tijdens en na de bezetting in een lastig parket bevonden. Met name Van der Velden zou hiervan de gevolgen hebben ervaren, zoals Harts Nijstad beschreef:
Voor de buitenwacht was de heer van der Velden een foute NSB-er. Willem Van der Velden heeft zich vier jaar lang dit plakkaat om laten hangen, met alle consequenties van dien dat hij door geen sterveling aangekeken wordt.
Kunsthandelaar Jan Borghouts en procuratiehouder Willem van der Velden
Johannes Hendrikus (Jan) Borghouts werd geboren op 22 oktober 1892 te Vaassen. Op enig moment vestigden zijn ouders zich in het dorp Dieren. Eind 1924 vertrok Borghouts vanuit Dieren naar Venlo. Over zijn werkzaamheden in deze periode is alleen bekend dat hij bedrijfsleider was. Duidelijk is dat hij in 1937 een kunsthandel in Nederlandse, Vlaamse, Italiaanse en Spaanse oude meesters dreef onder de naam kunsthandel J.H. Borghouts, waarvan de toonzalen gevestigd waren aan de Maagdenberg 17 en 19 te Venlo. Op 15 december 1938 verhuisde Borghouts deze showrooms van Venlo naar de Utrechtse Maliebaan 70, het adres waar hij enkele weken later zijn kunsthandel registreerde.
Wilhelmus Cornelis van der Velden werd op 1 december 1913 geboren in het dorp Voorst. Op 11 december 1941 werd hij in het handelsregister geregistreerd als beheerder van het filiaal van Borghouts te Lochem – de antiekzaak van Nijstad – en was hij gerechtigd tot handelingen tot een bedrag van NLG 2.500. Over de activiteiten van de zaak in Lochem tijdens de bezetting verklaarde Harts Nijstad in 2010 dat er tijdens de oorlog niet heel veel gehandeld is door Van der Velden: ‘Hij probeerde dit zoveel mogelijk te vermijden.’ Het enige bij het onderzoek gevonden spoor van een transactie die eenduidig betrekking heeft op het filiaal van Borghouts in Lochem is de verkoop van enkele stuks achttiende-eeuws keramiek aan een antiekhandel in Amsterdam.
In de zomer van 1940 werd een groot deel van de handelsvoorraad van kunsthandel Firma D. Katz te Dieren door de Duitse handelaar Alois Miedl aangekocht. De inventarisatie van de individuele kunstwerken vond plaats in het pand van Borghouts aan de Maliebaan 70, waar op dat moment circa 320 kunstwerken waren opgesteld. Borghouts opende in november 1940 een filiaal op het adres Rokin 64 in Amsterdam. In april 1948 gaf hij bij het handelsregister te Amsterdam op dat dit filiaal was overgedragen aan de Heer H. Katz (…). Het betrof Hartog (Harry) Katz, geboren in 1916. Na het overlijden van Borghouts in 1962 werd de kunsthandel opgeheven. Een bedrijfsarchief van de kunsthandel is niet achterhaald.
Makelaarskantoor Nijstad & Hammerman tijdens de bezetting
Abraham Nijstad trad op 1 mei 1941 als vennoot uit de zaak Nijstad en Hammerman, vermoedelijk in een poging het venduhuis te behoeden voor overname. In zijn boek Lochem in oorlogstijd 1940-1945 schrijft H.J. ten Broeke dat het verkooplokaal van Nijstad en Hammerman actief bleef: Hier werden soms hele inboedels geveild, waaronder vaak zeer begeerde zaken die normaal niet meer te koop waren. Per 1 januari 1957 werd de vennootschap ontbonden, blijkens opgave van Abraham Nijstad bij het handelsregister.
Verhuizing van het gezin Nijstad naar Amsterdam
Abraham Nijstad ondernam tijdens de bezettingsjaren verschillende pogingen om de precaire positie van zijn gezin te verbeteren en deportatie te voorkomen. Vanaf juli 1942 wist hij een vrijstelling te verkrijgen voor Arbeitseinsatz, omdat hij een positie had weten te verwerven bij de Joodsche Raad voor Amsterdam als adm. Kracht/Buroangestellter. Op Nijstads persoonsbewijs was vermeld dat hij werkzaam was op de afdeling Expositur, die als verbinding tussen de Joodsche Raad en de Zentralstelle für jüdische Auswanderung fungeerde. Daar ontstond soms ook de gelegenheid tot het verkrijgen van informatie van levensbelang of het regelen van vrijstellingen. Harts Nijstad verklaarde in 1996 dat het gezin op de ‘Weinreblijst’ heeft gestaan: ‘Wij hebben daar ook in geloofd. […] Daar kocht je je in. Pure oplichtersbende. Maar je wou zo graag geloven dat er nog een mogelijkheid was.’ In juli 1943 kreeg het gezin Nijstad via het Comité Internationale de la Croix-Rouge in Genève een bericht van de Jewish Agency in Jerusalem, dat het geregistreerd stond op de exchange list for immigration [to] Palestine.
