Spring naar content
Advies inzake Liebermann

Liebermann

Dossiernummer: RC 1.192

Soort advies: Rijkscollectie

Adviesdatum: 3 maart 2025

Periode bezitsverlies: onbekend

Oorspronkelijke eigenaar: particulier

Plaats bezitsverlies: Buiten Nederland

Dochtertje en vrouw van Max Liebermann, lezend aan een ronde tafel door Max Liebermann (foto: Rijksmuseum Amsterdam)

  • Dochtertje en vrouw van Max Liebermann, lezend aan een ronde tafel door kunstenaar Max Liebermann

Samenvatting

De Restitutiecommissie heeft een verzoek beoordeeld tot teruggave van de tekening Dochtertje en vrouw van Max Liebermann, lezend aan een ronde tafel van de hand van de Joodse kunstenaar Max Liebermann (1847-1935). De tekening maakt deel uit van de Rijkscollectie en bevindt zich momenteel in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Op de voorzijde van deze tekening is een gestempelde afdruk van Max Liebermanns signatuur aangebracht; een zogeheten Nachlass-stempel. Dergelijke stempels werden gebruikt om de authenticiteit van werken van een kunstenaar te bevestigen. Onderzoek wijst uit dat de vrouw van Max Liebermann, Martha Liebermann (1857-1943), kort na de dood van haar man in februari 1935 zijn Berlijnse atelier heeft geïnventariseerd en een Nachlass-stempel heeft gebruikt om zijn nagelaten werken te waarmerken. De aanwezigheid van een Nachlass-stempel duidt erop dat de tekening zich na de dood van Max Liebermann nog in zijn atelier bevond en na zijn overlijden in 1935 eigendom werd van Martha Liebermann.

De commissie heeft vastgesteld dat Martha Liebermann heeft geleden onder het naziregime. Als gevolg van de anti-Joodse maatregelen beschikte zij over weinig financiële middelen en was zij aangewezen op de hulp van een kleine kring vrienden om te kunnen overleven. Vanaf het najaar van 1941 ondernam Martha verschillende pogingen om Duitsland te ontvluchten maar zij slaagde er niet in om een uitreisvisum te bemachtigen. Martha Liebermann overleed op 10 maart 1943 in Berlijn aan de gevolgen van een overdosis slaapmiddelen. Haar volledige bezit werd na haar dood door de Duitse staat geconfisqueerd.

Het staat vast dat de tekening zich na de oorlog in Zwitserland bevond alwaar het Rijksmuseum te Amsterdam haar in 1956 heeft gekocht. Het onderzoek heeft niet uitgewezen hoe en op welk moment de tekening na 1935 in Zwitserland is terechtgekomen. Het onderzoek heeft wel drie mogelijke routes hiertoe aan het licht gebracht. Hoewel niet bekend is of de tekening een van deze routes heeft afgelegd, geven zij inzicht in de omstandigheden waaronder werken van de hand van Max Liebermann tijdens de oorlog in Zwitserland zijn terechtgekomen en daarmee in routes die mogelijk door de tekening zijn afgelegd. De drie routes zijn: (1) verkoop via de Duitse kunsthandel; (2) verkoop door de Gestapo na confiscatie van Martha Liebermanns bezit; en (3) verkoop door Martha Liebermann zelf om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. De commissie heeft niet beoordeeld welke van deze routes zij het meest waarschijnlijk vindt. Naar het oordeel van de commissie vertonen alle drie de routes overduidelijk kenmerken van onvrijwillig bezitsverlies.

Op grond van het onderzoek oordeelt de commissie dat het in hoge mate aannemelijk is dat de tekening eigendom was van Martha Liebermann. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat Martha Liebermann het bezit van de tekening onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

De commissie heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geadviseerd de tekening aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Martha Liebermann te restitueren.

Advies inzake Liebermann

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) heeft de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) op 3 augustus 2021 gevraagd advies uit te brengen over een verzoek tot teruggave van de tekening Dochtertje en vrouw van Max Liebermann, lezend aan een ronde tafel (1870-1935) van de hand van Max Liebermann (hierna: de Tekening). De Tekening maakt deel uit van de Rijkscollectie en is momenteel in beheer bij het Rijksmuseum te Amsterdam (hierna: Rijksmuseum), onder inventarisnummer RP-T-1956-27(R).

Het verzoek tot teruggave is gedaan door AA te BB, CC (hierna: Verzoekster). Verzoekster stelt achterkleindochter te zijn van de Joodse kunstenaar Max Liebermann (1847-1935) en zijn vrouw Martha Liebermann, née Marckwald (1857-1943), en heeft verklaard aangesteld te zijn als executeur (executor) van de erfenis van haar moeder Maria White, née Riezler (1917-1995), kleindochter van Max en Martha Liebermann.

Verzoekster heeft zich in deze zaak laten vertegenwoordigen door Jutta Freifrau von Falkenhausen, Rechtsanwältin MPA te Berlijn, Duitsland. De minister is in dezen vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE).

