Spring naar content
Advies inzake Gosschalk III

Gosschalk III

Dossiernummer: RC 1.189

Soort advies: NK-collectie

Adviesdatum: 31 maart 2025

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: particulier

Plaats bezitsverlies: In Nederland

NK2107 – De engel bij het graf (De wederopstanding van Christus) door Benjamin Gerritsz. Cuyp (foto: RCE)

  • NK2107 - De engel bij het graf (De wederopstanding van Christus) door Benjamin Gerritsz. Cuyp

Samenvatting

De Restitutiecommissie heeft een verzoek beoordeeld tot teruggave van het schilderij De engel bij het graf (De wederopstanding van Christus) van de hand van de zeventiende-eeuwse schilder Benjamin Gerritsz. Cuyp (1612–1652). Het schilderij maakt deel uit van de NK-collectie en bevindt zich momenteel in het Dordrechts Museum.

Het verzoek is ingediend door de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Joseph Henri Gosschalk (1875–1952).

Gosschalk was een Joodse kunstenaar, verzamelaar, restaurator en handelaar. Hij heeft tijdens de bezetting geleden onder het naziregime. In 1943 werd hij met zijn zus opgenomen in de zogenoemde Barneveldgroep en via Westerbork gedeporteerd naar Theresienstadt. Daar verbleef hij tot de bevrijding. In naoorlogse correspondentie met de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) schreef Gosschalk dat het grootste deel van zijn kunstcollectie tijdens de bezetting was verloren gegaan. Zijn herinneringen waren door de oorlogservaringen ernstig aangetast. Hij kon slechts enkele verloren werken summier beschrijven.

De commissie acht aannemelijk dat het schilderij van Cuyp een van deze verloren kunstwerken betreft. Uit onderzoek van het Expertisecentrum Restitutie NIOD (ECR) komt naar voren dat het schilderij op 31 januari 1948 vanuit Hamburg naar Nederland is gerecupereerd en vervolgens is opgenomen in de Rijkscollectie. Kunsthandel J. Denijs in Amsterdam heeft het schilderij tijdens de oorlog verkocht aan een Duitse koper in Hamburg, vermoedelijk met tussenkomst van kunsthandelaar Jan Dik jr., die in die periode met J. Denijs samenwerkte. In archieven is een brief aangetroffen van kunsthandel Denijs uit 1948, waarin zij verwijst naar een lijst van schilderijen uit de periode dat de kunsthandel zaken deed met Jan Dik jr. Op deze lijst staat een schilderij van Cuyp, dat de titel Opstanding kent, waarbij de naam ‘Gosschalk’ en de verkoopdatum in 1942 zijn genoteerd. Deze aanwijzing, in combinatie met een brief van Denijs over de samenwerking met Dik, maakt aannemelijk dat het schilderij uit de collectie van Gosschalk afkomstig was.

Een aantal jaar eerder, in het najaar van 1940, werd in Kunstzaal Bennewitz te Den Haag een tentoonstelling georganiseerd waarop, volgens krantenrecensies, een klein Bijbels werk van Cuyp werd getoond. De beschrijving in deze recensies komt wat betreft voorstelling, stijl en formaat sterk overeen met het schilderij waarop het teruggave verzoek ziet. Hoewel de eigenaar van het tentoongestelde werk in de recensies niet wordt genoemd, is het aannemelijk dat het hier om hetzelfde schilderij gaat. Het is bovendien waarschijnlijk dat Joseph Henri Gosschalk het schilderij ten behoeve van deze tentoonstelling heeft ingebracht, aangezien hij op dezelfde expositie ook een werk van De Momper had ingebracht, dat aantoonbaar tot zijn collectie behoorde.

Eerder, in mei 1933, had Gosschalk het schilderij ter veiling aangeboden bij veilinghuis A. Mak in Dordrecht. In het veilingregister werd hij als inzender vermeld. Het schilderij bleef onverkocht, waarna het vermoedelijk aan hem is geretourneerd. Uit een briefwisseling tussen Gosschalk en het veilinghuis blijkt bovendien dat hij het schilderij zelf aanbood en beschreef als een ‘prachtwerk’ van Benjamin Cuyp.

