Kunsthandel Katz (B)

Kunsthandel Katz (B)

Dossiernummer: RC 1.90B

Soort advies: NK-collectie

Adviesdatum: 17 december 2012

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: Kunsthandel

Plaats bezitsverlies: In Nederland

NK 1668 – Man met hoge baret door F. Bol (foto: Museum Gouda)

  • NK 1668 - Man met hoge baret door F. Bol (foto: Museum Gouda)

het advies

Hierna volgt het advies van de Restitutiecommissie aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over een claim van X.X. en Y.Y., mede namens andere familieleden, op 189 kunstwerken uit de Nederlandse rijkscollectie. Zij verzoeken om teruggave van deze kunstwerken, die volgens hen tot de handelsvoorraad van de kunsthandel Firma D. Katz te Dieren (dan wel van N.V. Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz) hebben behoord en tijdens de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig zijn verloren. Firma D. Katz te Dieren was sinds 1930 eigendom van de broers Nathan en Benjamin Katz, vader en grootvader van respectievelijk X.X. en Y.Y.. De geclaimde 189 objecten uit de rijkscollectie, opgesomd in de tot dit advies behorende lijsten I t/m IV, zijn in bruikleen bij een groot aantal Nederlandse musea en overheidsinstellingen.

Ingevolge artikel 2 (lid 1 jo. lid 4) van haar Instellingsbesluit heeft de commissie tot taak de minister te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen waarvan de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren. Daarbij dient de commissie het regeringsbeleid terzake in acht te nemen, gebaseerd op aanbevelingen van de Commissie Ekkart uit 2001 en 2003.[1]

[1] De aanbevelingen zijn te raadplegen via http://www.herkomstgezocht.nl

A. De procedure

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) verzocht de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) bij brieven van 1 december 2004, 13 juni 2007 en 15 januari 2010 om advies over restitutieverzoeken van X.X. van 13 september 2004 en van 29 maart 2007 en over een restitutieverzoek van Y.Y. van 14 december 2009. Deze verzoeken zijn door de commissie in onderlinge samenhang onderzocht en samengevoegd in dossier RC 1.90.
(RC 1.21) Het eerste restitutieverzoek van X.X. (hierna ook: verzoekster) van 13 september 2004 betrof het schilderij NK 1789 en is op 1 december 2004 aan de commissie voorgelegd. De commissie registreerde het verzoek onder zaaknummer RC 1.21 en trad bij brief van 9 december 2004 in contact met verzoekster, waarop bij brief van 5 augustus 2005 een reactie volgde. De commissie stelde vervolgens een onderzoek naar de feiten in, waarvan de resultaten werden neergelegd in een conceptrapport van 21 augustus 2006. Dit rapport werd aan verzoekster toegezonden voor commentaar. Verzoekster vroeg daarop om diverse verlengingen van de reactietermijn, uiteindelijk tot 25 augustus 2007.

(RC 1.90) Verzoekster diende ondertussen bij brief van 29 maart 2007 een tweede restitutieverzoek in bij de minister, dat betrekking had op andere kunstwerken. Deze tweede claim werd geregistreerd onder zaaknummer RC 1.90. De commissie heeft in overleg met verzoekster vervolgens besloten zaak RC 1.21 op te laten gaan in zaaknummer RC 1.90 en feitenonderzoek ingezet naar de herkomstgeschiedenis van deze werken, de omstandigheden van het bezitsverlies tijdens de oorlog en naar de naoorlogse afhandeling van claims.

Tijdens het onderzoek kwam naar voren dat een aantal objecten tevens werd geclaimd in andere zaken die bij de commissie aanhangig zijn gemaakt. De advisering over deze claims werd aangehouden en het onderzoek is in onderlinge samenhang uitgevoerd. Mede in verband met de vertraging die andere zaken opliepen, heeft de commissie op 18 augustus 2008 besloten het dossier RC 1.90 te splitsen in twee deeldossiers, RC 1.90A en RC 1.90B. De commissie heeft dossier RC 1.90A afgehandeld in een afwijzend advies van 1 juli 2009. Dit advies betreft 31 kunstwerken waarvan na onderzoek niet was gebleken dat zij gedurende de bezettingsjaren in eigendom toebehoorden aan de kunsthandel Firma D. Katz of N.V. Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz. De commissie verwijst hiervoor naar haar advies inzake Katz met het dossiernummer RC 1.90A.

De minister heeft gedurende de procedure zijn adviesverzoek met betrekking tot een aantal kunstwerken ingetrokken in verband met het feit dat deze werken als gevolg van een eerdere restitutie, diefstal of vermissing geen onderdeel meer bleken uit te maken van de rijkscollectie.

Het onderhavige advies RC 1.90B betreft de overige 189 geclaimde objecten, opgesomd in de lijsten I t/m IV. Daaronder bevinden zich twee schilderijen die tevens worden geclaimd door andere verzoekers. Het betreft NK 2655, tevens geclaimd inzake Mautner (RC 1.89B) en NK 2924, tevens geclaimd inzake Arnhold (RC 1.61B). Het onderzoek in deze zaken is in onderlinge samenhang uitgevoerd. Gedurende de procedure hebben verzoekers over en weer kennis kunnen nemen van de bij het onderzoek door de commissie of door de respectieve verzoekers aangetroffen relevante feiten. De adviezen inzake Mautner en Arnhold worden gelijktijdig met het onderhavige advies vastgesteld.

Bij brieven van 22 oktober 2008 en 25 november 2008 heeft verzoekster gesteld dat zij voortaan mede optreedt namens de andere erfgenamen van haar vader Nathan Katz en namens de erfgenamen van Benjamin Katz. Daarbij meldde zij dat deze personen werden vertegenwoordigd door haar advocaten Tina Talarchyk en Philip ter Burg. In reactie op deze mededeling heeft de commissie, in verband met de tot dan toe ingenomen stelling van verzoekster dat de kunstwerken als privé-eigendom van Nathan Katz dienden te worden aangemerkt, bij brief van 20 augustus 2009 laten weten dat de erven van Benjamin Katz zelfstandig een restitutieverzoek bij de minister konden indienen.

Op 14 december 2009 meldde Y.Y. te V. (hierna ook: verzoeker), kleinzoon van Benjamin Katz, zich als verzoeker in de procedure RC 1.90B te willen voegen. Dit verzoek is door de minister bij brief van 15 januari 2010 voor advies aan de commissie voorgelegd en door de commissie ondergebracht in het onderhavige dossier RC 1.90B.

Op 22 januari 2010 deelde advocaat Thomas Kline (Andrews Kurth LLP) te Washington DC de commissie mee de vertegenwoordiging te hebben overgenomen van de eerdere advocaten en voortaan op te treden namens de gezamenlijke erfgenamen van de twee eigenaren van Kunsthandel Katz, Benjamin en Nathan Katz. Tevens meldde hij dat niet langer werd uitgegaan van de stelling dat de geclaimde kunstwerken privébezit van Nathan Katz zouden zijn. Bij brief van 30 juni 2010 zond Thomas Kline vervolgens kopieën toe van volmachten aan Y.Y., afgegeven door zestien personen die door Kline worden aangeduid als erfgenamen van Benjamin Katz.

Zowel door verzoekers als de commissie is uitgebreid (archief)onderzoek verricht in Nederland en het buitenland. Dit onderzoek werd bemoeilijkt door het ontbreken van administratieve gegevens van Firma D. Katz. In het kader van het onderzoek is op 12 oktober 2011 gesproken met de op xx yy 1919 geboren Z.Z., zoon van Nathan Katz, die de gebeurtenissen tijdens de oorlog meemaakte. Een verantwoording van het verrichte onderzoek en een overzicht van de belangrijkste geraadpleegde archieven en bronnen is weergegeven in de tot dit advies behorende lijst V.

Op 7 oktober 2010 heeft de commissie een eerste versie van haar onderzoeksrapport inzake RC 1.90B ter commentaar aan verzoekers toegestuurd en daarbij in het bijzonder om nadere informatie over de eigendom van de geclaimde kunstwerken gevraagd. Na verzocht en verleend uitstel hebben verzoekers bij brief van 29 april 2011 op het conceptonderzoeksrapport gereageerd. Zij hebben daarbij nadere informatie verstrekt, waaronder een memorandum van Lynn Nicholas en een rapportage van dr. Willi Korte. Mede op basis van deze informatie heeft de commissie nader onderzoek ingezet. De commissie heeft de gegevens verwerkt in een herziene versie van het onderzoeksrapport, die bij brief van 21 oktober 2011 aan verzoekers is toegestuurd. Op 16 december 2011 hebben verzoekers, na verzocht en verleend uitstel, hierop gereageerd en nadere stukken overgelegd, waaronder een tweede memorandum van Lynn Nicholas. De reacties van verzoekers maken deel uit van dossier RC 1.90B van de Restitutiecommissie. Na 16 december 2011 heeft de commissie op enkele punten wederom nader onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn toegezonden aan verzoekers, laatstelijk bij brief van 25 september 2012.

Het onderzoeksrapport, dat ten grondslag ligt aan het advies, is vastgesteld op 17 december 2012. Hierna volgt onder B een overzicht van de vastgestelde relevante feiten. Dit overzicht is een samenvatting van het onderzoeksrapport van de commissie. Het onderzoeksrapport wordt niet gepubliceerd in verband met privacy gevoelige informatie en een geheimhoudingsplicht van de commissie ten aanzien van gegevens uit een aantal niet-openbare archieven.
R. Herrmann heeft de commissie in deze zaak bijgestaan als adviseur.

B. Historisch overzicht

a. Inleiding
David Katz dreef aan het begin van de twintigste eeuw een antiekhandel in het dorp Dieren bij Arnhem. Ook zijn vier zoons waren actief in de kunst- en antiekhandel. Twee van hen, Nathan en Benjamin Katz, zetten volgens gegevens uit het handelsregister in 1930 hun activiteiten voort als een vennootschap onder firma met de naam van de zaak van hun vader, die inmiddels zou zijn opgehouden te bestaan. Deze kunsthandel, Firma D. Katz, was gedurende de jaren dertig gevestigd op diverse adressen in Dieren. Twee andere broers, Abraham Katz en Simon Katz, waren eveneens actief in de kunst- en antiekhandel. Voor zover de commissie heeft kunnen vaststellen waren zij geen firmanten van Firma D. Katz te Dieren, maar handelden zij gedurende de jaren dertig op eigen titel in Apeldoorn, Dieren en Den Haag.

De broers Nathan en Benjamin waren zeer succesvol en de reputatie van hun bloeiende onderneming groeide. Nathan Katz was de drijvende kracht achter de handel in schilderijen. Daarbij werd het perspectief verlegd tot buiten de landsgrenzen. Schilderijen werden ingekocht in onder meer Engeland, zoals bijvoorbeeld uit de Cook collectie, en er werd intensief samengewerkt met kunsthandelaren in de Verenigde Staten. Ook kocht Nathan Katz werken aan in opdracht van verzamelaars, zoals in 1940, toen hij diverse werken uit de Cook-collectie verwierf, onder meer ten behoeve van de Rotterdamse havenmagnaten D.G. van Beuningen en W. van der Vorm. Kort voor de Duitse inval in mei 1940 opende de firma een filiaal aan het Lange Voorhout 35 te Den Haag.

b. Na de Duitse inval
In de jaren na de Duitse inval werd de Nederlandse kunstmarkt door de geleidelijke opheffing van handels- en deviezenbeperkingen opnieuw een belangrijke markt voor Duitse kopers. De kunsthandel, die als gevolg van de economische crisis van de jaren dertig jarenlang te maken had gehad met een praktisch onverkoopbare voorraad, kreeg mede hierdoor een sterke impuls. De kunsthandel bloeide op en de prijzen van schilderijen stegen explosief. Zowel Adolf Hitler als Hermann Göring hechtten groot belang aan de opbouw van een hoogwaardige kunstcollectie en stuurden hun vertegenwoordigers langs bij Nederlandse kunsthandelaren. Voor zover bekend vond het eerste contact tussen deze Duitse kopers en de broers Katz plaats in de eerste weken en maanden van de bezetting. Benjamin Katz verklaarde na de oorlog over de stemming: ‘Na de inval van de Duitsers waren wij angstig voor het verloren gaan van ons bezit omdat wij Joden waren. In sommige gevallen werden wij verplicht, maar dat was niet direct, om belangrijke stukken aan de Duitsers te verkopen’.
De kunstwerken die onderwerp zijn van de onderhavige claim zijn in meerderheid verworven door vertegenwoordigers van Adolf Hitler en Hermann Göring, en door Alois Miedl, een Duitse speculant en handelaar die nauwe banden onderhield met Göring.

