3. Vaststelling van de feiten
De commissie stelt op grond van het door het ECR verrichte onderzoek de volgende feiten vast.
De familie Cramer
Gustav Max Cramer (hierna ook: Gustav Cramer) werd geboren op 3 juni 1881 te Felsberg, nabij de stad Kassel, Duitsland. Hij was de oudste zoon van de in 1854 geboren antiquair Max Cramer en Bernhardine Loewenstein (geboortejaar en jaar van overlijden onbekend), beiden van Joodse komaf. Gustav Cramer had een jongere broer, Hugo Cramer (1885-1950). Voor zover bekend was Hugo Cramer ongehuwd en heeft hij geen kinderen gekregen. Op 19 maart 1919 huwde Gustav Cramer de, voor zover bekend, niet-Joodse, Gertrud Reisewitz, geboren op 3 oktober 1894 te Friedenau, Duitsland. Het echtpaar Cramer-Reisewitz kreeg twee kinderen: Hans Max Cramer (1920-2012) en Margot Snyder-Cramer (1924-2019). Margot Snyder-Cramer kreeg drie kinderen: CC, DD en EE, allen thans woonachtig in XX. Hans Max Cramer kreeg twee dochters, AA en BB, die gezamenlijk het verzoek tot teruggave van de Portretbuste hebben ingediend.
Gustav Cramer voor de oorlog: Kassel, Berlijn en Den Haag
Gustav Cramer ging werken in de kunsthandel van zijn vader, die in Kassel en omgeving een goede reputatie genoot. Gustav Cramer bleef tot 1933 in Kassel gevestigd. Tussen 1933 en 1938 woonde hij in Berlijn alwaar hij de kunsthandel, tijdelijk, voortzette. In 1935 zag Gustav Cramer zich genoodzaakt de kunsthandel te sluiten als gevolg van anti-Joodse regelgeving, of zoals hij het verwoordde: ‘wegens Hitler-terreur’.
Op 29 april 1936 deed Gustav Cramer bij het Handelsregister in Amsterdam opgave van de oprichting van een filiaal van de Berlijnse firma Gustav Cramer waarvan zijn, op dat moment in Amsterdam woonachtige, broer Hugo Cramer de beheerder werd. In het najaar van 1938 is Hugo in Amsterdam uitgeschreven als gevolg van emigratie naar de Verenigde Staten. In april 1938 vluchtte het gezin Cramer-Reisewitz naar Nederland. Zij vestigden zich aan de Javastraat 38 te Den Haag, waar Gustav de kunsthandel G. Cramer Oude Kunst (her)opende. Op 14 mei 1938 deed Gustav Cramer als ‘eigenaar der firma’ bij het Handelsregister te Amsterdam opgave van de verhuizing van de firma naar de Javastraat te Den Haag. Op het briefhoofd van G, Cramer Oude Kunst werd vermeld dat de kunsthandel een commanditaire vennootschap betrof.
Halfjoden, kwartjoden en gemengd gehuwden – gevolgen voor Gustav Cramer en gezin
Na de bezetting dreef het Duitse bestuur de Joodse bevolking steeds verder naar de marges van de samenleving. Met een snelle opeenvolging van antisemitische maatregelen werden Joden geïsoleerd van de rest van de maatschappij. Een cruciale stap hierin was de invoering van een registratieplicht die tot doel had om een sluitende registratie van Joodse inwoners van Nederland te bewerkstelligen. Bij Verordening 6/41 van 10 januari 1941 bepaalde de bezettingsautoriteit dat personen die ten minste ‘kwartjoods’ waren, dat wil zeggen met ten minste één Joodse grootouder, zich bij de bevolkingsadministratie dienden te laten registreren. Op ontduiking van die plicht stond een lange gevangenisstraf en verbeurdverklaring van vermogen.
Voor de classificering van personen in de bezette gebieden die niet als ‘voljoods’ konden worden aangemerkt zijn tijdens de Wannsee-conferentie van 20 januari 1942 nadere definities uitgewerkt. Personen van Joodse afkomst werden hierbij in verschillende categorieën ingedeeld. Binnen het naziregime stond buiten kijf dat personen die drie of vier Joodse grootouders hadden volledig aan de anti-Joodse maatregelen waren onderworpen. Binnen de nazibureaucratie bestond echter onenigheid over de behandeling van personen die deels van Joodse komaf waren, omdat zij een of meerdere grootouders hadden die niet-Joods waren (‘Mischlinge’), of met een niet-Joodse partner waren gehuwd (‘Mischehen’).