Abraham Nijstad en de Sonderauftrag Linz
In 1939 gaf Adolf Hitler de opdracht aan de directeur van de Dresdner Gemäldegalerie, dr. Hans Posse (1879-1942) om een kunstcollectie ten behoeve van het in Linz op te richten Führermuseum samen te stellen. De kleine organisatie die zich onder zijn leiding bezighield met de verwerving van kunstvoorwerpen bestond voor een deel uit medewerkers van de Dresdner Gemäldegalerie en staat ook wel bekend als de ‘Sonderauftrag Linz’. Het doel van deze activiteiten werd aanvankelijk versluierd: Posse presenteerde zich als directeur van het museum in Dresden en kocht objecten aan op eigen titel. Ook werden de faciliteiten van de Dresdner Gemäldegalerie, zoals bergplaatsen, gebruikt om de verworven objecten te catalogiseren en op te slaan.
De verwerving van kunst door de Sonderauftrag Linz in Nederland vond voornamelijk plaats door aankoop: op veilingen, via de kunsthandel of, al dan niet via bemiddelaars en tussenpersonen, uit particuliere verzamelingen. Vanaf mei 1942 werd Posse in Nederland ondersteund door de Duitse kunsthistoricus dr. Erhard Göpel, die was aangesteld bij een ambtelijke afdeling van het Rijkscommissariaat. Göpel was goed bekend met Nederland en beschikte over vele persoonlijke en zakelijke connecties in de Nederlandse kunstwereld. Voor de aankoop van kunst op de Nederlandse markt, onder meer uit particuliere collecties, zette de Sonderauftrag Linz in de loop der tijd een netwerk in van Joodse experts en kunsthandelaren, deels Duitse vluchtelingen, die ten behoeve van deze werkzaamheden tijdelijk diverse vrijstellingen van anti-Joodse maatregelen verkregen.
Zij faciliteerden Göpel bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en vervulden daarbij verschillende rollen. Voor de Joodse experts, handelaars en opkopers was duidelijk dat niet alleen hun eigen leven, maar ook dat van hun familieleden bij voortduring afhing van de welwillendheid van hun opdrachtgevers en de mate waarin zij in staat waren aan hun verwachtingen te voldoen. Uit literatuur blijkt dat de persoonlijke verhouding tussen de Joodse betrokkenen en hun Duitse opdrachtgevers soms complex was. Door inzet van hun specifieke kennis en de bemoeienis van de medewerkers van de Sonderauftrag Linz heeft een kleine groep Joodse kunstkenners de oorlog weten te overleven, maar meestal niet zonder blijvend getekend te worden door de spanningen van de bezettingsjaren en het verlies van familie. Voor een deel van de betrokkenen was ook na de bevrijding de beproeving niet voorbij: zij werden geconfronteerd met onbegrip over de positie waarin zij zich hadden bevonden en kregen het verwijt gecollaboreerd te hebben.
Uit de bij het onderzoek aangetroffen documenten kan worden afgeleid dat Abraham Nijstad gedurende de bezetting door de nazi’s werd ingezet bij de aankoop van kunst op de Nederlandse kunstmarkt door de Sonderauftrag Linz. Wanneer deze betrokkenheid van Nijstad aanving is niet zeker. In een naoorlogse brief sprak Nijstad zelf over het jaar 1943, maar duidelijk is dat aan Nijstad en zijn gezin al enige tijd eerder, op 12 oktober 1942, vrijstellingen waren verleend op voorspraak van het Referat Sonderfragen, de afdeling van het Rijkscommissariaat waaraan Göpel verbonden was. De termijn waarvoor deze vrijstelling geldig was, werd bewust niet aan Nijstad meegedeeld om de onzekerheid te vergroten
Nijstads naam werd opgenomen op een Liste der im Kunsthandel eingesetzten Juden van 5 februari 1943. Op voordracht van de Generalkommissar zur besonderen Verwendung, Fritz Schmidt, werd hij op 23 april 1943 vrijgesteld van deportatie met ingang van 1 mei 1943, met de volgende motivering: Mein Referat Sonderfragen hat bei der Durchführungen eines Reichswichtigen Auftragen für die Ausführung von Gemälden und anderen Kunstgegenständen die Mitarbeit des jüdischen holländischen Staatsangehörigen A. Nijstad, Amsterdam Daniël Willinkplein 21a nötig.
Uit een ongedateerde lijst, medio of eind 1943 opgesteld, kan worden afgeleid dat de familie Nijstad was vrijgesteld van Arbeitseinsatz in Deutschland omdat Nijstad, die werd omschreven als Kunsthändler und Agent, nodig was voor het opsporen van kunstwerken in bezit van de adel, waartoe hij alleen in staat zou zijn als hij tevens vrijgesteld zou worden van het dragen van een gele ster en het hem zou worden toegestaan in Amsterdam te verblijven:
Wird weiterhin für Sonderauftrag Linz zum Aufspüren von Kunstwerken in Adelsbesitz benötigt. Gedeihliche Weiterarbeit jedoch nur falls N [Nijstad] und Familie vom Tragen des Judensternes befreit wird und in Amsterdam wohnen kann.