  1. Het verzoek

Bij e-mail van 3 augustus 2021 heeft de RCE, namens de minister, de commissie verzocht om advies uit te brengen met betrekking tot het verzoek tot teruggave van de Tekening. Aanleiding hiervoor is het restitutieverzoek aan de minister van Verzoekster, zoals opgenomen in een brief van Jutta Freifrau von Falkenhausen van 25 januari 2021. De Tekening zou deel hebben uitgemaakt van de nalatenschap van Max Liebermann en na zijn dood eigendom zijn geworden van zijn echtgenote, Martha Liebermann.

Verzoekster stelt dat de Tekening in de zomer van 1935 eigendom was van Martha Liebermann en op enig moment tussen 1935 en 1943 onvrijwillig uit haar bezit is geraakt, door verkoop onder dwang of door inbeslagname door de nationaalsocialistische machthebbers. Ter onderbouwing van de stelling dat de Tekening Martha Liebermann in eigendom toebehoorde, wijst Verzoekster op de aanwezigheid van een gestempelde afdruk van Max Liebermanns signatuur op de voorzijde van de Tekening. Verzoekster stelt dat de aanwezigheid van deze stempel (hierna: Nachlass-stempel) betekent dat de Tekening deel uitmaakte van de nalatenschap van Max Liebermann en na zijn dood in 1935 eigendom werd van zijn weduwe, Martha Liebermann.

De commissie heeft eerder een bindend advies uitgebracht betreffende een andere tekening van de hand van Max Liebermann, RC 3.190, waarbij werd geadviseerd dat kunstwerk aan Verzoekster te restitueren.

2. De procedure en het toepasselijke beoordelingskader

De commissie heeft Verzoekster bij brief van 11 februari 2022 geïnformeerd over het adviesverzoek van de minister en ingelicht over de procedure en het reglement van de commissie. De commissie heeft kennisgenomen van alle door Verzoekster en de RCE overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken met Verzoekster en de RCE gedeeld. De commissie heeft het Expertisecentrum Restitutie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (hierna: ECR) onderzoeksvragen voorgelegd. Het ECR heeft zijn bevindingen neergelegd in een feitenrapport.

Chronologisch overzicht

  • Op 25 januari 2021 heeft Jutta Freifrau von Falkenhausen, namens Verzoekster, de minister om restitutie van de Tekening verzocht, die zich op dit moment in het Rijksmuseum bevindt, inventarisnummer RP-T-1956-27(R). Op 1 juni 2021 heeft Jutta Freifrau von Falkenhausen om een reactie gevraagd. De brief bleek niet aangekomen te zijn bij de RCE en is op 9 juni 2021 nagezonden.
  • Op 3 augustus 2021 heeft de RCE, namens de minister, de commissie verzocht haar over dit verzoek te adviseren.
  • Op 11 februari 2022 heeft de commissie het ECR verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen.
  • De resultaten van dit onderzoek zijn door het ECR neergelegd in een concept-onderzoeksrapport dat door het ECR op 18 maart 2024 voor feitelijke aanvulling en/of commentaar aan de RCE en Verzoekster is toegezonden. Op dit concept is namens Verzoekster gereageerd op 17 april 2024 en door de RCE op 25 april 2024.
  • Op 26 april 2024 heeft het ECR een bijgewerkte versie van het concept-onderzoeksrapport, samen met de reacties van Verzoekster en de RCE toegezonden aan de commissie.
  • Tijdens de vergadering van 27 mei 2024 heeft de commissie het concept-onderzoeksrapport met het ECR besproken.
  • Op 25 juni 2024 heeft het ECR het onderzoeksrapport definitief vastgesteld.
  • Op 28 juni 2024 heeft de commissie het definitieve onderzoeksrapport van het ECR ontvangen en dit op 23 juli 2024 toegezonden aan de RCE en Verzoekster. Tevens is gevraagd of partijen behoefte hebben aan een mondelinge behandeling.
  • De RCE heeft op 15 augustus 2024 gereageerd op het definitieve onderzoeksrapport vanwege een verschrijving en een typografische inconsistentie. Tevens heeft de RCE te kennen gegeven zich te conformeren aan de wens van Verzoekster met betrekking tot de mondelinge behandeling. Verzoekster heeft op 16 augustus 2024 gereageerd op het definitieve onderzoeksrapport en heeft te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling.
  • Op 20 december 2024 heeft de commissie haar advies in concept toegezonden aan Verzoekster en de RCE en daarbij gevraagd of er behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling.
  • De RCE heeft op 15 januari 2025 op het conceptadvies gereageerd met enkele opmerkingen van redactionele aard alsmede met de opmerking zich te conformeren aan de wens van Verzoekster met betrekking tot de mondelinge behandeling. Verzoekster heeft op 3 februari 2025 laten weten geen opmerkingen te hebben.

