Spring naar content
Advies inzake Morpurgo (III)

Morpurgo (III)

Dossiernummer: RC 1.198

Soort advies: NK-collectie

Adviesdatum: 15 oktober 2025

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: kunsthandel

Plaats bezitsverlies: in Nederland

NK 277 – Chinese dekselvaas van geglazuurd porselein, blauwwit decor met bloemtakken en landschappen  (foto: RCE)

  • NK277 - Chinese dekselvaas van geglazuurd porselein, blauwwit decor met bloemtakken en landschappen

Samenvatting

De Restitutiecommissie heeft een verzoek beoordeeld tot teruggave van veertien (groepen van) objecten die deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit (NK)-collectie van de Nederlandse Staat. Het verzoek is in gang gezet door de achterkleinzoon van de Joodse antiquair en kunsthandelaar Louis Morpurgo (1875-1942) die de kunstobjecten heeft aangetroffen op de website herkomstgezocht.nl. Louis Morpurgo dreef samen met zijn zoon Lion Morpurgo (1900-1957) de kunsthandel Joseph M. Morpurgo te Amsterdam.

Het gaat om de volgende kunstobjecten:

  • NK 3: Lodewijk XV-commode met vijf laden, gefineerd mahonie-, rozen- en satijnhout, koperbeslag en grijs marmeren blad
  • NK 35: Klepbureau met drie laden, gefineerd noten- en wortelnotenhout, koperbeslag
  • NK 180: Kruik, steengoed, bruin glazuur, met reliëf-fries op de buik, schouder en hals
  • NK 202 (A-B): Twee wandborden, versiering in blauw met florale decoratie
  • NK 276 (A1-2 en B1-2): Twee Chinese dekselvazen van geglazuurd porselein, blauwwit decor met bloemtakken en landschappen
  • NK 277 (A-B): Chinese dekselvaas van geglazuurd porselein, blauwwit decor met bloemtakken en landschappen
  • NK 309 (A-C): Drie beschilderde sierborden, voorzien van een landschap vol bloemen in de kleuren blauw, geel, rood, groen en mangaan  
  • NK 445 (A-B): Twee vazen met polychroom decor op vierkant basement met twee staande oren met vergulde empire-ornamenten eindigend in een ramskop 
  • NK 481 (A-B): Karaf met stop van glas in vorm van Kuttrolf, beschilderd in bruin met zwijnenjacht, zgn. Hausmalerei
  • NK 485: Fles van lichtgroen glas met bolvormig lichaam en ingestulpte bodem, korte brede cilindrische hals
  • NK 486: Messing kom, gedreven en gegraveerd decor
  • NK 520 (A-B): Twee wandborden, versiering blauw in het plat: voorstelling man en vrouw in landschap
  • NK 927 (A1-2, B1-2, C1-2, D1-2, E1-2. F1-2, G1 t/m G4): Kommen met schotels, porselein, glazuur, blauwwit decor met op buitenkant van de kom een bloemmotief en op de binnenrand en de bodem van de kom een bladmotief
  • NK 2946: Eikenhouten beeldenkast, intarsia van ebben- en palissanderhout

Op basis van onderzoek is van drie objecten (NK 276, NK 277 en NK 481) in hoge mate aannemelijk dat deze eigendom waren van kunsthandel Morpurgo. Van deze drie objecten is tevens voldoende aannemelijk dat kunsthandel Morpurgo het bezit hiervan onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

De commissie heeft vastgesteld dat er tijdens de bezetting op grote schaal uit de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo is verkocht, geroofd en geplunderd. Na de Duitse inval zijn Louis en Lion Morpurgo nog enige tijd in staat geweest hun onderneming voort te zetten. Maar ook zij vielen ten prooi aan de anti-Joodse maatregelen en moesten in het najaar van 1941 hun werkzaamheden in de kunsthandel staken. Vanaf november 1941 stond kunsthandel Morpurgo onder bewind van een reeks Verwalters (in het kader van de anti-Joodse maatregelen aangestelde beheerders) die, zonder enige betrokkenheid of toestemming van Louis en Lion Morpurgo, de handelsvoorraad van de kunsthandel van de hand konden doen. Louis en Lion werd vanaf oktober 1941, zo niet eerder, de toegang tot de kunsthandel ontzegd.

Na de oorlog deed Lion Morpurgo aangifte bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) van tientallen objecten die tijdens de bezettingsjaren uit de kunsthandel waren verdwenen. Hij voorzag de door hem ingevulde SNK-aangifteformulieren dikwijls van gedetailleerde tekeningen van de verloren voorwerpen. De commissie heeft door middel van deze aangifteformulieren, documentatie van de recuperatieautoriteiten en andere archiefstukken, waaronder overgeleverde administratieve bescheiden van kunsthandel Morpurgo, kunnen opmaken dat NK 276, NK 277 en NK 481 op het moment van verkoop in eigendom waren van de kunsthandel en na het aantreden van de eerste Verwalter naar Duitsland zijn verkocht. Van de overige (groepen) kunstobjecten is niet in hoge mate aannemelijk dat zij eigendom waren van kunsthandel Morpurgo.

De commissie heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geadviseerd de drie Chinese dekselvazen (NK 276 en NK 277) en karaf met stop (NK 481) te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Louis Morpurgo en het verzoek tot restitutie van de andere objecten af te wijzen.

Advies inzake Morpurgo (III)

De Staatssecretaris Cultuur en Media (hierna: de staatssecretaris) heeft de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) gevraagd advies uit te brengen over een verzoek tot teruggave van veertien (groepen van) objecten die deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: de NK-collectie). De staatssecretaris heeft zich in deze zaak laten vertegenwoordigen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: de RCE).

Het verzoek tot teruggave is gedaan door de heer AA (hierna: Verzoeker), mede namens alle rechtsopvolgers krachtens erfrecht van de Joodse kunst- en antiekhandelaar Louis Morpurgo (1875-1942). Verzoeker heeft verklaard achterkleinkind te zijn van Louis Morpurgo die samen met zijn zoon Lion Morpurgo (1900-1957), de grootvader van Verzoeker, de Firma Joseph M. Morpurgo te Amsterdam dreef.

Het verzoek betreft de volgende veertien (groepen van) objecten (hierna ook: de Kunstobjecten):

  • NK 3: Lodewijk XV-commode met vijf laden, gefineerd mahonie-, rozen- en satijnhout, koperbeslag en grijs marmeren blad
  • NK 35: Klepbureau met drie laden, gefineerd noten- en wortelnotenhout, koperbeslag
  • NK 180: Kruik, steengoed, bruin glazuur, met reliëf-fries op de buik, schouder en hals  
  • NK 202 (A-B): Twee wandborden, versiering in blauw met florale decoratie
  • NK 276 (A1-2 en B1-2): Twee Chinese dekselvazen van geglazuurd porselein, blauwwit decor met bloemtakken en landschappen
  • NK 277 (A-B): Chinese dekselvaas van geglazuurd porselein, blauwwit decor met bloemtakken en landschappen
  • NK 309 (A-C): Drie beschilderde sierborden, voorzien van een landschap vol bloemen in de kleuren blauw, geel, rood, groen en mangaan
  • NK 445 (A-B): Twee vazen met polychroom decor op vierkant basement met twee staande oren met vergulde empire-ornamenten eindigend in een ramskop
  • NK 481 (A-B): Karaf met stop van glas in vorm van Kuttrolf, beschilderd in bruin met zwijnenjacht, zgn. Hausmalerei
  • NK 485: Fles van lichtgroen glas met bolvormig lichaam en ingestulpte bodem, korte brede cilindrische hals
  • NK 486: Messing kom, gedreven en gegraveerd decor
  • NK 520 (A-B): Twee wandborden, versiering blauw in het plat: voorstelling man en vrouw in landschap
  • NK 927 (A1-2, B1-2, C1-2, D1-2, E1-2. F1-2, G1 t/m G4): Kommen met schotels, porselein, glazuur, blauwwit decor met op buitenkant van de kom een bloemmotief en op de binnenrand en de bodem van de kom een bladmotief
  • NK 2946: Eikenhouten beeldenkast, intarsia van ebben- en palissanderhout

De objecten die onder inventarisnummer NK 309 staan geregistreerd maken tevens deel uit van een ander bij de commissie aanhangig restitutieverzoek.

1. Het verzoek

Bij brief van 10 juni 2022 heeft de RCE, namens de staatssecretaris, de commissie verzocht om advies uit te brengen met betrekking tot het verzoek tot teruggave van de Kunstobjecten. Aanleiding hiervoor was het restitutieverzoek van Verzoeker aan de staatssecretaris, zoals opgenomen in een brief van 10 april 2022. Verzoeker vraagt om restitutie van de Kunstobjecten op grond van het vermoeden dat zij afkomstig zijn uit de handelsvoorraad van de Firma Joseph M. Morpurgo en na 16 oktober 1941 zonder toestemming van Morpurgo zijn verkocht door een Verwalter (een in het kader van anti-Joodse maatregelen aangestelde beheerder), dan wel door de Dienststelle Mühlmann zijn geconfisqueerd en verhandeld.

De commissie heeft eerder adviezen uitgebracht betreffende de Firma Joseph M. Morpurgo, te weten RC 1.33 en RC 1.107. In het eerste advies (RC 1.33) van 12 maart 2007 heeft de commissie geadviseerd het verzoek tot teruggave toe te wijzen. Het tweede advies (RC 1.107) van 5 maart 2012, dat mede betrekking had op NK 276, NK 277 en NK 481, strekte tot afwijzing van het verzoek tot teruggave omdat de toenmalige verzoeker in zijn verzoek tot teruggave niet-ontvankelijk werd bevonden.

2. De procedure en het toepasselijke beoordelingskader

De commissie heeft Verzoeker bij brief van 18 augustus 2022 geïnformeerd over het adviesverzoek van de staatssecretaris en ingelicht over de procedure en het reglement van de commissie. De commissie heeft kennisgenomen van alle door Verzoeker en de RCE overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken met Verzoeker en de RCE gedeeld. De commissie heeft het Expertisecentrum Restitutie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (hierna: het ECR) onderzoeksvragen voorgelegd. Het ECR heeft zijn bevindingen neergelegd in een feitenrapport.

Chronologisch overzicht

  •  Bij brief van 10 april 2022 heeft Verzoeker de staatssecretaris verzocht om restitutie van de Kunstobjecten.
  • Op 10 juni 2022 heeft de RCE, namens de staatssecretaris, de commissie verzocht haar over dit verzoek te adviseren.
  • Bij brief van 17 juni 2022 heeft de commissie de RCE en Verzoeker over de procedure geïnformeerd.
  • Bij brief van 18 augustus 2022 heeft de commissie het ECR verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen.
  • Bij brieven van 13 december 2022 en 24 november 2023 heeft de commissie Verzoeker bericht over de voortgang van de procedure. Daarbij is in de laatstgenoemde brief gemeld dat de commissie haar reglement heeft aangepast met betrekking tot artikel 8 en artikel 11.
  • De resultaten van het onderzoek zijn door het ECR neergelegd in een conceptonderzoeksrapport dat op 15 maart 2024 voor feitelijke aanvulling en/of commentaar aan de RCE en Verzoeker is toegezonden. Op dit concept is door Verzoeker gereageerd op 28 maart 2024 en door de RCE op 25 april 2024. Naar aanleiding van deze reacties zijn diverse correcties en aanvullingen aangebracht in het conceptonderzoeksrapport.
  • Op 30 april 2024 heeft het ECR een bijgewerkte versie van het conceptonderzoeksrapport, samen met de reactie van de RCE en Verzoeker, toegezonden aan de commissie.
  • Tijdens de vergadering van 24 juni 2024 heeft de commissie het conceptonderzoeksrapport met het ECR besproken. Naar aanleiding hiervan zijn diverse correcties en aanvullingen in het rapport aangebracht. Tevens zijn enkele nagekomen onderzoeksgegevens door het ECR in het rapport verwerkt.
  • Op 29 oktober 2024 heeft het ECR het onderzoeksrapport vastgesteld.
  • Op 30 oktober 2024 heeft de commissie het definitieve onderzoeksrapport van het ECR ontvangen en dit op 28 november 2024 toegezonden aan Verzoeker en de RCE. Tevens is gevraagd of partijen een mondelinge behandeling wensten.
  • Verzoeker heeft op 16 december 2024 te kennen gegeven dat hij gebruik wilde maken van de mogelijkheid gehoord te worden en heeft dit schriftelijk onderbouwd. De RCE heeft op 6 januari 2025 op het definitieve onderzoeksrapport gereageerd met enkele opmerkingen van feitelijke aard.
  • Op 3 maart 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in aanwezigheid van Verzoeker, diens zus BB, en vertegenwoordigers van de commissie, de RCE en het ECR.
  • Het verslag van de mondelinge behandeling is op 3 juli 2025 verzonden aan Verzoeker en de RCE.
  • Op 8 juli 2025 heeft de commissie haar advies in concept toegezonden aan Verzoeker en de RCE.
  • Verzoeker heeft op 14 juli 2025 op het conceptadvies gereageerd met een beargumenteerd verzoek tot heroverweging door de commissie van haar voorlopige oordeel ten aanzien van NK 3, NK 445 en NK 486 en enkele feitelijke opmerkingen. De RCE heeft op 24 juli 2025 gereageerd met enkele feitelijke opmerkingen.

3. Vaststelling van de feiten

De commissie stelt op grond van het onderzoek dat in de dossiers RC 1.33, RC 1.107 en in deze zaak is verricht de volgende feiten vast.

De familie Morpurgo en kunsthandel Morpurgo voor de oorlog

De Firma Joseph M. Morpurgo (hierna ook: kunsthandel Morpurgo of de kunsthandel) werd in 1869 opgericht door de Joodse kunst- en antiekhandelaar Joseph M. Morpurgo (geboortejaar en jaar van overlijden onbekend). Kunsthandel Morpurgo stond vanaf 29 april 1926 onder leiding van Josephs zoon, Louis Morpurgo (1875-1942), de overgrootvader van Verzoeker. Louis Morpurgo was getrouwd met Naatje van Wijnbergen (1874-1945), die eveneens van Joodse komaf was. Het echtpaar Morpurgo-Van Wijnbergen kreeg vijf kinderen: vier dochters, Flora (1896-1986), Selma (1901-1945), Rachel (1904-1986) en Susanna (1909-1994), en een zoon, Lion (1900-1957), de grootvader van Verzoeker.