c. Koper Alois Miedl
In juni of juli 1940 kwamen de gebroeders Katz in contact met Alois Miedl, die op dat moment verwikkeld was in de overname van kunsthandel J. Goudstikker N.V. te Amsterdam. Miedl had aan Katz te kennen gegeven dat hij interesse had om schilderijen te kopen, waartoe de broers bereid bleken. De daaropvolgende onderhandelingen werden gehouden te Utrecht. Daarbij trad Nathan Katz op als voornaamste onderhandelaar namens de Firma D. Katz. Na de oorlog verklaarde zijn broer Benjamin over het verloop van de besprekingen: ‘Mijn broer heeft met de Heer Miedl altijd prettig onderhandeld en, toen wij in begin Augustus 1940 het definitieve contract sloten, hadden wij geen bijzondere vrees voor enige actie zijnerzijds’. Op 2 augustus 1940 sloten Miedl en de broers een overeenkomst waarbij Miedl ruim 500 schilderijen, waarschijnlijk het grootste deel van de handelsvoorraad van de Firma D. Katz, kocht voor NLG 1.822.500. Uit naoorlogs onderzoek kan worden afgeleid dat de onderneming dit bedrag enkele weken later op haar bankrekeningen heeft ontvangen.
Benjamin Katz verklaarde na de oorlog: ‘In het begin dachten mijn broer en ik, dat de Heer Miedl onze heele zaak leeg wilde koopen en naderhand is mij gebleken, dat dit niet het geval was, want dat Miedl slechts een deel van mijn voorraad wilde hebben. Het is dus niet zoo, dat de Heer Miedl onze heele voorraad wilde koopen en daardoor ons als Joden de mogelijkheid wilde ontnemen om verder onze kunsthandel te drijven’. Tevens verklaarde Benjamin Katz dat de koopprijs van de transactie op 2 augustus 1940 inderdaad door Miedl was betaald en dat het bedrag was ontvangen: ‘De koopprijs van de groote partij schilderijen, die wij op 2 Augustus 1940 aan Miedl verkochten, is ons betaald via de Amsterdamsche en Rotterdamsche Bank. Wij kregen bij die banken dus een bedrag van ruim f. 1.800.000.- op ons saldo bijgeschreven’. Over het al dan niet aanwezig zijn van dwang bij de verkopen verklaarde Benjamin Katz na de oorlog: ‘De Heer Miedl heeft op mij en mijn broer nooit dwang uitgeoefend om schilderijen te verkoopen, die mijn broer en/of ik niet wilde verkoopen. De Heer Miedl heeft ons nooit bedreigd met de overigens wel door de Duitschers tegen de Joden genomen maatregelen’. Wel hadden de omstandigheden van de bezetting een rol gespeeld bij de beslissing om een grote partij schilderijen in één keer te verkopen. Benjamin Katz verklaarde hierover: ‘Ik wil nog opmerken, dat ik – wanneer er in Nederland geen Duitsche bezetting was geweest en wanneer er een willekeurige kooper was gekomen – mijn broer en ik er niet over gedacht zouden hebben een zoo groote partij schilderijen bij één transactie te verkoopen’. Ook merkte hij op: ‘Wij waren er meer in het algemeen van overtuigd, dat er voor ons niets anders opzat dan te verkopen aan de Duitsers wat zij verlangden’.
Na de grote transactie van augustus 1940 bleven Nathan Katz en Miedl met elkaar in contact. Benjamin Katz verklaarde na de oorlog dat hijzelf Miedl maar een aantal keren had gesproken, maar dat zijn broer Nathan geregeld met Miedl sprak. Benjamin Katz gaf aan dat zijn indruk was ‘dat Miedl en Nathan goede zakenvrienden van elkaar waren’. Nathan Katz sloot nog diverse kleinere transacties met Miedl, waarover Benjamin Katz na de oorlog verklaarde:‘Ook bij deze latere, veel kleinere, transacties, heeft de Heer Miedl voor zoover ik weet nooit pressie op mijn broer uitgeoefend of bedreigingen geuit’. In 1941 zouden Nathan Katz en zijn gezin door Miedl zijn geholpen om te ontsnappen tijdens een razzia. Miedl zou hen in zijn huis hebben verborgen tot het weer veilig was om terug te keren naar Arnhem. Benjamin Katz verklaarde hierover na de oorlog: ‘In 1941 heeft de Heer Miedl zelfs eens mijn broer Nathan met vrouw en kinderen, toen zij door de Duitschers achterna gezeten werden bij een Jodenrazzia in den Haag, helpen ontvluchten’.

d. Führermuseum te Linz: koper Hans Posse
Rond dezelfde tijd dat Katz in contact kwam met Miedl, in de maanden na de Duitse inval, bracht dr. Hans Posse zijn eerste bezoek aan de kunsthandel. Posse was een bekend kunsthistoricus, en vanaf 1910 directeur van de Staatliche Gemäldegalerie Dresden. Posse had in 1939 van Adolf Hitler de bijzondere opdracht gekregen om de collectie van het op te richten Führermuseum te Linz samen te stellen. Deze taak en de ter vervulling daarvan gevormde
(informele) organisatie worden aangeduid als de Sonderauftrag Linz. In Nederland werd Posse aanvankelijk ondersteund door een medewerker van het Auswärtiges Amt, Felix Wickel. In de loop van 1942 kreeg hij tevens ondersteuning van een Duitse kunsthistoricus, dr. Erhard Göpel. Beiden waren in Nederland aangesteld bij het Referat Sonderfragen, een afdeling van het Generalkommissariat zur besonderen Verwendung, dat werd geleid door NSDAP-afgevaardigde Fritz Schmidt. De afdeling hield zich in de praktijk bezig met het beïnvloeden van de betrekkingen tussen Nederland en Duitsland op cultureel gebied en met het vergaren van inlichtingen, onder meer ten behoeve van de Sonderauftrag Linz. Uit het onderzoek blijkt dat de nazi-autoriteiten Nathan Katz beschouwden als één van hun belangrijkste contacten op de Nederlandse kunstmarkt. Ook blijkt dat de broers door de Duitsers werden ingezet als tussenpersoon om kunstwerken te verwerven bij personen die niet (direct) wilden handelen met de bezetter, al dan niet om principiële redenen, maar die wel bereid waren om te verkopen aan een joodse kunsthandelaar (zie ook hieronder, punt i).
Bij zijn eerste bezoek aan Kunsthandel Katz toonde Posse interesse voor enkele tientallen kunstwerken. Katz stuurde op 29 juni 1940 een offerte aan Posse waarop 25 schilderijen waren vermeld en schreef: ‘Bezugnehmend auf Ihren geschätzten Besuch an unsere Filiale in Haag danken wir Ihnen noch sehr für die grosze Ehre, die Sie uns damit erwiesen haben’. Posse besloot om 17 van de 25 geselecteerde kunstwerken daadwerkelijk aan te kopen. Op 19 juli 1940 bevestigde Katz de verkoop ter waarde van NLG 358.000, waarbij hij aangaf op meer zaken te hopen: ‘Wir danken Ihnen sehr für die Tätigung dieses Geschäftes und hoffen recht gern, dass solchens einen Anlass zu weiteren Geschäften geben wird’. Op 24 juli 1940 berichtte Posse aan Hitlers privésecretaris Martin Bormann dat hij verwachtte dat de door hem in Nederland ‘neu angeknüpften Beziehungen fortlaufend weitere Erwerbungsmöglichkeiten von bedeutenden Stücken ergeben werden’.
Er volgden inderdaad meer aankopen. Tot het in liquidatie treden van de kunsthandel in februari 1941 verhandelde Firma D. Katz voor ruim NLG 1.1 miljoen aan kunstwerken met Posse ten behoeve van het Führermuseum. Uit naoorlogse documenten kan worden afgeleid dat de verkoopbedragen aan de firma zijn overgemaakt en ontvangen. Ook kan uit de aangetroffen archiefstukken worden afgeleid dat Posse en zijn medewerkers in de maanden na het in liquidatie treden van de firma de diensten van Nathan Katz actief bleven inzetten ten behoeve van hun opdracht. Zo werd van Nathan Katz verwacht dat hij inlichtingen verschafte wanneer hij interessante kunstwerken op het spoor kwam, of dat hij deze werken meteen voor Posse aankocht. In oktober 1940 had Nathan Katz al de instructie van Wickel gekregen om bijzondere vondsten direct telegrafisch aan Posse te melden. Hij mocht daarvoor gebruik maken van de voorzieningen in Wickels kantoor. Daarnaast had Posse zijn zinnen gezet op de aankoop van de collectie van de van oorsprong Zwitserse chirurg prof. dr. Otto Lanz, die in 1935 te Amsterdam was overleden. In de loop van 1940 raakte Nathan Katz, ten behoeve van de mogelijke aankoop door Posse, nauw betrokken bij de onderhandelingen over de verkoop van deze collectie van Lanz.

e. Koper Hermann Göring
Ook Rijksmaarschalk Hermann Göring kocht kunstwerken bij Firma D. Katz, zij het in minder grote hoeveelheden dan Miedl en Posse. Waarschijnlijk verliepen de meeste transacties met Göring via diens inkoper, Walter Andreas Hofer, een kunsthandelaar die goed bekend was met de Nederlandse kunstmarkt, aangezien hij in de jaren twintig enige tijd directeur was geweest van de Haagse kunsthandel van zijn joodse zwager Kurt Walter Bachstitz. Hermann Göring heeft het filiaal van de Firma D. Katz te Den Haag ten minste ook eenmaal persoonlijk bezocht. Hij kocht bij die gelegenheid drie waardevolle kunstwerken aan uit het bezit van H.E. ten Cate uit Almelo, waarbij Nathan Katz optrad als bemiddelaar. Vermoedelijk vond dit bezoek plaats op of rond 27 september 1940. De zoon van Nathan Katz heeft hierover tijdens het gesprek met de commissie verklaard dat zijn vader tijdens het bezoek van Göring door de spanning onwel werd.

f. Arisering kunsthandel
In september 1940 begonnen er geruchten te circuleren dat het bezettingsbestuur zou beginnen met het onteigenen van joodse ondernemingen. Posse en zijn medewerkers toonden zich evenwel tevreden over de diensten die de firma Katz hun tot dan toe had bewezen. Om te voorkomen dat de levering van schilderijen ten behoeve van de collectie van Hitler zou haperen, bewerkstelligde Posse dat de Firma D. Katz bij de Wirtschaftsprüfstelle, een afdeling van het Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft die onder meer verantwoordelijk was voor de registratie van joodse ondernemingen, werd geregistreerd als onderneming die met terughoudendheid diende te worden behandeld wanneer de beperkende maatregelen werden ingevoerd.

Op 22 oktober 1940 werd verordening 189/1940 uitgevaardigd, waarin werd bepaald dat alle joodse ondernemers hun bedrijven voor 30 november 1940 dienden te laten registreren bij de Wirtschaftsprüfstelle. Op 12 maart 1941 werd deze verordening gevolgd door verordening
48/1941, de zogenaamde ‘Wirtschaftsentjüdungs-verordening’. Kort voor het in werking treden van deze verordening werd de kunsthandel op aanwijzing van de Wirtschaftsprüfstelle geariseerd. Per 17 februari 1941 trad de Firma D. Katz dientengevolge in liquidatie. De vereffenaar was de advocaat van de broers, mr. Cornelis de Kempenaer uit Arnhem. Per 1 juni 1943 werd de firma opgeheven. Gelijktijdig met het in liquidatie treden van de firma werd een nieuwe ‘arische’ onderneming opgericht, de N.V. Schilderijen- en Antiquiteitenhandel v/h Firma D. Katz. Op 19 mei 1941 werd de oprichting van de N.V. vermeld in het bijvoegsel bij de Nederlandsche Staatscourant. De N.V. werd geleid door de directeuren jhr. dr. J.L.A.A.M. van Rijckevorsel en mr. H.E. Tenkink, die waarschijnlijk tot dat doel waren aangezocht door de broers. Als commissaris werd de Duitser dr. H.O. Behrens aangesteld, die blijkens aangetroffen documentatie werkzaam was voor het Referat Sonderfragen. Nathan en Benjamin Katz bleven tegen een salaris in dienst als adviseur van de onderneming. Eén van de eisen van de Wirtschaftsprüfstelle was dat het aandeel van de gebroeders Katz in de opbrengst van de Firma D. Katz terecht zou komen op een geblokkeerde rekening bij de Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstalt.
Op 8 augustus 1941 trad verordening 148/1941 in werking, ook wel de eerste Liro-verordening genoemd. In deze verordening werd bepaald dat joden hun banktegoeden van meer dan NLG 1000 over dienden te maken naar de roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co, Sarphatistraat te Amsterdam. Op voorspraak van Posse ontvingen Nathan, Benjamin en Abraham Katz tijdelijke vrijstelling van deze plicht, aanvankelijk voor de duur van een maand.