3. Vaststelling van de feiten

De commissie stelt op grond van het feitenonderzoek dat in het dossier RC 3.190 en deze zaak is verricht de volgende feiten vast.

De familie Liebermann

Max Martin Liebermann (hierna ook: Liebermann) werd geboren op 20 juli 1847 in Berlijn, als tweede zoon van industrieel Louis Liebermann en zijn vrouw Philippine Liebermann (née Haller). Max had een oudere zus, een oudere broer en een jongere broer. Vanaf 1857 woonde het gezin in Haus Liebermann aan de Pariser Platz 7 te Berlijn. Max Liebermann groeide op in een periode van toenemende emancipatie van de Joodse bevolking van Pruisen. Na het behalen van zijn eindexamen aan het Friedrichwerdersche Gymnasium volgde Liebermann in 1866 gedurende twee jaar een studie scheikunde in Berlijn. Daarna werd hij toegelaten tot de Großherzoglich-Sächsischen Kunstschule in Weimar. Tussen 1871 en 1884 verbleef Max Liebermann voornamelijk in Nederland en Frankrijk, waarna hij zich opnieuw vestigde in Berlijn en daar op 14 september 1884 in het huwelijk trad met Martha Marckwald (1857-1943). Een jaar later werd hun enige dochter Käthe (1885-1952) geboren. Vanaf 1892 woonde het gezin op de tweede verdieping van het ouderlijk huis Haus Liebermann aan de Pariser Platz te Berlijn.

De carrière van Max Liebermann

Max Liebermann maakte in Berlijn naam als voorvechter van ‘moderne’ kunst. In 1898 werd hij voorzitter van de Berliner Secession; het jaar daarvoor was hij benoemd tot hoogleraar aan de Königliche Akademie der Künste. In 1914 richtte Max Liebermann een Freie Secession op, waarvan hij erevoorzitter werd. In 1917 werd naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag een overzichtstentoonstelling van zijn werk georganiseerd in de Königliche Akademie der Künste. Drie jaar later werd hij benoemd tot president hiervan. Als kunstschilder legde Max Liebermann zich in deze jaren toe op het maken van portretten. Hij werd op zijn tachtigste verjaardag onderscheiden met het Adlerschild des Deutschen Reiches.

In zijn laatste levensjaren was Max Liebermann getuige van de machtsovername door de nationaalsocialisten. Op 7 mei 1933 dwongen de nationaalsocialisten Liebermann – die al eerder zijn functie als president van de Königliche Akademie der Künste had neergelegd – het erepresidentschap, senatorschap en lidmaatschap van deze Akademie, vanaf 1926 de Preußische Akademie der Künste geheten, op te geven. Max Liebermann trok zich hierna uit het openbare leven terug en overleed in Berlijn op 8 februari 1935.

De nalatenschap van Max Liebermann

Max Liebermann heeft gedurende zijn carrière veel getekend en zijn verzameling tekeningen van eigen hand was zeer omvangrijk. Volgens kunsthistorica Sigrid Achenbach heeft Max Liebermann vermoedelijk vele duizenden tekeningen nagelaten. Vele daarvan bevonden zich in volgetekende schetsboeken. Het is onbekend hoeveel tekeningen zich in 1935 in de nalatenschap van Max Liebermann bevonden en hoeveel daarvan Martha en Käthe afbeeldden.

Dat Martha Liebermann na de dood van haar man zijn werk ordende en van Nachlass-stempels voorzag, blijkt uit een brief die zij op 15 maart 1935 schreef in antwoord op een brief van de in Dresden woonachtige kunsthistoricus Max Lehrs. Hieruit blijkt dat Lehrs in zijn brief een verzoek overbracht van prins Johann Georg van Saksen met betrekking tot een niet nader gespecificeerd schetsboek dat mogelijk in handen was van Martha. In haar antwoord van 15 maart 1935 schreef Martha dat zij op dat moment samen met kunsthistoricus Erich Hancke doende was de inhoud van het atelier van haar overleden echtgenoot te inventariseren, met het doel een Nachlass-stempel aan te brengen op het nagelaten werk van haar man.

Uit haar antwoord blijkt tevens dat Max Liebermann de gewoonte had de betere tekeningen uit zijn schetsboeken te halen en deze in passe-partouts te plaatsen. Volgens Achenbach werd in de nog volledig intact aangetroffen schetsboeken de Nachlass-stempel slechts eenmaal aan de binnenzijde van het omslag aangebracht. Losse tekeningen werden ieder afzonderlijk van een dergelijke stempel voorzien. De op de voorzijde van de Tekening aangebrachte Nachlass-stempel duidt erop dat de Tekening zich na de dood van Max Liebermann in februari 1935 nog in zijn atelier bevond. Uit het feit dat de Nachlass-stempel op de voorzijde van de Tekening is aangebracht kan worden afgeleid dat de Tekening op dat moment geen deel meer uitmaakte van een schetsboek.