Kunsthandel Morpurgo was gevestigd aan het Rokin 108 te Amsterdam met vanaf 1926 Louis Morpurgo aan het hoofd. Zijn zoon Lion was vanaf 1936 gemachtigde met onbeperkte volmacht met betrekking tot de kunsthandel. Op 1 augustus 1939 gingen Louis en Lion Morpurgo een firma-overeenkomst aan waarmee Lion medevennoot werd in de kunsthandel. Blijkens deze overeenkomst was Lion Morpurgo bij overlijden van zijn vader gerechtigd ‘de zaken der vennootschap voort te zetten’ en had hij recht op ‘alle baten der vennootschap, waaronder den geheelen handelsvoorraad’, onder gehoudenheid zijnerzijds zekere betalingen te doen aan de erven of rechtverkrijgenden van zijn vader. Ten tijde van de Duitse inval in Nederland in 1940 stond Louis Morpurgo als enig eigenaar van kunsthandel Morpurgo in het handelsregister vermeld.

Kunsthandel Morpurgo tijdens de oorlog

Na de bezetting dreef het Duitse bestuur de Joodse bevolking steeds verder naar de marges van de samenleving. Met een snelle opeenvolging van antisemitische maatregelen werden Joden geïsoleerd van de rest van de maatschappij. Voor Joodse ondernemers, zoals Louis en Lion Morpurgo, was Verordening 189/40 van 22 oktober 1940 zeer verontrustend. Hiermee stelde de bezetter verplicht dat bedrijven van Joodse ondernemers zouden worden geregistreerd bij een Duitse overheidsafdeling, de Wirtschaftsprüfstelle. Velen vreesden, terecht, dat dit een opmaat was naar latere onteigeningsmaatregelen. Op 12 maart 1941 kondigde de bezetter dan ook een verordening af voor de ‘verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven’ en werden bedrijven van Joodse ondernemers in de daaropvolgende maanden onder beheer van een zogenaamde Verwalter of Treuhänder (beheerders) geplaatst. Hiermee werden deze ondernemingen van de oorspronkelijke eigenaren afhandig gemaakt. In de manier waarop de verschillende beheerders invulling gaven aan hun taak bestonden grote verschillen. Een aantal van hen probeerde de zaak zo goed mogelijk te beheren en te redden wat mogelijk was voor de oorspronkelijke eigenaren. Anderen waren puur uit op eigenbelang, roofden uit de zaak en maakten misbruik van de benarde positie van de Joodse eigenaren, die soms nog enige tijd gedwongen werden in hun eigen onderneming te blijven werken.

Na de Duitse inval zijn Louis en Lion Morpurgo waarschijnlijk nog enige tijd in staat geweest hun onderneming voort te zetten. Maar ook zij vielen ten prooi aan de anti-Joodse maatregelen en moesten in het najaar van 1941 hun werkzaamheden in de kunsthandel staken. Uit bewaard gebleven administratieve bescheiden van kunsthandel Morpurgo kan worden afgeleid dat de handel in kunst en antiquiteiten door Louis en Lion na 16 oktober 1941 abrupt is gestaakt. Lion Morpurgo heeft hierover in 1947 verklaard dat ‘(…) zyn zaak sinds 17 October 1941 door den Duitschers in beslag is genomen en door hen beheerd werd zonder dat Morpurgo zelfs toegang tot zyn lokalen kreeg’.

Het is overigens zeer de vraag in hoeverre er in de periode vóór 16 oktober 1941 van ‘normaal’ zaken doen sprake zal zijn geweest. Volgens een naoorlogse verklaring van Verwalter Jacques Jansen werd kunsthandel Morpurgo op een onbekend tijdstip aan het begin van de oorlog door de Sicherheitsdienst gesloten. Onduidelijk is of dit voor of na het afkondigen van Verordening 48/1941 heeft plaatsgevonden. Jansen verklaarde bovendien dat op enig moment vóór oktober 1941 een Duitser genaamd Hansel als Verwalter voor diverse ‘Joodse’ zaken in Amsterdam was aangesteld, en dat hij ‘met enkele andere S.D.-ers zijn slag had geslagen bij de Firma Morpurgo, de Firma Staal en bij nog enkele andere firma’s’.

Verwalter Jacques Jansen

In november 1941 werd de Amsterdamse antiekhandelaar Jacques Jansen als Verwalter van kunsthandel Morpurgo aangesteld. Hij vervulde deze functie tot 19 oktober 1942. Jansen bezat de Duitse nationaliteit, maar was in Amsterdam geboren en getogen. Tijdens de bezetting fungeerde hij als beheerder van meerdere kunsthandels van Joodse ondernemers in Amsterdam, waaronder de firma Mossel van waaruit Jansen de administratie van kunsthandel Morpurgo voerde.

Na ontvangst van de sleutels heropende Jansen de kunsthandel. Hij inventariseerde de aanwezige voorraden en stelde een inventarislijst op. Deze lijst dateert vermoedelijk van voor 1 december 1941. Jansen verklaarde na de oorlog dat hij kunsthandel Morpurgo bij aanvang van zijn beheer in goede staat aantrof: ‘Er waren zeer veel goederen in de zaak en verder was er nog een opslagplaats vol gangbaar goed. Er was ook een behoorlijk banksaldo […]’. Verschillende kunstvoorwerpen van de kunsthandel die zich bij de familie Morpurgo-Van Wijnbergen thuis bevonden zouden naar het winkelpand aan het Rokin zijn gebracht. De Amsterdamse makelaar Paul Brandt verklaarde na de oorlog dat Jansen zich als Verwalter van kunsthandel Morpurgo had gedragen ‘als ware hij de eigenaar zelve’ en dat hij ‘doorlopend goederen z.g. in- en verkocht, beter gezegd: [had] rondgeknoeid’.

Na afloop van de oorlog bleek de door Jansen als beheerder gevoerde administratie grotendeels te zijn verdwenen. Hierdoor is het niet mogelijk goed inzicht te verkrijgen in de bedrijfsvoering van kunsthandel Morpurgo tijdens het beheer van Jansen, of van de schade die de familie Morpurgo door zijn toedoen heeft geleden. Overigens zou de administratie van Jansen naar alle waarschijnlijkheid geen compleet beeld hebben opgeleverd, aangezien na de oorlog werd vermoed dat hij als Verwalter zijn administratie niet altijd accuraat had bijgehouden.

Volgens gegevens van de Politieke Recherche-Afdeeling Amsterdam heeft Jansen tijdens zijn beheer zeker voor een bedrag van NLG 44.089 aan goederen van kunsthandel Morpurgo naar Duitsland verkocht. Lion Morpurgo schatte de door kunsthandel Morpurgo tijdens de bezettingsjaren geleden schade en het aandeel van Verwalter Jansen hierin vele malen hoger in. In 1947 verklaarde hij hierover aan de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK): ‘In totaal ben ik gedurende de bezetting door de Duitsers voor ongeveer 400.000 gulden benadeeld, welke schatting volgens mij nog aan de lage kant is. Jansen zal in dit bedrag een aanzienlijk aandeel gehad hebben, ik zou zelfs willen beweren het leeuwenaandeel.

Inbeslagname kunstvoorwerpen door Dienststelle Mühlmann

De Oostenrijkse kunsthistoricus en SS-officier dr. Kayetan Mühlmann (1898-1958), aan wie de Dienststelle Mühlmann zijn naam te danken heeft, was de eerste officiële Duitse ‘koper’ die op de Nederlandse kunstmarkt verscheen. Hij arriveerde op 15 mei 1940 in Den Haag en werd door Rijkscommissaris Seyss-Inquart belast met het opsporen en ‘aankopen’ van kunstvoorwerpen ten behoeve van het Derde Rijk. Mühlmann werd hierbij door diverse kunsthistorici ondersteund. Zij hielden hem op de hoogte van wat er op de Nederlandse kunstmarkt te koop was en verrichtten in de beginjaren van de bezetting inventarisaties bij ‘Joodse’ kunsthandels. Hierbij werden kunstwerken ‘veiliggesteld’, zoals men het eufemistisch noemde, en naar Duitsland overgebracht. De Dienststelle Mühlmann heeft zich tijdens de oorlog op grote schaal aan confiscatie en roof schuldig gemaakt.

Kunsthandel Morpurgo viel ook ten prooi aan het roofgedrag van de Dienststelle Mühlmann. In de loop van 1942 ‘reserveerde’ de Dienststelle tientallen objecten van de kunsthandel voor zichzelf tegen een zelf bepaalde koopsom. Het merendeel van deze objecten is aan veilinghuis Weinmüller te München doorgezonden en op 5 en 6 december 1942 aldaar onder de hamer gebracht. De overige inbeslaggenomen voorwerpen zijn rechtstreeks aan derden verkocht.

Verkoop kunsthandel Morpurgo en deel van de resterende handelsvoorraad aan Wiesbauer

Met ingang van 8 september 1942 werd naast Verwalter Jansen de Niederländische Aktiengesellschaft für Abwicklung von Unternehmungen (NAGU) als beheerder van kunsthandel Morpurgo aangesteld. Op 19 oktober 1942 verkocht de NAGU de kunsthandel aan de Weense kunsthandelaar Johann Alfred Wiesbauer. Jacques Jansen overhandigde de sleutels van het pand aan het Rokin 108 aan Wiesbauer en droeg de boekhouding van kunsthandel Morpurgo over aan de Omnia Treuhand Gesellschaft. Hiermee kwam Jansens betrokkenheid bij kunsthandel Morpurgo ten einde.

Wiesbauer wilde niet de volledige handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo overnemen. In een bijlage bij het koopcontract uit 1942 werd vermeld welke kunstvoorwerpen bij de verkoop waren inbegrepen. De NAGU stelde ook een lijst op van de voorwerpen die niet door Wiesbauer zouden worden overgenomen. Deze lijsten zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen.

Volgens een naoorlogse verklaring van de Amsterdamse makelaar Paul Brandt zou Wiesbauer zich na de aankoop van kunsthandel Morpurgo gedurende enige maanden op vergelijkbare wijze als Jacques Jansen in het bedrijf hebben ‘misdragen’. Volgens Brandt had Wiesbauer ‘verder zaken gedaan’, met als gevolg dat na de oorlog als activa uitsluitend nog aanwezig waren ‘een bedrag van eenige honderden guldens en een hoeveelheid antiek van eenige duizenden guldens’. Het grootste deel van de activa zou naar Wiesbauers woonplaats Wenen zijn overgebracht. Op 29 december 1943 verplaatste Wiesbauer de kunsthandel van Rokin 108 naar Rokin 10. Het oude pand van kunsthandel Morpurgo kwam hiermee leeg te staan, waarna Jacques Jansen er onder zijn eigen naam een nieuwe zaak vestigde.

Omnia Treuhand Gesellschaft: Veiling resterende handelsvoorraad kunsthandel Morpurgo

Zoals gezegd nam Wiesbauer in oktober 1942 niet de gehele handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo over. De Omnia Treuhand Gesellschaft kreeg dan ook op 5 januari 1943 de opdracht om de ‘Restbestände’ van de kunsthandel te gelde te maken. Samen met Paul Brandt stelde de Omnia daartoe een inventarislijst samen. De Omnia verklaarde later, in 1945, aan de Wirtschaftsprüfstelle dat een vergelijking van deze Omnia-lijst met de in 1942 door de NAGU opgestelde inventarislijst had uitgewezen dat een grote hoeveelheid kunstvoorwerpen/goederen van kunsthandel Morpurgo op onverklaarbare wijze was verdwenen. De Omnia concludeerde dat het beheer door Jacques Jansen, die meerdere kunsthandels tegelijkertijd onder zijn hoede had gehad, in de laatste maanden van zijn aanstelling als Verwaltungstreuhänder nicht mehr ordnungsgemäβ’ was geweest. Goederen van de kunsthandel Morpurgo ‘waren bei anderen Antiquitätenfirmen untergebracht, anderseits waren wiederum Waren, welche Eigentum der Firmen waren, die Herr Jansen verwaltete, in den Räumen der Firma Morpurgo untergestellt’.

Eind augustus of begin september 1943 kreeg Paul Brandt de opdracht van de Omnia om ‘de boedel’ van kunsthandel Morpurgo te laten veilen. Naast Brandt kreeg ook de NSB-makelaar H. van der Meulen de opdracht om antiquiteiten van kunsthandel Morpurgo te laten veilen. De veilingen vonden plaats in Amsterdam bij de veilinghuizen Mak van Waay (9 en 21 november 1943), De Zon (27 oktober 1943 en 21 december 1943) en Fred A. van Braam (2 en 3 februari 1944). De veilingopbrengsten werden op naam van de Firma Joseph M. Morpurgo gestort op een rekening bij de Bank voor Nederlandschen Arbeid N.V. (na aftrek van diverse kosten, waaronder de kosten van de Omnia Treuhand Gesellschaft). Bij de bank werd ook nog een bedrag van ruim NLG 2.000 gestort als opbrengst van de verkoop van inventarisgoederen. Na de oorlog was op naam van de firma Morpurgo een saldo van ruim NLG 62.000 bij de bank aanwezig, wat globaal iets minder dan 2/3 van de bruto veilingopbrengsten vertegenwoordigde.

Lotgevallen van het gezin Morpurgo

Louis Morpurgo werd op 24 juli 1942 vanuit Westerbork naar Auschwitz getransporteerd waar hij op 11 of 12 augustus 1942 is vermoord. Het onderzoek wees niet uit op welk moment hij naar Westerbork is getransporteerd. Zijn echtgenote, Naatje van Wijnbergen, werd op 30 januari 1945 te Bergen-Belsen vermoord. Selma Morpurgo werd in 1945 vermoord. De omstandigheden waaronder dit geschiedde zijn niet bekend. Rachel, Flora en Susanna Morpurgo overleefden de oorlog. Lion Morpurgo is op een onbekend moment naar Theresienstadt getransporteerd en heeft de oorlog overleefd.

Kunsthandel Morpurgo na de oorlog

Toen Lion Morpurgo na zijn bevrijding uit het concentratiekamp Theresienstadt naar Nederland terugkeerde trof hij het familiebedrijf in Amsterdam vrijwel geheel leeggeroofd aan. Slechts een hoeveelheid tijdig in Engeland en bij vertrouwde relaties in Nederland ondergebrachte kunstvoorwerpen was behouden gebleven en kwam in 1947 weer ter beschikking van de familie Morpurgo. Over de voorwerpen die in Engeland in veiligheid waren gebracht heeft Verzoeker verklaard dat zulks ‘zilver, porselein, wat aardewerk, schilderijen en objets d’art’ betrof die in 1939 in acht kisten naar Engeland waren verscheept en daar tot na de oorlog zijn gebleven.

Louis Morpurgo’s drie nog in leven zijnde dochters stemden er na de oorlog mee in dat kunsthandel Morpurgo, conform het firmacontract van 1 augustus 1939, aan hun broer Lion zou worden overgedragen en door hem zou worden voortgezet onder de afspraak dat de financiële regeling later zou plaatsvinden. Lion Morpurgo stond met ingang van 1 oktober 1945 in het handelsregister als enig eigenaar van de kunsthandel vermeld.