g. Reizen naar Zwitserland
Om de besprekingen met de familie Lanz in het kader van de hierboven onder d vermelde aankoop van de collectie Lanz ten behoeve van Posse een nieuwe impuls te geven, werd eind 1940 besloten dat Nathan Katz een bezoek diende te brengen aan Zwitserland, waar de weduwe van Lanz verbleef. Hiertoe regelde Wickel in opdracht van Posse een visum. Er zou geen gevaar zijn dat Nathan Katz niet zou terugkeren uit Zwitserland, want ‘Das Vermögen von Katz sowie seine Frau und Kinder bleiben hier und befinden sich unter deutschem Zugriff’. Begin maart 1941, twee weken nadat de Firma D. Katz in liquidatie was getreden, verbleef Nathan Katz een week lang te Basel. Mogelijk overwogen de broers op dat moment om Nederland definitief te ontvluchten, want verzoekers hebben de commissie een kopie toegezonden van een brief die één van de broers op 1 maart 1941 aan een advocaat in de Verenigde Staten zou hebben gestuurd, waarin te lezen is: ‘(…) if the situation with us becomes still worse, we have plans to come to America; in fact this might happen quite soon’.
Kort nadat Nathan Katz was teruggekeerd in Nederland vond Posse het wenselijk dat Nathan Katz opnieuw een bezoek bracht aan Zwitserland. In mei 1941 werd door tussenkomst van Hitlers rechterhand Martin Bormann en de chef van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) Reinhard Heydrich toestemming geregeld. Het duurde enige tijd om de formaliteiten rond te krijgen, maar op 18 juli 1941 vertrok Nathan Katz opnieuw naar Zwitserland, waar hij ruim twee weken verbleef. Uit correspondentie kan worden afgeleid dat hij zich daar onder meer bezighield met het verkennen van de Zwitserse kunstmarkt. Ook probeerde hij zijn zoon toegelaten te krijgen tot de Universiteit van Basel. Terug in Nederland rapporteerde Nathan Katz op 9 augustus 1941 aan Posse over zijn bevindingen met betrekking tot de kunstmarkt in Zwitserland en sloot foto’s van schilderijen bij die mogelijk interessant waren voor Posse. Daaronder bevond zich een schilderij van Rembrandt, destijds omschreven als Portret van Raman, waarvoor Posse grote interesse bleek te hebben, maar dat hij vanwege een nijpend gebrek aan Zwitserse deviezen niet kon aankopen.

h. Uitreisplannen
Nathan Katz heeft waarschijnlijk in augustus of september 1941 aan Posse of diens medewerkers kenbaar gemaakt dat hij Nederland definitief wenste te verlaten (het formele emigratieverbod voor joden dateert van oktober 1941). Of Nathan Katz daarvoor toestemming verleend diende te worden, hing volgens Wickel voornamelijk af van de vraag in hoeverre Posse hem nog nodig had. Op 19 september 1941 schreef Wickel een brief aan Posse, waarin hij hem vroeg om te besluiten ‘ob bezw. inwieweit und wie lange Sie N.K. [Nathan Katz, RC] hier noch nötig haben’. Daarbij meldde Wickel dat de recentste verordeningen van het nazibestuur een substantiële verscherping van anti-joodse maatregelen inhielden, zodat een verdere ontheffing daarvan voor Nathan Katz nodig zou zijn om hem in staat te stellen zijn werkzaamheden ten behoeve van Hitler min of meer normaal voort te zetten. De herhaalde verzoeken die Wickel in opdracht van Posse daartoe indiende, leverden echter wrevel op binnen delen van het Nederlandse bezettingsbestuur. Wickel verkeerde daarbij in een kwetsbare positie, omdat hijzelf deels van joodse afkomst was. Op 8 oktober 1941 schreef Posse aan Wickel: ‘Sicherlich ist es weder für Sie noch für mich ein reines Vergnügen. Aber wir brauchen die Leute vorläufig noch im Interesse unseres Auftrags’. Wickel stelde aan Posse voor om de uitreis van Nathan Katz binnen een termijn van drie à vier maanden te laten plaatsvinden. Zijn broers Benjamin en Abraham Katz zou een soortgelijk voorstel voorgelegd moeten worden. Als zij dit zouden afwijzen, zouden zij vanaf 15 oktober 1941 geheel onder de geldende anti-joodse verordeningen komen te vallen, aldus Wickel. Rond dezelfde datum verlieten de eerste deportatietreinen Wenen, Praag, Luxemburg en Berlijn.
Waarschijnlijk gingen de broers akkoord met dit voorstel. In november 1941 probeerde Nathan Katz een doorreisvisum voor Zwitserland te verkrijgen met het doel van daaruit via Cuba door te reizen naar de Verenigde Staten. Als borgstelling, een door de Zwitserse autoriteiten gevraagde garantie dat hij de Zwitserse overheid niet tot last zou zijn, stortte hij enkele grote geldbedragen in Zwitserland. Op 13 november 1941 wendde Nathan Katz zich in een brief tot Posse over zijn binnenlandse bezittingen, ‘das Ergebnis einer harten und mühevollen Lebensarbeit’. Het merendeel van zijn bezittingen zou hij naar verwachting achter moeten laten in Nederland, maar in zijn brief vroeg hij om een geldbedrag en verschillende goederen, variërend van juwelen tot schilderijen, mee te mogen nemen om een nieuw bestaan op te kunnen bouwen. Volgens Nathan Katz had zijn ‘mir Ihrerseits stets erwiesene Hilfsbereitschaft’ hem de moed gegeven om persoonlijk te vragen of hij bij de betreffende autoriteiten een welwillende behandeling kon bewerkstelligen. Daarbij betoogde Nathan Katz dat hij aannam dat ‘meine Dienste auch in der Zukunft für Sie von Nutzen sein und von Ihnen in Anspruch genommen worden können’, op grond waarvan hij hoopte dat het voor Posse mogelijk zou zijn om toestemming te regelen bij de verantwoordelijke instanties.
Enkele dagen na ontvangst van de brief van Katz overlegde Posse met Generalkommissar Schmidt over de kwestie, waarbij hij voorstelde het vertrek van Nathan Katz zo eenvoudig mogelijk te laten verlopen. Van Benjamin Katz, die voorlopig in Nederland achterbleef, werd verwacht dat hij verdere werkzaamheden voor Posse zou verrichten. Het afwikkelen van de formaliteiten strandde enkele malen in de bureaucratie, maar ondanks deze weerstand zette Posse zijn steun aan de uitreisplannen van Nathan Katz en diens gezin door. Nadat op 16 januari 1942 een inreisverzoek door de Zwitserse autoriteiten was geweigerd, werd op 2 februari 1942 alsnog toestemming verleend voor een tijdelijk verblijf, aanvankelijk voor 14 dagen. Voorafgaand aan zijn vertrek liet Nathan Katz zijn huisraad, waaronder kunstwerken, opslaan bij het meubelopslagbedrijf De Gruyter te Arnhem. Waarschijnlijk kwam het gezin op 11 februari 1942, na een door de zoon van Nathan Katz als ‘angstig’ gekarakteriseerde treinreis, aan in Zwitserland. Enkele weken later bezocht Posse Nathan Katz en de inmiddels naar Zwitserland vertrokken directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie dr. Hans Schneider in Zwitserland en rapporteerde op 30 maart 1942 aan Wickel dat Nathan Katz in Zwitserland voor hen werkte: ‘Ich habe in der Schweiz eine ganze Menge sehr schöne dingen erworben. N.K. [Nathan Katz, RC] bin ich zweimal begegnet; er arbeitet für uns’.

i. Na het vertrek van Nathan Katz
Na het vertrek van Nathan Katz uit Nederland nam zijn broer Benjamin de werkzaamheden voor Posse op zich. Op 10 april 1942 meldde hij aan zijn broer: ‘Ik heb nog eenige zeer belangrijke schilderijen kunnen krijgen voor Dr. P. en verwacht hem dan ook spoedig. Dus alles loopt goed’. Bij Posse was ondertussen een ernstige vorm van kanker vastgesteld. Ter ondersteuning van zijn opdracht kreeg hij assistentie van dr. Erhard Göpel, die in Nederland toezicht zou gaan houden op de kunsthandel. Posse was hiermee ingenomen, omdat hij de Nederlandse kunstmarkt van groot belang achtte: ‘Es wäre tief bedauerlich, wenn eine unserer schönsten Weiden infolge des Abflusses von NK [Nathan Katz, RC] trockengelegt und unsere Kühe infolgedessen keine Milch mehr geben würden’. De bewegingsvrijheid van Benjamin Katz werd echter door de anti-joodse maatregelen sterk beperkt. Wickel meldde aan Posse ‘daß Juden keine Personenwagen mehr gebrauchen dürfen, sein Verfügungsrecht über sein Vermögen läuft demnächst ab; seine Erlaubnis zur Besichtigung von Ausstellungen, Museen etc. ist bereits abgelaufen, er benötigt seinen Sohn, da er die eine und andere Verbindung nicht allein aufrecht erhalten kann, und dieser braucht dann auch wieder Ausweise’. Ook meldde Wickel dat joden bovendien verplicht werden een ster te dragen. Omdat Posse vanwege zijn ziekte geen steun had kunnen verlenen aan pogingen om de benodigde ontheffingen te verkrijgen, was het Wickel niet gelukt deze op tijd te regelen.
Op 17 mei 1942 schreef Benjamin Katz aan zijn broer in Zwitserland dat de zaken naar wens gingen, ‘maar veel zorgen in deze tijd. Dat begrijp je wel. Dat ik overal alleen voor sta als er wat te regelen is, valt dit niet mee. Het wordt natuurlijk slimmer en dat drukt (…) Ik hoop dat ik je spoedig de hand kan drukken, want ik ben erg moe, maar zal proberen door te zetten’. Op 26 juni 1942 schreef een vriend van Nathan Katz hem een brief waarin hij over Benjamin Katz schreef: ‘Gisteren was je oudste broer even bij me, om eens bij te praten. Hij ziet er beter uit, maar vindt de geregelde reizen naar het Haagje [Den Haag, RC] niet bijzonder prettig. Hij kan zich nu beter begrijpen, dat jij daar een moeilijke tijd hebt gehad’. In de weken daarna begonnen in Nederland de eerste grote deportaties. Op 15 juli 1942 vertrok het eerste transport vanuit Westerbork naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau.
Uit de aangetroffen documentatie kan worden afgeleid dat Benjamin Katz van het Duitse bestuur diverse vrijstellingen verkreeg om hem het werken mogelijk te maken, waaronder een vrijstelling van de verplichting een ster te dragen. Bij het herhaaldelijk regelen van de vrijstellingen voor Benjamin Katz traden echter in toenemende mate moeilijkheden op. Generalkommissar Schmidt beoogde in juni 1942 een verlenging voor onbepaalde tijd, maar Reichskommissar Seyss Inquart stond slechts toe dat de dispensatie met een maand werd verlengd. Ook dienden de broers binnen enkele weken een gedetailleerde vermogensspecificatie in te leveren. Op grond hiervan besloot Seyss-Inquart in augustus 1942 dat zij (analoog aan de oorspronkelijke regeling tot betaling van Reichsfluchtsteuer in Duitsland) een kwart van hun vermogen dienden in te leveren bij de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co, Sarphatistraat. Met veel moeite lukte het Göpel uiteindelijk om de vrijstellingen alsnog tot 1 oktober 1942 te verlengen. In een brief betoogde Göpel tot dit doel: ‘Die Privatmittel von Herrn B. Katz dienen vorläufig noch immer zu Vorfinanzierungen gewisser Ankäufe, die diskret erfolgen müssen, und ohne daß die Holländer erfahren, wer hinter diesen Käufen steht. Die Erfahrungen des letzten Monats haben leider bestätigt, daß dieser Umweg immer noch eingeschlagen werden muß’.