Gustav Cramer werd als ‘voljood’ gekwalificeerd, maar zijn echtgenote gold naar nazimaatstaven als ‘Arisch’, waarmee Gustav tot de categorie ‘Mischehen’ behoorde. Hiermee waren zijn kinderen, volgens de nazisystematiek, ‘halfjoods’. Dit had invloed op de mate waarin anti-Joodse maatregelen op Gustav Cramer en zijn gezin van toepassing waren. Gemengd gehuwden en hun kinderen verkeerden formeel gezien in een betere uitgangspositie wat de toepassing van anti-Joodse maatregelen betrof, maar dat betekent zeker niet dat zij met rust werden gelaten. De positie van gemengd gehuwden en hun nageslacht bleef gedurende de bezettingsjaren uiterst onzeker. Het bezettingsbestuur was met voortdurende geestdrift bezig met indelingen, registraties en beperkende maatregelen. Er werden plannen gemaakt om alsnog aanvullende maatregelen te nemen tegen gemengd gehuwden, waaronder sterilisatie, verruimde echtscheidingsmogelijkheden en tewerkstelling in werkkampen. In dit kader hebben Verzoekers verklaard dat hun grootmoeder Gertrud Cramer-Reisewitz door de autoriteiten onder druk werd gezet om haar huwelijk met Gustav Cramer te laten ontbinden, wat overigens niet is gebeurd.
Op 24 april 1942 werd in Nederland voor Joden de verplichting tot het dragen van een duidelijk zichtbare gele ster op de kleding ingevoerd. In tegenstelling tot bepalingen in het Duitse Rijk werd in Nederland geen uitzondering gemaakt voor ‘voljoden’ die gemengd gehuwd waren. Vanaf 2 mei 1942 mochten ook zij zich niet meer zonder gele ster in het openbaar begeven. Wel creëerde de Rijkscommissaris voor Nederland, Arthur Seyss-Inquart, in mei 1942 de mogelijkheid om personen die van uitzonderlijk economisch belang waren voor Duitsland uit te zonderen van deze draagplicht. Aan Gustav Cramer is een dergelijke vrijstelling ook verleend. Hij kreeg deze vanwege zijn werkzaamheden ten behoeve van de Sonderauftrag Linz, waarover later meer.
In de zomer van 1942 begonnen de massadeportaties van Joden uit West-Europa naar de vernietigingskampen. Zowel de invoering van de Jodenster als de deportaties leidden binnen het bezettingsbestuur tot nadere discussies over de positie van Mischlinge en Mischehen. De uitkomst hiervan was dat Ferdinand Hugo aus der Fünten, de de facto-leider van de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung te Amsterdam, op 7 juli 1942 aan de Joodse Raad liet weten dat gemengd gehuwden en ‘halfjoden’ niet gedeporteerd zouden worden. Er werd hierbij in het midden gelaten of dit een tijdelijke dan wel definitieve uitzondering was.
Uit een brief die Gustav Cramer op 12 augustus 1943 aan de bevriende Duitse kunsthandelaar dr. Karl Haberstock schreef, blijkt hoezeer hij zich in het nauw gedreven voelde. In de brief deed hij uitgebreid verslag van de bedreigende situatie waarin hij en het gezin verkeerden en vroeg hij Haberstock om hulp. Gustav Cramer schreef onder meer: ‘Die Kinder müssen innerhalb eines kurzen Termins nach Deutschland, wenn nicht freiwillig, würden sie verhaftet und kommen in ein Straflager’. Hoe precair de positie van de familie Cramer-Reisewitz daadwerkelijk was, blijkt ook uit het feit dat uiteindelijk een kwart van de gemengd gehuwde Nederlandse Joden alsnog is gedeporteerd. De verleende vrijstellingen boden tijdelijk respijt, maar bleken voor velen uiteindelijk slechts uitstel van deportatie.