Deze aaneenschakeling van gebeurtenissen leidt de commissie tot de conclusie dat het in hoge mate aannemelijk is dat het schilderij in eigendom toebehoorde aan Gosschalk en tussen 1933 en 1940 in zijn bezit is gebleven. Tevens acht de commissie het voldoende aannemelijk dat Gosschalk het schilderij tijdens de bezetting onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

De commissie heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geadviseerd het schilderij te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Joseph Henri Gosschalk.

Advies inzake Gosschalk III

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) heeft de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) verzocht advies uit te brengen over een verzoek tot teruggave van het schilderij De engel bij het graf (De wederopstanding van Christus) door Benjamin Gerritsz. Cuyp (hierna: het Schilderij), dat onder inventarisnummer NK 2107 deel uitmaakt van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: de NK-collectie).

Het verzoek tot teruggave is ingediend door de heer AA, namens BB, CC en DD (hierna ook: Verzoekers). Verzoekers hebben verklaard erfgenaam te zijn van Joseph Henri Gosschalk (1875 – 1952). De minister heeft zich in deze zaak laten vertegenwoordigen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna ook: RCE).

  1. Het verzoek

Bij brief van 31 maart 2021 heeft de RCE, namens de minister, de commissie verzocht om advies uit te brengen met betrekking tot teruggave van het Schilderij. Aanleiding hiervoor is het restitutieverzoek van Verzoekers aan de minister bij brief van 2 maart 2021. Het Schilderij zou oorspronkelijk eigendom zijn geweest van de Joodse tekenaar, graficus, verzamelaar en kunsthandelaar, Joseph Henri Gosschalk.

De commissie heeft eerder adviezen uitgebracht betreffende J.H. Gosschalk: RC 1.07, RC 1.156, RC 3.170 en RC 3.182.

2. De procedure en het toepasselijk beoordelingskader

De commissie heeft Verzoekers bij brief van 6 april 2021 geïnformeerd over het adviesverzoek van de minister en op 28 mei 2021 ingelicht over de procedure en het reglement van de commissie. Zij heeft kennisgenomen van alle overgelegde stukken. De commissie heeft afschriften van alle stukken aan Verzoekers en de RCE toegezonden. Daarnaast heeft zij het Expertisecentrum Restitutie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (hierna ook: het ECR) verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport.

Chronologisch overzicht

  • Op 2 maart 2021 hebben Verzoekers de minister verzocht om restitutie van het Schilderij dat op dit moment deel uitmaakt van de NK-collectie.
  • Op 31 maart 2021 heeft de RCE namens de minister de commissie verzocht haar over dit verzoek te adviseren.
  • Op 28 april 2021 heeft de commissie Verzoekers gevraagd volmachten van de erfgenamen en verklaringen van erfrecht over te leggen.
  • Op 26 mei 2021 heeft de commissie de goede ontvangst van de volmachten van Verzoekers alsmede van de erfrechtelijke stukken aan Verzoekers bevestigd.
  • Op 28 mei 2021 heeft de commissie het ECR verzocht een onderzoek naar de feiten in te stellen.
  • Op 23 november 2023 heeft de commissie Verzoekers bericht over de voortgang van de procedure. Daarbij is gemeld dat de commissie haar reglement had aangepast met betrekking tot artikel 8 en artikel 11.
  • De resultaten van het onderzoek door het ECR zijn neergelegd in een concept-onderzoeksrapport dat door het ECR op 16 april 2024 voor feitelijke aanvulling en/of commentaar aan de RCE en aan Verzoekers is toegezonden. Verzoekers hebben op 6 mei 2024 gereageerd geen opmerkingen te hebben. De RCE heeft op 28 mei 2024 gereageerd met enkele feitelijke opmerkingen.
  • Op 8 juli 2024 heeft de commissie het concept-onderzoeksrapport met het ECR in haar vergadering besproken. Naar aanleiding van de vragen en opmerkingen van de commissie heeft het ECR in het definitieve onderzoeksrapport nog enkele redactionele correcties aangebracht.
  • Op 30 juli 2024 heeft de commissie het definitieve onderzoeksrapport van het ECR ontvangen en op 16 augustus 2024 toegezonden aan Verzoekers en de RCE. Tevens is gevraagd of partijen behoefte hadden aan een mondelinge behandeling. De RCE heeft op 3 september 2024 laten weten geen opmerkingen te hebben. Wat betreft de mondelinge behandeling gaf de RCE aan zich te voegen naar de wens van Verzoekers. Verzoekers hebben op 3 oktober 2024 laten weten geen opmerkingen te hebben. Zij wensten geen gebruik te maken van de mogelijkheid om gehoord te worden.
  • Op 20 februari 2025 heeft de commissie haar advies in concept aan de RCE en Verzoekers toegezonden en daarbij gevraagd of behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling. De RCE heeft op 3 maart 2025 op het conceptadvies gereageerd met enkele opmerkingen van feitelijke aard. Verzoekers hebben op 4 maart 2025 met instemming op het conceptadvies gereageerd en laten weten geen gebruik te willen maken van een mondelinge behandeling.