Na de oorlog schreef Abraham Nijstad aan een bekende een brief over deze werkzaamheden, waarin hij het volgende schreef:
Gekocht voor de Duitsers heb ik nooit. Doch in 1943 heeft men mij voor de keus gesteld: Voor de Duitsers schilderijen te taxeren en te adviseren in aankopen, of met mijn gehele gezin naar Polen te worden doorgezonden. Alvorens hier verder op in te gaan, heb ik mij toen in verbinding gesteld met enige goede Nederlanders uit de museum- en bankkringen. Men adviseerde mij, coûte que coûte deze relatie niet te verbreken om hierdoor het gevaar van deportatie te voorkomen. De zeer weinige zaken die ik daarna op deze wijze tot stand bracht, vonden slechts dan plaats, na advies ingewonnen te hebben bij Dr. J.G. van Gelder, directeur van het Mauritshuis die de onbelangrijkheid van deze zaken vaststelde. In de brief voegde hij toe: Deze zaken zouden ook zonder mij doorgang gevonden hebben, aangezien de heren Duitsers beschikten over een leger van adviseurs, en met hun geld deze vrijwillige verkopen afdwongen.
Plaatsing op de Barneveld-lijst
Nijstad en zijn gezin kregen tijdens de bezettingsjaren hulp van vrienden en bekenden, in het bijzonder van dr. Jan Gerrit van Gelder (1903-1980), waarnemend directeur van het RKD en later directeur van het Mauritshuis. Van Gelder wist te bewerkstelligen dat Nijstad en zijn gezin werden toegevoegd aan de lijst van Joden die bescherming genoten in het kader van het ‘Lijst-Frederiks’. Gedurende de bezetting groeide de lijst tot vele honderden personen. Een groot deel van hen werd geïnterneerd in huis De Schaffelaar in Barneveld: de Barneveld-groep.
Voor zover bekend is het gezin Nijstad administratief gelijkgesteld aan de Barneveld-groep, maar heeft het fysiek geen deel uitgemaakt van deze groep, totdat op 29 september 1943 een grote razzia werd gehouden waarbij de groep werd weggevoerd naar Westerbork. Het gezin Nijstad werd voor zover bekend op diezelfde dag naar Westerbork vervoerd. In 2001 vertelde Harts Nijstad dat het initiatief tot plaatsing op de Lijst-Frederiks was uitgegaan van Van Gelder.
Wij moesten naar Amsterdam verhuizen, en toen zei de kunsthistoricus Jan van Gelder tegen mijn vader, dat hij hem graag op de lijst zou zien. En toen zijn wij naar Westerbork gehaald, als Barnevelders, en werden daar nog iets vreemd aangekeken, hoe dat kon, dat je een Barnevelder was en niet in Barneveld bent geweest?
Blijkens het archief van het Nederlandse Rode Kruis werd Abraham Nijstad op 29 september 1943 ingeschreven in Westerbork. Na de bezetting schreef hij dat de gehele inboedel, inclusief de kunstbibliotheek die hij in twintig jaar had verzameld, door de Duitsers in beslag was genomen en dat hij er, in ieder geval op het moment van schrijven, nooit één stuk van terug had gezien.
Tijdens een vergadering in oktober 1943 nam Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart de lijst door waarop ‘niet-ariërs’ vermeld waren die vrijstelling hadden gekregen van het dragen van de gele ster. Op de lijst bevonden zich op dat moment ongeveer 90 personen, waaronder een groep die als ‘die für den Sonderauftrag Museum Linz vom Sterntragen befreiten Juden’ werd aangeduid. Daartoe behoorde ook het gezin Nijstad. Seyss-Inquart besloot het volgende: ‘Nijstad wird vom Tragen des Judensterns befreit, seine Familie bleibt mit den Frederiks-Juden im Lager Westerbork und wird nicht abtransportiert.’ Nijstad die werd geacht kunst op te sporen ten behoeve van de Sonderauftrag Linz, verliet daartoe op 3 februari 1944 Kamp Westerbork, terwijl zijn familie in het kamp achter moest blijven. Vijf van de zeven thans teruggevraagde Kunstwerken zijn na dit moment door de Sonderauftrag Linz aangekocht. Nijstads gezin bleef vastzitten in Westerbork, terwijl Nijstad zich in maart 1944 inschreef op de Zuider Amstellaan 31hs in Amsterdam. Op een in 1944 door Van Gelder verzonden lijst met personalia is vermeld dat Nijstad in juni 1944 feitelijk in Den Haag aan het Lange Voorhout 35 woonde.
J.G. Wigman, huisbewaarder van het Haagse filiaal van de firma D. Katz
In de documentatie met betrekking tot de aankopen door de Sonderauftrag Linz komt de naam Johannes Gerardus Wigman veelvuldig voor, waaronder ook bij een deel van de Kunstwerken. De in 1900 te Arnhem geboren Wigman was bevriend met Abraham Nijstad. In 1940 werd Wigman beheerder bij het kort daarvoor geopende Haagse filiaal van kunsthandel Firma D. Katz aan het Lange Voorhout 35 in Den Haag, tevens zijn woonadres. In een naoorlogse brief aan een zakenrelatie ontkende Abraham Nijstad dat hij iets te maken had met de Firma Katz en stelde hij: […] dat ik bevriend ben met den concierge van een huis van de Fa. Katz, de heer J. Wigman Lange Voorhout 35 Den Haag, bij wien ik tijdens de Mauthausen-razzia in 1941 gedurende 6 weken ondergedoken was, en die ons in 1943-44 op buitengewone wijze met voedselpaketten verzorgde toen wij in Westerbork waren.