Vervolging van Martha door de nationaalsocialisten en haar pogingen om Duitsland te ontvluchten

In 1935 verhuisde Martha gedwongen naar een kleinere woning aan de Graf-Spee-Straße 23 te Berlijn. Het huis aan de Pariser Platz 7 werd aangehouden, al woonde Martha er niet meer. Dochter Käthe, die inmiddels getrouwd was met de niet-Joodse Duitse diplomaat en filosoof Kurt Riezler, vertrok na de Novemberpogrom van 1938 naar New York. Daar had haar man een betrekking aan de New School for Social Research geaccepteerd. Martha wilde Berlijn, met het graf van haar man, op dat moment nog niet verlaten.

In februari 1938 heeft Martha geprobeerd het huis aan de Pariser Platz 7 aan haar dochter te schenken, met het doel onteigening te voorkomen. De notariële akte waarin deze overdracht zou worden geregeld werd echter door de machthebbers niet geaccepteerd. Vanaf 6 december 1938 werd het Joden verboden zich op te houden aan de Pariser Platz. Hierdoor kon Martha de woning niet langer betreden. In dezelfde maand werd zij verplicht al haar zilver en sieraden af te staan. Op 14 december 1940 werd Martha gedwongen om de villa aan de Wannsee, die Max Liebermann in 1909 had laten bouwen, voor RM 160.000 te verkopen aan de Deutsche Reichspost. De verkoopopbrengst werd op een geblokkeerde rekening gestort en stond niet ter beschikking van Martha.

Vanaf het najaar van 1941 ondernam Martha verschillende pogingen om Duitsland te ontvluchten. Zowel Zweden als Zwitserland verleenden Martha inreisvisa, nadat vrienden zich garant hadden gesteld voor de kosten van haar levensonderhoud. Het Reichswirtschaftsministerium eiste echter CHF 50.000 aan Reichsfluchtsteuer in ruil voor een uitreisvisum. Ondanks pogingen daartoe is het Martha niet gelukt een definitief uitreisvisum te bemachtigen en heeft zij Duitsland niet kunnen ontvluchten.

Martha kreeg eind 1942 een beroerte en werd bedlegerig. Zij ontving nog hulp van een klein aantal mensen in haar omgeving. Op 4 maart 1943 schreef Martha aan de eveneens in Berlijn woonachtige Erich Alenfeld, die vanaf 1942 als Martha’s financiële en juridische adviseur fungeerde:
Verehrter, lieber Herr Alenfeld, Ich bin ganz auseinander! Die Bank hat nicht mal die kleine Summe gezahlt, ohne einen freundlichen Besuch wäre ich ohne Geld! – Dazu macht man mir von allen Seiten Angst wegen Abtransport! Ich erwarte Sie sehnlich, […] Dr. Landsberger sollte ja kommen!
Bitte, bitte Antwort
Ihre dankbare Martha L.

Met daaronder in het handschrift van Erich Alenfeld:
Abgeholt 5.III.43
Morgens!
Gift genommen! 

Het naschrift van Alenfeld maakt op indringende wijze duidelijk dat Martha’s brief van 4 maart 1943 haar allerlaatste zou zijn. Op 5 maart 1943 verscheen een politieagent bij de woning van Martha, met het doel haar op transport naar Theresienstadt te zetten. Martha had echter een overdosis slaapmiddel (Gift – vergif) genomen en lag in coma. Zij werd naar het Joodse ziekenhuis van Berlijn gebracht, waar zij op 10 maart 1943 overleed. Erich Alenfeld zorgde ervoor dat Martha op 23 maart 1943 werd begraven op de begraafplaats Weissensee. Op 26 maart 1943 werd haar volledige bezit door de Duitse staat geconfisqueerd. Op 31 maart 1943 werd het huis aan de Pariser Platz door de Gestapo in beslag genomen en op 4 september 1943 werd het huis aan de Graf-Spee-Straße “geräumt”.

Op 10 mei 1954 werd Martha Liebermann herbegraven naast haar man op de Joodse begraafplaats Schönhauser Allee, Berlijn.

Objectgegevens van de Tekening

De Tekening betreft een zwart-en-witkrijttekening op papier van de hand van Max Liebermann met afmetingen 368 x 296 mm, getiteld Dochtertje en vrouw van Max Liebermann, lezend aan een ronde tafel, gedateerd 1870-1935. De Tekening maakt sinds 1956 onderdeel uit van de Rijkscollectie en bevindt zich momenteel in het Rijksmuseum , onder inventarisnummer RP-T-1956-27(R). De Tekening is in 1956 door het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum aangekocht van Galerie Beyeler te Bazel, Zwitserland.

De Tekening beeldt aan de voorzijde een jong meisje en een vrouw af: Martha Liebermann en dochter Käthe. Beiden figureren talloze malen in de schetsboeken en tekeningen van Max Liebermann. Op de achterzijde (verso) van het blad zijn enkele huizen en een toren in waterverf afgebeeld, door het Rijksmuseum betiteld als Schets van een stadsgezicht, met inventarisnummer RP-T-1956-27(V).