Door Lion Morpurgo ingevulde SNK-Aangifte Formulieren

Na de oorlog was de SNK onder meer belast met het opsporen van kunstwerken en de recuperatie daarvan uit Duitsland. Hiertoe was informatie nodig over wat er was kwijtgeraakt. Om documentatie te verkrijgen die voor deze taken nodig was, werd iedereen die kennis had over kunst in vijandelijk bezit per verordening van het naoorlogse Militair Gezag verplicht om gegevens te verstrekken aan de SNK. De aangifteplicht gold niet alleen voor voormalige eigenaren van kunstwerken, maar voor iedereen die kennis had over kunstwerken die na 10 mei 1940 in vijandelijke handen waren terechtgekomen, ongeacht hun eigen betrokkenheid daarbij en ongeacht de manier waarop de kunst uit handen was geraakt van de eigenaar. Tot dat doel werden voorgedrukte ‘Aangifte Formulieren’ uitgegeven, waarop gegevens konden worden ingevuld met betrekking tot het kunstobject en de aard van het bezitsverlies.

Met behulp van de aldus verzamelde gegevens werden kunstwerken opgespoord in Duitsland en dienden de Nederlandse autoriteiten bij de geallieerde collecting points claims in, op grond waarvan de kunstwerken naar Nederland konden worden teruggevoerd. Dat iemand informatie aan de SNK verstrekte over een kunstwerk door middel van het invullen van een Aangifte Formulier impliceert niet dat diegene daarmee de SNK om restitutie vroeg, of noodzakelijkerwijs eigenaar was van het kunstwerk.

Op de SNK-Aangifte Formulieren bevinden zich twee velden die betrekking kunnen hebben op de eigendom van een kunstwerk: veld 8 en veld 14. Veld 8 (Herkomst) was bedoeld om aan te geven wat de oudere herkomst van het object was. Veld 14 betreft een voorgedrukte zin (Oorspronkelijk bezit, bewaring of anderszins) gevolgd door een in te vullen naam, waarbij de indiener van het formulier geacht werd in de voorbedrukte zin de niet-relevante woorden door te strepen, om daarmee duidelijkheid over de eigendomssituatie te verschaffen. Op de Aangifte Formulieren is ook een veld 15 opgenomen waarop de wijze van bezitsverlies kon worden vermeld, evenals welke kwalificatie aan dat bezitsverlies werd verbonden door degene die het formulier invulde. Het gaat hier eveneens om een voorbedrukte zin waarbij de indiener van het formulier geacht werd de niet ter zake doende woorden te doorstrepen: Ad 15. Doorhalen hetgeen niet van toepassing is, zoodat b.v. gelezen wordt: “Is door confiscatie in het bezit gekomen van”.

Lion Morpurgo heeft na de oorlog enige tijd voor de SNK gewerkt en heeft er als officier Civiele Dienst ‘cultureel Joodsch bezit’ naar Nederland helpen terughalen. Ook onderhield hij contact met de stichting in verband met pogingen om vermiste kunstobjecten van zijn eigen firma weer in het bezit te krijgen. Na de oorlog vulde hij tientallen Aangifte Formulieren in waarop hij uit zijn geheugen voorwerpen beschreef die tijdens de bezettingsjaren uit de kunsthandel waren verdwenen. Hij voorzag de Aangifte Formulieren dikwijls van gedetailleerde tekeningen van de verloren voorwerpen. Op veel van de Aangifte Formulieren gaf Lion aan dat een object door confiscatie in Duitse handen was geraakt. Dit geldt ook voor twaalf van de veertien (groepen van) objecten die onderwerp vormen van het onderhavige verzoek om teruggave.

Na de oorlog is slechts een gering aantal kunstvoorwerpen van kunsthandel Morpurgo in Duitsland opgespoord en aan de firma teruggegeven.

Naoorlogs rechtsherstel: schadevergoedingen, vorderingen en procedures

Er bestaat geen volledig beeld van de vergoedingen die kunsthandel Morpurgo na de oorlog heeft ontvangen wegens geleden verliezen. Blijkens een naoorlogse verklaring uit 1953 van de Firma Joseph M. Morpurgo heeft de Schade-enquête-Commissie geen claim voor het bedrijf erkend en is van deze commissie derhalve geen schade-uitkering ontvangen. Wel heeft kunsthandel Morpurgo na de bevrijding schadevergoedingen ontvangen ten gevolge van enkele minnelijke schikkingen die met makelaars en veilinghouders zijn getroffen. In de tijdens het onderzoek geraadpleegde archieven wordt verwezen naar mogelijke vorderingen van kunsthandel Morpurgo op de Omnia en de N.V. Bank voor Nederlandsche Arbeid. In hoeverre deze eventuele vorderingen iets hebben opgeleverd, is onbekend.

Na de bevrijding heeft de familie Morpurgo met wisselend succes bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel geprocedeerd teneinde verloren gegane antiquiteiten terug te krijgen. Geen van die procedures had evenwel betrekking op de Kunstobjecten.

Overlijden Lion Morpurgo

Op 25 september 1957 overleed Lion Morpurgo onverwacht op 56-jarige leeftijd. Hij werd in de landelijke pers herdacht als ‘een der meest bekende en kundige antiquairs van ons land’ en geroemd als ‘een internationale figuur, die bij alle verzamelaars groot aanzien genoot’. Kunsthandel Morpurgo werd voortgezet door Lions echtgenote Rebecca Morpurgo-Natkiel (1907-1993) en hun dochter CC (1931-2019), de moeder van Verzoeker.

Herkomstonderzoek naar de Kunstobjecten

Het restitutieverzoek heeft betrekking op veertien (groepen van) objecten die deel uitmaken van de NK-collectie. Verzoeker ziet een gelijkenis tussen deze objecten en bepaalde kunstvoorwerpen die tijdens de bezettingsjaren tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo zouden hebben behoord. Hiertoe heeft Verzoeker de NK-gegevens van de Kunstobjecten vergeleken met door Lion Morpurgo ingevulde SNK-Aangifte Formulieren en de overgeleverde administratieve bescheiden van kunsthandel Morpurgo. Hiertoe behoren facturen, onder meer uit de tijd van Verwalter Jansen, de inventarislijst die Jansen bij aanvang van zijn beheer heeft opgesteld, en een inkoop-/verkoopboek over de periode 1919 – 16 oktober 1941, dat volgens Verzoeker door zijn overgrootvader Louis Morpurgo is bijgehouden. Over dit boek (hierna: het Morpurgo-Inventarisboek) merkt Verzoeker op:
Dit boek toont mij de inkoopdatum en –prijs en het Morpurgo inventarisnr. van objecten met sterke gelijkenis met de respectieve NK-nrs. Bovendien toont het inkoop-/verkoopboek of het object nog niet verkocht is vóór 16 okt 1941, de datum waarop het boek abrupt eindigt. 

Het herkomstonderzoek naar de Kunstobjecten was er primair op gericht om na te gaan of de Kunstobjecten metterdaad kunnen worden geïdentificeerd als objecten die tijdens de bezettingsjaren tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo hebben behoord en gedurende deze periode onvrijwillig uit het bezit van de kunsthandel zijn geraakt.

NK 3 – Lodewijk XV-commode met vijf laden

Objectgegevens
NK 3 betreft een Lodewijk XV-commode met vijf laden, vervaardigd van gefineerd mahonie-, rozen- en satijnhout, met koperbeslag en een grijs marmeren blad, van een onbekende maker, met afmetingen 87 x 132 x 57 cm (h x b x d), gedateerd circa 1750.
Lodewijk XV-commodes zijn in de achttiende eeuw veelvuldig geproduceerd. Franse meubelen waren in de tweede helft van de achttiende eeuw in Amsterdam zeer geliefd, dusdanig dat in 1771 een invoerverbod werd uitgevaardigd om Amsterdamse meubelmakers te beschermen. Vanaf circa 1760 werden er in Nederland veel gefineerde meubels in ‘Franse stijl’ gemaakt. Kenmerkend voor Franse commodes en commodes naar Franse stijl zijn, onder meer, een marmeren blad, metalen beslag en versiering op het tablier. Identificatie van individuele meubels is doorgaans lastig omdat makers niet verplicht waren hun werk te stempelen of te signeren.

De Morpurgo-commode
Verzoeker identificeert NK 3 als een commode die op 28 mei 1937 in London is aangekocht en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo behoorde. Volgens Verzoeker komt NK 3 met een commode overeen die onder inventarisnummer 1191 in het Morpurgo-Inventarisboek staat geregistreerd.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in voor de verdwenen commode en voorzag deze van een gedetailleerde tekening. De tekening lijkt goed op NK 3. Lion beschreef de commode als een rond 1765 te dateren ‘mahoniehouten L XV commode met marmeren blad met brons versiering en beslag’ van ongeveer 1.20 x 0,90 m. Volgens Lion was de commode door confiscatie in het bezit gekomen van ‘Dr. Rudolph, Lützowufer 13, Berlin’. Hiermee wordt de Duitse kunsthandelaar dr. Hans Walter Rudolph bedoeld wiens kunsthandel vanaf 1936 was gevestigd aan de Lützowufer 13 te Berlijn. Van dr. Rudolph is bekend dat hij gedurende de oorlog nauwe contacten met de Amsterdamse kunstmarkt onderhield. Op het Aangifte Formulier werd niet vermeld wanneer de commode in het bezit van dr. Hans Walter Rudolph zou zijn gekomen.

Recuperatie van NK 3
Het huidige NK 3 is op 23 maart 1948 vanuit het Central Collecting Point te München naar Nederland teruggevoerd. Het inventarisnummer dat in München aan de commode is toegekend is in blauw krijt op de achterzijde van NK 3 geschreven. Volgens de gegevens van de geallieerde recuperatieautoriteiten werd de Haagse kunsthandelaar L. Jageneau als ‘presumed owner’ van de commode aangemerkt, en is de commode op 26 december 1941 door de Münchener Kunsthandelsgesellschaft bij Jageneau aangekocht. Gegevens over deze transactie zijn ook op de zogenaamde ‘Bernheimer list’ aangetroffen. Dit is een na de oorlog opgestelde lijst waarop objecten – met name meubels – zijn vermeld die tijdens de bezetting zijn verworven door de Münchener Kunsthandelsgesellschaft (voorheen kunsthandel L. Bernheimer). Waarschijnlijk is de commode, het huidige NK 3, tot het einde van de oorlog onverkocht gebleven aangezien op de Bernheimer-lijst als verblijfplaats ‘Lager’ (pakhuis/depot) is vermeld.

Aanvullende reactie Verzoeker
Verzoeker heeft het Morpurgo-Inventarisboek met de inventarislijst van Verwalter Jansen vergeleken en vastgesteld dat de commode met Morpurgo-inventarisnummer 1191 niet voorkomt op de lijst van Jansen. Verzoeker merkt ten aanzien hiervan op:
Toespitsend op commode nr. 1191, acht ik het zeker mogelijk, ook gezien de reputatie van Jansen in het onderzoeksrapport, dat Jansen deze commode buiten de firma om verkocht heeft aan Lambert Jageneau. Dat zou verklaren waarom de naam Morpurgo niet voorkomt in de transacties en waarom er niets gevonden is omtrent aankoop van de commode NK 3 door Jageneau. Contact tussen de antiquairs Jansen en Jageneau is aannemelijk. Ook in de tijd is de verkoop aan Jageneau mogelijk: november 1941 aanvang Jansen als Verwalter bij Morpurgo en verkoop door Jageneau aan Münchener Kunsthandelsgesellschaft op 26 december 1941.

NK 35 – Klepbureau met drie laden

Objectgegevens
NK 35 betreft een klepbureau met drie laden vervaardigd van gefineerd noten- en wortelnotenhout met koperbeslag, van een onbekende maker, met afmetingen 106 x 112 x 52 cm (h x b x d), gedateerd circa 1880-1920.
Van dit type bureau zijn veel exemplaren geproduceerd en zijn er vrij grote aantallen bewaard gebleven. Dit type bureau is tot ver in de twintigste eeuw nagemaakt. De kleppen van dergelijke bureaus zijn meestal recht, maar kunnen soms ook licht gewelfd zijn. NK 35 is op 28 februari 2024 door de RCE geïnspecteerd. Daarbij werd op de achterzijde van het bureau het opschrift ‘Wolf’ en het nummer ‘554’ aangetroffen, beide in wit krijt geschreven.

Het Morpurgo-bureau
Verzoeker identificeert NK 35 als een meubelstuk dat kunsthandel Morpurgo op 12 november 1940 te Heelsum heeft aangekocht. Verzoeker brengt het meubel in verband met inventarisnummer 1437 uit het Morpurgo-Inventarisboek: ‘1 schrijfbureau’. Onderzoek in het SNK-archief naar de identiteit van de verkoper van het schrijfbureau aan de hand van de plaatsnaam ‘Heelsum’ leverde geen resultaten op.
Het onderzoek wees wel uit dat de Firma Joseph M. Morpurgo op 14 augustus 1942 twee objecten aan Joseph Fach te Frankfurt am Main heeft verkocht. De verkoop betrof: ‘1 Rosenholz Kabinettschrank’ en ‘1 Geschweifter Wurzelnussbaumholz Schreibsekretär’.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in dat betrekking had op een schrijfbureau. Hij omschreef het bureau als een rond 1760 te dateren ‘wortelnotenhouten schrijfbureau gebogen klep en laden en beeldhouwwerk op de plint. Belangrijk exemplaar’. Hij voorzag het Aangifte Formulier van een tekening. Het door kunsthandel Morpurgo verloren bureau was volgens Lion door confiscatie in het bezit gekomen van ‘Joseph Fach, Frankfurt A.M.’. De omschrijving die Lion Morpurgo van het bureau gaf komt op meerdere punten met NK 35 overeen maar wijkt tevens op een aantal in het oog springende punten ervan af: NK 35 heeft geen gebogen maar een rechte klep en is aanzienlijk later dan 1760 gedateerd, te weten 1880-1920.