Tijdens een verhoor in juli 1948 door de Rijksrecherche verklaarde Wigman zelf dat hij in dienst was als huisbewaarder van de kunsthandel, maar dat hij als meubelmaker ‘in het geheel geen verstand [had] van schilderijen.’ Desondanks kan uit een brief van Wigman aan Nathan Katz van 1 februari 1943 worden afgeleid dat Wigman actief deelnam aan de handel met kunstwerken, hoewel niet duidelijk is of hij daarbij voor eigen rekening optrad of ten behoeve van anderen.
[Nu] mijnheer ik ben afgelopen week aan het handelen geweest. Ridder had van iemand een goed schilderij wat wij moesten verkopen nu heb ik het voor mijn doen met succes aan Bandertje [mogelijk Heinz Bandermann, ECR] verkocht het was een vroege J. Steen volgens Dr. v. Gelder en Friedländer een goed schilderij. Het heeft 50 mil opgebracht dit was voor ons een buitenkansje.
Wigman bleef gedurende de bezettingsjaren betrokken bij de afhandeling van kunstaankopen door de Sonderauftrag Linz en onderhield in die jaren contact met leden van de familie Katz binnen en buiten Nederland. Zijn naam komt veelvuldig voor bij aankopen door de Sonderauftrag Linz, met name in het jaar 1944. In welke hoedanigheid Wigman optrad, is vaak onduidelijk. Zo zijn in de archieven nota’s aangetroffen voor schilderijen en zilverwerk, waaronder zilverwerk dat waarschijnlijk eigendom was van de firma Nijstad, dat in de loop van 1944 geleverd is aan de Sonderauftrag Linz. De rekeningen en kwitanties zijn ondertekend door Wigman, terwijl naoorlogse informatie erop wijst dat in ieder geval een deel van de objecten eigendom was van derden. Aannemelijk is daarom dat Wigman in elk geval bij een deel van deze transacties optrad als tussenpersoon of zorg droeg voor transport en emballage.
Poging tot uitreis Nijstad en familie in 1944 door levering van kunst
De vrijstellingen die Nijstad en zijn gezin wisten te verkrijgen waren tijdelijk en uiterst onzeker. Op 28 maart 1944 nam Van Gelder contact op met de secretaris-generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken, mr. K.J. Frederiks, om een op korte termijn dreigende aanstaande deportatie af te wenden. Hij schreef:
Hierbij doe ik U de gegevens toekomen betreffende de familie A. Nijstad te Lochem, waarvoor ik u zoojuist heb opgebeld. Deze familie is indertijd mede door Jhr. Sandberg van Heldring en Pierson gelijkgesteld en volgens een beschikking van 20-12-’43 toegevoegd aan de Barneveld-groep. Voor de heer Nijstad kunnen de heer Sandberg en ik ten volle instaan. Desondanks is de Heer N. thans medegedeeld dat hij maandag a.s. met familie naar The.Stadt zou moeten vertrekken. Kan dit als hij reeds toegevoegd is? En wat is daar nog aan te doen. Staat hij, ondanks wat bereikt, niet op de lijst, dan zou dit feit nog hersteld kunnen worden, naar ik hoop. Zeer hoop ik dat u iets kunt bereiken vòòr maandag a.s.
Niet lang daarna ondernam Van Gelder een poging om Nijstad definitief uit het bereik van het naziregime te brengen door hem te laten uitreizen naar een neutraal land en wendde hij zich tot de leider van de Sonderauftrag Linz, prof. Hermann Voss, met een verzoek om medewerking. Van Gelder schreef daarna een uitgebreide dankbrief aan Voss naar aanleiding van de door hem geboden steun en meldde dat er inmiddels een ‘Curatorium angesehener Holländer […], zu dem auch einiger Ihrer Kollegen und bekannte Kunsthändler gehören’ was gevormd dat bereid was om een waardevol schilderij door Jacob Marrel aan een Duits museum ter beschikking te stellen indien Nijstad zou kunnen uitreizen naar een neutraal land.
In juni 1944 schreef dr. Erhard Göpel een lange brief aan Voss over allerlei verwikkelingen rond de aankoop van kunstwerken. Daarin ging hij ook kort in op het schilderij dat werd aangeboden door het Curatorium dat onder leiding van Van Gelder voor de Vermittler Nijstad was gevormd. Göpel uitte zich positief over de kwaliteit van het schilderij en benadrukte de recente verwerving via Nijstad van werken van Codde en Cuyp (naar alle waarschijnlijkheid NK 2550 en NK 2255) als argument om er bij zijn superieuren op aan te dringen Nijstad niet over te brengen naar een kamp:
Da mir sehr daran liegt, den Vermittler Nijstadt bis zu seiner eventuelle Ausreise mit seiner Familie zu meiner Verfügung zu haben, so würde ich bitten, falls Sie sich zu einer Weitergabe des Vorschlages von Dr. v. Gelder entschliessen könnten, die Sperrung des Nijstadt von der Verbringung in ein Lager zu beantragen. Da der augenblickliche kritische Zustand in den Küstengebieten überraschende Massnahmen möglich erscheinen lässt, eilt die Angelegenheit. Über N. ist kürzlich der Pieter Codde und neuerdings der Cuyp gekommen, sowie zahlreiche Silbergegenstände.