j. Uitreis familie Katz
Op 5 augustus 1942 schreef Göpel dat een uitreis van 25 familieleden van de familie Katz werd beoogd en in principe was goedgekeurd, maar dat de praktische uitvoering daarvan waarschijnlijk nog wat voeten in de aarde zou hebben. Er werden in deze periode door diverse personen, onder meer in de kring rond Kunsthandel Katz, pogingen gedaan om joden te laten uitreizen naar of via Zwitserland in ruil voor de levering van schilderijen. Onder de personen die op deze wijze het land wilden ontvluchten, bevonden zich waarschijnlijk ook de latere directeur van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) dr. A.B. de Vries en zijn familie (zie hierna onder n). Bij de plannen, die waarschijnlijk talloze malen zijn gewijzigd en waarvan niet bekend is in hoeverre deze uiteindelijk zijn uitgevoerd, waren vermoedelijk leden van familie Lanz en dr. Hans Schneider betrokken.
Vermoedelijk heeft Benjamin Katz eind september 1942 het Portret van Raman van Rembrandt, dat door Nathan Katz eerder in Zwitserland aan Posse was getoond en waar deze zijn zinnen op had gezet (zie onder g), aan Posse toegezegd in het geval hij met zijn familie veilig het land zou kunnen verlaten. Uiteindelijk is het inderdaad tot een dergelijke ruil gekomen (zie voor de naoorlogse restitutie van het Portret van Raman onder n).
De massale deportaties en razzia’s, waarbij joden werden opgepakt en uit hun huizen werden gehaald, waren ondertussen in volle gang. Uit brieven kan worden afgeleid dat Benjamin Katz in deze periode onder grote druk stond: ‘Mijn kop zit totaal vol. Zoveel komen bij mij om te helpen, maar dat kan niet allemaal’. Op 23 september 1942 berichtte een assistent van Martin Bormann aan Posse dat het Benjamin Katz en 25 familieleden toegestaan werd om uit te reizen naar Zwitserland, maar dat grote haast was geboden, omdat deze situatie snel weer zou kunnen veranderen. Ondertussen probeerde de advocaat van de broers uitreismogelijkheden te regelen voor diverse vrienden en bekenden, waarbij een beroep op Nathan Katz werd gedaan om financiële middelen ter beschikking te stellen en visa te regelen. Naast Benjamin Katz verkeerden ook andere familieleden in deze periode in grote spanning en onzekerheid. Op 13 oktober 1942 berichtte Schneider over Nathan Katz aan Wickel: ‘Die Sorge um seine Verwandten setzt ihm furchtbar zu und hofft er, dass diese und namentlich seine Schweigereltern inzwischen geschützt wurden und davon auch Kenntnis erhalten haben’.
Hoewel aanvankelijk gesproken werd over een uitreis naar Zwitserland, vertrok de groep met Benjamin Katz uiteindelijk op 20 oktober 1942 per trein naar Spanje. Nathan Katz had vanuit Zwitserland de benodigde visa geregeld. Net als zijn broer liet Benjamin Katz zijn huisraad voor vertrek opslaan bij de firma De Gruyter te Arnhem. Tijdens de treinreis naar Spanje werd de groep begeleid door de plaatsvervangend chef van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung te Amsterdam, Ferdinand Hugo Aus der Fünten, en de chef van de SD te Amsterdam, Willy Lages, twee van de belangrijkste uitvoerders van de deportatie van joden uit Amsterdam. Hun aanwezigheid diende vermoedelijk als waarborg ter voorkoming van de mogelijkheid dat de familie de beoogde bestemming niet zou bereiken, in welk geval het schilderij in Zwitserland niet zou worden vrijgegeven. Vanuit Spanje vertrok de groep per boot naar Jamaica. In de loop van 1943 en 1944 reisde een deel van de groep terug naar Groot-Brittannië om dienst te nemen in het leger of bij de Nederlandse regering. Op 9 november 1942 schreef Schneider een brief aan Posse waarin hij de dank van Nathan Katz voor diens hulp overbracht. Het Haagse filiaal van de kunsthandel werd na het vertrek van de broers gebruikt door het Referat Sonderfragen voor opslag en doorvoer van kunstwerken.

k. Achtergebleven familieleden
Nathan Katz had mede voor zijn schoonouders om toestemming verzocht om naar Zwitserland te komen. Zij bleken echter niet voor te komen op de lijst van personen die van de Duitsers toestemming hadden gekregen om Nederland te verlaten. Schneider trachtte via Posse deze toestemming alsnog te regelen. Vanaf augustus 1942 werd Posse echter steeds ernstiger ziek en in toenemende mate communiceerde hij door middel van telegrammen met Wickel en Göpel vanuit de Berlijnse Landhausklinik. Hij overleed op 8 december 1942. De schoonouders van Nathan Katz voegden zich na enkele angstige maanden, vermoedelijk halverwege december 1942, alsnog bij hun familie in Zwitserland. Tijdens zijn verblijf in Zwitserland verleende Nathan Katz financiële steun aan stateloze vluchtelingen.

Na het vertrek van de groep met Benjamin Katz uit Nederland bleven er enkele familieleden achter, onder wie de moeder van de broers, Eva Katz-Franken. Ook een broer van Nathan en Benjamin, Simon Katz, bleef met zijn vrouw Roosje achter in Nederland. Aanvankelijk werden zij volgens afspraak beschermd tegen deportatie, maar eind 1943 werden zij in opdracht van de SD gearresteerd en overgebracht naar Westerbork. Op 18 oktober 1943 vergaderden Reichskommissar Seyss-Inquart, Generalkommissar zur besonderen Verwendung Ritterbusch, gezant Otto Bene, bevelhebber van de Sicherheitspolizei en de SD Erich Naumann, de chef van Gestapo Referat IV B 4 te Den Haag Wilhelm Zöpf, leider van het Referat Sonderfragen Ruoff en dr. Erhard Göpel over de familie Katz. Na een lange discussie stemden Seyss Inquart en Naumann er uiteindelijk mee in om de hoogbejaarde moeder van Nathan en Benjamin vrij te stellen van het dragen van een jodenster en haar verder in Dieren te laten wonen. De vier overige familieleden bleven in Westerbork, maar ‘werden jedoch wie die Frederiks-Juden behandelt, vom Abtransport zurückgestellt’. Hun zou toestemming gegeven worden te emigreren ‘wenn die Einreise für ein anderes Land beschafft worden ist’. Omdat Nathan Katz zich bereid had verklaard in dat geval een schilderij ter beschikking te stellen, werden de verdere onderhandelingen over de uitreis van de familieleden voortgezet via Posses opvolger, prof. Hermann Voss.
Uit de in het Bundesarchiv Koblenz aangetroffen correspondentie kan worden afgeleid dat Nathan Katz nog in 1944 vanuit Zwitserland getracht heeft zijn familie vrij te krijgen door kunstwerken ter beschikking te stellen aan de Sonderauftrag Linz. De hoogbejaarde moeder van de broers, Eva Katz-Franken, overleed waarschijnlijk op 9 november 1944 in Nederland. De in Westerbork geïnterneerde familieleden zijn uiteindelijk alsnog gedeporteerd naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Toen de Duitsers dit kamp evacueerden vanwege de opmars van het Rode Leger kwamen zij terecht in het zogenoemde ‘verloren transport’, een overvolle trein die wekenlang rondreed tussen de vijandelijke linies. De oudste zuster van Benjamin en Nathan Katz overleefde het niet. Zij overleed in april 1945 in de nabijheid van Schipkau, Duitsland.

l. Na de oorlog
Na de bevrijding keerde Benjamin Katz terug naar Nederland, waar hij de kunsthandel te Dieren voortzette. Zijn broer Nathan bleef met zijn gezin in Zwitserland. In 1946 werd Nathan Katz door de Nederlandse regering onderscheiden met de zilveren Erkentelijkheidsmedaille, op grond van zijn steun aan vluchtelingen.
Kort na de bevrijding bezocht een medewerker van Kunsthandel Katz de meubelbewaarplaats van De Gruyter te Arnhem, waar de broers voor vertrek hun respectieve huisraad hadden laten opslaan. Er was veel vernield en gestolen, ‘maar er zit nog aardig wat, ook van Heer Bey
[Benjamin Katz, RC], veel lijkt er door elkaar, panelen ingetrapt, sloten opengebroken, schilderijen zijn er bij waar zij dwars door het doek hebben geslagen’. Benjamin Katz diende een verzoek tot schadevergoeding in bij de Duitse overheid via de Stichting JOKOS, dat is toegekend. Het verzoek tot schadevergoeding voor het verlies van het zeer waardevolle huisraad van Nathan Katz werd echter door een misverstand tussen de weduwe van Nathan Katz en haar notaris pas na het verstrijken van de wettelijke termijn ingediend, waardoor uiteindelijk slechts een fractie van het totaal geclaimde bedrag kon worden uitgekeerd.

m. Onderzoek economische collaboratie
Dat Kunsthandel Katz tijdens de bezetting grote hoeveelheden kunst aan de Duitsers had geleverd, leidde na de bevrijding tot ophef. Door de Politieke Recherche werd een onderzoek geopend naar de kunsthandel op verdenking van handel met de vijand ofwel economische collaboratie. In december 1947 rapporteerden de rechercheurs over de houding en handelingen van Benjamin en Nathan Katz. Zij concludeerden dat de broers inderdaad schilderijen hadden geleverd aan Duitsers. Nathan Katz zou zijn opgetreden als ‘Sachverständiger’ voor de Duitsers en daarvoor een salaris hebben ontvangen. In hoeverre daarbij sprake was van vrijwillig handelen kon echter niet worden vastgesteld. Binnen de Bijzondere Rechtspleging werd de zaak gezien als een gecompliceerde kwestie. Het onderzoek zou zich daarom moeten richten op de periode vóór de liquidatie van de Firma D. Katz in februari 1941. Na deze tijd zou het moeilijk zijn om aan te tonen dat geen sprake was geweest van pressie, vanwege de joodse afkomst van de broers. De zaak is uiteindelijk geseponeerd.
n. Teruggaveverzoek gerecupereerde kunst
Na de oorlog zijn enkele honderden kunstwerken die door de gebroeders Katz aan de Duitsers waren geleverd, gerecupereerd uit Duitsland en Oostenrijk. In het archief van de SNK zijn geen door Kunsthandel Katz ingevulde aangifteformulieren gevonden voor schilderijen die uit het bezit van de kunsthandel waren geraakt gedurende de oorlog. SNK-directeur dr. A.B. de Vries, een goede bekende van Nathan Katz uit zijn Zwitserse periode, zou de kunsthandel daartoe vrijstelling hebben verleend omdat geen administratie van Kunsthandel Katz meer beschikbaar zou zijn.
Op 15 mei 1946 dienden de broers via hun advocaat, mr. Cornelis de Kempenaer, een eerste teruggaveverzoek in, dat betrekking had op twee schilderijen. Volgens de advocaat van de broers was hijzelf verplicht geweest de opbrengst van de werken te storten bij de Duitse roofbank Lippmann, Rosenthal & Co, Sarphatistraat (Liro). Tegen cessie van een vordering van NLG 127.000 op de voormalige Liro-bank werden de twee schilderijen gerestitueerd. Ook de Rembrandt die was geleverd aan Posse in ruil voor de uitreis van Benjamin Katz en familie (zie onder j), werd teruggegeven. Op 19 februari 1947 verzocht de advocaat van Katz vervolgens om teruggave van 26 andere schilderijen, waar waarschijnlijk diverse besprekingen tussen SNK-directeur De Vries, de gebroeders Katz en hun advocaat aan vooraf waren gegaan. Ter onderbouwing van dit restitutieverzoek legde de advocaat van Katz onder meer verklaringen over van de voormalig directeur van het RKD dr. Hans Schneider en van kunsthistoricus prof.dr. J.G. van Gelder, die stelden dat sprake was geweest van druk op de broers van Duitse zijde en daarbij met name Posse noemden. Van Gelder verklaarde:
Bij alle moeilijke gevallen is ondergeteekende vaak te hulp geroepen; telkens weer moest hij vaststellen, dat tegen overmacht niets te doen was en dat onder pressie kunstwerken moesten worden verkocht, wilde het leven van de familie Katz niet in gevaar komen. (…) De leiding had aanvankelijk Dr. Posse, Dr. Voss met zijn vertegenwoordiger Dr.E.Göpel en ambtenaren van diens bureau. Alleen onder grooten druk zijn een aantal kunstwerken verkocht; een zeer grote rol heeft hierbij gespeeld de angst voor het wegvoeren van familieleden. Van een vrijwillige verkoop is nooit sprake geweest, temeer niet, daar tegenover verkoop van goederen elke mogelijkheid voor inkoop van goederen ontbrak. Achteraf kan worden geconstateerd, dat de taktiek van de Heeren Katz juist is geweest, wat nooit van tevoren kon gezegd worden; zoals bekend zijn ruim 30 familieleden uiteindelijk gered door vertrek naar het buitenland.

Schneider verklaarde:
Destijds kon ik alles zeer van nabij volgen, omdat ik bij de inval der Duitschers de gebroeders Katz behulpzaam ben geweest bij het verbergen van hun belangrijke schilderstukken. Toen zij later door den genoemden opkoper Posse in ’t nauw werden gedreven, kwamen zij telkens bij mij het hart lichten. Ik heb hen aangeraden alle transactie’s zoo veel mogelijk te traineeren en er vooral naar te streven, dat zij aan eventuele verkoop hunner stukken de conditie van “loskoop” voor hun zelf en hun familieleden annex konden maken. In dien zin heb ik dan ook persoonlijk bij den heer Posse gepleit – en succes ermee gehad. 