Recuperatie van NK 35
Het huidige NK 35 is na de oorlog vanuit Düsseldorf naar Nederland gerecupereerd. Het meubel werd na aankomst door de SNK onder nummer ‘VM 75’ geregistreerd. Tijdens het door Bureau Herkomst Gezocht (BHG) verrichte onderzoek zijn geen gegevens met betrekking tot de herkomst van VM 75/NK 35 gevonden. Het in wit krijt geschreven nummer ‘554’ dat recentelijk aan de achterzijde van NK 35 is ontdekt heeft er echter toe geleid dat nieuwe herkomstinformatie kon worden ontsloten.
In het SNK-archief is een zogeheten ‘Witte Kaart’ (inventariskaart) voor M554 aangetroffen, waarbij de M verwijst naar de objectcategorie meubels. Op Witte Kaarten werden het inventarisnummer en de gegevens per teruggevoerd kunstvoorwerp genoteerd, bijvoorbeeld gegevens die men achter op een schilderij of op de lijst aantrof, aangebrachte labels, merktekens en dergelijke. Het nummer M554 is ook aangetroffen op een inventarislijst van meubelen van de SNK die na de oorlog waren opgeslagen bij de Firma Van Hulst N.V. Volgens de informatie op de Witte Kaart en het Intern Aangifte Formulier van de SNK met volgnummer 15425 is het meubel met nummer M554 tijdens de oorlog door kunsthandel Etienne Delaunoy te Amsterdam via ‘Pongs’ (waarmee bedoeld wordt de Duitse kunsthandelaar Carl Eugen Pongs te Düsseldorf) verkocht aan B. Meller te Krefeld. Tijdens de bezettingsjaren verhandelde kunsthandel Delaunoy voor grote bedragen aan antiek en kunst aan Duitse veilinghuizen, musea en kunsthandels. Delaunoy kocht tevens op veilingen aan, waarbij zeker ook Joods bezit werd aangekocht, zoals objecten die afkomstig waren van de roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co.
Een in 1946 door Carl Eugen Pongs opgestelde lijst van kunstvoorwerpen die hij tijdens de oorlog in Nederland had aangekocht bevestigt dat hij op 1 juli 1943 ‘1 Nussbaumschrank, holländisch 18. J.’ van Etienne Delaunoy had gekocht en dat hij dit meubel voor NLG 2.200 aan dr. Bruno Meller te Krefeld had doorverkocht. Deze gegevens worden ook vermeld in naoorlogse correspondentie tussen de Nederlandse en Britse autoriteiten in het kader van de recuperatie van het huidige NK 35.

NK 180 – Wijnand Emens, Kruik met reliëf-fries op de buik, schouder en hals

Objectgegevens
NK 180 betreft een bruin geglazuurd stenen kruik met reliëf-fries op de buik, schouder en hals, van de maker Wijnand Emens, met afmetingen 36,8 x 21,8 x 20,2 cm, gedateerd 1598.
De stijl waarin NK 180 is gemaakt is kenmerkend voor de plaats van vervaardiging: Roeren, nabij Aken in het Rijnland. Deze kruiken worden ook wel ‘Roerens steengoed’ genoemd. Dergelijke kruiken zijn veel geproduceerd en geëxporteerd in de zestiende en zeventiende eeuw en zijn veelvuldig nagemaakt in de negentiende eeuw. Vandaag de dag zijn nog vele exemplaren van dergelijke kruiken aanwezig in de handel en musea.

De Morpurgo-kruik
Verzoeker identificeert NK 180 als een stenen kruik die op 15 januari 1925 door kunsthandel Morpurgo is aangekocht. Volgens Verzoeker komt NK 180 met een kruik overeen die onder inventarisnummer 328 in het Morpurgo-Inventarisboek staat geregistreerd. Verzoeker heeft ten aanzien van dit object tevens verklaard: ‘Staat op de lijst objecten Morpurgo bij Dienststelle Mühlmann’.
Tijdens de bezetting stelde de Dienststelle Mühlmann een lijst op van objecten die het bureau bij diverse kunsthandels van Joodse ondernemers had ‘veiliggesteld’. Op deze lijst staan 30 (groepen van) objecten met herkomst Morpurgo, onder vermelding van de corresponderende inventarisnummers uit het Morpurgo-Inventarisboek. De ‘Morpurgo-kruik’ wordt als volgt op de lijst weergegeven:
138      Deutscher Steinzeugkrug mit Kriegerreliefs (No. 328)
Een rapportage uit 1944 over de werkzaamheden van de Dienststelle Mühlmann vermeldt dat de betreffende kruik op 20 januari 1943 aan ‘Frl. Kőnig, München’ is verkocht.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde in november 1945 een Aangifte Formulier in voor een kruik die uit zijn zaak was verdwenen en voorzag het formulier van een tekening. De kruik werd op het Aangifte Formulier omschreven als ‘bruin majolika met voorstelling soldaten en ruiters en reliëf, op de buik van de kruik’. Op het formulier gaf Lion aan dat het object in bezit was gekomen van ‘Dr. Kieslinger voor Duitsche Rijk’. Dit is een verwijzing is naar de Dienststelle Mühlmann.
Naast overeenkomsten vertonen de beschrijving en tekening van de verloren kruik belangrijke verschillen met het huidige NK 180. Als afmetingen gaf Lion circa 22 cm op, hetgeen kleiner is dan NK 180. Als bijzonderheid vermeldde hij ‘gebarsten aan hals’. Het meest recente conditierapport voor NK 180 maakt hiervan geen melding. In het reliëf van NK 180 is geen voorstelling van soldaten en ruiters te zien. De decoratie van NK 180 bestaat uit wapenschilden in medaillons en leeuwen. Tot slot, NK 180 is duidelijk gedateerd en de maker, Wynant Emens, is bekend. Lion Morpurgo vermeldde geen maker op het Aangifte Formulier.

Recuperatie van NK 180
Na de bevrijding werd door de geallieerden geïnventariseerd welke objecten tijdens de bezettingsjaren waren verworven door Duitse musea. Bij het Hetjens-Museum der Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf, een museum gespecialiseerd in keramiek waaronder ‘Roerener Steinzug’, is een lijst opgesteld van tijdens de oorlog in Nederland verworven objecten. Onder de kop ‘Gekauft bei Rosenbaum in Amsterdam’ is een lot beschreven (‘1942 – 65 Grosser Renaissance – Krug. Roeren. Steinzug’) dat in 1942 door het museum zou zijn verworven en door BHG als het huidige NK 180 is geïdentificeerd.
Het huidige NK 180 is op basis van deze lijst als voormalig Nederlands bezit geïdentificeerd en is op 14 augustus 1948 vanuit Düsseldorf naar Nederland gerecupereerd.

NK 202 (A-B) – Twee wandborden

Objectgegevens
NK 202 betreft twee wandborden vervaardigd van witbakkende klei met versiering in blauw met florale decoratie, van een onbekende maker, met afmetingen 22,5 x 3 cm (diameter x h), gedateerd 1750-1800.

De Morpurgo-borden
Verzoeker identificeert NK 202 als een paar borden dat in 1929 door kunsthandel Morpurgo is verworven en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van de kunsthandel behoorde. Volgens Verzoeker komt NK 202 met een tweetal borden overeen dat onder inventarisnummer 93 in het Morpurgo-Inventarisboek staat geregistreerd. Deze borden zouden in januari 1942 aan veilinghuis Lempertz te Keulen zijn verkocht. Verzoeker heeft ter onderbouwing hiervan een verkoopfactuur overgelegd. Op deze factuur, gedateerd 15 januari 1942, staat vermeld dat Josef Hanstein, de uitbater van kunsthandel en veilinghuis Lempertz te Keulen, bij kunsthandel Morpurgo had verworven: ‘Nr. 93 – 2 blaue Delftteller’.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in voor ‘2 blauw Delfsche schotels’ met een diameter van circa 30 cm uit omstreeks 1760. Lion gaf aan dat de borden oorspronkelijk in het bezit waren geweest van ‘Fa. Joseph M. Morpurgo Rokin 108 Amsterdam’ en dat ze door confiscatie in het bezit waren gekomen van ‘Hernn Joseph Hanstein (Lempertz) Kőln’. Als toelichting schreef hij: ‘Verkoop vond plaats 15 Jan 42 door Verwalters zonder toestemming van eigenaar’.

Aankopen door Lempertz in Nederland
In het SNK-archief is een lijst aangetroffen van objecten die tussen 1941 en 1944 door Lempertz in Nederland zijn verworven. Deze lijst is na de oorlog door Josef Hanstein samengesteld en betreft objecten die zich op het moment waarop de lijst werd opgesteld nog bij Lempertz bevonden. Hanstein heeft in 1946 over deze lijst verklaard dat hij niet met zekerheid kon zeggen bij welke kunsthandelaren hij zijn handelsvoorraad gedurende de oorlog had gekocht omdat zijn bedrijfsdocumentatie was vernietigd. De naam Morpurgo komt niet als verkoper op de Lempertz-lijst voor. Op de onderkant van de borden met inventarisnummer NK 202 zijn geen zogenaamde ‘Lempertz-nummers’ (door het veilinghuis aangebrachte inventarisnummers) aangetroffen.

Recuperatie van NK 202
Op 10 juli 1948 werd per vrachtwagen vanuit Düsseldorf een partij keramiek naar de SNK in Amsterdam overgebracht. Volgens interne gegevens van de SNK zaten hier twee wandborden bij die later het inventarisnummer ‘202’ toegekend zouden krijgen. De lading betrof objecten die oorspronkelijk in het bezit waren geweest van ‘Diverse verschillende firma’s in Holland’ en door ‘Dr. Albert Steegr, Kaiserstrasse 5, Kempen’ waren aangekocht. Hiermee wordt naar alle waarschijnlijkheid dr. Albert Steeger bedoeld, die tijdens de oorlog directeur was van het Heimathaus des Niederrheins te Krefeld. Dr. Steeger woonde gedurende de oorlog in Kempen.
Van Steeger is bekend dat hij tussen 1933 en 1944 meermaals bezoeken aan Nederlandse antiekhandelaren heeft gebracht teneinde aankopen te doen, meestal voor rekening van de stad Krefeld. Zulks is door het Museum Burg Linn te Krefeld bevestigd. Dit museum beschikt over de complete inventarisboeken van Steegers aankopen ten behoeve van het Heimathaus des Niederrheins voor de jaren 1930-1950. Hieruit blijkt dat Steeger in de periode 1933-1944 grote hoeveelheden antiek, schilderijen en boeken in Duitsland, België en Nederland heeft verworven. Het museum verricht momenteel onderzoek naar deze aankopen. In de inventarisboeken bevindt zich een kolom waarin de leverancier van de objecten is aangetekend en waarin een aantal namen van Nederlandse kunsthandelaren regelmatig figureert. De naam Morpurgo is bij het onderzoek door het museum tot op heden niet aangetroffen.

NK 276 (A1-2 en B1-2) en NK 277 (A-B) – Drie Chinese dekselvazen van geglazuurd porselein

De herkomstgeschiedenis van NK 276 en NK 277 is identiek. De onderzoeksresultaten en gegevens met betrekking tot deze objecten worden daarom samen weergegeven.

Objectgegevens
NK 276 en NK 277 betreffen drie Chinese dekselvazen van geglazuurd porselein met een blauwwit decor van landschappen en bloemen, van een onbekende maker, met afmetingen 51.5 x 16.5 cm (NK 276 A-B) en 50.5 x 15 cm (NK 277 A-B), gedateerd eerste kwart achttiende eeuw.

De Morpurgo-vazen
Verzoeker identificeert de vazen met inventarisnummers NK 276 en NK 277 als objecten die op 3 september 1929 door kunsthandel Morpurgo zijn aangekocht en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo behoorden. Volgens Verzoeker komen NK 276 en NK 277 met een deel van een kaststel vazen overeen dat onder inventarisnummer 218 in het Morpurgo-Inventarisboek staat geregistreerd.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in voor een: ‘groot 5deelig Chin. Porselein Kaststel (blauw) Kang-Hi [sic] met bloemen vogels en landschappen gedecoreerd. 1 beker defect’. Hij voorzag het formulier van een tekening van zijn hand. Het kaststel zou door confiscatie in het bezit van ‘Herrn Paffrath Düsseldorf’ zijn gekomen. Op basis van de door Lion Morpurgo verstrekte gegevens stelde de SNK op 27 mei 1946 een Intern Aangifte Formulier op dat volgnummer 11091 toegekend kreeg.

Recuperatie NK 276 en NK 277
De objecten met de inventarisnummers NK 276 en NK 277 zijn na de oorlog vanuit Düsseldorf naar Nederland gerecupereerd. In het SNK-archief is een ladinglijst van gerecupereerde goederen aangetroffen waarop onder meer staat vermeld:
Cer.45/Por.Düss.179/180       2 vazen m. deksel, blauw decor v. landschappen Kang Hsi, h. 52 ½
Cer. 46/Por.Düss.181             Vaas m. deksel, Kang Hsi, h. 50, blauw decor v. landschappen

De SNK heeft met de hand het nummer ‘11091’ achter bovengenoemde vermeldingen op de ladinglijst geschreven. Hieruit blijkt dat de SNK de uit Düsseldorf gerecupereerde vazen identificeerde als de vazen die volgens Lion Morpurgo, na te zijn geconfisqueerd, bij Paffrath te Düsseldorf waren terechtgekomen.

NK 309 (A-C) – Drie beschilderde sierborden

Objectgegevens
NK 309 betreft drie bont beschilderde sierborden, van een onbekende maker (vermoedelijk Delft), gedateerd tweede helft achttiende eeuw. Het bordplat is voorzien van een landschap vol bloemen in de kleuren blauw, geel, rood, groen en mangaan. De bordrand is verfraaid met gestileerde bloemen en bladeren.
Er zijn meerdere exemplaren van dergelijke borden bekend, met dezelfde decoratieve beschildering, bijvoorbeeld in de collecties van het Victoria & Albert Museum te London (inv.nr. C. 98-1965) en The Fitzwilliam Museum te Cambridge (inv.nrs. C.1477A-1928 en C.1477B-1928). De betreffende borden hebben dezelfde datering en toeschrijving als NK 309 (A-C) en staan in voornoemde musea bekend als English Delftware.

De Morpurgo-borden
Verzoeker identificeert de sierborden met inventarisnummer NK 309 als borden die in oktober 1929 door kunsthandel Morpurgo zijn aangekocht en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van de kunsthandel behoorden. Volgens Verzoeker komt NK 309 met objecten overeen die onder inventarisnummer 90 in het Morpurgo-Inventarisboek staan geregistreerd.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in voor ‘3 blauw Delfsche schotels’ met een diameter van circa 30 cm uit omstreeks 1760. Hij vermelde dat de borden oorspronkelijk bezit waren geweest van ‘Fa. Joseph M. Morpurgo Rokin 108 Amsterdam’ en dat ze op 15 januari 1942 door confiscatie in het bezit waren gekomen van ‘Herrn Joseph Hanstein (Lempertz) Kőln’. Het Aangifte Formulier werd niet van een tekening voorzien. De door Lion Morpurgo verstrekte beschrijving wijkt op een in het oog springend punt af van het huidige NK 309: de NK-borden zijn niet blauw maar bontgekleurd.