3. Vaststelling van de feiten

De commissie stelt op grond van het feitenonderzoek dat in deze zaak is verricht de volgende feiten vast.

De familie Gosschalk

Joseph Henri Gosschalk is op 12 mei 1875 in Zwolle geboren als zoon van koopman

Henri J. Gosschalk en Seline (Sellie) Polak. Hij had vier jongere zussen: Elise, Margaretha, Betsie en Martha. Het gezin was van Joodse afkomst. Van de vier zussen van Gosschalk zijn alleen kinderen van Margaretha bekend. Twee van hen bereikten de volwassen leeftijd, Celine Kosturkiewicz (1911-2008) en Helene Kosturkiewicz (1921-1999). Eén van de huidige verzoekers, DD, is de dochter van Celine. Drie van de huidige verzoekers, AA, CC en BB, zijn de kinderen van Helene.

Gosschalk heeft in Bussum en Amsterdam gewoond, voordat hij vanaf 1913 stond ingeschreven op de Obrechtstraat 227 te Den Haag. Hij was ongehuwd en had geen biologische kinderen, maar wel twee pleegdochters. Eén van hen, Jeanne Marcelle Courboulay, was in 1906 geboren in Rotterdam. Zij groeide waarschijnlijk deels in gastgezinnen en deels bij Gosschalk op. Een tweede pleegdochter van Gosschalk was Gerardina Clasina (Dientje) Hijst, geboren in 1912 in Den Haag. Vanaf 1930 was Dientje wees. Zij woonde vervolgens op verschillende adressen in Den Haag en trok in mei 1938 in bij Gosschalk.

Vanaf augustus 1945 stond Gosschalk ingeschreven aan de Wassenaarse Slag 1b in Wassenaar.

Gosschalk als kunstenaar, restaurator en organisator

Gosschalk was als kunstenaar autodidact. Hij werkte vanaf ongeveer 1912 als professioneel schilder en tekenaar. Tot 1928 specialiseerde hij zich in portretten en daarna ook in landschappen en stadsgezichten. Hij verbleef regelmatig in Duitsland, Italië en Frankrijk en legde zijn indrukken van die reizen veelal vast in pentekeningen. Vanaf zijn eerste expositie in Bussum in 1912 was zijn werk regelmatig te zien op solo- en groepstentoonstellingen in Nederland. Verschillende Nederlandse musea hebben werk van hem in hun collectie. Gosschalk werkte ook als restaurator.

In vakkringen was Gosschalk daarnaast bekend om zijn grote inzet voor kunstenaarsorganisaties, zoals De Onafhankelijken, de Nederlandse Federatie van Beeldende Kunstenaarsverenigingen, het Congres Kunstenaars in Crisis en het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars.

Gosschalk als verzamelaar en handelaar

Gosschalk had als kunstenaar en verzamelaar vele tientallen schilderijen, tekeningen en kunstvoorwerpen in zijn bezit. Hij handelde ook in kunst. Uit onderzoek in het archief van Museum De Fundatie in Heino blijkt dat hij kunstwerken verwierf op een veiling van de firma A. Mak te Dordrecht en Amsterdam in maart 1922. Hij stelde ook werken beschikbaar aan musea.

Objecten uit de collectie van Gosschalk waren onder meer te zien op tentoonstellingen van oude kunst in Den Haag (1924, 1926), Chemnitz (1927) en Berlijn (1927). In 1928 beschreef kunstcriticus Kasper Niehaus in De Telegraaf een bezoek aan Gosschalks woning in Den Haag als een ‘feest van schoonheid en kunst’, dankzij de vele schatten die er te zien waren. Hij vermeldde dat Gosschalk zich vooral interesseerde voor ‘de vroeg-Vlaamsche landschapschilderkunst’ en noemde werken van diverse oude meesters.