De opvatting van SNK-directeur De Vries over de teruggevraagde schilderijen was dat zeker sprake was geweest van dwang, echter over de vraag in hoeverre een tegenprestatie was ontvangen was onduidelijkheid. De advocaat van Katz had voorgesteld om, mede vanwege deze onzekerheid, tegenover de teruggave van de kunstwerken de betaling van een geldbedrag en de schenking van enkele belangrijke schilderijen aan Nederlandse musea te stellen, een voor die tijd uitzonderlijke regeling. Na instemming van autoriteiten zoals het Nederlandse Beheersinstituut (NBI) en het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, werden zo 25 kunstwerken teruggegeven aan de gebroeders Katz tegen betaling van een bedrag van NLG 289.000 en de schenking van drie van de kunstwerken – de destijds zogenoemde Bicker-portretten van Maarten van Heemskerk en een olieverfschets van Rubens – aan de Nederlandse Staat.

o. SNK-affaire
In de loop van 1948 werd er een justitieel onderzoek gestart naar de handelingen van de directeur van de SNK, aangezien de verdenking bestond dat diverse onregelmatigheden hadden plaatsgehad bij de stichting. Gedurende dit onderzoek werden ook de teruggaven aan Katz onder de loep genomen. Daarbij ontstond de verdenking dat De Vries de gebroeders Katz wederrechtelijk had bevoordeeld bij de teruggave van de kunstwerken. Op 8 juli 1948 werden dr. A.B. de Vries en Benjamin Katz in dit kader gearresteerd en gedurende enkele dagen verhoord. De Officier van Justitie belast met corruptiezaken, mr. W.H. Overbeek, opende op 12 juli 1948 formeel het onderzoek. De arrestatie veroorzaakte veel ophef in de media. Enkele kranten voerden een felle campagne tegen De Vries, waarbij zaken sterk werden uitvergroot. In de jaren daarna werden diverse getuigen gehoord, onder wie de Duitser Alois Miedl, die vlak voor de bevrijding naar Spanje was gevlucht. Miedl bezocht op verzoek van de Nederlandse autoriteiten, die hem daartoe een vrijgeleide en onkostenvergoeding verstrekten, vanaf eind augustus 1949 tot half september 1949 Nederland om te getuigen tegen De Vries en Katz. Ook werd vervolging ingesteld tegen de advocaat van Katz, mr. C. de Kempenaer, nadat was gebleken dat de vordering van NLG 127.000 bij Liro niet als gevolg van de verkoop van schilderijen was ontstaan, hetgeen hij eerder wel had beweerd. Nathan Katz overleed op 29 augustus 1949 in Zwitserland, voordat hij gehoord kon worden.

Het onderzoek sleepte zich enige tijd voort en werd op 10 januari 1951 gesloten. Officier van Justitie Overbeek tekende zijn bevindingen op in een uitgebreide eindrapportage. Hierin overwoog hij dat De Vries had gehandeld uit persoonlijke sympathie voor de gebroeders Katz en met het oog op het museaal belang van Nederland, en dat persoonlijk gewin hem daarbij niet voor ogen had gestaan. Overbeek zag de advocaat van Katz als de drijvende kracht achter de grootste van de betwiste claims, en op meerdere punten twijfelde hij aan diens goede trouw. Over het handelen van Nathan en Benjamin Katz tijdens de bezetting bracht Overbeek eveneens verslag uit. Naar zijn mening hadden de broers zich in vergelijking met andere joden in Nederland in een uitzonderlijk gunstige positie bevonden en had de firma aan het begin van de oorlog in hoge mate geprofiteerd van de door de Duitse kooplust opbloeiende kunstmarkt. Ten aanzien van de vraag in hoeverre daarbij sprake was geweest van dwang, overwoog Overbeek het volgende: ‘Het zal moeilijk zijn precies een onderscheid te maken tussen de hierbij gebleken koopmansgeest en het begrijpelijke gevoel van angst, dat bij hen tegenover de bezetters bestond’.

Omdat in het geval van De Vries de onderzochte feiten lagen op de ‘grens van het strafrechtelijke en de beleidssfeer’ en de slepende kwestie tot groot leed had geleid, vond Overbeek verdere vervolging van De Vries niet wenselijk. Omdat de aan Benjamin Katz aangerekende feiten niet bewezen konden worden, en zijn broer Nathan Katz inmiddels was overleden, adviseerde Overbeek om ook Benjamin Katz niet verder te vervolgen. De procureur-generaal volgde het advies ten aanzien van Benjamin Katz, die ‘inmiddels een volslagen wrak [is] geworden, zo zelfs, dat zijn verhoor nog nauwelijks heeft kunnen plaats grijpen’, maar op 28 februari 1951 werd dr. A.B. de Vries een kennisgeving uitgereikt van verdere vervolging. Op 18 april 1951 werd De Vries uiteindelijk bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Den Haag buiten vervolging gesteld wegens onvoldoende aanwijzing van schuld.
Nadat het besluit om tegen Benjamin Katz geen verdere vervolging in te stellen was gevallen, onderzocht het Ministerie van Financiën wel nog de mogelijkheid en wenselijkheid om de teruggaven van schilderijen aan Katz ongedaan te maken, dan wel alsnog geldsommen van Katz te vorderen. De Landsadvocaat onderzocht de kwestie, maar constateerde dat daarbij diverse moeilijkheden te overwinnen waren. Bij het tot stand komen van de overeenkomst (van minnelijk rechtsherstel) tussen Katz en de SNK was immers het element van onzekerheid ten aanzien van de ontvangen tegenprestatie bewust in de berekening opgenomen, en ook het element ‘dwang’ bij de verkoop aan de Duitsers was niet eenvoudig te weerleggen, mede omdat de Raad voor het Rechtsherstel eerder bij de verkoop van een joodse particulier aan Miedl had geoordeeld dat sprake was geweest van een dwangtransactie. Desalniettemin volgden onderhandelingen tussen de Nederlandse Staat en de familie Katz, die er uiteindelijk toe leidden dat de familie Katz bij wijze van schikking alsnog NLG 183.250,20 plus rente aan de Staat der Nederlanden betaalde, waarmee de kwestie ten einde kwam.
Naar aanleiding van vermeende verduistering van gelden en wanbeheer spande de familie Katz ten slotte nog een proces aan tegen haar voormalige advocaat De Kempenaer. Op 11 december 1952 veroordeelde de Arnhemse rechtbank hem tot het afleggen van rekening en verantwoording, zoals was geëist door de familie Katz. De rechtbank onthield zich van een oordeel over een eventueel door hem te betalen saldo. De procedure sleepte zich voort tot 1958, toen de Hoge Raad oordeelde dat de advocaat niet gehouden was een bedrag aan Katz te betalen. Benjamin Katz overleed in 1962. De kunsthandel werd hierna nog enige tijd door familie voortgezet en per 1 januari 1974 ontbonden en opgeheven.

C. Overwegingen

Verzoekers

1. Verzoekster X.X. te B., Verenigde Staten heeft gesteld erfgename te zijn van haar vader Nathan Katz (1893-1949) en op te treden voor zich en namens drie andere erfgenamen van Nathan Katz, te weten Z.Z. te B., Zwitserland, A.A. te T., Frankrijk en B.B. te S., Frankrijk. Verzoeker Y.Y. te V. stelt gerechtigd te zijn tot de nalatenschap van zijn grootvader Benjamin Katz (1891-1962). Hij treedt op voor zich en namens zestien andere nazaten van Benjamin Katz, te weten C.C., D.D., E.E., F.F., G.G., allen te C., Venezuela, H.H. te H., I.I. te A., J.J. te H., K.K. te A., L.L. te L., Verenigd Koninkrijk, M.M. te N., Verenigd Koninkrijk, N.N. te A., Frankrijk, O.O. te A., P.P. te D., Q.Q. te A. en R.R. te D..
De commissie ziet geen aanleiding te twijfelen aan de status van verzoekster X.X. als (mede)gerechtigde tot de nalatenschap van Nathan Katz, en evenmin aan de status van verzoeker Y.Y. als (mede)gerechtigde tot de nalatenschap van Benjamin Katz.

Kunsthandel Katz

2. Nathan en Benjamin Katz, van joodse afkomst, waren de enige firmanten van de door hen in 1930 opgerichte vennootschap Firma D. Katz te Dieren, in naam een voortzetting van de door hun vader opgerichte kunsthandel. Vanaf 1940 had de firma tevens een filiaal in Den Haag.
Op 17 februari 1941 trad Firma D. Katz, in verband met anti-joodse maatregelen, in liquidatie en op 1 juni 1943 zou de firma formeel worden opgeheven. Om continuering van de handel mogelijk te maken, werd op aanwijzing van de bezetter op 19 mei 1941 de N.V. Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz opgericht. Niet-joodse zakenrelaties werden benoemd tot directeuren. Na de oorlog traden deze directeuren af en werd de onderneming voortgezet door Benjamin Katz. De aandelen werden volgens verzoekers toebedeeld aan Benjamin en Nathan Katz (ieder 50%). Verzoekers hebben op basis hiervan gesteld dat Benjamin en Nathan Katz feitelijk de eigenaren waren van de N.V. Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz.
Als gevolg van schijnconstructies in verband met de bezetting is thans niet meer precies te achterhalen hoe de broers, de Firma D. Katz en de N.V. Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz zich tijdens en na de oorlog juridisch en financieel tot elkaar hebben verhouden. Op basis van de beschikbare gegevens oordeelt de commissie dat Nathan en Benjamin Katz moeten worden aangemerkt als de economisch belanghebbenden bij de Firma D. Katz en de hiervoor genoemde N.V. In dit advies worden de firma en N.V. tezamen aangeduid als ‘Kunsthandel Katz’.

Betrokken cultuurgoederen

3. Verzoekers beogen teruggave van 189 kunstwerken, voornamelijk schilderijen, waarvan gesteld wordt dat deze onderdeel uitmaakten van de handelsvoorraad van Kunsthandel Katz, zoals opgenomen in de als lijsten I t/m IV aan dit advies gehechte bijlagen. Deze kunstwerken zijn na de Tweede Wereldoorlog grotendeels uit Duitsland gerecupereerd naar Nederland, waarna de Nederlandse Staat deze heeft geïncorporeerd in de rijkscollectie. Onder de werken bevinden zich geen werken die bij De Gruyter in Nederland zijn gebleven tijdens de oorlog (zie het Historisch Overzicht onder l).
Onder een NK-inventarisnummer zijn de geclaimde kunstwerken anno 2012 voor een groot deel in bruikleen bij diverse Nederlandse musea en bewust en weloverwogen heeft geresulteerd in een schikking dan wel claimant expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien’.
De commissie verwijst in dit kader naar het feitenrelaas zoals dit onder n en o van het Historisch Overzicht is samengevat. Hieruit blijkt dat na de oorlog weliswaar sprake was van een minnelijke regeling tussen de gebroeders Katz en de Nederlandse restitutieautoriteiten, waarbij de broers circa dertig kunstwerken ontvingen tegen betaling van een geldbedrag, maar dat deze regeling slechts betrekking had op de desbetreffende kunstwerken. Ten aanzien van de thans geclaimde schilderijen heeft het contact tussen de gebroeders Katz en de Nederlandse autoriteiten niet geleid tot een rechterlijke uitspraak of een schikking. Evenmin kan de conclusie worden getrokken dat de gebroeders Katz na de oorlog expliciet van de vordering tot teruggave van de thans in het geding zijnde werken hebben afgezien. Een dergelijke expliciete uiting heeft de commissie tijdens haar onderzoek niet aangetroffen.
Daarbij merkt de commissie nog op dat de afwikkeling van de procedure destijds, mede door toedoen van de Nederlandse restitutieautoriteiten, zo onoverzichtelijk is verlopen dat het haar niet opportuun voorkomt om deze naoorlogse afhandeling in de huidige procedure als beletsel te zien voor het instellen van onderzoek naar de huidige claim.

De commissie oordeelt dat verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoek en zal de claim hieronder nader onderzoeken.