Recuperatie van NK 309 (A-C)
De drie sierborden, met objectnummers NK 309 A t/m C, zijn na de oorlog vanuit Düsseldorf naar Nederland teruggevoerd. Op de onderzijde van de borden is het nummer ‘L3312’ aangebracht; een Lempertz-nummer. Op de eerdergenoemde naoorlogse lijst van objecten die Hanstein na de oorlog nog in zijn bezit had en die tussen 1941 en 1944 in Nederland zijn verworven staat naast nummer ‘3312’ vermeld: ‘3 Delfter Teller, bunt’ geschreven. Josef Hanstein verklaarde na de oorlog zich niet meer te kunnen herinneren waar hij deze borden had gekocht.
Er is ook een ander nummer op de onderkant van de borden aangebracht: ‘3025/42’. Dit betreft een zogeheten ‘Liro-nummer’ dat door de Duitse roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co., Sarphatistraat (Liro) werd aangebracht op inbeslaggenomen of ingeleverd Joods bezit. Op de zogenaamde ‘Lirolijst’, een lijst van personen die bezit bij de Liro hebben ingeleverd, staat bij het desbetreffende nummer vermeld: ‘Citroen, Kalverstr. Amsterdam’. Dit is een verwijzing naar de firma Roelof Citroen, een juwelierszaak gevestigd aan de Kalverstraat 1 te Amsterdam die in 1859 werd opgericht door Roelof Citroen. Tijdens een deel van de oorlog woonde diens kleinzoon, Abraham Citroen, samen met zijn gezin aan de Kalverstraat 1. Het is bekend dat Lempertz tijdens de bezettingsjaren objecten bij de Liro aankocht.

NK 445 (A-B) – Twee gedecoreerde empire-vazen met vergulde ornamenten

Objectgegevens
NK 445 betreft twee porseleinen vazen met polychroom decor, beide op een vierkant basement. De vazen hebben beide twee staande oren met vergulde empire-ornamenten eindigend in een ramskop. De halzen zijn gedecoreerd met gekroonde en gevleugelde vrouwenkoppen. De basements zijn beide aan alle vier de zijden gedecoreerd met ovale velden, waarvan er per basement drie zijn beschilderd met landschappen en één met spelende amorini. De buiken van de vazen zijn aan de ene zijde beschilderd met taferelen uit de mythe van Amor en Psyche en aan de andere zijde met een landschap. Deze schilderingen strekken zich bij beide vazen uit over de gehele buik van de vazen. NK 445 bestaat uit twee vazen. De afmetingen van de ene vaas (NK 445 A) zijn: 62,2 x 27 x 19,3 cm, die van de andere vaas (NK 445 B): 61,6 x 27,5 x 19 cm. De datering is circa 1830. Op de vazen zijn uitsluitend de huidige NK-nummers als merktekens aangebracht.
Dergelijke porseleinen vazen, verguld en met geschilderde voorstelling, werden veelvuldig geproduceerd in Frankrijk aan het eind van de achttiende/het begin van de negentiende eeuw en zijn vrijwel altijd in oplage gemaakt. Mythologische voorstellingen waren niet ongebruikelijk. Navraag bij een porseleinexpert wees uit dat de herkomst van dergelijke vazen moeilijk te bepalen is tenzij de vazen in opdracht zijn gemaakt, in welk geval zij van tot de opdrachtgever herleidbare merktekens zouden zijn voorzien. De voorstellingen op de NK 445-vazen, in combinatie met de ramskoppen in de oren, maken dat deze vazen relatief goed herkenbaar zijn. Echter, of het daarmee unica zijn, is volgens de geraadpleegde expert moeilijk te zeggen.

De Morpurgo-empire-vazen
Verzoeker identificeert NK 445 als vazen die op 20 augustus 1937 bij J. Wolff te Amsterdam zijn aangekocht en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo behoorden. Volgens Verzoeker komt NK 445 met 2 Empire-vazen overeen die onder inventarisnummer 1222 in het Morpurgo-Inventarisboek staan geregistreerd. Volgens een door Verzoeker overgelegde verkoopfactuur van kunsthandel Morpurgo zijn de vazen op 20 februari 1942 aan O.A. von Bolschwing te Wenen verkocht. Otto von Bolschwing was een Duitse SS-Hauptsturmführer die tijdens de oorlog voor de Sicherheitsdienst werkte en enige tijd adviseur was van Adolf Eichmann. De vazen worden op de factuur omschreven als ‘2 Goldene Vasen (Empire Porzellan)’. Op de factuur is met potlood aangetekend: ‘Betaald 15/12/’41 Contant’. Ten aanzien van de discrepantie tussen de factuurdatum en de met potlood vermelde datum van betaling in contanten heeft het onderzoek geen uitsluitsel gegeven.

Aangifte Formulier
Na de oorlog vulde Lion Morpurgo een Aangifte Formulier in voor ‘2 Empire Porselein vergulde vazen met gekleurde mythol. voorstellingen’. Volgens deze opgave waren de vazen ongeveer 50 cm hoog en waren zij op 20 februari 1942 door confiscatie in het bezit gekomen van ‘O.A. von Bolschwing, Wipplingerstr. 32, Wien I’. De aangifte was voorzien van een tekening van de vazen die Lion Morpurgo uit zijn geheugen maakte. De door hem gegeven omschrijving van de vazen en de door hem gemaakte tekening vertonen overeenkomsten met het huidige NK 445, maar er zijn ook in het oog springende verschillen. De door Lion Morpurgo vermelde hoogte van de vazen wijkt circa 12 cm af van die van NK 445. Op de tekening ontbreekt voorts de kenmerkende vierkante voet van de vazen met daarop de evenzeer kenmerkende ovale velden met afbeeldingen van landschappen en amorini. Tot slot tekende Lion Morpurgo de door hem vermiste vaas met een kleine afbeelding, in een rechthoekig kader, in het midden van de buik van de vaas. NK 445 wordt gekenmerkt door afbeeldingen die zich over de gehele buik van de vazen uitstrekken.
Na de oorlog vroeg de Nederlandse overheid aan het Amerikaanse leger in Oostenrijk om de restitutie van de twee porseleinen vazen die tijdens de oorlog in Nederland waren gekocht door ‘O.A.A. von Bolschwing uit Salzburg’. In dit verband is op 24 augustus 1949 met Von Bolschwing gesproken. Von Bolschwing verklaarde dat hij in augustus of september 1941 op een veiling in Den Haag twee porseleinen vazen had gekocht. Hij verklaarde dat de vazen kobaltblauw waren geweest met vergulde sierhandvatten en dat er op de voorkant van de vazen, in het midden, een kleine schildering was aangebracht. Von Bolschwing verklaarde dat hij de vazen naar Wenen had laten sturen waar ze gebroken arriveerden. Hij had de vazen weggegooid. De naam ‘Morpurgo’ is niet terug te vinden in de documentatie die is opgesteld naar aanleiding van de verklaring van Von Boschwing.

Recuperatie van NK 445 (A-B)
De vazen die thans zijn geregistreerd onder inventarisnummers NK 445 A-B zijn op 16 januari 1948 vanuit Düsseldorf naar Nederland gerecupereerd. Op het Interne Aangifte Formulier van de SNK met betrekking tot NK 445 is vermeld dat de twee vazen oorspronkelijk in het bezit waren van ‘Etienne Delaunoy, Amsterdam’ en door vrijwillige verkoop in bezit waren gekomen van ‘Dr. K.G. Linsenmeyer, Düsseldorf, Hindenburgwall’. In de geraadpleegde archiefstukken en documentatie met betrekking tot het huidige NK 445 zijn geen verwijzingen naar Oostenrijk, Von Bolschwing of Morpurgo aangetroffen.

Aanvullende reactie Verzoeker
Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling beargumenteerd dat NK 445 en Morpurgo-inventarisnummer 1222 dezelfde vazen betreffen. Hij benadrukte dat zijn grootvader de tekening op het SNK Aangifte Formulier van de door hem verloren vazen zonder documentatie uit het hoofd heeft moeten reproduceren, na een zware tijd van enkele jaren concentratiekamp. Verzoeker heeft gesteld dat de vierkante voet van de vazen met geschilderde taferelen het enige was dat op de gedetailleerde tekening ontbrak. Verder komen de omschrijving en tekening van de verloren vazen volgens Verzoeker met NK 445 overeen. Verzoeker heeft voorts opgemerkt dat het feit dat zijn grootvader de vazen zonder voet heeft getekend het verschil in hoogte verklaart.
Ten aanzien van de vermelding op de factuur van Von Bolschwing als koper van de vazen merkt Verzoeker op:
Ik heb de verkoopfactuur d.d. 20.02.42 van – met potlood – Morpurgo aan O.A. von Bolschwing bestudeerd. Uit de potlood-notitie “Betaald contant 15/12/’41” maak ik op dat er contant betaald is in december 1941: mogelijk door een ander dan de in Wenen verblijvende Von Bolschwing, en dat er later een factuur is opgemaakt. Ik acht het zeker mogelijk dat antiquair Etienne Delaunoy – Rokin 118 te Amsterdam – in december 1941 de koper is geweest van invnr 1222 bij Verwalter Jansen – Rokin 108 – en dat Delaunoy de vazen aan een klant in Duitsland heeft verkocht. En dat de vazen met invnr 1222 na WO2 als NK 445 gerecupereerd zijn.

NK 481 (A-B) – Karaf (‘jachtfles’) met stop

Objectgegevens
NK 481 betreft een glazen karaf met stop, in de vorm van Kuttrolf, beschilderd in bruin met een zwijnenjacht, zogenaamde Hausmalerei, van een onbekende maker, met afmetingen 28 x 11,5 cm, gedateerd negentiende eeuw.

De Morpurgo-jachtfles
Over NK 481 meldt Verzoeker: ‘NK 481 heb ik niet in het in- en verkoopboek kunnen traceren – mogelijk was het een privé object van mijn overgrootvader’.
Op een lijst van aankopen door het St. Annen Museum te Lübeck met de kop ‘Bought from Dutch traders in works of art’, die vermoedelijk na de oorlog is opgesteld aan de hand van de administratie van het museum, is onder nummer ‘1942/3026’een object omschreven dat met het huidige NK 481 overeenkomt:
MORPURGO, AMSTERDAM
1942/3026      Bottle of glass with hunting scenes              

 Hetzelfde object komt voor op de zogenaamde ‘Koblenzlijst’, de na de oorlog door de Duitse autoriteiten opgestelde inventaris van recuperatiegoederen, met de volgende vermelding: ‘1942 von Morpurgo für RM 250,- (…) an St. Annenmuseum Lübeck (…) nach dtsch. Namen E. Lübeck (…) Schr. V. 4.12.1956.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde na de oorlog een Aangifte Formulier in voor ‘Een Jachtflesch’. Hij gaf aan dat de jachtfles oorspronkelijk in bezit was geweest van ‘Fa. Joseph M. Morpurgo // Rokin 108’ en dat het object door confiscatie in het bezit was gekomen van het ‘St. Anna Museum // Herrn Prof. Dr. Schrőder Lübeck’. Onder het kopje ‘Toelichting’ vulde hij in: ‘volgens nota van 20 Oct 1942’.

Recuperatie van NK 481 (A-B)
Het huidige NK 481 werd op 21 januari 1947 vanuit Lübeck naar Nederland gerecupereerd. Op de Witte Kaart die op de jachtfles betrekking heeft is met de hand het nummer ‘1942-3026’genoteerd. Op de onderkant van het huidige NK 481 is het nummer ‘3026’ leesbaar, in rode letters geschreven.

NK 485 – Fles van lichtgroen glas

Objectgegevens
NK 485 betreft een fles van lichtgroen glas met samengedrukt bolvormig lichaam, ingestulpte bodem en een korte brede cilindrische hals, van een onbekende maker, met afmetingen 18,5 x 6,5 cm, gedateerd circa 1760.
Het model van deze fles is kenmerkend voor wijnflessen/karaffen uit de zeventiende/achttiende eeuw en wordt ook wel ‘kattekop’ of ‘Dutch onion’ genoemd. Veel van deze flessen hebben geen groenige tint, zoals NK 485, maar zijn donkergroen van kleur.

De Morpurgo-fles
Verzoeker identificeert NK 485 als een fles die op 13 mei 1929 door kunsthandel Morpurgo van ‘Hr. Brinkman’ is aangekocht en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo behoorde. Volgens Verzoeker komt NK 485 met een fles overeen die onder inventarisnummer 456 in het Morpurgo-inventarisboek staat geregistreerd.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in voor ‘2 groen glazen wijn fleschen (karaffen)’, gedateerd rond 1700. Op het formulier gaf hij aan dat de flessen op 11 december 1941 door confiscatie in het bezit waren gekomen van ‘dr. Valentin, Kőnigsbau Stuttgart’. De aantekening ‘dr. Valentin’ verwijst naar de Duitse kunsthandelaar Fritz C. Valentien, eigenaar van Galerie Valentien te Stuttgart, wiens naam in de bronnen afwisselend als ‘Valentin’ en ‘Valentien’ wordt geschreven. Uit het onderzoek is gebleken dat Valentien tijdens de bezetting meerdere objecten bij kunsthandel Morpurgo heeft verworven.
In het archief van de SNK is een inventarislijst aangetroffen met de kop ‘INVENTORY made on 18th November at the home of Mr. VALENTIN’. Uit het document blijkt dat de lijst over een periode van meerdere dagen in 1947 is samengesteld door de geallieerde recuperatieautoriteiten. Op de lijst komen diverse objecten voor die tijdens de bezetting door Valentien bij Morpurgo zijn aangekocht. De twee groene flessen die volgens opgave van Lion Morpurgo tijdens de oorlog werden geconfisqueerd en aan Valentien zouden zijn verkocht komen niet voor op deze lijst.
Op het Interne Aangifte Formulier van de SNK van 1 juli 1946 dat betrekking heeft op het huidige NK 485 staat vermeld dat het object oorspronkelijk in het bezit was van ‘L. Jageneau, Antiquaar, Noordeinde 156, Den Haag’ en dat de fles door gedwongen verkoop in bezit was gekomen van ‘Prof. Dr. H. Schrőder, St. Annen Museum, Lübeck’. Op de Witte Kaart met betrekking tot de fles is met de hand het nummer ‘1944-132’ genoteerd onder het kopje ‘Description of pictureframe, labels or stamps on the back’. Dit nummer correspondeert met een vermelding op het eerder besproken lijst van het Lübeckse museum getiteld ‘Bought from Dutch traders in works of art’. De vermelding luidt:
JAGENAU, DEN HAAG
            1944/132        bottle of green glass (medicine glass)

Recuperatie van NK 485
Op 21 januari 1947 werd het huidige NK 485 vanuit Lübeck naar Nederland gerecupereerd. In de documentatie met betrekking tot NK 485 zijn geen vermeldingen van de naam ‘Morpurgo’ aangetroffen.