In februari 1933 deed Gosschalk aangifte bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Den Haag van de oprichting per 1 maart 1933 van het ‘Bureau voor Grafische Kunst’. De zaak, gevestigd aan de Obrechtstraat 227, richtte zich op ‘Bemiddeling bij opdrachten, uitgave, koop en verkoop van werken van beeldende, speciaal grafische, kunst, en hetzelfde voor eigen rekening. / (Commissiehandel en handel voor zijn rekening)’. Gosschalk was enig eigenaar.

In het Interbellum bood Gosschalk meerdere werken te koop aan. Zo zond hij enige tientallen schilderijen en andere kunstwerken in voor veilingen bij de firma A. Mak te Dordrecht in april 1932 en mei 1933. In Den Haag vond in 1936-1937 een tentoonstelling plaats met objecten uit zijn collectie.

Lotgevallen Gosschalk tijdens de bezetting

Gosschalk heeft geleden onder de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. In september 1940 deden in Nederland geruchten de ronde dat het Duitse bestuur zou beginnen met de onteigening van Joodse bedrijven. Op 22 oktober 1940 is verordening 189/1940 uitgevaardigd, waarin werd bepaald dat alle Joodse ondernemingen zich voor 30 november 1940 dienden te laten registreren bij de Wirtschaftsprüfstelle. Een dag voor deze uiterste termijn, op 29 november 1940, heeft Gosschalk bij de Kamer van Koophandel gemeld dat zijn Bureau voor Grafische Kunst per maart van hetzelfde jaar was opgeheven. Ruim drie maanden later, op 12 maart 1941, is verordening 48/1941 afgekondigd, de zogenaamde ‘Wirtschaftsentjüdungs-verordening’, ook bekend als: ‘Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven’. Op grond hiervan konden bedrijven van Joodse ondernemers onder beheer worden gesteld en door de beheerder worden geariseerd of geliquideerd.

Uit documentatie van de Duitse Entscheidungsstelle, een ambtelijke instantie die verzoeken behandelde van personen die hun registratie als Joden herzien probeerden te krijgen om onder de anti-Joodse maatregelen uit te komen, blijkt dat Gosschalk in het najaar van 1942 een verzoek tot herziening van zijn registratie als Jood heeft ingediend op grond van zijn pleegouderschap van ‘twee personen van zuiver niet-joodschen bloede, beide katholiek gedoopt’. In een brief van november 1942 werd meegedeeld dat het verzoek niet kon worden ingewilligd. In de winter van 1942-1943 stelden verschillende bekenden van Gosschalk vervolgens verklaringen op om het belang van zijn werk te benadrukken en ervoor te zorgen dat hij niet zou worden gedeporteerd.

Uiteindelijk zijn Gosschalk en zijn zus Elise toegelaten tot de ‘Barneveldgroep’, die vanaf eind 1942 werd geïnterneerd in Barneveld en Doetinchem. Het betrof personen van Joodse afkomst met invloedrijke relaties en een belangrijke positie in de maatschappij, die van transport naar Westerbork werden uitgezonderd. In februari en maart 1943 was de toevloed van mensen naar Barneveld zo groot dat, naast het reeds als verblijfplaats dienende kasteel De Schaffelaar, ook de nabijgelegen villa De Biezen in gebruik is genomen. In deze periode arriveerden Gosschalk en zijn zus. Zij werden in de villa ondergebracht.

Veel personen uit de Barneveldgroep brachten inboedelgoederen naar hun nieuwe adres mee of lieten die nasturen. Uit naoorlogse correspondentie van Gosschalk in het archief van de SNK kan worden afgeleid dat ook hij goederen, onder meer schilderijen, naar Barneveld heeft verzonden. Welke werken dit waren, kon bij het onderzoek niet worden achterhaald. Eind september 1943 bracht de Duitse Ordnungspolizei de Barneveldgroep over naar kamp Westerbork. Achtergebleven bezittingen van ‘de Barnevelders’ vielen ten prooi aan plunderingen en confiscaties. Ook in Westerbork waren hun bezittingen niet veilig.

De Barneveldgroep kreeg in kamp Westerbork een eigen barak en was in principe uitgezonderd van deportatie naar de vernietigingskampen. Gosschalk heeft veel tekeningen gemaakt van het kamp en de directe omgeving. Begin september 1944 zijn de Barnevelders op transport gezet naar concentratie- en doorgangskamp Theresienstadt. Daar heeft het grootste deel van hen de oorlog overleefd.