Ondertussen gingen de besprekingen over de uitreis van Nijstad door. Voss stond positief ten opzichte van het verzoek van Van Gelder. Diezelfde dag bracht hij de kwestie schriftelijk onder de aandacht van Hitlers rechterhand Martin Bormann, waarbij hij zich lovend uitliet over het voorgedragen kunstwerk:
Es handelt sich bei den fraglichen Personen um die Familie des jüdischen Kunsthandlers Nystad, der sich, wie mir Herr van Gelder mitteilt, vielfache Verdienste um die öffentliche holländischen Kunstsammlung erworben und in übrigen wiederholt auch wichtige Gemälde und kunstgewerbliche Gegenstände für den Sonderauftrag Linz sowie andere deutsche Museen beschafft ist.
Onder de bijlagen die Voss meestuurde aan Bormann bevond zich een lijst met de personen die door de levering van het schilderij uit zouden moeten reizen, te weten:
PERSONALIA von der Familie A. Nystad.
Kernkarte
- Nystad Abraham. Geboren 5-7-1895 in Lochem No P.B.L. 36 No 002907
- Dasberg Rosette. Geboren 11-9-1897 in Dordrecht No P.B.L. 35 No 000773
- Nystad Samuel. Geboren 20-5-1922 in Lochem No P.B.L. 36 No 002906
- Nystad Lena. Gebo ren 11-4-1924 in Lochem No P.B.L. 35 No 596574
- Nystad Hartog. Geboren 12-9-1925 in Lochem No P.B.L. 36 No 002906
PERSONALIA von Jules Cohen (Ehemann von Lena Nystad (4))
- Cohen Jules. Geboren 21-12-1921 in Groningen. No P.B.G. 49 No 033322
Die in dieser Liste aufgeführten Personen (2-6) befinden sich momentan im Lager Westerbork (Holland). Herr Nystad selbst (1) wohnt im Haag, Lange Voorhout 35. Gültige Pässe (bis Mai 1944) sind in ihrem Besitz.
Op 15 juni 1944 rapporteerde Voss aan Göpel over de voortgang, waarbij hij ook schreef over de dreigende opheffing van Göpels bureau in Den Haag:
Das Schriftstück des Herrn van Gelder hatte ich bereits erhalten und die Bitte des holländischen Komitees sogleich befürwortend und Herrn Reichleiter Bormann weitergereicht. Nachdem ich heute telefonisch erfuhr, daß Ihre Dienststelle aufgelöst werden soll, sandte ich sogleich ein Telegram an Herrn Dr. von Hummel, in dem ich mich auf Ihren telefonischen Anruf bei ihm bezog und den Standpunkt vertrat, daß weitere Erwerbungen gerade in diesem Augenblick leicht zu machen und Fortsetzung Ihrer Tätigkeit mithin erwünscht sei. Hoffentlich haben wir damit Erfolg.
Alle pleidooien ten gunste van de regeling ten spijt berichtte Bormanns persoonlijke secretaris Helmut von Hummel op 20 juni 1944 aan Voss dat Bormann het verzoek ‘om principiële redenen’ had afgewezen. Von Hummel sloot het bericht af met een vingerwijzing aan Voss: ‘Ich bitte Sie, künftig Anträge und Anregungen dieser Art von vornherein als ungeeignet unmittelbar abzulehnen.’ Het duurde daarna enkele weken voordat het bericht over de afwijzing Van Gelder en Nijstad bereikte, omdat Bormanns secretariaat over het hoofd had gezien enkele poststukken te versturen: pas op 7 juli 1944 deed Bormann die alsnog aan Voss toekomen. Onwetend van de mislukking schreef Van Gelder in juni 1944 nog een bedankje aan Voss en meldde hij dat hij met Göpel had afgesproken dat Voss telefonisch geïnformeerd zou worden voor het geval van dreigende deportatie:
Darf ich Ihnen verbindlichst danken für Ihr freundliches Schreiben vom 13 Juni. Wir sind Ihnen besonderes erkenntlich, dass Sie unser Anliegen so rasch und energisch bei der zuständigen Stelle vertreten haben. Ich spreche in Namen des gesamten Komitees, wenn ich Ihnen für diese Hilfe unseren herzlichen Dank sage. Wir wollen hoffen, dass unsere gemeinsamen Bemühungen Erfolg haben werden. Mit Herrn Dr. Göpel habe ich verabredet, dass ich mir erlauben wurde, Sie telefonisch zu benachrichtigen für den Fall, dass sich hier die Verhältnissen in den Sinne Ändern, dass die betreffenden Personen gezwungen würden das Land zu verlassen. Ich nehme an, dass in einer sochen Notlage vielleicht durch eine telefonische Rücksprache ein kurzer Aufschub zu erwirken ist, bis die ganze Angelegenheit geklärt ist. Unter Wiederholung meines und meiner Kollegen Dankes verbleibe ich mit den besten Empfehlungen.
Nadat Voss in juli 1944 alsnog het bericht met de afwijzing had ontvangen belde hij met Göpel en vroeg hem diezelfde dag per brief de uitkomst persoonlijk aan Van Gelder mede te delen (‘bedauerlicherweise’ in de laatste zin is doorgehaald op het document):
Anliegend übersende ich Ihnen zur Kenntnisnahme eine Abschrift der in der Angelegenheit Nystad an mich ergangenen Antwort. Wie ich Ihnen heute bereits telefonisch mitteilte, wäre ich Ihnen dankbar, wenn Sie den negativen Ausgang dieser Aktion Herrn van Gelder persönlich mitteilen und ihm zugleich sagen würden, dass die Angelegenheit bedauerlicherweise damit leider erledigt sei.