De kunsthandel van Gustav Cramer tijdens de oorlog
Voor Joodse ondernemers, zoals Gustav Cramer, was Verordening 189/40 van 22 oktober 1940 zeer verontrustend. Hiermee stelde de bezetter verplicht dat bedrijven van Joodse ondernemers zouden worden geregistreerd bij een Duitse overheidsafdeling, de Wirtschaftsprüfstelle. Velen vreesden, terecht, dat dit een opmaat was naar latere onteigeningsmaatregelen. In maart 1941 kondigde de bezetter dan ook een verordening af voor de ‘verwijdering van Joden uit het bedrijfsleven’ en werden Joodse ondernemingen in de daaropvolgende maanden onder beheer van een zogenaamde Verwalter of Treuhänder geplaatst, waarmee deze ondernemingen de oorspronkelijke eigenaren afhandig werden gemaakt.
Uit een briefwisseling van 10 en 21 oktober 1941 tussen dr. Hans Posse (1879–1942) – de Duitse museumdirecteur die in 1939 de opdracht had gekregen om namens Adolf Hitler kunstwerken te verwerven voor het in Linz op te richten Führermuseum – en de in Nederland werkzame Duitse diplomaat F.W. Wickel, blijkt dat Gustav Cramer de autoriteiten had verzocht om zijn zaak aan zijn zoon te mogen overdragen. Dat verzoek is weliswaar afgewezen, maar uit de briefwisseling blijkt dat Gustav Cramer toestemming kreeg om zijn zaak zelf voort te zetten, in eerste instantie voor de duur van een jaar. Tijdens het onderzoek zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de onderneming van Gustav Cramer gedurende de bezettingsjaren onder Duits beheer is geplaatst.
Gustav Cramer en de Sonderauftrag Linz – werkzaamheden in ruil voor bescherming
In 1939 gaf Adolf Hitler opdracht aan de directeur van de Dresdner Gemäldegalerie, dr. Hans Posse, om een kunstcollectie ten behoeve van het in Linz op te richten Führermuseum samen te stellen. De kleine organisatie die zich onder zijn leiding bezighield met de verwerving van kunstvoorwerpen bestond voor een deel uit medewerkers van de Dresdner Gemäldegalerie en staat ook wel bekend als de ‘Sonderauftrag Linz’. Het doel van deze activiteiten werd aanvankelijk versluierd: Posse presenteerde zich als directeur van het museum in Dresden en kocht objecten aan op eigen titel. Ook werden de faciliteiten van de Dresdner Gemäldegalerie, zoals opbergplaatsen, gebruikt om de verworven objecten te catalogiseren en op te slaan.
De verwerving van kunst door de Sonderauftrag Linz in Nederland vond voornamelijk plaats door aankoop op veilingen, via de kunsthandel of, al dan niet via bemiddelaars en tussenpersonen, uit particuliere verzamelingen. Vanaf mei 1942 werd Posse in Nederland ondersteund door de Duitse kunsthistoricus dr. Erhard Göpel (1906-1966), die was aangesteld bij een ambtelijke afdeling van het Rijkscommissariaat. Göpel was goed bekend met Nederland en beschikte over vele connecties in de Nederlandse kunstwereld. Voor de aankoop van kunst op de Nederlandse markt, onder meer uit particuliere collecties, maakte de Sonderauftrag Linz in de loop der tijd gebruik van een netwerk van Joodse experts en kunsthandelaren, deels Duitse vluchtelingen, dat ten behoeve van deze werkzaamheden tijdelijk diverse ontheffingen van anti-Joodse maatregelen verkreeg.
Deze Joodse experts faciliteerden Göpel bij de uitvoering van diens werkzaamheden en vervulden daarbij verschillende rollen. Voor de Joodse experts, handelaars en opkopers was duidelijk dat niet alleen hun eigen levens, maar ook die van hun familieleden bij voortduring afhingen van de welwillendheid van hun opdrachtgevers en de mate waarin zij in staat waren aan de verwachtingen te voldoen. Uit de literatuur blijkt dat de persoonlijke verhouding tussen de Joodse betrokkenen en hun Duitse opdrachtgevers soms complex was. Door inzet van hun specifieke kennis en de bemoeienis van de medewerkers van de Sonderauftrag Linz heeft een kleine groep Joodse kunstkenners de oorlog weten te overleven, maar meestal niet zonder blijvend getekend te worden door de spanningen van de bezettingsjaren en het verlies van familie. Voor sommige betrokkenen was ook na de bevrijding de beproeving niet voorbij: zij werden geconfronteerd met onbegrip over de positie waarin zij zich hadden bevonden en kregen het verwijt gecollaboreerd te hebben.