Op de Tekening is linksonder een Nachlass-stempel aangebracht, letterlijk ‘nalatenschapsstempel’. Deze stempel komt overeen met de afgebeelde stempel in Matthias Eberles catalogue raisonné van Liebermanns schilderijen en olieverfstudies. Dergelijke stempels werden aangebracht om de authenticiteit van werken van een kunstenaar te bevestigen. Het is de stempel die Martha Liebermann en kunsthistoricus Erich Hancke kort na de dood van Max Liebermann gebruikten, om de werken op papier van de hand van Liebermann te waarmerken. 

Herkomstgeschiedenis van de Tekening: 1935-1945

De aanwezigheid van een Nachlass-stempel op de Tekening impliceert dat de Tekening in 1935 eigendom was van Martha Liebermann. Het staat verder vast dat de Tekening zich na de oorlog in Zwitserland bevond. Het onderzoek heeft niet uitgewezen hoe en op welk moment de Tekening in Zwitserland is terechtgekomen. Op 16 april 1956 is zij door het Rijksprentenkabinet van het Rijksmuseum bij Galerie Beyeler te Bazel aangekocht.

Het onderzoek heeft wel drie routes aan het licht gebracht waarlangs tekeningen van Max Liebermann tijdens de oorlog hun weg naar Zwitserland vonden. Hoewel niet bekend is of de Tekening een van deze routes heeft afgelegd, geven zij inzicht in de omstandigheden waaronder werken van Liebermann tijdens de oorlog in Zwitserland zijn terechtgekomen en daarmee in routes die mogelijk ook door de Tekening zijn afgelegd. De drie routes zijn: (1) verkoop via de kunsthandelaar Wolfgang Gurlitt; (2) verkoop door de Gestapo na confiscatie van Martha Liebermanns bezit; en (3) verkoop door Martha Liebermann zelf.

Route 1: Verkoop via Wolfgang Gurlitt 

Wolfgang Gurlitt was een Duitse kunsthandelaar en de neef van Hildebrand Gurlitt, een bekende museumdirecteur en kunsthandelaar die in opdracht van de Sonderauftrag Linz kunst voor Hitler aankocht. Wolfgang Gurlitt werkte ook als kunsthandelaar voor de Sonderauftrag Linz, maar bleek hierin niet zo bekwaam als zijn neef Hildebrand. Uit het onderzoek blijkt dat Wolfgang Gurlitt tijdens de oorlog actief betrokken was bij de aan- en verkoop van Joods bezit in Zwitserland, alwaar hij een uitgebreid handelsnetwerk onderhield. Vooral met kunsthandelaar/veilinghouder Theodor Fischer van Galerie Fischer in Luzern waren de banden hecht. Deze Zwitserse galerie is bekend door haar uitgebreide veilen van Joods bezit in Zwitserland tijdens de oorlog. Verder werkte Wolfgang Gurlitt vanaf 1940 voor het Duitse Reichsministerium für Volksaufklärung und Propoganda. Van dit ministerie kreeg hij de opdracht om kunstwerken in Zwitserland te verkopen.

Wolfgang Gurlitt had een bijzondere belangstelling voor het werk van Max Liebermann. Dit gold met name zijn grafische werk. Hij adviseerde anderen, onder wie Theodor Fischer, bij het aan- en verkopen van werken van Max Liebermann en verzamelde ook zelf. Kunsthistoricus Erich Hancke gaf in de zomer van 1948 in een brief aan kunstcriticus en publicist Karl Scheffler aan dat Gurlitt ongeveer 200 door Max Liebermann vervaardigde tekeningen van Martha Liebermann, kort voor haar dood, had gekocht:
Liebermann-Bilder sind hier sehr gesucht – sie waren es die ganze Zeit über, noch kurz vor Frau Liebermanns Tode hat ihr Gurlitt den Rest der vorhandenen Zeichnungen, ungefähr 200 Blatt, abgekauft.
Het is niet bekend of de Tekening zich daaronder bevond.

Uit het onderzoek blijkt dat Wolfgang Gurlitt ook bijzondere waardering voor de persoon van Martha Liebermann zelf lijkt te hebben gehad. Ter illustratie, in 1947 organiseerde hij een tentoonstelling ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van Max Liebermann in de Neue Galerie Linz. In de catalogus bij deze tentoonstelling is het aantal tekeningen waarop Martha Liebermann is afgebeeld, treffend. Gurlitts waardering voor Martha Liebermann blijkt ook uit de door hem geschreven introductie voor de tentoonstelling:
Aber man kann den Meister nicht ehren, ohne auch seiner Frau – Martha Liebermann – zu gedenken, die ihm treueste Lebensgefährtin und Anregerin war. Von Hunderten seiner Arbeiten spricht ihr Gesicht und leuchter ihre schőne, ausgeglichene Menschlichkeit. Sie wurde nach seinem Tode Hüterin und Bewahrerin seines Werkes, und still und unbeirrt folgte sie ihm freiwillig wenige Jahre später ins Jenseits als das Leben in Deutschland für sie immer unträglicher wurde. Auch ihrem Gedenken sei diese Ausstellung in treuer Freundschaft gewidmet.