Eigendom

5. De volgende vraag die de commissie heeft te beantwoorden is of het eigendomsrecht van de geclaimde kunstwerken in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Dit noemt de achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001 als een voorwaarde voor restitutie. De vraag of sprake is van onvrijwillig bezitsverlies van de betrokken werken, kan pas aan de orde komen als is vastgesteld dat Kunsthandel Katz eigenaar was van deze werken. De commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat zich onder de geclaimde kunstwerken schilderijen bevinden die behoorden tot de privécollectie van Nathan of Benjamin Katz.
6. Het onderzoek naar de eigendom van de kunstwerken is zeer bemoeilijkt door het feit dat verzoekers de belangrijkste bron van informatie hierover – de administratie van Firma D. Katz tot het moment van arisering in maart 1941 – niet meer hebben kunnen overleggen. Evenmin zijn deze administratieve gegevens elders aangetroffen. Als gevolg hiervan heeft de commissie haar oordeel moeten baseren op het herkomstonderzoek naar individuele NK-werken van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) en de bij het onderzoek van de commissie en verzoekers aangetroffen, meer secundaire, documentatie. Veel bronnen zijn geraadpleegd, waaronder tentoonstellings- en veilingcatalogi, facturen van aankopers bij, en verkopers aan Kunsthandel Katz, rekeningoverzichten en gegevens die door de geallieerden na de oorlog zijn verzameld en thans bewaard worden in verschillende archieven in binnen- en buitenland (zie voor een overzicht van de belangrijkste geraadpleegde bronnen lijst V). Een gevolg van het ontbreken van de administratieve gegevens van de kunsthandel zelf is dat het uitermate moeilijk, en vaak onmogelijk, is gebleken om de eigendom van Kunsthandel Katz in de relevante periode vast te stellen.
7. Bij de beoordeling van de eigendomsvraag dient bovendien in aanmerking te worden genomen dat het enkele feit dat de gebroeders Katz een kunstwerk hebben verhandeld er niet zonder meer op duidt dat zij het betreffende object in eigendom hadden. In dit kader wijst de commissie op de volgende omstandigheden:

  • Kunsthandel Katz, met name Nathan Katz, trad met regelmaat op als bemiddelaar bij verkopen van schilderijen voor andere eigenaren. Ook kochten de gebroeders Katz geregeld in opdracht van derden kunstwerken aan (al dan niet uit eigen middelen), om deze vervolgens door te leveren aan hun opdrachtgevers. Deze rol werd belangrijker nadat de kunsthandel een belangrijk deel van haar handelsvoorraad al in augustus 1940 had verkocht aan de Duitse ondernemer Alois Miedl en voor voortgezette handelsactiviteiten niet meer kon putten uit een grote eigen voorraad.
  • Nathan en Benjamin Katz werden gedurende de oorlogsjaren ingeschakeld door de Sonderauftrag Linz om de Nederlandse kunstmarkt te verkennen en kunstwerken te verwerven ten behoeve van het op te richten Führermuseum. Onafhankelijk van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de gebroeders Katz een vrije keuze hadden om werkzaamheden te verrichten voor de Sonderauftrag Linz, moet worden geconcludeerd dat zij in zekere zin werden ingezet als verlengstuk van het acquisitiebeleid van de bezetter. Ook na de ‘arisering’ van de firma in februari 1941 bleven de gebroeders Katz actief op de kunstmarkt, waarbij zij tijdelijk werden beschermd tegen anti-joodse maatregelen om hen in staat te stellen hun werkzaamheden voor de bezetter te continueren.
    overheidsinstellingen.

Deze manier van handelen leidt ertoe dat er dikwijls slechts een korte tijd zat tussen het moment van de verwerving, op eigen naam of in opdracht voor een ander, en de (door)verkoop van een kunstwerk door de gebroeders Katz.
In het licht van het bovenstaande stelt de commissie vast dat voor het grootste deel van de geclaimde kunstwerken niet meer bekend is geworden dan dat Kunsthandel Katz gedurende de bezetting betrokken was bij de verkoop daarvan. Die betrokkenheid toont niet zonder meer aan dat Kunsthandel Katz de betreffende werken daadwerkelijk in eigendom had.

8. Een en ander overziend, is de commissie van oordeel dat in de onderhavige zaak bij geclaimde individuele kunstwerken alleen sprake is van een situatie waarbij ‘het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken’ indien er:

  • overtuigende aanwijzingen zijn aangetroffen dat kunstwerken al vóór de Duitse inval eigendom waren van Firma D. Katz; en er daarnaast
  • overtuigende aanwijzingen zijn dat Kunsthandel Katz ten tijde van het bezitsverlies tijdens de oorlog (nog steeds) eigenaar van de betreffende werken was.

Bezitsverlies

Verkopen aan Alois Miedl / kunsthandel v/h J. Goudstikker N.V.

9. Onder de geclaimde kunstwerken bevinden zich 101 objecten die gedurende de Duitse bezetting van Nederland door of via Kunsthandel Katz zijn verkocht aan Alois Miedl of de door hem gedreven kunsthandel v/h J. Goudstikker N.V. De grootste transactie met Miedl vond plaats op 2 augustus 1940, maar ook daarna zijn er nog transacties geweest. In het kader van het onderhavige advies beschouwt de commissie de betreffende kunstwerken als één categorie. Deze kunstwerken zullen hierna worden aangeduid als ‘Miedl-werken’ en zijn opgenomen in lijst I. Voor de relevante feiten verwijst de commissie naar het Historisch Overzicht onder c.

10. Onder verwijzing naar de overwegingen 5 tot en met 8 concludeert de commissie dat voor een groot deel van deze objecten bij het onderzoek onvoldoende gegevens zijn aangetroffen om te kunnen oordelen dat de eigendom van Kunsthandel Katz in hoge mate aannemelijk is. Gezien het hiernavolgende oordeel over de aard van het bezitsverlies is een nadere specificering van deze categorie niet noodzakelijk.

11. Ingevolge het restitutiebeleid voor de kunsthandel, zoals neergelegd in de Aanbevelingen voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart uit 2003, is in ieder geval sprake van onvrijwillig bezitsverlies wanneer voorwerpen zijn gestolen, geconfisqueerd, of onder dwang verkocht. De commissie stelt vast dat de gebroeders Katz kunstwerken aan Miedl hebben verkocht en dat bij geen van de Miedl-werken sprake is geweest van diefstal of confiscatie. De belangrijkste transactie betrof een verkoop door Firma D. Katz van meer dan 500 schilderijen tegen een verkoopprijs van NLG 1.822.500 op 2 augustus 1940.

12. Voor de beoordeling van de aard van het bezitsverlies is de toelichting op aanbeveling 5 van de Commissie Ekkart uit 2003 van belang, waarin het volgende is vermeld: ‘Bij de verkopen van kunstwerken door handelaren gedurende de oorlogsjaren is het doorgaans moeilijk te bepalen wanneer nog sprake is van vrijwillige en wanneer van onvrijwillige verkoop. Het feit dat inmiddels tientallen jaren zijn verstreken en de informatie nu vaak alleen uit de tweede, derde of vierde hand te verkrijgen is, maakt het noodzakelijk om in ieder geval optimaal gebruik te maken van hetgeen in de periode kort na de oorlog door de betrokkenen zelf of hun directe nabestaanden is vastgelegd’. Voor dit laatste verwijst de Commissie Ekkart met name naar de door de kunsthandelaar of zijn nabestaanden zelf ingevulde SNK-aangifteformulieren. Dergelijke aangifteformulieren ontbreken in de onderhavige zaak (zie het Historisch Overzicht onder n). Daarentegen zijn er wel naoorlogse verklaringen aangetroffen van Benjamin Katz die betrekking hebben op de verkopen aan Miedl (zie het Historisch Overzicht onder c).

13. Voor de beoordeling van de aard van het bezitsverlies acht de commissie de volgende naoorlogse verklaringen van Benjamin Katz van belang:

  • ‘De Heer Miedl heeft op mij en mijn broer nooit dwang uitgeoefend om schilderijen te verkoopen, die mijn broer en/of ik niet wilde verkoopen. De Heer Miedl heeft ons nooit bedreigd met de overigens wel door de Duitschers tegen de Joden genomen maatregelen’.
  • ‘Mijn broer heeft met de Heer Miedl altijd prettig onderhandeld en, toen wij in begin Augustus 1940 het definitieve contract sloten, hadden wij geen bijzondere vrees voor enige actie zijnerzijds’.
  • ‘De koopprijs van de groote partij schilderijen, die wij op 2 Augustus 1940 aan Miedl verkochten, is ons betaald via de Amsterdamsche en Rotterdamsche Bank. Wij kregen bij die banken dus een bedrag van ruim f. 1.800.000.- op ons saldo bijgeschreven’.
  • Benjamin Katz bevestigde tijdens een verhoor dat zijn broer na de grote transactie nog diverse andere transacties had gesloten met Miedl, waarbij van dwang van de zijde van Miedl evenmin sprake zou zijn geweest: ‘Ook bij deze latere, veel kleinere, transacties, heeft de Heer Miedl voor zoover ik weet nooit pressie op mijn broer uitgeoefend of bedreigingen geuit’.
  • Verder verklaarde Benjamin Katz dat sprake was van een goede verstandhouding tussen Miedl en zijn broer: ‘Voor zoover ik weet sprak mijn broer Nathan de Heer Miedl nogal eens en mijn indruk was, dat Miedl en Nathan goede zakenvrienden van elkaar waren. Ik heb hem zelf maar een paar keer gesproken’.

14. De commissie overweegt ten aanzien van de aard van het bezitsverlies van de Miedl-werken dat in geval van een verkoop door een kunsthandelaar het enkele feit dat de kopende partij deel uitmaakte van het naziregime of intensief daarmee handelde, zoals Miedl, onvoldoende is om tot onvrijwilligheid te concluderen, zeker bij transacties waar marktconforme prijzen lijken te zijn betaald zoals bij de Miedl-werken. Daarnaast zijn in deze categorie geen aanwijzingen aangetroffen van directe dreiging of dwang. Zoals Benjamin Katz zelf na de oorlog verklaarde, moesten de gebroeders Katz weliswaar onder algemene druk van de oorlogsomstandigheden werken, maar oefende Miedl bij de transacties geen dwang op hen uit (zie hiervoor, overweging 13, en Historisch Overzicht onder c).
De commissie concludeert dat de Miedl-werken onderwerp waren van handelstransacties, passend bij het door de Commissie Ekkart geformuleerde uitgangspunt van het kunsthandelbeleid ‘dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was’, en zal adviseren tot afwijzing van de claim op deze categorie werken.

Verkopen aan de Sonderauftrag Linz

15. Van de thans geclaimde kunstwerken blijken 65 schilderijen via Kunsthandel Katz door verkoop terecht te zijn gekomen in de collectie van het op te richten Führermuseum te Linz. De leveringen van Kunsthandel Katz aan de Sonderauftrag Linz begonnen waarschijnlijk in juli of augustus 1940. De betreffende schilderijen werden in Nederland aangekocht door diverse Duitse functionarissen, met name door de directeur van de Gemäldegalerie Dresden, dr. Hans Posse. De commissie behandelt deze kunstwerken als één categorie. De betreffende schilderijen zullen hierna worden aangeduid als ‘Linz-werken’ en zijn weergegeven in lijst
II. Voor de relevante feiten verwijst de commissie naar het Historisch Overzicht onder d, f, g, h, i, j en k.

16. Met betrekking tot de eigendom van de Linz-werken overweegt de commissie onder verwijzing naar de overwegingen 5 tot en met 8, dat voor het grootste deel van deze objecten onvoldoende gegevens zijn aangetroffen om te kunnen oordelen dat de eigendom van Kunsthandel Katz in hoge mate aannemelijk is, zodat op dit punt niet wordt voldaan aan een van de vereiste criteria voor teruggave. Voor de Linz-werken waarvan de eigendom van Kunsthandel Katz wel in hoge mate aannemelijk is, geldt dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat sprake was van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Een nadere uiteenzetting van de eigendom van de individuele kunstwerken kan – behoudens hetgeen onder de nummers 22 en 23 wordt overwogen
– gezien het navolgende achterwege blijven.

17. De bij het onderzoek aangetroffen documentatie wijst erop dat de gebroeders Katz na de Duitse inval in Nederland zeer actief waren op de kunstmarkt. Eén van hun belangrijkste afnemers naast Alois Miedl was dr. Hans Posse, directeur van de Gemäldegalerie in Dresden, die door Hitler was aangesteld als verantwoordelijke voor de opbouw van de collectie van het geplande Führermuseum. Voor de verwerving van interessante nieuwe aanwinsten op de Nederlandse kunstmarkt deed Posse veelvuldig een beroep op de expertise van de gebroeders Katz, die daar tegenover voor zichzelf en familieleden tijdelijk bescherming ontvingen tegen anti-joodse maatregelen. Door deze tijdelijke bescherming waren de gebroeders Katz in staat zich ook na invoering van anti-joodse maatregelen in relatieve vrijheid op de kunstmarkt te begeven en handel te drijven. Ook reisde Nathan Katz enkele malen vanuit Nederland naar Zwitserland om daar de belangen van de Sonderauftrag Linz te behartigen. De commissie stelt vast dat er tussen de gebroeders Katz en Posse weliswaar sprake was van een ongelijke machtsverhouding, maar dat uit aangetroffen documentatie tevens valt af te leiden dat er in de loop der tijd een zekere werkrelatie met sommige medewerkers van de Sonderauftrag Linz was ontstaan. Hoewel de druk op de broers en hun familie gedurende de bezetting steeds groter werd als gevolg van de toenemende anti-joodse maatregelen van het naziregime, genoten de gebroeders Katz een uitzonderingspositie, zolang zij kunst bleven leveren aan Posse.