De onderzoeksresultaten wijzen uit dat ook Gustav Cramer gedurende de bezetting is ingezet bij het verwerven van kunstwerken ten behoeve van de Sonderauftrag Linz; als expert, aankoper en tussenpersoon. Tevens is gebleken dat Gustav Cramer Posse, en later ook Göpel, attent maakte op interessante objecten bij verzamelaars in Nederland en Berlijn en dat hij als agent voor andere partijen werkte, waaronder Duitse kunsthandelaren. Zelf verklaarde Gustav Cramer na de oorlog aan de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), dat Göpel hem tijdens de bezettingsjaren had gedwongen om valse facturen uit te schrijven. Hierdoor zou dan later niet bekend worden dat Nederlanders kunstwerken geheel vrijwillig aan de bezetter hadden verkocht. Gustav Cramer benadrukte dat alle betrokkenen destijds heel goed wisten dat hij zich niet tegen zulke praktijken kon verzetten. In een interview van april 2000 gaf de zoon van Gustav Cramer, Hans Max Cramer, zijn perspectief op de nepfacturen en zijn vaders betrokkenheid daarbij:
(…) In de late periode van de oorlog was het heel makkelijk in de kunstwereld mensen te vinden die in een levensgevaarlijke positie verkeerden. Hun werd gevraagd voor Göpel en verkoper een rekening te schrijven – ze hadden noch het verkochte schilderij ooit gezien, noch geld of provisie ontvangen, maar het effect was driedubbel: verkoper kreeg zijn centen, het Hitler-Museum zijn kunstwerk en de afgever van de neprekening een officiële Duitse ‘Bescheinigung’ dat hij voor het leveren van kunstwerken van economisch belang voor de bezetter was en daarom weer enkele maanden van deportatie gevrijwaard zou worden.
Volgens Verzoekers heeft hun vader de hachelijke en ook zeer eenzame positie waarin het gezin Cramer-Reisewitz tijdens de oorlog verkeerde ooit als volgt omschreven: ‘Voor de Nederlanders waren wij Nazi’s want wij waren Duitsers, voor de Nazi’s waren we Joden, voor de Joden waren wij geen Joden’.
Vrijstellingen van anti-Joodse maatregelen Gustav Cramer
Tijdens de bezetting kreeg Gustav Cramer diverse vrijstellingen van anti-Joodse maatregelen in ruil voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de Sonderauftrag Linz en bemiddeling bij kunstaankopen door de Duitsers op de Nederlandse en Duitse kunstmarkten. Bij het verlenen van deze vrijstellingen werd geredeneerd dat Gustav Cramer door het bemiddelen en leveren van kunstwerken van uitzonderlijk economisch belang was voor de bezetter en daarom van deportatie gevrijwaard moest worden.
Vanaf het begin van 1941 tot 3 februari 1944 zijn Gustav Cramer vrijstellingen verleend. Het waren elke keer tijdelijke vrijstellingen, waarbij hem niet werd verteld of die zouden worden verlengd. Onder deze omstandigheden wisten de nazi’s zich natuurlijk van de inzet van Gustav Cramer als kunstkenner verzekerd. Immers, Gustav Cramer wist dat niet alleen zijn eigen leven maar ook dat van zijn familieleden bij voortduring afhing van de welwillendheid van zijn opdrachtgevers en de mate waarin hij in staat was aan de verwachtingen te voldoen. Volgens Verzoekers probeerde Gustav Cramer, zelfs onder deze benarde omstandigheden, voor zover mogelijk altijd naar eer en geweten te handelen.
Binnen onderdelen van het bezettingsbestuur was men allerminst gelukkig met vrijstellingen voor Joden en werden voortdurend pogingen gedaan om het aantal uitzonderingsgevallen te verminderen. Illustratief hiervoor is de uitkomst van een overleg dat op 18 oktober 1943 op hoog niveau binnen het Nederlandse bezettingsbestuur plaatsvond. Op die dag kwamen Reichskommissar Seyss-Inquart, Göpel en enkele andere hooggeplaatste nazi-functionarissen bijeen. Op de agenda stond de ontwikkeling van het ‘Joodse vraagstuk’ in Nederland en een bespreking over de positie van gemengd gehuwden. Uit de bewaard gebleven documentatie met betrekking tot deze bijeenkomst blijkt dat Seyss-Inquart ter vergadering een lijst doornam waarop ‘niet-ariërs’ stonden vermeld die vrijstelling hadden gekregen van het dragen van een Jodenster. Op de lijst bevonden zich ongeveer negentig personen, onder wie ook een kleine groep ‘für den Sonderauftrag Museum Linz vom Sterntragen befreiten Juden’. Seyss-Inquart besloot tijdens de bijeenkomst dat van deze groep in slechts drie gevallen de tot dan toe geldende vrijstellingen gehandhaafd konden blijven. Gustav Cramer bevond zich onder deze groep van drie Joodse kunstexperts.