In 1949 organiseerde Gurlitt een nieuwe tentoonstelling over Max Liebermann, waarbij tekeningen met het motief van moeder en dochter centraal stonden. Deze tentoonstelling vond plaats in het Kunstkabinet München der Galerie Wolfgang Gurlitt. Onder de tentoongestelde werken bevond zich een werk waarvan de omschrijving opvallende overeenkomsten met de Tekening vertoont: ‘Arbeitende Mutter und Kind, Rücks: Holländisches Dorf’ (een arbeidende moeder en kind met een Hollands dorp op het verso). Door het ontbreken van beeldmateriaal is het echter niet mogelijk om vast te stellen of dit werk de Tekening of een ander werk van de hand van Liebermann betrof.

Ook in 1954 werden werken van Max Liebermann, overwegend uit het bezit van Kunstkabinet München der Galerie Wolfgang Gurlitt, in Berlijn in de Bezinksamt Reinickendorf / Tempelhof Berlin tentoongesteld. Uit het onderzoek blijkt dat dit een verkooptentoonstelling betrof. Onder de tentoongestelde werken bevonden zich meer dan tachtig tekeningen die vaak het motief van Martha en/of Käthe Liebermann, dikwijls lezend, afbeeldden, waarvan ongeveer dertig met een Nachlass-stempel. Eventuele verdere documentatie en/of beeldmateriaal met betrekking tot deze tentoonstelling is niet achterhaald. Het is ook niet bekend wat er met de tentoongestelde werken is gebeurd.

Route 2: Confiscatie door de Gestapo

Na het overlijden van Martha Liebermann op 10 maart 1943 werd haar gehele nalatenschap door de Gestapo geconfisqueerd, waaronder ‘1 Posten Bleistiftzeichnungen etc’ en ‘3 Skizzenbücher’. De inbeslaggenomen tekeningen werden niet nader beschreven of afgebeeld en hun waarde is niet geschat.

Volgens onderzoek van de geallieerde Central Collecting Points, werd de gehele nalatenschap van Martha Liebermann kort na de confiscatie verkocht. Onder de door de Gestapo geconfisqueerde zaken die in 1945 in handen van de geallieerden terechtkwamen bevonden zich uitsluitend bedrijfsaandelen en financiële tegoeden. Het is onduidelijk wat er met de overige geconfisqueerde zaken is gebeurd, waaronder ‘1 Posten Bleistiftzeichnungen etc’.

Volgens een toenmalige medewerker van de Reichskulturkammer, Wilhelm R. Schmidt, bestonden er tijdens de oorlog plannen om geconfisqueerde werken van Max Liebermann in Zwitserland te verkopen. Dit blijkt uit een verklaring van Schmidt die wordt opgevoerd in een brief van de Senator für Finanzen van Berlijn van 15 juli 1953:
Er glaubt aber sagen zu kőnnen, dass der seinerzeitige Staatsrat Hinkel von der NSDAP […] ihm gegenüber bei einer Rücksprache geäuβert hat, dass er (also Hinkel) die Bilder des Professors Max Liebermann nach der Schweiz verkaufen wolle.

Het is onbekend of de Tekening deel uitmaakte van de niet nader gespecifieerde ‘1 Posten Bleistiftzeichnungen etc’ en/of volgens bovenvermelde plannen na confiscatie mogelijk in Zwitserland is verkocht.

Route 3: Verkoop door Martha Liebermann

Een derde mogelijke route waarlangs de Tekening in Zwitserland kan zijn terechtgekomen, is via verkoop door Martha Liebermann zelf.

Anti-Joodse maatregelen maakten het steeds moeilijker voor de in Berlijn woonachtige Martha om in haar levensonderhoud te voorzien. Na het uitbreken van de oorlog was zij dan ook noodgedwongen aangewezen op de verkoop van kunstwerken uit de nalatenschap van Max Liebermann om aan geld te komen om te kunnen overleven. Dit is door meerdere bronnen bevestigd, onder wie Irène Alenfeld, dochter van Martha’s goede vriend en financiële adviseur Erich Alenfeld. Zij beschrijft hoe haar vader Martha Liebermann hielp bij het verkopen van werken uit de nalatenschap van Max Liebermann om ‘Bargeld und Lebensmittel zu beschaffen’. Erich Alenfeld bevestigde ook zelf dat hij Martha Lieberman bij het verkopen van objecten ondersteund had om haar van levensmiddelen en geld te voorzien:
Das Schicksal der schönen Möbel, Bilder, insbesondere der Familienbilder, (…) ist mir unbekannt. Einen Teil der Sachen hatten wir heimlich verkauft, um die Mittel für Barreserven zu gewinnen (…).