Abraham Nijstad en zijn gezin werden in september 1944 vanuit Westerbork gedeporteerd naar concentratiekamp Theresienstadt. Na de oorlog schreef hij hierover: ‘Doordat ik toen mede door toedoen van genoemde Dr. v. Gelder op de zgn. Barneveld-lijst geplaatst was, ben ik tenslotte in Theresienstadt terecht gekomen, hetgeen uiteindelijk onze redding bleek te zijn.’
Lotgevallen Nijstad na de bezetting
Het gezin Nijstad overleefde de verschrikkingen van de bezettingsjaren en het verblijf in Theresienstadt, maar niet ongeschonden. Verzoekers schreven over Abraham Nijstad:
De realiteit in 1945 was bitter en het is belangrijk om een paar van de verliezen te benoemen.
- Zijn zusje, Helena Vromen-Nijstad werd met haar man en hun drie kinderen vermoord. Twee broers van zijn echtgenote vonden hetzelfde noodlot.
- Van de Joodse Gemeente in Lochem, waarvan hij de laatste voorzitter was, overleefden slechts 18 leden, 100 werden vermoord en dientengevolge moest onze grootvader zien hoe zijn gemeente niet langer kon bestaan omdat er simpelweg geen minjan meer was.
- Ook in zijn ruime sociale- en professionele netwerk waren de verliezen onder het Joodse deel enorm.
Het kostte na de bevrijding enige tijd om de verdenking van collaboratie tegen Van der Velden van tafel te krijgen. In het levensbericht van Saam Nijstad is hierover te lezen:
Na de oorlog moest Abraham Nijstad alle zeilen bijzetten om ‘oom Wim’, zoals Saams kinderen hem ongedwongen noemden, van landverraad vrijgepleit te krijgen.
Werkzaamheden voor de SNK
Vanaf oktober 1945 werkte Abraham Nijstad als taxateur voor de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Zijn zoon Saam verleende er hand- en spandiensten:
Van juni 1945 tot 1 januari 1947 was ik [J.G. Van Gelders] knechtje en chauffeur geweest. Terug uit Theresienstadt was ik op aanraden van mijn vader naar Van Gelder gegaan. Ik had hem gevraagd of hij mij kon helpen omdat ik mij wilde gaan bezighouden met kunst om later kunsthandelaar te worden. Mijn vader was al jarenlang bevriend met, zoals hij hen noemde, de oude en de jonge Van Gelder. De oude dr. H.E. van Gelder was directeur van het Gemeentemuseum in Den Haag. De vriendschapsband met de jonge Van Gelder dateerde uit de oorlogsjaren. […] Een nieuwe periode in mijn leven brak aan. Van Gelder had de opdracht gekregen om voor de Nederlandse Staat alle schilderijen uit Nederlandse musea die opgeslagen waren in schuilkelders en andere bewaarplaatsen te gaan controleren. Hij had hiervoor een auto toegewezen gekregen, maar hij kon zelf niet autorijden. Zijn chauffeur en leerjongen werd ik. […] Hij werd mijn tweede vader, zoals hij dat voor vele tientallen van zijn studenten werd.
Administratie SNK, Aangifte Formulieren en Witte Kaarten
Een groot deel van de Kunstwerken werd in 1944 aangekocht door Göpel, die in deze periode gebruik maakte van de diensten van een groep Joodse experts die van zijn bescherming afhankelijk waren. Bij een aantal van de transacties waren ook personen uit de nabije omgeving van de experts betrokken. Tot de kring rond Göpel behoorden onder meer de Russisch-Joodse kunsthistoricus, -handelaar en -verzamelaar Vitale Bloch (1900-1975) en decorateur en restaurator Hendrik Schuuring (1883-1955) (zij woonden op hetzelfde adres), de broers Nathan en Benjamin Katz en hun filiaalbeheerder J.G. Wigman (die met Abraham Nijstad bevriend was). Hun namen komen in wisselende samenstelling voor in de documentatie die betrekking heeft op Göpels aankopen. Welke rol zij bij een individuele transactie vervulden is niet altijd helder. Er zijn aanwijzingen dat de namen die bij de transacties zijn vermeld op facturen van destijds niet altijd die van de eigenaar waren.
Na de bezettingsjaren is de onduidelijkheid over de toedracht van de aankopen voor een deel van deze transacties vergroot, doordat een verband werd gelegd tussen het pand Lange Voorhout 35 en de daar gevestigde kunsthandel Firma D. Katz. Dit heeft ertoe geleid dat de naam Katz gekoppeld is aan verschillende kunstwerken. Een aantal van de door Göpel aangekochte werken was inderdaad aangeleverd door of via de inmiddels ‘geariseerde’ N.V. Katz of de broers individueel, terwijl in veel gevallen ook aannemelijk is dat het pand aan het Lange Voorhout of beheerder Wigman het enige verband met deze kunsthandel vormt. Ook de verdere administratieve verwerking van de verstrekte informatie heeft ertoe geleid dat gegevens in circulatie raakten en vermeld zijn op documenten of inventariskaarten die een rol speelden binnen het administratieve proces van opsporing en repatriëring. Dit heeft ertoe geleid dat zich ook binnen dit bronnencomplex soms tegenstrijdige vermeldingen met betrekking tot herkomst en eigendom bevinden.