Uit het onderzoek is gebleken dat aan Gustav Cramer op 3 februari 1944 nogmaals een verlenging van deze vrijstellingen is verleend met als reden: ‘Wird weiter für Sonderauftrag Linz benötigt’. Uit het onderzoek is niet gebleken tot wanneer deze verlenging gold, maar vermoedelijk was zij wederom tijdelijk van aard. Gustav Cramer en zijn gezin hebben niet afgewacht wat de toekomst hen wat dit betreft zou brengen. Volgens Verzoekers hebben zij de laatste maanden van de oorlog ondergedoken gezeten in een verborgen ruimte op de vliering van hun woning aan de Javastraat 38 te Den Haag.
Gustav Cramer en zijn gezin overleefden de oorlog. Na de bevrijding werd in het kader van de bijzondere rechtspleging een onderzoek naar Gustav Cramer ingesteld. Dit heeft echter niet tot vervolging geleid.
Objectgegevens van de Portretbuste
De Portretbuste betreft een bronzen sculptuur, van een onbekende maker, op een marmeren voetstuk met afmetingen 70 x 60 x 31 cm, gedateerd circa 1700-1724. De Portretbuste maakt sinds 1947 onderdeel uit van de NK-collectie en bevindt zich momenteel in het depot van de RCE in het Collectiecentrum Nederland te Amersfoort, onder inventarisnummer NK 135.
De Portretbuste, die in de literatuur ook wel abusievelijk als ‘Vitelliusbuste’ is aangehaald, is in 1750 door landgraaf Wilhelm VIII von Hessen-Kassel verworven tijdens een veiling van de verzameling van graaf Wassenaar-Obdam van Den Haag. Later is het werk in de collectie van het Hessisches Landesmuseum te Kassel opgenomen. Over de Portretbuste wordt in het Jahrbuch des Deutschen Archäologischen Instituts uit 1927 vermeld dat het ‘zu den glanzvollsten Stücken dieser Barocknachbildungen zu rechnen ist’. Ook in andere publicaties wordt de kwaliteit van de Portretbuste benadrukt.
Herkomstonderzoek naar de Portretbuste
Door Gustav Cramer ingevulde Aangifte Formulieren
Na de oorlog was de SNK onder meer belast met het opsporen van kunstwerken en de recuperatie daarvan uit Duitsland. Hiertoe was informatie nodig over wat er was kwijtgeraakt. Om documentatie te verkrijgen die voor deze taken nodig was, werd iedereen die kennis had over kunst in vijandelijk bezit per verordening van het naoorlogse Militair Gezag verplicht om gegevens te verstrekken aan de SNK. De aangifteplicht gold niet alleen voor voormalige eigenaren van kunstwerken, maar voor iedereen die kennis had over kunstwerken die na
10 mei 1940 in vijandelijke handen waren terechtgekomen, ongeacht hun eigen betrokkenheid daarbij en ongeacht de manier waarop de kunst uit handen was geraakt van de eigenaar. Tot dat doel werden voorgedrukte ‘Aangifte Formulieren’ uitgegeven, waarop gegevens konden worden ingevuld met betrekking tot het kunstobject en de aard van het bezitsverlies.
Met behulp van de aldus verzamelde gegevens werden kunstwerken opgespoord in Duitsland en dienden de Nederlandse autoriteiten bij de geallieerde collecting points claims in, op grond waarvan de kunstwerken naar Nederland konden worden teruggevoerd. Dat iemand informatie aan de SNK verstrekte over een kunstwerk door middel van het invullen van een Aangifte Formulier impliceert niet dat diegene daarmee de SNK om restitutie vroeg, of noodzakelijkerwijs eigenaar was van het kunstwerk.