Het staat vast dat Martha contact onderhield met kunsthandelaren en -verzamelaars in Zwitserland, met name met Walter Feilchenfeldt en Oskar Reinhart. Beiden waren Martha bij haar visumaanvraag voor Zwitserland behulpzaam geweest. Feilchenfeldt was bovendien een oude bekende van de familie Liebermann. Hij leidde van 1926 tot 1933 samen met Grete Ring, een nicht van Martha Liebermann, de Berlijnse kunsthandel Paul Cassirer. Feilchenfeldt emigreerde in 1933 naar Amsterdam en vanuit daar in 1940 naar Zwitserland. Al vanuit Amsterdam hielp hij Joodse klanten om hun bezit uit Duitsland naar Zwitserland over te brengen. Reeds in 1933 bracht Feilchenfeldt 14 schilderijen uit het bezit van Max Liebermann bij het Kunsthaus Zürich onder als ‘Depot Liebermann-Riezler’. In 1939 stuurde Feilchenfeldt de betreffende schilderijen naar Käthe en Kurt Riezler in New York.

De mogelijkheid van een verkoop van werken in Zwitserland door Martha zelf volgt met name uit de relatie die Walther Feilchenfeldt en Oskar Reinhart onderhielden met de in Zwitserland actieve Joodse kunsthandelaar Fritz Nathan. Nathan gold als een van de belangrijkste kunsthandelaren voor het verkopen van Joods bezit in Zwitserland tijdens de oorlog. Hij was tevens een bekende van Max Liebermann, die hem ooit een “weiβer Rabe unter den Kunsthändlern” noemde. Nathan trad tijdens de oorlog op als adviseur van verzamelaars, onder wie Reinhart, en stond Feilchenfeldt zakelijk bij. Omdat Feilchenfeldt in Zwitserland geen werkvergunning kon krijgen voerde hij, volgens de kleinzoon van Fritz Nathan, Johannes Nathan, transacties uit via Fritz Nathan en diens kunsthandel. Het bedrijfsarchief van Fritz Nathan is niet overgeleverd, waardoor niet bekend is om welke transacties het precies ging. Wel is bekend dat Fritz Nathan tijdens de oorlog van Theodor Fischer, van Galerie Fischer in Luzern, een ‘Sammlung von Zeichnungen und Graphik’ van Max Liebermann heeft aangekocht. Het is echter onduidelijk om welke prenten en tekeningen het hierbij gaat.

Herkomstgeschiedenis van de Tekening tussen 1945 en 1956 in Zwitserland

Mogelijke tentoonstelling van de Tekening in april/mei 1945 in Galerie Aktuaryus, Zürich
Bij het onderzoek is de mogelijkheid naar voren gekomen dat de Tekening tussen 8 april en 2 mei 1945 is tentoongesteld bij Galerie Aktuaryus te Zürich tijdens de tentoonstelling Ausstellung Max Liebermann (1847-1935) Gemälde – Handzeichnungen – Graphik. Als lot 50 in deze tentoonstelling wordt een tekening genoemd met de omschrijving Frau Liebermann lesend, rückwärts Dorfstraβe. De desbetreffende tekening is niet in de catalogus afgebeeld, waardoor identificatie niet mogelijk is. De tekening Frau Liebermann lesend, rückwärts Dorfstraβe werd bij de tentoonstelling te koop aangeboden. Het is echter onduidelijk of de tekening inderdaad is verkocht, omdat het bedrijfsarchief van Aktuaryus niet bewaard is gebleven. Uit het onderzoek blijkt dat de eigenaar van Galerie Aktuaryus, de Duits-Franse kunsthandelaar Toni Aktuaryus, regelmatig kunst van Joodse kunstenaars tentoonstelde, handelsbetrekkingen met zowel Walter Feilchenfeldt als Fritz Nathan onderhield, en Oskar Reinhart tot zijn klantenkring mocht rekenen.

Tentoonstelling van de Tekening in april 1956 in Galerie Beyeler, Bazel
De Tekening is tussen 13 maart en 15 april 1956 bij Galerie Beyeler te Bazel, Zwitserland, tentoongesteld bij de tentoonstelling Aquarelle, Zeichnungen, Gouachen, Skulpturen von 1856 bis 1956 als Lesendes Mädchen, Kohle und Bleistift, 36,5 x 29,5 cm. Mit Nachlassstempel. De Tekening is met afbeelding weergegeven in de tentoonstellingscatalogus. In de interne documentatie van Galerie Beyeler is bij het werk aangetekend: ‘verk. Rijksmuseum Amsterdam’. De galerie heeft te kennen gegeven niet over nadere informatie met betrekking tot de herkomst van de Tekening te beschikken.