18. De commissie is ervan overtuigd dat het bezettingsbestuur de voortduring van de bescherming van de gebroeders Katz en familieleden heeft verbonden aan de bereidheid van de broers om hun expertise in te blijven zetten ten behoeve van de Sonderauftrag Linz. Daarbij stelt de commissie vast dat de broers naarmate de tijd vorderde minder als zelfstandige handelaren zijn aan te merken, omdat zij in toenemende mate werden beperkt door het door hun opdrachtgevers gedicteerde kader, en meer optraden in een hoedanigheid van tussenhandelaar. Zij verwierven met andere woorden kunst van anderen om door te leveren aan Posse en handelden steeds minder met eigen voorraden. Als gevolg van de verslechtering van de algemene omstandigheden naarmate de oorlog vorderde en de toenemende dreiging dat de bescherming zou aflopen, hebben zowel Nathan Katz als Benjamin Katz op enig moment te kennen gegeven Nederland te willen ontvluchten, welk streven door Posse en zijn medewerkers is ondersteund. Uiteindelijk is Nathan Katz met zijn gezin in februari 1942 naar Zwitserland uitgereisd, heeft zijn broer Benjamin tezamen met een groep van 24 familieleden in oktober 1942 via Spanje het Europese continent verlaten naar Zuid- en Noord-Amerika en zijn de schoonouders van Nathan Katz in december 1942 naar Zwitserland uitgereisd. De interventie van Posse en zijn medewerkers is hierbij onontbeerlijk geweest.

19. De resultaten van het onderzoek, zoals onder B samengevat, overziend, stelt de commissie vast dat de scheidslijn tussen reguliere handelsactiviteiten op een opbloeiende kunstmarkt en onvrijwillige verkoop moeilijk te bepalen is. Hiervoor wordt mede verwezen naar het oordeel van Officier van Justitie mr. W. Overbeek, die kort na de bezetting intensief onderzoek verrichtte naar de verkopen van de Firma D. Katz aan Duitse kopers in het kader van mogelijke fraude bij de naoorlogse teruggaven aan de firma en in zijn eindrapportage als zijn mening te kennen gaf: ‘Het zal moeilijk zijn precies een onderscheid te maken tussen de hierbij gebleken koopmansgeest en het begrijpelijke gevoel van angst, dat bij hen tegenover de bezetters bestond’ (zie het Historisch Overzicht onder o). Hoewel de commissie oog heeft voor het feit dat de gebroeders Katz op enig moment onder invloed van de oorlogsomstandigheden transacties aangingen met of ten behoeve van de Sonderauftrag Linz waardoor zij konden rekenen op bescherming tegen anti-joodse maatregelen en uiteindelijk met een groot aantal familieleden Nederland konden verlaten, beoordeelt ze de betreffende transacties – behoudens hetgeen onder de nummers 22 en 23 wordt overwogen – niet als onvrijwillig bezitsverlies binnen de kaders van het restitutiebeleid.

20. De commissie overweegt daartoe het volgende. In deze zaak ontbreken aangifteformulieren als bedoeld in aanbeveling 6 van de Aanbevelingen inzake de Kunsthandel. Voor teruggave is derhalve ingevolge die aanbeveling vereist dat sprake is van aanwijzingen die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van verkoop onder dwang. Tot zodanige aanwijzingen behoren, voor zover hier van belang, in ieder geval dreiging met represailles en toezeggingen tot levering van paspoorten of vrijgeleiden als onderdeel van de transactie. Van zodanige aanwijzingen is de commissie niet gebleken, ook niet met betrekking tot de thans geclaimde werken die na invoering van anti-joodse maatregelen verkocht zijn ten behoeve van de Sonderauftrag Linz, waarbij tevens geldt dat voor veel van deze werken de eigendom van Kunsthandel Katz niet in hoge mate aannemelijk is geworden. Daarbij heeft de commissie mede in aanmerking genomen het in het restitutiebeleid geformuleerde uitgangspunt dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad tot uitgangspunt heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was, en voorts dat het op grond van het aangetroffen bronnenmateriaal aannemelijk is dat de gebroeders Katz voor hun leveringen aan de Sonderauftrag Linz in het algemeen marktconforme prijzen ontvingen. In het geval van de kunsthandel is het enkele feit dat de kopende partij deel uitmaakte van het naziregime onvoldoende om tot onvrijwilligheid te concluderen.

21. Daarmee is de vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid van onvrijwilligheid onvoldoende komen vast te staan. De onder B, letter n, geciteerde verklaringen van dr. Hans Schneider, prof. J.G. van Gelder en Benjamin Katz leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

22. De commissie ziet aanleiding om in één geval van het bovenstaande af te wijken. Het betreft het schilderij Man met hoge baret van F. Bol (NK 1668), dat Kunsthandel Katz op 19 november 1941 verkocht aan de Sonderauftrag Linz. Nathan Katz verwierf dit kunstwerk voor de oorlog, in maart 1940, uit de collectie Cook via de Londense kunsthandel Thomas Agnew & Sons (zie het Historisch overzicht onder a). Deze eigendomsoverdracht staat op grond van de administratie van de betreffende kunsthandel vast en is ten overstaan van de commissie bovendien bevestigd in een gesprek met de zoon van de Londense kunsthandelaar. Er is geen enkele aanwijzing dat Nathan Katz de aankoop van het huidige NK 1668 in opdracht van een derde verrichtte of dat het werk tussentijds weer uit zijn bezit is geraakt. Daarmee is voldaan aan het hiervoor in de overwegingen 5 tot en met 8 geformuleerde eigendomscriterium.
De commissie is van oordeel dat de verkoop van NK 1668 in direct verband staat met de uitreis van de familie Katz waarvoor zij de volgende omstandigheden van doorslaggevend belang acht:

  • Nathan Katz was vanaf het najaar van 1941 bezig voorbereidingen te treffen om het land te verlaten, waartoe hij doorreisvisa probeerde te regelen en voor toelating in Zwitserland door de Zwitserse autoriteiten verplicht werd grote sommen geld als borg te storten.
  • De welwillendheid jegens de joodse familie Katz, gebaseerd op de bruikbaarheid van de broers, dreigde op 15 oktober 1941 ten einde te lopen. Dit blijkt uit een brief van Felix Wickel, medewerker van het Referat Sonderfragen, aan Posse van 19 september 1941
    (zie het Historisch Overzicht onder h). In deze brief vroeg Wickel aan Posse om te besluiten ‘ob bezw. inwieweit und wie lange Sie N.K. [Nathan Katz, RC] hier noch nötig haben’. Daarbij meldde hij dat de recentste verordeningen van het nazibestuur een substantiële verscherping van anti-joodse maatregelen inhielden, zodat een verdere ontheffing daarvan voor Nathan Katz nodig zou zijn om de voortzetting van zijn werkzaamheden te kunnen garanderen. In zijn brief schreef Wickel ook over Nathans broers Benjamin en Abraham Katz. De broers werden door de autoriteiten in de gelegenheid gesteld om Nederland te verlaten, maar er werd ook een duidelijk ultimatum gesteld. Indien zij in Nederland zouden blijven, zouden zij vanaf 15 oktober 1941 volledig zijn overgeleverd aan de vervolgingsmaatregelen.
  • Als achtergrond wijst de commissie in dit kader op het algemene emigratieverbod voor joden dat vanaf oktober 1941 in Nederland zou gelden, en op de eerste deportaties van joden in Midden-Europa vanaf oktober 1941.

23. NK 1668 is op of omstreeks 19 november 1941 verkocht aan Posse. Naar het oordeel van de commissie is bij deze verkoop sprake van aanwijzingen die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake was van dwang. Deze aanwijzingen bestaan eruit dat in de eerste plaats de anti-joodse maatregelen die inmiddels van kracht waren geworden ook ten volle op de broers van toepassing dreigden te worden waardoor zij in een uiterst kwetsbare positie zaten, en voorts dat zij voor de uitreis geheel afhankelijk waren van Posse en zijn medewerkers. Daarnaast was deze uitreis niet mogelijk zonder financiële middelen, benodigd voor het verwerven van uitreisvisa, fondsen en borgstellingen om de reizen van tientallen leden van de familie Katz mogelijk te maken en te bekostigen.
In tegenstelling tot NK 1668 waarvan is vastgesteld dat het tot het vooroorlogs bezit van de kunsthandel behoorde, is met betrekking tot de andere werken die Kunsthandel Katz in de periode vanaf eind september 1941 aan Posse leverde de eigendom niet komen vast te staan. De commissie zal ten aanzien van NK 1668 tot restitutie adviseren.

24. De commissie heeft bezien of tegenover restitutie een betalingsverplichting zou moeten worden gesteld. Uit een bij het onderzoek aangetroffen factuur kan worden opgemaakt dat de gebroeders Katz bij de verkoop van het huidige NK 1668 een koopsom van NLG 60.000 hebben ontvangen. Op grond van de vierde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001 is een verplichting tot terugbetaling van een ontvangen koopsom uitsluitend aan de orde indien de toenmalige verkoper de opbrengst ter vrije beschikking heeft gekregen. Er is ingevolge het regeringsbeleid geen reden tot terugbetaling wanneer de koopsom vermoedelijk is besteed in het kader van pogingen om aan de nazivervolging te ontkomen. De commissie overweegt dat het onaannemelijk is dat de gebroeders Katz of hun erfgenamen de koopsom daadwerkelijk ter vrije beschikking hebben gekregen. Daarbij neemt de commissie in overweging dat de gebroeders Katz grote bedragen moesten betalen om met hun familie Nederland te kunnen verlaten, niet alleen vanwege uitreisvisa en de verplichte storting van aanzienlijke geldbedragen in Zwitserland, maar ook omdat de broers door de nazi-autoriteiten uiteindelijk verplicht werden om een kwart van hun vermogen op een door de bezetter beheerde rekening bij de roofbank Liro te storten. De commissie acht het om deze redenen niet gerechtvaardigd om tegenover teruggave van NK 1668 een betalingsverplichting te stellen.

Transacties met Hermann Göring

25. Het staat vast dat van de geclaimde kunstwerken 14 objecten via Kunsthandel Katz zijn terechtgekomen in de kunstcollectie van Hermann Göring. De betreffende werken zullen hierna worden aangeduid als ‘Göring-werken’ en zijn opgenomen in lijst III. Voor de relevante feiten verwijst de commissie naar het Historisch Overzicht onder e.

26. Met betrekking tot de eigendom van de Göring-werken overweegt de commissie, onder verwijzing naar de overwegingen 5 tot en met 8, dat ook voor het grootste deel van deze objecten bij het onderzoek onvoldoende gegevens zijn aangetroffen om te kunnen oordelen dat de eigendom van Kunsthandel Katz in hoge mate aannemelijk is. Ten aanzien van de Göring-werken waarvan de eigendom van Kunsthandel Katz wel in hoge mate aannemelijk kan worden geacht, dient de commissie te beoordelen of het onvrijwillig bezitsverlies betreft, als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

27. Bij de Göring-transacties is sprake van de volgende categorieën:
a) De kunstwerken NK 1600, NK 1824, NK 1825 zijn op of omstreeks 28 juli 1940 verkocht. Dit geldt naar alle waarschijnlijkheid ook voor NK 2716;
b) De kunstwerken NK 1695, NK 1751, NK 2465 en NK 2608 zijn op of omstreeks 27 september 1940 verkocht;
c) Het kunstwerk NK 1890 is verkocht in januari 1941;
d) De kunstwerken NK 2575, NK 2777, NK 2826, NK 2923 en NK 3103 maakten deel uit van een groep van schilderijen, waarvoor door Göring werd betaald door middel van de levering van een schilderij van Meindert Hobbema aan Nathan Katz in Zwitserland.

28. Met betrekking tot de schilderijen genoemd onder de categorieën a en c overweegt de commissie het volgende.
Op basis van de aangetroffen documentatie, waaronder facturen en kwitanties van Kunsthandel Katz aan de kunsthandelaar W.A. Hofer die optrad als inkoper van Hermann Göring, neemt de commissie aan dat deze werken op genoemde data door Hofer zijn verworven ten behoeve van Göring. De verkopen vonden plaats gedurende de eerste acht maanden van de Duitse bezetting van Nederland, toen de gebroeders Katz zich actief op de kunstmarkt begaven en intensief handel dreven, zoals hiervoor beschreven in het Historisch Overzicht. Bij het onderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen die ten aanzien van de verkoop van deze werken duiden op financieel onevenwichtige handelstransacties of op een situatie waarbij sprake was van een directe dreiging of dwang door Hofer uitgeoefend op Kunsthandel Katz.
Op grond hiervan concludeert de commissie ten aanzien van deze kunstwerken dat onvrijwillig bezitsverlies niet in hoge mate waarschijnlijk is. De commissie verwijst hiervoor nog naar het uitgangspunt van het kunsthandelbeleid ‘dat de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was’.
De commissie concludeert dat de claim op de werken uit de categorieën a en c niet voor toewijzing in aanmerking komt.