Op de SNK Aangifte Formulieren bevinden zich twee velden die betrekking kunnen hebben op de eigendom van een kunstwerk: veld 8 en veld 14. Veld 8 (Herkomst) was bedoeld om aan te geven wat de oudere herkomst van het object was. Veld 14 betreft een voorgedrukte zin (Oorspronkelijk bezit, bewaring of anderszins) gevolgd door een in te vullen naam, waarbij de indiener van het formulier geacht werd in de voorbedrukte zin de niet-relevante woorden door te strepen, om daarmee duidelijkheid over de eigendomssituatie te verschaffen. Op de SNK Aangifte Formulieren is ook een veld 15 opgenomen waarop de wijze van bezitsverlies kon worden vermeld, evenals welke kwalificatie aan dat bezitsverlies werd verbonden door degene die het formulier invulde. Het gaat hier eveneens om een voorbedrukte zin waarbij de indiener van het formulier geacht werd de niet ter zake doende woorden te doorstrepen: Ad 15. Doorhalen hetgeen niet van toepassing is, zoodat b.v. gelezen wordt: “Is door confiscatie in het bezit gekomen van”.
Gustav Cramer vulde na de bevrijding meerdere SNK Aangifte Formulieren in die betrekking hebben op kunstwerken die tijdens de bezetting in handen van de Duitsers zijn geraakt. In totaal zijn in het SNK-archief circa 35 formulieren gevonden die door Gustav Cramer zijn ingevuld en ondertekend. Op de meeste formulieren liet hij in het midden of het een gedwongen of onvrijwillige verkoop betrof. In veel gevallen gaf Gustav Cramer bij de objecten niets op over de eigendomssituatie of het bezitsverlies.
Op 15 oktober 1945 vulde Gustav Cramer, namens Gustav Cramer Oude Kunst c.v., een Aangifte Formulier in dat betrekking heeft op de Portretbuste. Over de herkomst van de Portretbuste (veld 8) gaf Gustav Cramer op het formulier aan: ‘Staatliche Kunstsammlungen Kassel / sinds méér dan 20 jaar in eigen bezit’. Voor wat betreft de eigendomssituatie (veld 14) heeft Gustav Cramer de woorden ‘gebruik, bewaring of anderszins’ met de schrijfmachine doorgekruist, zodat leesbaar is: ‘Was oorspronkelijk bezit van’. In antwoord op die vraag vulde hij in: ‘Gustav Cramer, Javastraat 38, Den Haag en Dr. Hugo Cramer, 1977 Broadway, New York 23 N.Y’. Hieruit kan worden afgeleid dat de Portretbuste gezamenlijk eigendom was van Gustav Cramer en zijn broer Hugo Cramer te New York. Overigens gaf Gustav Cramer ook bij andere kunstwerken aan dat ze gezamenlijk eigendom waren van zijn broer Hugo en hemzelf. Ten aanzien van de wijze van bezitsverlies (veld 15) heeft Gustav Cramer met een schrijfmachine alle kwalificaties van de omstandigheden ‘Confiscatie, diefstal, gedwongen of vrijwillige’ doorgehaald, zodat nog slechts leesbaar is: ‘Is door (…) verkoop in bezit gekomen van Hans W. Lange, Kunstversteigerungen, Berlin W 9, Bellevuestr. 7’. In een toelichting schreef Gustav Cramer over de verkoop: ‘Eind december 1941 verkocht. Het stuk bevindt zich nu waarschijnlijk weer in de Staatliche Kunstsammlungen te Kassel’.
Correspondentie over de Portretbuste tussen Cramer en de SNK
In 1947 correspondeerde Gustav Cramer meerdere malen met de SNK over de Portretbuste, waarbij hij zijn eerdere SNK-aangifte nader toelichtte. In een brief van 21 januari 1947 gaf Gustav Cramer ondubbelzinnig aan dat hij de Portretbuste in 1941 onvrijwillig had moeten verkopen:
Tijdens de bezetting was ik gedwongen ook een brons, portret-bust, Italiaansch omstreeks 1600, voorstellende de keizer Vitellius naar Duitschland te verkopen, die – evenals mijn twee Italiaansche schilderijen van Lorenzo Lotto en Francesco Guardi – sinds ongeveer 25 jaren in mijn bezit waren. Ik merk op, dat ik de volgende mededeelingen, die – zooals ik veronderstel – tot het vinden van het stuk kunnen leiden, niet doe om deze bust voor mij terug te krijgen, maar ik zou ertoe willen bijdragen het stuk voor Holland zeker te stellen.