4. Inhoudelijke beoordeling van het restitutieverzoek

Het staat vast dat Käthe Riezler na de oorlog verschillende restitutieverzoeken heeft gedaan, welke door de onderzoekers zijn bestudeerd. Geen daarvan heeft evenwel betrekking gehad op de Tekening. De commissie kan derhalve het verzoek, gelet op het bepaalde in § 1 a t/m e van het beoordelingskader, inhoudelijk in behandeling nemen.

Gelet op § 2 van het beoordelingskader moet de commissie beoordelen of in hoge mate aannemelijk is dat de Tekening eigendom was van Martha Liebermann en op grond van § 3 of voldoende aannemelijk is dat zij het bezit van de Tekening onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Hiertoe overweegt de commissie het volgende:

Eigendomsvereiste (§ 2 van het beoordelingskader)

De bij het onderzoek aangetroffen documentatie wijst uit dat Martha Liebermann en kunsthistoricus Erich Hancke het atelier van Max Liebermann kort na zijn overlijden in februari 1935 hebben geïnventariseerd, met het doel Nachlass-stempels aan te brengen op de door hem nagelaten werken. Aangezien de voorzijde van de Tekening is voorzien van een Nachlass-stempel, staat naar het oordeel van de commissie vast dat de Tekening tot de nalatenschap van Max Liebermann behoorde. Martha Liebermann was enige gerechtigde tot deze nalatenschap, zodat eveneens vast staat dat de Tekening na het overlijden van Max Liebermann eigendom was van Martha.

Dit betekent dat is voldaan aan het eigendomsvereiste van § 2 van het beoordelingskader.

Dit heeft tot gevolg dat de commissie nu de vraag moet beoordelen of ten aanzien van de Tekening sprake is van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Onvrijwillig bezitsverlies (§ 3 van het beoordelingskader)

Bij de beoordeling van de aard van het bezitsverlies geldt het uitgangspunt dat bezitsverlies door een Joodse particulier in Duisland na 30 januari 1933 als onvrijwillig dient te worden beschouwd, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Op grond van de vastgestelde feiten oordeelt de commissie dat van dit laatste geen sprake is.

Het is niet duidelijk hoe en op welk moment de Tekening uit het bezit van Martha Liebermann is geraakt en in dat van Galerie Beyeler te Zwitserland is gekomen. De commissie constateert dat er drie mogelijke routes zijn waarlangs de Tekening na 1935 uit het bezit van Martha Liebermann kan zijn geraakt. De commissie acht het niet van belang om te beoordelen welke van deze routes zij het meest waarschijnlijk vindt. Naar het oordeel van de commissie vertonen immers alle drie de routes overduidelijk kenmerken van onvrijwillig bezitsverlies.

De commissie stelt vast dat Martha Liebermann heeft geleden onder het naziregime en als gevolg van de anti-Joodse maatregelen over weinig financiële middelen beschikte en op de hulp van een beperkt aantal vrienden was aangewezen om te kunnen overleven. Zo mocht zij als gevolg van anti-Joodse maatregelen vanaf december 1938 het huis aan de Pariser Platz niet meer betreden. Als gevolg van de Verordnung über den Einsatz jüdischen Vermögens werd Martha in december 1938 verplicht al haar zilver en sieraden af te staan. In december 1940 dwongen de Duitse autoriteiten Martha tot verkoop van haar villa aan de Wannsee en werd haar de opbrengst van die verkoop onthouden. Hoewel Martha inreisvisa heeft kunnen bemachtigen voor Zweden en Zwitserland is het haar, ondanks pogingen daartoe, niet gelukt een definitief uitreisvisum te bemachtigen en heeft Martha Duitsland niet kunnen ontvluchten. Voornoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, doen de commissie concluderen dat voldoende aannemelijk is dat Martha Liebermann het bezit van de Tekening heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Conclusie ten aanzien van het verzoek om restitutie

De commissie concludeert dat het in hoge mate aannemelijk is dat de Tekening in eigendom toebehoorde aan Martha Liebermann en dat voldoende aannemelijk is dat zij het bezit van de Tekening onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Dit alles leidt ertoe, gelet op het beoordelingskader § 2 en § 3 (criterium 3.1 en onderdeel 2 van het slot van § 3), dat de commissie zal adviseren de Tekening te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Martha Liebermann.

5. Advies

De Restitutiecommissie adviseert de minister om de tekening Dochtertje en vrouw van Max Liebermann, lezend aan een ronde tafel van de hand van Max Liebermann die zich thans in het Rijksmuseum bevindt, te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Martha Liebermann

Aldus vastgesteld in de vergadering van 3 maart 2025 door A.I.M. van Mierlo (voorzitter),  D. Oostinga (plv. voorzitter), J.F. Cohen, S.G. Cohen-Willner, C.J.H. Jansen, J.J.Euwe en A. Marck, en ondertekend door de voorzitter en commissielid C.J.H. Jansen.

(A.I.M. van Mierlo, voorzitter)                     (C.J.H. Jansen, commissielid)