Door Abraham Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren
Na de oorlog was de SNK onder meer belast met het opsporen van kunstwerken en de recuperatie daarvan uit Duitsland. Hiertoe was informatie nodig over wat er was kwijtgeraakt. Om documentatie te verkrijgen die voor deze taken nodig was, werd iedereen die kennis had over kunst in vijandelijk bezit per verordening van het naoorlogse Militair Gezag verplicht om gegevens te verstrekken aan de SNK. De aangifteplicht gold niet alleen voor voormalige eigenaren van de kunstwerken, maar voor iedereen die kennis had over kunstwerken die na 10 mei 1940 in vijandelijke handen terecht waren gekomen, ongeacht hun eigen betrokkenheid daarbij en ongeacht de manier waarop de kunst uit handen was geraakt van de eigenaar. Tot dat doel werden voorgedrukte ‘Aangifte Formulieren’ uitgegeven, waarop gegevens konden worden ingevuld met betrekking tot het kunstobject en de aard van het bezitsverlies.
Met behulp van de aldus verzamelde gegevens werden kunstwerken opgespoord in Duitsland en dienden de Nederlandse autoriteiten bij de geallieerde collecting points claims in, op grond waarvan de kunstwerken naar Nederland konden worden teruggevoerd. Dat iemand de SNK informatie verstrekte over een kunstwerk door middel van het invullen van een Aangifte Formulier impliceert niet dat diegene daarmee de SNK om restitutie vroeg, of dat die persoon eigenaar was van het kunstwerk.
Abraham Nijstad vulde na de bevrijding meerdere Aangifte Formulieren in die betrekking hebben op kunstwerken die tijdens de bezetting in handen van Göpel waren geraakt. In totaal zijn in het SNK-archief 16 formulieren gevonden die door Nijstad zijn ingevuld en ondertekend. Voor vijf van de zeven Kunstwerken is een door Abraham Nijstad ingevuld Aangifte Formulier voorhanden. Alleen met betrekking tot de twee gouaches van Troost zijn geen door Nijstad ingevulde Aangifte Formulieren gevonden.
Ongeveer twee maanden nadat hij de formulieren had ingediend bij de SNK schreef Nijstad over zijn rol als taxateur en adviseur bij aankopen van kunst voor de Duitsers:
Het voordeel is dan ook dat ik, en met mij vrijwel de gehele kunsthandel na de oorlog waardevolle inlichtingen kon geven aan de Stichting Nederlands Kunstbezit die konden leiden tot het terugvinden van verdwenen kunstvoorwerpen.
Op de Aangifte Formulieren bevinden zich twee velden die betrekking hebben op de eigendom: veld 8 en veld 14.
Veld 8 (Herkomst) was bedoeld om aan te geven wat de oudere herkomst van het object was: Ad. 8 Niet slechts opgave van vroegere verzamelingen, maar ook van eventueelen kunsthandelaar of veilinghouder bij wien het object werd gekocht. Verzoekers wijzen er terecht op dat aan het begrip herkomst in de kunstwereld regelmatig invulling is gegeven door te verwijzen naar de meest prestigieuze collectie waarvan het object enige tijd tevoren deel had uitgemaakt, om daarmee het object cachet te verschaffen. Zij schrijven onder meer:
De ‘handel’ werd vaak overgeslagen omdat ze in de geschiedenis van de herkomst niet relevant werd geacht en vooral werd gezien als tussenpersoon. Het noemen van de laatste eigenaar als bron van herkomst was dus niet zo vreemd en het kan ook een verklaring zijn voor de wijze van invullen van de formulieren door onze grootvader.
Veld 14 betreft een voorbedrukte zin (oorspronkelijk bezit, gebruik, bewaring of anderszins) gevolgd door een in te vullen naam, waarbij de indiener van het formulier geacht werd in de voorbedrukte zin de niet-relevante woorden door te strepen, om daarmee duidelijkheid over de actuele eigendomssituatie te verschaffen:
Ad 14. Doorhalen hetgeen niet van toepassing is, zoodat b.v. gelezen wordt “Was oorspronkelijk in bezit van”. Indien object eigendom was van twee of meer personen of firma’s (contameta) s.v.p. opgeven.
Nijstad heeft de door hem ondertekende formulieren op betrekkelijk consistente wijze ingevuld. Van de 16 formulieren die hij indiende hebben er 11 de datum 18 maart 1946 en vijf de datum 23 maart 1946. Vijf van de 16 formulieren hebben betrekking op de Kunstwerken. Alle formulieren zijn ingevuld met een schrijfmachine en met de hand ondertekend door Abraham Nijstad.
Op zes formulieren gaf hij in veld 8 aan dat het werk afkomstig was van A. Nijstad, Lochem (Hondius) of van de Fa. A. Nijstad, Lochem (de op 23 maart 1946 ingediende formulieren met betrekking tot zilverwerk). Of bij de Hondius de expliciete vermelding naar de firma bewust achterwege is gelaten om onderscheid te maken tussen handelsvoorraad en privébezit is niet duidelijk. Op 4 oktober 1946 verstrekte Nijstad uit zijn herinnering aanvullende gegevens over de objecten aan de SNK. De zilveren objecten zijn op de Duitse afrekening uit 1944 geboekt op naam van Wigman, wat een indicatie is dat de naam die voorkomt in de (Duitse) documentatie rond de transacties van de Sonderauftrag Linz in 1944 niet altijd naar de oorspronkelijke eigenaar van de objecten verwijst.