In dezelfde brief weidde hij ook uit over de wijze waarop hij de Portretbuste had verworven:
Zooals ik boven opmerkte, heb ik het stuk ruim 25 jaar geleden door een ruil uit het museum van de toenmalige directeur Dr. Boehlau verworven. Zijn opvolger, Dr. Luthmer had herhaaldelijk getracht het hooginteressante en belangrijke stuk terug te koopen, heb echter altijd geweigerd het stuk te verkopen.
Over het bezitsverlies van de Portretbuste tijdens de bezetting schreef Gustav Cramer:
Tijdens de oorlog kwam de Berlijnsche kunsthandelaar Lange naar mij en ik moest de bronsbuste natuurlijk afstaan. Lange heeft mij eens bij een later verblijf in Den Haag gezegd, dat hij de brons naar Kassel verkocht had en ze weer in het museum aldaar stond.
De naam ‘Lange’ in dit citaat is een verwijzing naar de Berlijnse kunsthandelaar en veilingmeester Hans W. Lange (1904-1945) met wie Gustav Cramer tijdens de oorlog een zakelijke relatie onderhield en regelmatig correspondeerde. Uit de tijdens het onderzoek aangetroffen documenten blijkt dat Lange de Portretbuste op 17 januari 1942 onder de aandacht bracht van het Hessisches Landesmuseum te Kassel met een vraagprijs van RM 5000. Het museum kocht de Portretbuste aan.
In een brief aan de SNK van 20 mei 1947 vertelde Gustav Cramer meer over de verwerving van de Portretbuste van het Hessisches Landesmuseum. Hij vermeldde dat zulks in de jaren 20 van de vorige eeuw had plaatsgevonden. Gustav Cramer voelde zich genoodzaakt deze brief te schrijven omdat hij van de recuperatieautoriteiten te Wiesbaden had vernomen dat de directeur van het museum zou hebben beweerd dat de Portretbuste sinds 1750 onafgebroken in het bezit van het museum zou zijn geweest. Gustav Cramer wilde de zaak recht zetten. Hij sloot een krantenbericht bij zijn brief waaruit bleek dat de Portretbuste in 1938 in zijn zaak in Den Haag te zien was geweest.
Op 17 april 1950 stuurde de SNK een lijst met kunstwerken aan Gustav Cramer met het verzoek om aan te geven of de weergegeven objecten zijn eigendom waren of tijdens de bezetting door zijn bemiddeling waren verkocht. Op 21 april 1951 antwoordde Gustav Cramer: ‘Van de genoemde stukken was slechts de bronsbust van Vitellius mijn eigendom. Ik heb de bust destijds moeten verkopen, omdat men van Duitse zijde wist, dat ik de bust vroeger uit een Duits museum had verworven’.
Recuperatie van de Portretbuste
Met hulp van Gustav Cramer wisten de Nederlandse recuperatieofficieren de Portretbuste in Duitsland te traceren. Op 6 juni 1947 meldde opsporingsofficier Keezer te Wiesbaden dat de Portretbuste was gevonden. Op 21 augustus 1947 schreef opsporingsofficier dr. R.F.P. de Beaufort een brief aan Keezer waarin, onder meer, te lezen is dat het werk: ‘In 1922 in het bezit was van de Kunsthandel Cramer te ’s-Gravenhage, die het in 1941 aan Lange te Berlijn verkocht. (…) Wanneer de Museumdirectie nu beweert, dat het van 1880 of zoo ongeveer in het bezit van het Museum is geweest, vergeten zij, dat zij het vrijwillig lang geleden hebben verkocht en pas in de oorlog terugkregen. Het moet dus terug naar Nederland’.
Op 19 augustus 1947 droeg het Hessisches Landesmuseum de Portretbuste over aan de recuperatieautoriteiten van het Collecting Point Wiesbaden. Op 10 september 1947 is de Portretbuste naar Nederland teruggevoerd. Sindsdien is de Portretbuste in beheer van de Staat der Nederlanden en maakt het werk deel uit van de NK-collectie onder inventarisnummer NK 135.