NK 486 – Messing kom, gedreven en gegraveerd decor

Objectgegevens
NK 486 betreft een messing kom, met gedreven en gegraveerd decor, van een onbekende maker, met afmetingen 8 x 29 cm, gedateerd zestiende eeuw. In de rand van NK 486 bevinden zich drie duidelijk zichtbare perforaties.
Dergelijke gedreven kommen worden ook wel doopschotel, offerandeschotel of aalmoezenschotel genoemd. Hiervan zijn duizenden exemplaren vervaardigd, allemaal sterk gelijkend. Dergelijke schotels zijn vandaag de dag nog zeer gangbaar op de antiekmarkt.

De Morpurgo-koperen schotel
Verzoeker identificeert NK 486 als een schotel die in 1933 door kunsthandel Morpurgo is aangekocht en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo behoorde. Volgens Verzoeker komt NK 486 met een schotel overeen die onder inventarisnummer 657 in het Morpurgo-inventarisboek staat geregistreerd.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op een ‘koperen gedreven schotel’ gedateerd circa 1650, met een diameter van ongeveer 40 cm. Hij voorzag het formulier van een tekening. Lion Morpurgo gaf aan dat de schotel door confiscatie in het bezit was gekomen van ‘Herrn Ed, von Imhof, Franz Joseph Kai 37 Wien’. De tekening die Lion Morpurgo van de verloren kom maakte lijkt zeer op NK 486.
Uit het onderzoek is gebleken dat voormelde verwijzing naar ‘Imhof’ de Weense Eduard Imhof von Geisslinghof betreft, die in de antiquiteitenhandel actief was en Nederland tijdens de bezettingsjaren heeft aangedaan. In het SNK-archief zijn zeventien Interne Aangifte Formulieren gevonden die naar Imhof verwijzen. Veertien daarvan hebben betrekking op vrijwillige verkopen door antiquair Etienne Delaunoy, en drie ervan op aankopen bij kunsthandel Morpurgo (die Lion Morpurgo zelf alle als ‘confiscatie’ kwalificeerde). Op alle Interne Aangifte Formulieren die naar Imhof verwijzen, op één na, is de handgeschreven aantekening ‘vermoedelijk verbrand’ aangebracht. Deze aantekening is ook vermeld op het formulier dat betrekking heeft op de ‘koperen gedreven schotel’ die uit het bezit van kunsthandel Morpurgo is geraakt. De vermoedelijke verklaring hiervoor blijkt uit het SNK-dossier met betrekking tot de recuperatie van objecten uit Oostenrijk. Hierin staat ten aanzien van Imhof vermeld: ‘Moeilijk geval, Von Imhoff zegt alles te hebben verkocht. Is nog in onderzoek’ en ‘Goederen waarschijnlijk vernietigd. Von Imhoff moet een verklaring afleggen, dat de goederen werkelijk verbrand zijn’.

Recuperatie van NK 486
Het huidige NK 486 is na de oorlog vanuit Lübeck naar Nederland gerecupereerd. Uit recent onderzoek naar objecten uit de NK-collectie dat door de RCE is verricht is gebleken dat het St. Annen Museum te Lübeck in 1942 een kom van ‘Jansen’ te Amsterdam heeft gekocht. Zulks blijkt uit het historische inventarisboek van het museum. Op de onderkant van het huidige NK 486 is het nummer ‘1942-834’ te lezen. Dit nummer verwijst naar het inventarisnummer van het St. Annen Museum. Op de lijst met objecten die tijdens de oorlog door het St. Annen Museum in Nederland zijn verworven, staat bij inventarisnummer 1942/834 vermeld: ‘1 brass basin, purchased from Jansen, Amsterdam’. Er bevinden zich meerdere messing kommen en schotels onder de objecten die het St. Annen Museum tijdens de oorlog verwierf, afkomstig van verschillende Nederlandse kunsthandelaren, hetgeen identificatie bemoeilijkt. Het onderzoek heeft niet uitgewezen waar Jansen de betreffende kom zou hebben verworven en/of uit welke handelsvoorraad deze afkomstig was.

Aanvullende reactie Verzoeker
Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling beargumenteerd dat NK 486 en de schotel met Morpurgo-inventarisnummer 657 dezelfde messing kom betreffen. Verzoeker stelt in dit verband dat het St. Annen Museum te Lübeck op 20 oktober 1942 twee antiquiteiten bij Jansen zou hebben gekocht, die volgens Verzoeker beide op de handelsvoorraad van Morpurgo zijn terug te voeren. Het betreft een renaissance beeldenkast met Morpurgo-inventarisnummer 1537, dat geen onderdeel uitmaakt van het huidige verzoek tot teruggave, en een glazen karaf met stop in de vorm van Kuttrolf, dat Verzoeker met NK 481 in verband heeft gebracht (zie hierboven). Op de Aangifte Formulieren die Lion Morpurgo met betrekking tot deze twee objecten heeft ingevuld staat vermeld dat zij door confiscatie in het bezit zijn gekomen van het ‘St. Annen Museum // Herrn Prof. Dr. Schrőder, Lübeck’. Onder het kopje ‘Toelichting’ vulde Lion Morpurgo in: ‘volgens nota van 20 Oct 1942’. Verzoeker heeft ten aanzien hiervan opgemerkt:
Drie aankopen van hetzelfde museum in hetzelfde jaar bij Jansen – waarvan de eerste twee uit de voorraad van Morpurgo – maken het waarschijnlijk dat de derde aankoop – NK486 – ook van Morpurgo komt. Eens te meer omdat een eerdere claim van Mossel – voor wie Jansen ook Verwalter was – op NK486 is afgewezen (RC 1.51)’.

NK 520 (A-B) – Twee wandborden

Objectgegevens
NK 520 betreft twee wandborden met blauwe versiering in het plat van een man en vrouw in een landschap, op de rand gestileerde bloemen en medaillons met dikke en dunne slierten, van een onbekende maker, afmetingen 23 x 3 cm, datering onbekend.

De Morpurgo-wandborden
Verzoeker identificeert NK 520 als objecten die op 14 augustus 1919 door kunsthandel Morpurgo zijn aangekocht en bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo behoorden. Volgens Verzoeker komt NK 520 met twee borden overeen die onder inventarisnummer 120 in het Morpurgo-Inventarisboek staan geregistreerd.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in met betrekking tot ‘2 blauw Delftsche schotels’ met een diameter van circa 30 cm. De schotels zouden door confiscatie in het bezit zijn gekomen van ‘Herrn Joseph Hanstein (Lempertz), Kőln’. Als toelichting vermeldde Lion de datum ’15 jan 42’. Op het formulier is op een onbekend moment in potlood de aantekening aangebracht: ‘(verkoop vond plaats door verwalter zonder toestemming eigenaar)’. Nadat Lion Morpurgo het formulier had ingeleverd heeft een medewerker van de SNK met rood potlood diverse aantekeningen en doorhalingen aangebracht, naar alle waarschijnlijkheid in het kader van de verdere verwerking van de gegevens ten behoeve van de taakuitvoering door de SNK. Hierbij werd de door Morpurgo opgegeven kwalificatie ‘confiscatie’ doorgekrast en is op het formulier aangetekend dat het een vrijwillige verkoop betrof.

Lempertz
Op de onderkant van de borden met inventarisnummer NK 520 zijn geen Lempertz-nummers aangetroffen. Op de lijst van objecten die tussen 1941 en 1944 door Lempertz in Nederland zijn verworven, en die zich na de oorlog nog bij Lempertz bevonden, staan twaalf Nederlandse verkopers genoemd. Kunsthandel Morpurgo behoort niet hiertoe. Joseph Hanstein heeft hierover op 30 juni 1946 verklaard dat hij niet met zekerheid kon zeggen bij welke kunsthandelaren hij zijn handelsvoorraad had verworven omdat zijn bedrijfsdocumentatie was vernietigd als gevolg van een grote brand op 29 juni 1943 en een voltreffer op zijn kunsthandel op 3 maart 1945.

Recuperatie van NK 520 (A-B)
Het huidige NK 520 is op 12 juli 1948 vanuit München naar Nederland gerecupereerd. Uit de bijbehorende transportlijst blijkt dat de borden in het Central Collecting Point te München het inventarisnummer ‘35323/20’ toegekend hadden gekregen. Op de bij dit nummer behorende inventariskaart is vermeld dat het vijf porseleinen Chinese borden betrof. Op de achterkant van de kaart is aangetekend dat de borden waren gekocht door ‘Weinmüller’ van een kunsthandelaar in Nederland in 1942 of 1943. Dit betreft waarschijnlijk de Duitse kunsthandelaar en veilinghouder Adolf Weinmüller uit München. Volgens een verklaring van de echtgenote van Weinmüller van 14 januari 1948 waren de borden afkomstig van een onbekende eigenaar in Nederland. Archiefonderzoek heeft niet uitgewezen bij wie Weinmüller de borden heeft gekocht. Een foto behorende bij het voormelde Münchennummer 35323/20 toont de verschillende borden uit de set van vijf. Een van de afgebeelde borden is aan het huidige NK 520 te koppelen.

NK 927 (A-G) – Porseleinen set kommen en schotels

Objectgegevens
NK 927 betreft kommen met schotels, porselein, glazuur, blauwwit decor met op de buitenkant van de kom een bloemmotief en op de binnenrand en bodem van de kom een bladmotief. De bovenzijde van de schotel heeft een bloemmotief en de onderzijde een detail van het bloemmotief. De maker is onbekend. Afmetingen: 7 x 11 cm. Datering circa 1700-1725.
NK 927 beslaat meerdere objecten: zes koppen met schotel (NK 927-A1-2 t/m F1-2) en een losse schotel (NK 927-G2). Drie schotels (NK 927-G1, G3 en G4) van dit ensemble zijn vandaag de dag vermist, maar volgens opgave van de RCE niet totaal verloren.
Een van de delen van NK 927 (G2) is van een tweekaraktermerk voorzien. De overige schotels die onderdeel uitmaken van NK 927 vertonen vergelijkbare merktekens. Een tweetal door het ECR geraadpleegde keramiekexperts heeft laten weten dat merktekens op Europees keramiek gewoonlijk bestaan uit vier of zes karakters. Aan de onderzijde van de koppen die onderdeel uitmaken van NK 927 is een ander soort enkel merkteken aangebracht dat per kop verschilt. Diverse van de NK 927-objecten zijn beschadigd. Het is onbekend wanneer deze schade is ontstaan.

De Morpurgo-koppen en schotels
Verzoeker identificeert NK 927 als koppen en schotels die kunsthandel Morpurgo in mei 1935 bij veilinghuis Frederik Muller te Amsterdam zou hebben gekocht en die bij aanvang van de bezetting tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo behoorden. Volgens het kasboek van kunsthandel Morpurgo werden in mei 1935 diverse aankopen bij Frederik Muller gedaan, waaronder enkele tientallen porseleinen koppen en schotels die in het Morpurgo-Inventarisboek werden ingeschreven onder inventarisnummers 1020 t/m 1023. Volgens Verzoeker komt NK 927 met objecten overeen die onder inventarisnummer 1020 in het Morpurgo-Inventarisboek staan geregistreerd.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op 1 mei 1946 een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op: ’18 paar blauw chin. Porsel. Kop en schotels Zgn. paternosterpatroon’. Hij vermeldde voorts: ‘4 merks Kang Shi rond 1690’. Onder de bijzonderheden noteerde hij: ’18 paar gaaf’. De schotels hadden volgens Lion een diameter van 11.5 cm. De koppen en schotels waren volgens Lion als gevolg van confiscatie op 13 april 1942 in het bezit gekomen van F. Leinung uit de Duitse grensplaats Elten. De aangifte werd van een gedetailleerde tekening voorzien.
Op 2 augustus 1946 stuurde een medewerker van de SNK een brief aan Lion Morpurgo met de vraag om een nader adres omdat het plaatsje Elten bij de SNK niet bekend was, waardoor men niet wist in welke richting moest worden gezocht. Het is niet bekend of Lion Morpurgo hierop heeft gereageerd en of de SNK verder heeft gezocht naar de 18 koppen en schotels. Voor zover bekend heeft de SNK geen verband gelegd tussen het door Lion Morpurgo ingevulde Aangifte Formulier en het huidige NK 927.
Uit het onderzoek is gebleken dat ‘F. Leinung’ naar waarschijnlijkheid een verwijzing is naar Friedrich Eberhard Johannes Leinung geboren op 11 mei 1902 te Emmerik, Duitsland en tijdens de oorlog woonachtig te Elten. Leinung was van beroep expediteur. Hij had een firma in Emmerik en opende in 1927 een filiaal in Lobith in Nederland, de NV Expeditie Onderneming Friedrich Leinung geheten. Archiefonderzoek heeft geen informatie opgeleverd over Leinungs handelscontacten en/of kunstaankopen in Nederland tijdens de bezettingsjaren.

Na de oorlog
Er is geen informatie bekend over de herkomst van het huidige NK 927. Het is ook onbekend waarvandaan de koppen en schotels naar Nederland zijn gerecupereerd. De koppen en schotels zijn in 1950 door de SNK tentoongesteld op een zogenoemde ‘claimtentoonstelling’ van gerecupereerde goederen. De koppen en schotels bleken zeer gangbare gebruiksobjecten te zijn en werden door meerdere personen herkend als geroofd voormalig bezit. Dit plaatste de SNK voor een dilemma en degenen die de objecten meenden te herkennen voor wat het aantonen van eigenaarschap betrof voor een onmogelijke taak.

NK 2946 – Eikenhouten beeldenkast

Objectgegevens
NK 2946 betreft een eikenhouten beeldenkast met intarsia van ebben- en palissanderhout, van een onbekende maker, gedateerd eerste helft van de zeventiende eeuw. De beeldenkast is een zogenaamde Zeeuwse kast waarvan er vele exemplaren in omloop zijn. Dit type kast is kenmerkend voor de zeventiende eeuw Zeeland/Antwerpen en is in zijn soort niet uniek.

De Morpurgo-kast
Verzoeker identificeert NK 2946 als een kast die in december 1940 door kunsthandel Morpurgo op een onbekende veiling te Den Haag, van eveneens onbekende inbrenger, zou zijn gekocht. Volgens Verzoeker komt NK 2946 met een ‘eiken kast’ overeen die onder inventarisnummer 1455 in het Morpurgo-Inventarisboek staat geregistreerd. Verzoeker meldde voorts: ‘Staat op de lijst objecten Morpurgo bij Dienststelle Mühlmann’.
Op de lijst van door Dienststelle Mühlmann bij Nederlandse kunsthandels inbeslaggenomen voorwerpen is onder nummer 151 de volgende kast vermeld: ‘Halbhoher Eichenschrank, geschitzt. Holländisch um 1650 (No.1455)’. Het laatste nummer correspondeert met het inventarisnummer uit het Morpurgo-Inventarisboek.
De Morpurgo-kast met inventarisnummer 1455 is vervolgens in Praag terechtgekomen. Dit blijkt uit een rapportage uit 1944 over de werkzaamheden van de Dienststelle Mühlmann. Hierin is vermeld dat de Morpurgo-kast op 12 augustus 1942 is verkocht aan ‘Roderich Pschikril, Prag’.