Op de overige vijf formulieren verwijst Nijstad op eenduidige wijze naar anderen dan zichzelf of zijn firma en heeft hij in vrijwel alle gevallen bij veld 8 en veld 14 dezelfde naam ingevuld.
– NK 2194 (Schelfhout) – ‘Jhr. Laman Trip Laan Copes v. Cattenburgh 89 Den Haag’
– NK 2255 (Cuyp) – ‘Borghouts, Utrecht’
– NK 2550 (Codde) – ‘Graaf Bentinck, Middachten’
– NK 2365 (Storck) – ‘J.H. Borghouts, Utrecht’
Naast de Kunstwerken vulde Nijstad formulieren in voor zes schilderijen die zich niet in de NK-collectie bevinden, waarbij hij als herkomst niet de naam van zichzelf of van zijn kunsthandel noemde, maar de naam van een derde.
Op de Aangifte Formulieren is ook een veld 15 opgenomen om de wijze van bezitsverlies aan te geven, evenals welke kwalificatie aan dat bezitsverlies werd verbonden door degene die het formulier invulde. Het gaat hier eveneens om een voorgedrukte zin waarbij de indiener van het formulier geacht werd de niet ter zake doende woorden door te strepen. Ad 15. Doorhalen hetgeen niet van toepassing is, zoodat b.v. gelezen wordt: “Is door confiscatie in bezit gekomen van”.
Voor zover bekend heeft Nijstad nooit om teruggave van kunstwerken verzocht. Op alle door hem ondertekende formulieren is onder veld 15 met de schrijfmachine het zinsdeel confiscatie, diefstal, gedwongen of doorgehaald, zodat nog leesbaar is: Is door vrijwillige verkoop in bezit gekomen van.
Hierover schrijven Verzoekers:
Over hoe overlevenden van de holocaust omgingen met het niet te bevatten verlies is na de oorlog veel geschreven. De oorlog en het daarmee gepaard gaande verdriet was een moeilijk gespreksonderwerp. Voor onze grootvader is dat zeker voorstelbaar gezien het feit dat hij en zijn gezin waarschijnlijk overleefd hebben en hij de deportatie heeft kunnen uitstellen door zijn positie als kunsthandelaar, die waardevol was voor de bezetter. Daarbij is het ook heel aannemelijk dat hij de behoefte had om deze intens trieste periode af te sluiten, de deur dicht te doen en niet verwikkeld blijven in allerlei eindeloze procedures. Bijvoorbeeld over restitutie van schilderijen. Vooruit kijken en doorgaan was het devies en ook een manier om door te kùnnen leven. In dit kader is het ons inziens terecht om vraagtekens te stellen bij het woordje “vrijwillig”.
Naoorlogse schadevergoeding JOKOS
Na de oorlog heeft Abraham Nijstad een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij de Duitse overheid in het kader van het Bundesrückerstattungsgesetz (BRüG). De schadeclaim had betrekking op inbeslaggenomen huisraad op het adres Retiefstraat 71hs en 1 hoog in Amsterdam. Naar aanleiding van het verzoek is NLG 16.838,75 uitgekeerd. In het dossier wordt geen melding gemaakt van kunstwerken of objecten van bijzondere waarde of van bezitsverlies op andere adressen.
Abraham Nijstad en zijn kunsthandel na de bezetting
De overname van de firma A. Nijstad te Lochem door Borghouts tijdens de Duitse bezetting gebeurde volgens Harts Nijstad ‘met de afspraak dat de zaak na de oorlog zou worden teruggekocht, en zo is het gegaan.’ In het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te Deventer is aangetekend dat de zaak vanaf juli 1945 weer door Nijstad was overgenomen van Borghouts. In april 1949 werd in de Staatscourant bericht dat het Nederlandse Beheersinstituut definitief een vordering van Abraham Nijstad had erkend op de Stichting Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstalt te Amsterdam ‘Wegens koopsom der firma A. Nijstad te Lochem, f. 51 007,05’. Volgens verzoekers was het bedrag van ca. f 50.000 niet evenredig met de verkoop van zowel het onroerend goed van Nijstad als met de totale handelsvoorraad van de zaak, wetende dat hij voor die tijd een al internationaal bekende bijzonder goedlopende kunsthandel had.
In de naoorlogse jaren speelden Saam en Harts Nijstad een grote rol in het bestendigen en uitbreiden van de reputatie van de naam Nijstad. Op 1 januari 1953 werd de N.V. A. Nijstad & Zn opgericht, met als vennoten Nijstad en zijn zoons. In 1949 deed Abraham Nijstad opgave van de vestiging van een filiaal aan de Surinamestraat 34 in Den Haag.
Abraham Nijstad overleed op 21 mei 1960. In het handelsregister is aangetekend:
‘De eigenaar A. Nijstad is op 21 mei 1960 overleden. De makelaardij in roerende en onroerende goederen is met ingang van 21 mei 1960 opgeheven. De rest van het bedrijf is per die datum ingebracht in […] Nijstad, Antiquairs N.V.’.