29. De kunstwerken genoemd onder categorie b zijn op of omstreeks 27 september 1940 door of via Kunsthandel Katz verkocht ten behoeve van de kunstcollectie van Hermann Göring. Omdat op een aan W.A. Hofer geadresseerde factuur van Firma D. Katz ten aanzien van de onderhavige werken de aantekening ‘Betrag dankend erhalten’ is genoteerd, en er geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat niet is betaald voor de werken, gaat de commissie ervan uit dat Kunsthandel Katz de koopsommen voor de betreffende schilderijen heeft ontvangen.

30. De commissie constateert dat in dezelfde periode waarin de onderhavige werken zijn verkocht, Hermann Göring persoonlijk het filiaal van Kunsthandel Katz te Den Haag heeft bezocht. De zoon van Nathan Katz heeft in een gesprek met de commissie een beeld van dit bezoek geschetst waarvan hij zich met name de spanning herinnerde en het feit dat zijn vader als gevolg daarvan een korte tijd onwel werd.
In naoorlogse documentatie van een Amerikaanse inlichtingendienst is het volgende over het bovengenoemde bezoek vermeld: ‘KATZ, Nathan – Dieren bei Arnheim, The Hague, Lange Voorhout 35 (…) GOERING went to KATZ’s shop on one occasion when pictures were being bought through him from ten CATE’. Van de bedoelde schilderijen ‘from ten Cate’ heeft de commissie bij het onderzoek facturen teruggevonden. Hieruit blijkt dat Göring drie kunstwerken kocht, waaronder het thans geclaimde NK 2608, die behoorden tot de kunstcollectie van de Almelose industrieel H.E. ten Cate. Ook Göring zelf heeft tijdens een verhoor aan het bovenvermelde bezoek gerefereerd: ‘For instance, art dealer Katz, from whom I once purchased three pictures (…)’.
Hoewel in de bovengenoemde bronnen sprake is van de aankoop van drie schilderijen uit de collectie Ten Cate (geen bezit van de Kunsthandel Katz) tijdens het bezoek van Göring, acht de commissie het niet uitgesloten dat ook de overige onder categorie b vermelde schilderijen tijdens het bezoek van Göring zijn verkocht. In geval van een dergelijke aankoop, door Göring persoonlijk bij een joodse kunsthandelaar, is onvrijwilligheid van het bezitsverlies niet onaannemelijk. De commissie komt aan een oordeel hierover echter niet toe, aangezien ten aanzien van alle werken onder deze categorie b geen aanwijzingen zijn gevonden die de eigendom van Kunsthandel Katz in hoge mate aannemelijk maken.

31. Ten aanzien van de schilderijen genoemd onder categorie d is bij het onderzoek een vermelding in een door de Amerikaanse inlichtingendienst opgestelde rapportage aangetroffen, waaruit blijkt dat deze deel uitmaakten van een op 22 maart 1941 met Nathan Katz overeengekomen transactie, die elementen lijkt te hebben van een ruil. Het betrof een levering van negen kunstwerken door Kunsthandel Katz, waartegenover Nathan Katz op enig moment, waarschijnlijk in 1942, is vergoed met een schilderij van Meindert Hobbema uit de kunstcollectie van Göring. Uit de aangetroffen documentatie kan worden opgemaakt dat het schilderij van Hobbema in 1942 door een Duitse diplomatieke koerier is afgeleverd bij Nathan Katz in Zwitserland. Bij het onderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op enige vorm van dwang, door of vanwege Hofer uitgeoefend op Nathan of Benjamin Katz.

Overige kunstwerken

32. Onder de geclaimde kunstwerken bevinden zich een negental (9) objecten die niet zijn in te delen in de bovenomschreven transacties of waarbij sprake is van een bijzondere situatie. Deze kunstwerken zijn opgesomd in lijst IV. Ten aanzien van de individuele kunstwerken uit deze categorie acht de commissie een nadere omschrijving gewenst. Het betreft NK 2603, NK 2823, NK 1815, NK 2633, NK 2172, NK 2207, NK 2655, NK 2711 en NK 3292.

33. Met betrekking tot de schilderijen met de inventarisnummers NK 2603, NK 2823 en NK 1815 is op grond van het onderzoek duidelijk geworden dat deze (mogelijk) door Kunsthandel Katz zijn verkocht aan de Amsterdamse kunsthandel P. de Boer. In de herkomstreconstructie voor NK 2603 van BHG wordt bij het kunstwerk de vermelding
‘Katz’ gegeven met daarbij het jaartal 1940. In december 1941 zou het werk verworven zijn door kunsthandel P. de Boer te Amsterdam, mogelijk van Kunsthandel Katz. NK 2823 en NK 1815 zijn in september 1940 door Kunsthandel Katz verkocht aan kunsthandel P. de Boer. Bij geen van de drie werken is de eigendom van Kunsthandel Katz voldoende aannemelijk geworden. Daarnaast neemt de commissie aan dat bij een verkoop aan de Nederlandse kunsthandel P. de Boer sprake is van een transactie in het kader van de reguliere handelsactiviteiten van Kunsthandel Katz.

34. Ten aanzien van het kunstwerk met het huidige inventarisnummer NK 2633 overweegt de commissie het volgende. Uit de geraadpleegde documentatie blijkt dat dit kunstwerk in oktober 1940 vermoedelijk voor transport werd afgeleverd bij het Haagse filiaal van Kunsthandel Katz in het kader van een verkoop door een derde aan de Sonderauftrag Linz. Verzoekers stellen over NK 2633: ‘There seems essentially no connection to Katz. It is possible that this work was taken to the Katz premises to be shipped to Posse along with other items leaving Holland at this time’. Er zijn geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat Kunsthandel Katz op een andere wijze betrokken was bij de verkoop van het schilderij, zodat niet wordt voldaan aan de in het restitutiebeleid geformuleerde criteria voor teruggave.

35. Het onderzoek ten aanzien van NK 2172 heeft geen zekerheid opgeleverd over de eigendom van Kunsthandel Katz noch over de omstandigheden van het bezitsverlies. In de herkomstreconstructie van BHG is de naam ‘N. Katz’ vermeld met daarbij het jaartal 1941. Het onderzoek naar de herkomst van het kunstwerk is bemoeilijkt door het feit dat er tijdens de bezetting hoogstwaarschijnlijk meerdere schilderijen zijn verhandeld waarvan de omschrijving sterk met die van NK 2172 overeenkomt en heeft geen gegevens opgeleverd ten aanzien van de vraag wie eigenaar was van het werk, wanneer en op welke wijze het bezitsverlies heeft plaatsgevonden en aan wie. Ook verzoekers hebben de commissie hieromtrent geen relevante gegevens kunnen verschaffen. Aangezien niet duidelijk is op welke wijze Kunsthandel Katz betrokken was bij dit schilderij wordt niet voldaan aan de criteria voor teruggave.

36. Met betrekking tot NK 2207 overweegt de commissie dat de aangetroffen herkomstgegevens erop wijzen dat dit schilderij in maart 1941 door de Firma D. Katz werd verkocht aan kunsthandel Malmedé te Keulen. Aangetroffen documentatie wijst er verder op dat de verschuldigde koopsom is betaald aan de Firma D. Katz in liquidatie. Bij het onderzoek zijn echter geen aanwijzingen aangetroffen die het in hoge mate aannemelijk maken dat NK 2207 eigendom was van Kunsthandel Katz, en evenmin aanwijzingen die duiden op gedwongen bezitsverlies. Hiermee is niet voldaan aan de criteria voor teruggave.

37. Het huidige NK 2655 maakt tevens deel uit van het restitutieverzoek inzake Mautner (RC 1.89-B). Uit onderzoek blijkt dat NK 2655 in de jaren 1943/1944 terecht is gekomen in Duitsland, maar het is onduidelijk of Kunsthandel Katz hierbij een rol heeft gespeeld. Verzoekers hebben in reactie op het onderzoek van de commissie ten aanzien van NK 2655 ingestemd met deze conclusie en gesteld dat ‘[T]here is no strong documentation for Katz involvement’. Hiermee is niet voldaan aan de voor teruggave vereiste criteria. Een nadere afweging tussen de respectieve restitutieverzoeken inzake Katz en Mautner is derhalve niet nodig. De commissie verwijst voor wat betreft NK 2655 tevens naar haar advies inzake Mautner (RC 1.89-B) dat gelijktijdig met het onderhavige advies is vastgesteld.

38. Met betrekking tot NK 2711 concludeert de commissie dat onvoldoende aannemelijk is dat NK 2711 eigendom was van Kunsthandel Katz en alleen al daarom niet aan de vereisten voor restitutie is voldaan. Van dit schilderij is slechts bekend dat het werd aangebracht bij Frederik Muller te Amsterdam en daarna in bezit is gekomen van dr. H. Posse. De naam Katz wordt in de herkomstreconstructie van BHG genoemd tussen het moment waarop het ter veiling zou zijn gekomen en het moment waarop het schilderij zou zijn aangekocht door Posse. Welke rol Katz hierbij eventueel heeft gespeeld is echter onbekend gebleven.

39. Ten aanzien van NK 3292 zijn bij het onderzoek aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat het kunstwerk op 26 juli 1940 door kunsthandel Esher Surrey te Den Haag werd verkocht aan Alois Miedl. De naam Katz wordt weliswaar in de herkomstreconstructie van BHG genoemd en gekoppeld aan de datum 11 september 1940 maar naar het oordeel van de commissie, gebaseerd op haar eigen onderzoekresultaten, berust deze vermelding op een vergissing.

40. In deze categorie bevinden zich derhalve geen werken die voor restitutie in aanmerking komen.

D. Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Man met hoge baret van Ferdinand Bol (NK 1668) te restitueren aan de gerechtigden tot de nalatenschappen van Benjamin Katz en Nathan Katz en het verzoek voor het overige af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 december 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter),
J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)
(E. Campfens, secretaris)

Een toelichting op de lijsten met kunstwerken

De hieronder in lijst I, II, III en IV vermelde objecten zijn onderwerp van het advies RC 1.90B. De lijsten zijn opgesteld aan de hand van een lijst van 227 objecten die het toenmalige Instituut Collectie Nederland op 14 augustus 2007 heeft toegezonden aan de Minister van OCW. De commissie heeft inzake RC 1.90A reeds geadviseerd tot afwijzing van 31 kunstwerken. Per brieven van 15 januari 2010 en 22 september 2010 heeft de minister, vanwege het feit dat zich op de lijst ook vermiste en gestolen werken bevonden, het adviesverzoek met betrekking tot enkele kunstwerken ingetrokken. Verzoekers zijn door de minister hierover geïnformeerd. De resterende objecten, die hieronder zijn opgesomd, zijn bij het onderzoek betrokken en de relevante onderzoeksgegevens zijn verwerkt in het conceptonderzoeksrapport, dat aan verzoekers is toegezonden ter commentaar.
De lijsten I t/m III betreffen kunstwerken die naar alle waarschijnlijkheid door de genoemde persoon of organisatie zijn verworven bij Kunsthandel Katz. Lijst IV betreft de objecten die niet goed in de voorgaande categorieën konden worden ingedeeld. Bij ieder object is een datum genoteerd. Deze data zijn afkomstig uit uiteenlopende bronnen van zowel tijdens als na de bezetting, zoals facturen, kwitanties, inventarisboeken en correspondentie. Omdat elk van deze documenten een ander doel dient, bijvoorbeeld registratie van betaling, levering of voorraad, moet de vermelde datum worden beschouwd als niet meer dan een indicatie van een moment binnen een periode waarin een transactie heeft plaatsgevonden. Als uitgangspunt is de laatste datum genomen die Bureau Herkomst Gezocht in de herkomstgeschiedenis van een bepaald kunstwerk noemt bij Kunsthandel Katz. Wanneer als gevolg van aanvullend onderzoek door de commissie gegevens zijn aangetroffen op grond waarvan een andere datum aannemelijker lijkt, is deze datum genoteerd. Wanneer gegevens ontbreken over maand of dag, is daarvoor in de plaats ‘00’ weergegeven. Wanneer bijvoorbeeld ‘00-00-1942’ is genoteerd, is over het werk niet meer bekend dan dat een verkoop waarschijnlijk in het jaar 1942 heeft plaatsgevonden.

Lijst I – Kunstwerken in bezit gekomen van Alois Miedl / kunsthandel v/h J. Goudstikker N.V.

Lijst II – Kunstwerken in bezit gekomen van de Sonderauftrag Linz

Lijst III – Werken in bezit gekomen van Hermann Göring

Lijst IV – Overige kunstwerken

Lijst V – Geraadpleegde archieven en literatuur

Selectie geraadpleegde archieven

Samenvatting

Samenvatting van het advies inzake Kunsthandel Katz (RC 1.90-B)
van de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog

Claim
De claim is ingediend door 21 nazaten van Nathan en Benjamin Katz, onder wie twee kinderen van Nathan Katz, en kleinkinderen van zowel Benjamin als Nathan Katz. Zij zijn afkomstig uit zes verschillende landen en worden vertegenwoordigd door advocaat Thomas Kline uit de Verenigde Staten.