Aangifte Formulier
Lion Morpurgo vulde op in november 1945 een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op een ‘Kast Credens Eiken Hout met 4 deuren 2 groote onder en 2 smalle boven met beeldh.werk versierd aan stylen, hoeken en lijsten. Op (2 bolvoeten?) veel lijstwerk op deuren. Met blank en palissanderh.’. Hij voorzag zijn aangifte van een gedetailleerde tekening van de kast. De kast die Lion tekende lijkt op het huidige NK 2946, dat echter niet twee maar drie bovenkasten heeft.

Recuperatie van NK 2946
Het huidige NK 2946 werd na de oorlog vanuit het Central Collecting Point te München naar Nederland teruggevoerd. Op het Interne Aangifte Formulier dat de SNK opstelde voor de gerecupereerde kast is vermeld dat het meubelstuk oorspronkelijk in het bezit was van F. Mannheimer te Amsterdam en over de verwerving is vermeld: ‘Sold under compulsion to Dienststelle Mühlmann, The Hague’. Er zijn foto’s van het interieur van Fritz Mannheimers woning in Amsterdam bewaard gebleven waarop het huidige NK 2946 herkenbaar staat afgebeeld.

4. Inhoudelijke beoordeling van het restitutieverzoek

De commissie kan het verzoek, gelet op het bepaalde in § 1 a t/m e van het Beoordelingskader, inhoudelijk in behandeling nemen.

Gelet op § 2 van het Beoordelingskader moet de commissie beoordelen of in hoge mate aannemelijk is dat de Kunstobjecten eigendom waren van de kunsthandel Morpurgo en op grond van § 3 of voldoende aannemelijk is dat het bezit van de Kunstobjecten onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Hiertoe overweegt de commissie het volgende:

Eigendomsvereiste (§ 2 van het Beoordelingskader)

Bij het beantwoorden van de vraag of in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo  de oorspronkelijke eigenaar is van de Kunstobjecten, c.q. of de Kunstobjecten kunnen worden gekoppeld aan en geïdentificeerd als objecten die tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo hebben behoord, heeft de commissie het volgende in aanmerking genomen: (a) de omstandigheden waaronder de Kunstobjecten zijn aangekocht/verkocht, voor zover dit uit de bij het onderzoek aangetroffen documentatie blijkt; (b) de overgeleverde administratieve bescheiden van kunsthandel Morpurgo, waaronder het Morpurgo-Inventarisboek, de inventarislijst van Verwalter Jansen en tien verkoopfacturen van kunsthandel Morpurgo; (c) de door Lion Morpurgo ingevulde Aangifte Formulieren en vervaardigde tekeningen; (d) informatie op de Interne Aangifte Formulieren en Witte Kaarten van de SNK; en (e) lijsten die door diverse Duitse kunsthandelaren, veilinghuizen en musea zijn opgesteld van tijdens de bezettingsjaren door hen in Nederland verworven objecten. De commissie heeft deze bronnen in samenhang met elkaar beoordeeld.

De commissie is er bij haar beoordeling vanuit gegaan dat de in het Morpurgo-Inventarisboek geregistreerde objecten, voor zover bij dit verzoek tot teruggave betrokken, tot de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo hebben behoord.

Op grond van het bovenstaande oordeelt de commissie als volgt:

NK 309 (bonte sierborden) en NK 2946 (beeldenkast)
De commissie stelt vast dat uit de bij het onderzoek geraadpleegde archiefstukken eenduidig blijkt dat NK 309 en NK 2946 een andere herkomst hebben dan kunsthandel Morpurgo. De met NK 309 corresponderende bont beschilderde bordjes kunnen op basis van een op de onderkant van de borden aangebrachte Liro-nummer met een andere eigenaar dan kunsthandel Morpurgo in verband worden gebracht. Het onderzoek ten aanzien van NK 2946 wijst met zekerheid uit dat deze eikenhouten beeldenkast oorspronkelijk bezit was van de Amsterdamse bankier Fritz Mannheimer. Zulks wordt bevestigd door overgeleverde foto’s van het interieur van het huis van Mannheimer waarop het huidige NK 2946 herkenbaar staat afgebeeld, alsmede door het feitenonderzoek met betrekking tot de recuperatie van NK 2946 na de oorlog. Op grond van deze gegevens komt de commissie tot het oordeel dat het niet in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is van NK 309 en NK 2946.

NK 276, NK 277 (Chinese dekselvazen) en NK 481 (karaf met stop)
NK 267/277: De commissie stelt op basis van de onderzoeksresultaten vast dat de Chinese dekselvazen die met nummers NK 276 en NK 277 corresponderen kunnen worden geïdentificeerd als de door kunsthandel Morpurgo verloren vazen die tijdens de oorlog bij Paffrath te Düsseldorf zijn terechtgekomen. In het SNK-archief is een ladinglijst aangetroffen waarop NK 267 en NK 277 zijn omschreven. De omschrijving komt overeen met de objectbeschrijving die Lion Morpurgo op het door hem ingevulde Aangifte Formulier heeft gegeven. Op de ladinglijst is een nummer aangebracht dat correspondeert met het volgnummer van het Aangifte Formulier dat Lion Morpurgo met betrekking tot de vazen heeft ingevuld. Hiermee staat voor de commissie vast dat de SNK de huidige NK 276 en NK 277 heeft geïdentificeerd als de door kunsthandel Morpurgo tijdens de oorlog verloren vazen.

NK 481: De onderzoeksresultaten wijzen uit dat het huidige NK 481 de ‘jachtfles’ is die op 20 oktober 1942 uit de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo is verkocht aan het St. Annen Museum te Lübeck. Dit wordt bevestigd door een lijst van aankopen in Nederland gedurende de bezettingsjaren die door het museum is opgesteld, en door de naamsvermelding ‘Morpurgo’ op de zogenoemde Koblenz-lijst.

Op grond van deze gegevens komt de commissie tot het oordeel dat het in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is van NK 276, NK 277 en NK 481.

NK 202 en NK 520 (wandborden blauw beschilderd)
De commissie stelt op basis van het feitenonderzoek vast dat NK 202 en NK 520 in verband zijn gebracht met diverse porseleinen borden waarvoor Lion Morpurgo Aangifte Formulieren heeft ingevuld. Uit de Aangifte Formulieren blijkt dat de borden tijdens de oorlog in het bezit van veilinghuis Lempertz te Keulen zijn terechtgekomen. Uit het onderzoek is gebleken dat NK 202 en NK 520 niet van een zogenaamd Lempertz-nummer (inventarisnummer van het veilinghuis) zijn voorzien. Voorts wees het onderzoek uit dat de naam ‘Morpurgo’ niet op de Lempertz-lijst is aangetroffen. Ten aanzien van de borden die onder nummer NK 202 zijn geregistreerd is gebleken dat zij hoogstwaarschijnlijk door dr. Albert Steeger te Krefeld zijn verworven, die tijdens de oorlog directeur was van het Heimathaus des Niederrheins te Krefeld. Het feitenonderzoek wees voorts uit dat het huidige NK 520 in 1942 of 1943 door de Duitse kunsthandelaar en veilinghouder Adolf Weinmüller te München is verworven, van een onbekende eigenaar in Nederland. Op grond van deze gegevens komt de commissie tot het oordeel dat het niet in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is van NK 202 en NK 520.

NK 35 (klepbureau), NK 180 (stenen kruik), en NK 927 (kommen met schotels)
Voor de Morpurgo-objecten die met NK 35, NK 180 en NK 927 in verband zijn gebracht heeft Lion Morpurgo Aangifte Formulieren ingevuld en deze van gedetailleerde tekeningen voorzien. De commissie constateert dat de beschrijvingen en tekeningen van de objecten op een aantal door de commissie belangrijk bevonden punten afwijken van de fysieke kenmerken en/of datering van de NK-objecten waarmee zij in verband zijn gebracht. Voorts constateert de commissie dat de recuperatiegegevens voor NK 35 en NK 180, zoals deze uit het onderzoek zijn gebleken, niet overeenkomen met de gegevens die Lion Morpurgo ten aanzien van het bezitsverlies op de Aangifte Formulieren heeft vermeld.

NK 35: Het klepbureau met NK-nummer 35 heeft een rechte klep, geen gebogen klep zoals Lion Morpurgo op het Aangifte Formulier en de tekening aangaf. Ook wijkt de door Morpurgo genoemde datering (rond 1760) aanzienlijk af van die van het huidige NK 35 (1880-1920). Ten aanzien van NK 35 wijst het feitenonderzoek met betrekking tot de recuperatie uit dat het huidige NK 35 tijdens de oorlog door kunsthandel Etienne Delaunoy te Amsterdam via de Duitse kunsthandelaar Carl Eugen Pongs te Düsseldorf is verkocht aan B. Meller te Krefeld. Zulks wordt bevestigd door een lijst die Pongs na de oorlog opstelde van kunstvoorwerpen die hij tijdens de oorlog in Nederland kocht, alsmede door overgeleverde correspondentie in het kader van de recuperatie van het huidige NK 35.

NK 180: In het reliëf van NK 180 is geen voorstelling van soldaten en ruiters te zien, hetgeen op het Aangifte Formulier werd aangegeven dat Lion Morpugo invulde voor een kruik ‘bruin majolika met voorstelling soldaten en ruiters en reliëf op de buik van de kruik’. De decoratie van NK 180 bestaat uit wapenschilden in medaillons en leeuwen. NK 180 is voorts duidelijk gedateerd en heeft een bijzondere vermelding, ‘Wynant Emens’, waardoor de maker bekend is. Dit bijzondere kenmerk komt niet voor in de omschrijving van Lion Morpurgo. Ten aanzien van het bezitsverlies vermeldt het Aangifte Formulier dat de kruik via de Dienststelle Mühlmann terechtkwam bij een particulier in München. Onderzoek naar de recuperatie van NK 180 wees echter uit dat het huidige NK 180 door een museum te Düsseldorf bij kunsthandel Rosenbaum te Amsterdam is aangekocht.

NK 927: Uit het feitenonderzoek is gebleken dat NK 927 van een tweekaraktermerk en geen vierkaraktermerk is voorzien, zoals Lion Morpurgo op het Aangifte Formulier aangaf. Ten aanzien van NK 927 staat verder vast dat de met dit NK-nummer corresponderende koppen en schotels zeer gangbare gebruiksvoorwerpen zijn gebleken waarop na de bevrijding na ‘herkenning’ meermaals aanspraak is gemaakt. De herkomst van de kommen en schotels NK 927 is onbekend.

Op basis van deze gegevens in onderlinge samenhang bezien komt de commissie tot het oordeel dat de objecten die Lion Morpurgo op de Aangifte Formulieren heeft beschreven niet met NK 35, NK 180 en/of NK 927 kunnen worden gelijkgesteld. Op grond hiervan acht de commissie het niet in hoge mate aannemelijk dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is van NK 35, NK 180 en NK 927.

NK 3 (Lodewijk XV-commode) en NK 486 (messing kom)
Lion Morpurgo heeft Aangifte Formulieren ingevuld voor een meubelstuk en een schotel die met NK 3 en NK 486 in verband zijn gebracht. De betreffende objecten werden door hem omschreven als een ‘mahoniehouten L XV commode met marmeren blad met brons versiering en beslag’ respectievelijk ‘koperen gedreven schotel’. Lion voorzag beide Aangifte Formulieren van een gedetailleerde tekening van de betreffende objecten. De commissie stelt vast dat de tekeningen grote overeenkomsten vertonen met NK 3 en NK 486. De commissie constateert echter ook dat uit het onderzoek is gebleken dat NK 3 en NK 486 zeer gangbare objecten betreffen. Lodewijk XV-commodes werden in de achttiende eeuw veelvuldig geproduceerd en in Nederland zijn veel meubels in deze stijl gemaakt. Van kommen zoals NK 486 zijn duizenden exemplaren vervaardigd, allemaal sterk gelijkend. Dergelijke kommen zijn vandaag de dag nog in grote hoeveelheden in omloop op de antiekmarkt. Op basis van deze bevindingen bieden de tekeningen van Lion Morpurgo onvoldoende aanknopingspunten om de objecten waarvoor hij Aangifte Formulieren invulde als NK 3 en NK 486 te identificeren.

NK 3: Volgens opgave van Lion Morpurgo is een commode uit het bezit van kunsthandel Morpurgo tijdens de oorlog in handen gekomen van de Duitse kunsthandelaar dr. Hans Walter Rudolph te Berlijn. Het Aangifte Formulier dat Lion Morpurgo voor de verloren commode heeft ingevuld vermeldt geen datum waarop dit zou zijn gebeurd. Uit het onderzoek is gebleken dat het huidige NK 3 op 26 december 1941 door de Haagse kunsthandelaar L. Jageneau is verkocht aan de Münchener Kunstgesellschaft. De NK 3-commode is na de bezetting vanuit München naar Nederland gerecupereerd. Gegevens over deze transactie zijn ook op de zogenaamde ‘Bernheimer list’ aangetroffen. Dit is een na de oorlog opgestelde lijst waarop objecten – met name meubels – zijn vermeld die tijdens de bezetting zijn verworven door de Münchener Kunsthandelsgesellschaft (voorheen kunsthandel L. Bernheimer). De commissie stelt op grond van het feitenonderzoek vast dat er geen aanwijzingen zijn dat de door Lion Morpurgo op een Aangifte Formulier genoemde commode hetzelfde meubelstuk is als het huidige NK 3, dat gedurende de oorlog door L. Jageneau is verkocht.

Verzoeker stelt dat Verwalter Jansen het huidige NK 3 buiten de boeken om aan Jageneau kan hebben verkocht en dat dit zou verklaren waarom de commode niet op de inventarislijst van Jansen voorkomt, zoals uiteengezet in het feitenoverzicht. De commissie kan deze visie van Verzoeker niet volgen, omdat deze speculatief van aard is en er bovendien gegevens zijn die wijzen op een andere route. Lion Morpurgo zelf heeft immers na de oorlog te kennen gegeven dat de door zijn kunsthandel verloren commode in handen was geraakt van dr. Hans Walter Rudolph te Berlijn. Mede gezien het feit dat het bij commodes zoals NK 3 gaat om in groten getale geproduceerde generieke meubelstukken is de commissie van oordeel dat het niet in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar was van NK 3.

NK 486: Lion Morpurgo heeft in 1946 aangifte gedaan van het verlies van een koperen schotel (hierna: schotel of kom). Hij vermeldde daarbij dat de schotel tijdens de bezetting in het bezit was gekomen van ‘Herrn Ed. von Imhof, Wien’. De commissie stelt vast dat bij het onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden dat het huidige NK 486 de Morpurgo-kom (of schotel) is die in Wenen terechtkwam. Integendeel, de recuperatiegegevens met betrekking tot NK 486 – een messing in plaats van koperen kom – wijzen uit dat het huidige NK 486 na de oorlog vanuit Lübeck naar Nederland is gerecupereerd. Uit recent onderzoek van de RCE is gebleken dat het St. Annen Museum te Lübeck het huidige NK 486 in 1942 van ‘Jansen’ te Amsterdam heeft gekocht. Uit onderzoek valt niet af te leiden waar Jansen, waarmee waarschijnlijk Verwalter Jacques Jansen wordt bedoeld, de kom zou hebben verworven en/of uit welke handelsvoorraad deze afkomstig was.

Verzoeker heeft beargumenteerd dat de ‘brass basin’ die het St. Annen Museum in 1942 van ‘Jansen’ heeft gekocht (het huidige NK 486), de kom is die onder inventarisnummer 657 in het Morpurgo-inventarisboek geregistreerd staat. Voor deze stelling heeft de commissie geen aanwijzingen anders dan de connectie met Jacques Jansen die als Verwalter van meerdere kunsthandels optrad, waaronder kunsthandel Morpurgo. Gezien het feit dat er duizenden sterk met elkaar overeenkomende schotels zoals NK 486 in omloop waren en nog steeds zijn, en gezien het feit dat het door Lion Morpurgo ingevulde Aangifte Formulier verwijst naar een route van de Morpurgo-schaal via Wenen, is de commissie van oordeel dat uitsluitend de vermelding van Jansen als verkoper in het inventarisboek van het St. Annen Museum geen grondslag biedt om te komen tot het oordeel dat het huidige NK 486 verkocht zou zijn uit de handelsvoorraad van Morpurgo. Daar doet de afwijzing van een eerder restitutieverzoek van NK 486 inzake kunsthandel Mossel (RC 1.51) – waarnaar verzoeker in zijn nadere reactie op een concept van dit advies verwijst – niet aan af. Hetzelfde geldt voor het feit dat er vanuit de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo andere objecten aan het St. Annen Museum zijn verkocht, zoals verzoeker heeft opgemerkt. Bij de huidige stand van het onderzoek komt de commissie dan ook tot het oordeel dat het niet in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar was van NK 486.

NK 445 (Empire-vazen)
De commissie stelt vast dat Lion Morpurgo na de oorlog aangifte heeft gedaan van het verlies van ‘2 Empire Porselein vergulde vazen met gekleurde mythol. voorstellingen’. Hij vermeldde dat de vazen op 20 februari 1942 door confiscatie in het bezit waren gekomen van O.A. von Bolschwing te Wenen. Lion Morpurgo voorzag het Aangifte Formulier van een gedetailleerde tekening van de verloren vazen. Verzoeker heeft een factuur van kunsthandel Morpurgo overgelegd die op deze transactie betrekking heeft en Von Bolschwing als koper vermeldt van ‘2 Goldene Vasen (Empire Porzellan)’. Na de oorlog heeft Von Bolschwing verklaard dat hij in augustus of september van 1941 op een veiling in Den Haag twee porseleinen vazen had gekocht. Hij verklaarde dat de vazen kobaltblauw waren geweest met vergulde sierhandvatten en op de voorkant in het midden waren voorzien van een kleine schildering. Hij verklaarde voorts dat de vazen bij aankomst in Wenen gebroken waren en dat hij deze had weggegooid.

Uit het onderzoek is gebleken dat het huidige NK 445 op 16 januari 1948 vanuit Düsseldorf naar Nederland is gerecupereerd. Op het Interne Aangifte Formulier van de SNK is vermeld dat NK 445 tijdens de bezetting door kunsthandel Etienne Delaunoy te Amsterdam is verkocht aan ‘dr. K.G. Linsenmeyer’ te Düsseldorf. Er zijn geen nadere gegevens bekend over de omstandigheden waaronder deze aankoop plaatsvond.

Verzoeker heeft verklaard ervan uit te gaan dat zijn grootvader de factuur ten name van Von Bolschwing na de oorlog heeft gevonden en het SNK Aangifte Formulier op basis daarvan heeft ingevuld. Verzoeker zegt te twijfelen aan de juistheid van deze factuur. Naar zijn oordeel is deze factuur bewust onjuist door Jansen opgesteld. Verzoeker acht het zeer goed mogelijk dat Etienne Delaunoy, en niet Von Bolschwing, in december 1941 de Empire-vazen met Morpurgo-inventarisnummer 1222 bij Verwalter Jansen heeft aangekocht. Verzoeker vervolgt dat Delaunoy de vazen met inventarisnummer 1222 vervolgens naar Duitsland heeft doorverkocht, en dat deze vazen na de oorlog als NK 445 zijn gerecupereerd. In verband met het ontbreken van de vierkante voet op de tekening van Lion Morporgo op het Aangifte Formulier heeft Verzoeker benadrukt dat Lion Morpurgo deze zonder documentatie uit het hoofd heeft gemaakt, na een zware tijd van enkele jaren concentratiekamp. Dit zou volgens Verzoeker kunnen verklaren waarom Lion Morpurgo heeft verzuimd de kenmerkende voet van de vaas in zijn tekening op te nemen. Verzoeker heeft voorts gesteld dat het ontbreken van de vierkante voet op de tekening het verschil in hoogte tussen NK 445 en de verloren Morpurgo-vazen verklaart.

De commissie volgt de visie van Verzoeker hierin niet. Allereerst wijst de commissie op het gegeven dat de tekening die Lion Morpurgo van de vazen heeft gemaakt op door de commissie belangrijk bevonden punten afwijkt van NK 445. De commissie kent daarbij groot gewicht toe aan het feit dat de opvallende vierkante voet met geschilderde taferelen op de tekening ontbreekt. De commissie constateert voorts dat alle andere tekeningen van de hand van Lion Morpurgo die in de context van dit verzoek zijn bestudeerd, nauwkeurig ogen. De commissie kan dan ook niet voorbijgaan aan het feit dat een dermate kenmerkende en in het oog springende beschilderde voet op de tekening van Lion Morpurgo ontbreekt. De commissie constateert voorts dat de mythologische voorstelling op de buik van de vaas klein is getekend, in een rechthoekig kader. De afbeeldingen op de buik van NK 445 strekken zich daarentegen uit over de gehele vaas. Ook de beschrijving die Lion van de vazen gaf komt niet geheel met NK 445 overeen. Naast mythologische voorstellingen kent NK 445 namelijk ook prominente schilderingen van landschappen op zowel de buik als de voet van de vazen.

Wat betreft de identiteit van de koper van de vazen met Morpurgo inventarisnummer 1222 gaat Verzoeker naar het oordeel van de commissie te snel voorbij aan de aanwezigheid van een verkoopfactuur van kunsthandel Morpurgo ten behoeve van O.A. von Bolschwing te Wenen voor twee vergulde Empire-vazen van porselein. De commissie merkt op dat Von Bolschwing een hooggeplaatste nazi-functionaris was. Zij is dan ook van oordeel dat het onwaarschijnlijk is dat de opsteller van de factuur zich in de identiteit van deze koper zou hebben vergist. De stelling van Verzoeker dat de factuur ten name van Von Bolschwing bewust onjuist door Jansen zou zijn opgesteld berust op aannames die naar het oordeel van de commissie niet, althans niet in voldoende mate, door de onderzoeksresultaten worden ondersteund. De commissie wijst er tot slot op dat de recuperatiegegevens betreffende NK 445 niet overeenkomen met de gegevens die Lion Morpurgo ten aanzien van de door hem verloren vazen over het bezitsverlies op het Aangifte Formulier heeft vermeld. Op grond van de bij het onderzoek aangetroffen recuperatiegegevens is NK 445 naar het oordeel van de commissie duidelijk aan Delaunoy en Linsenmeyer te koppelen, niet aan Kunsthandel Morpurgo. De commissie houdt het dan ook zeker voor mogelijk dat sprake kan zijn geweest van twee sets vazen: het huidige NK 445 en de Morpurgo-vazen met inventarisnummer 1222, en dat deze laatste nooit zijn gerecupereerd.

De commissie is op basis van deze omstandigheden van oordeel dat het niet in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is van NK 445.

NK 485 (fles van lichtgroen glas)
Na de bezetting tekende Lion Morpurgo de uit het bezit van zijn kunsthandel geraakte ‘2 groen glazen wijnflessen (karaffen)’ op een SNK-Aangifte Formulier. De twee karaffen zouden op 11 december 1941 zijn verkocht aan de kunsthandelaar dr. Valentin te Stuttgart. De commissie stelt op grond van het feitenonderzoek vast dat het huidige NK 485, voor zover bekend, tijdens de bezettingsjaren, waarschijnlijk in 1944, door het St. Annen Museum te Lübeck is aangekocht bij de Haagse kunsthandelaar L. Jageneau. De commissie constateert dat de gegevens die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen met betrekking tot de recuperatie van NK 485 niet goed aansluiten bij wat bekend is over de karaffen die uit het bezit van kunsthandel Morpurgo zijn geraakt. De commissie is van oordeel dat van een verband tussen NK 485 en de door kunsthandel Morpurgo verloren karaffen niet is gebleken. De commissie is onder deze omstandigheden van oordeel dat het niet in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is van NK 485.

Onvrijwillig bezitsverlies (§ 3 van het beoordelingskader)

Nu ten aanzien van de objecten NK 3, NK 35, NK 180, NK 202, NK 309, NK 445, NK 485, NK 486, NK 520, NK 927 en NK 2946 niet in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is, komt de commissie met betrekking tot die kunstobjecten aan de beoordeling van het bezitsverlies niet toe.

Bij de beoordeling van de aard van het bezitsverlies van de objecten NK 276, NK 277 en NK 481 geldt op grond van het eerste lid van criterium 3.2 van § 3 van het beoordelingskader dat een verkoop door een Joodse kunsthandelaar als onvrijwillig wordt beschouwd indien er aanwijzingen zijn die onvrijwillig bezitsverlies voldoende aannemelijk maken. Ingevolge lid 2 onder e van criterium 3.2 van § 3 van het beoordelingskader heeft verkoop door een Verwalter als een dergelijke aanwijzing te gelden, tenzij kan worden aangetoond dat de oorspronkelijke eigenaar het volledige profijt van de verkoop heeft genoten of na de oorlog uitdrukkelijk van zijn rechten afstand heeft gedaan.

Naar het oordeel van de commissie staat vast dat er tijdens de bezettingsjaren op grote schaal uit de handelsvoorraad van kunsthandel Morpurgo is verkocht, geroofd en geplunderd. Ook staat vast dat Verwalters, de Dienststelle Mühlmann, NSB-makelaars en ongetwijfeld vele anderen gedurende de bezettingsjaren onbelemmerd en ongecorrigeerd in de kunsthandel hun slag hebben kunnen slaan. Vanaf november 1941 stond kunsthandel Morpurgo onder bewind van een reeks Verwalters en nazi-gezinden die, zonder enige betrokkenheid of toestemming van Louis en Lion Morpurgo, de handelsvoorraad van de kunsthandel stukje bij beetje van de hand konden doen. Louis en Lion werd vanaf 17 oktober 1941, zo niet eerder, de toegang tot de kunsthandel ontzegd.

De commissie stelt vast dat er met betrekking tot NK 276, NK 277 en NK 481 door Lion Morpurgo SNK-Aangifte Formulieren zijn aangetroffen waarop staat aangegeven dat de betreffende (groepen van) objecten door confiscatie uit het bezit van kunsthandel Morpurgo zijn geraakt. NK 481 is op 20 oktober 1942 door Verwalter Jansen verkocht, op welk tijdstip Louis Morpurgo reeds in Auschwitz was vermoord. Uit het onderzoek is niet gebleken wanneer NK 276 en NK 277 zijn verkocht. De commissie stelt echter vast dat deze verkoop niet uit het Morpurgo-Inventarisboek blijkt, dat op 16 oktober 1941 abrupt eindigt, en concludeert op grond van deze omstandigheid dat de verkoop naar alle waarschijnlijkheid eveneens onder auspiciën van de door de Duitsers aangestelde beheerders na oktober 1941 en zonder toestemming van de Morpurgo’s moet hebben plaatsgevonden.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien acht de commissie onvrijwillig bezitsverlies door kunsthandel Morpurgo, overeenkomstig het eerste lid van criterium 3.2 van § 3 van het beoordelingskader voldoende aannemelijk.

Conclusie ten aanzien van het verzoek om restitutie

De commissie concludeert dat het in hoge mate aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo de oorspronkelijke eigenaar is van NK 276 (A1-2 en B1-2), NK 277 (A-B) en NK 481 (A-B), en dat voldoende aannemelijk is dat kunsthandel Morpurgo het bezit van de deze objecten onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Dit alles leidt ertoe, gelet op het Beoordelingskader § 2 en § 3 (criterium 3.2, en het slot van § 3), dat de commissie zal adviseren NK 276 (A1-2 en B1-2), NK 277 (A-B) en NK 481 (A-B) te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Louis Morpurgo.

De commissie zal de minister adviseren het verzoek tot teruggave van NK 3, NK 35, NK 180, NK 202 (A-B), NK 309 (A-B), NK 445 (A-B), NK 485 (A-B), NK 486, NK 520 (A-B), NK 927 (A1-2, B1-2, C1-2, D1-2, E1-2, F1-2 en G1 t/m G4) en NK 2946 af te wijzen.

5. Advies

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de kunstwerken die op dit moment onderdeel zijn van de Nederlands Kunstbezit-collectie onder inventarisnummers NK 276 (A1-2 en B1-2), NK 277 (A-B) en NK 481 (A-B) te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Louis Morpurgo. Voorts adviseert de Restitutiecommissie de minister het verzoek tot restitutie van de kunstwerken NK 3, NK 35, NK 180, NK 202 (A-B), NK 309 (A-C), NK 445 (A-B), NK 485 (A-B), NK 486, NK 520 (A-B), NK 927 (A1-2, B1-2, C1-2, D1-2, E1-2, F1-2 en G1 t/m G4) en NK 2946 af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 15 oktober 2025 door A.I.M. van Mierlo (voorzitter), D. Oostinga (plv. voorzitter), J.F. Cohen, S.G. Cohen-Willner, J.J. Euwe, C.J.H. Jansen, en A. Marck en ondertekend door de voorzitter en commissielid A. Marck.

(A.I.M. van Mierlo, voorzitter)                 (A. Marck, commissielid)