Lotgevallen Gosschalk na de bezetting

Op 3 mei 1945 droegen de nazi’s het gezag over het concentratiekamp Theresienstadt over aan het Rode Kruis en op 8 mei trokken soldaten van het Rode Leger het kamp binnen. Verzoekers hebben in de zaak RC 1.156 een kopie van een postkaart overgelegd die Gosschalk na de bevrijding van Theresienstadt aan zijn pleegdochter Gerardina Hijst heeft gestuurd. Hierin beschreef hij onder meer zijn slechte lichamelijke toestand als gevolg van de ontberingen: ‘ik ben nog maar een geraamte met vel er over en kan nauwelijks loopen […]’. Daarnaast schreef hij onder meer over de diefstal van zijn bezittingen: ‘Onze inboedel, al mijn koffers en kleeren ben ik kwijt, alles afgenomen en gestolen. Heb niet meer dan de oude plunje die ik aan heb’.

Gosschalk noemde op de postkaart verschillende mensen uit zijn kennissenkring. Uit naoorlogse correspondentie blijkt dat Gosschalk ook maanden en zelfs jaren na de bevrijding fysiek en mentaal nog niet in orde was. Op een postkaart van 4 oktober 1945 aan vrienden in Den Haag schrijft hij:
Hoewel ik in omvang goed aangekomen ben, schiet ik in lichaamskracht nog steeds te kort, ben zeer snel uitgeput wanneer ik loop, zoodat ik in Den Haag zelfs niet alle dringende dingen heb kunnen behandelen en ook geen middel zag bij je aan te komen; nu de tram weer de heele dag loopt, hoop ik dat dit niet al te lang meer behoeft te wachten. […]

In correspondentie met de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) in 1945 schrijft hij dat zijn geheugen hem in de steek liet:
[…] en heb ik de moeilijkheid dat ook alle gegevens verdwenen zijn en mijn geheugen mij deerlijk in den steek laat. Waar u in Uw formulieren allerlei gegevens vraagt was het mij niet mogelijk die in te vullen. Hoogstens kan ik van enkele stukken die mij invallen een vage beschrijving geven.

In zijn latere correspondentie met het Kunstmuseum schrijft hij:
Op ’t ogenblik kan ik mij niets meer te binnen brengen, maar mijn geheugen heeft door alles wat ik pas doorleefd heb, ernstig geleden, misschien valt mij later nog wat in.

 Overlijden Gosschalk

Op 6 oktober 1952 overleed Gosschalk op 77-jarige leeftijd in Den Haag aan de gevolgen van een brommerongeluk. In 1953 eerde het Stedelijk Museum in Amsterdam Gosschalk met een herdenkingstentoonstelling van zijn landschapstekeningen.

 Herkomstgeschiedenis van het Schilderij

Het verzoek heeft betrekking op het schilderij, De engel bij het graf (De wederopstanding van Christus) van Cuyp, paneel 34,5 x 27 cm. Cuyp heeft verschillende werken vervaardigd met de opstanding van Christus als onderwerp:

  1. Verzameling Homberg in Amsterdam 1955, paneel 74,5 x 103,5 cm.
  2. Kunsthandel Jüngeling in ’s-Gravenhage (onbekend wanneer), paneel 69 x 66 cm.
  3. Nationalmuseum, Stockholm, inv. nr. 1325, paneel 114 x 85 cm., gemerkt.
  4. Christie’s Londen 1972, paneel 68,6 x 57,1 cm.
  5. Dordrechts Museum, Dordrecht, inv. nr. NK 2107, paneel 34,5 x 27 cm.
  6. Szépművészeti Múzeum (Museum of Fine Arts), Boedapest, paneel 74,5 x 103,5 cm.
  7. RISD Museum, Providence, Rhode Island, gemerkt, paneel 92 x 70 cm., inv. nr. 62.019
  8. Koninklijke Musea Schone Kunsten, Brussel, paneel 81 x 108,5 cm, inv. nr. 11009
  9. Palais de Beaux-Arts, Lille, paneel (legaat André Leleux aan het museum, 1873)

In totaal zijn negen werken bekend, die op basis van de afmetingen, de uitwerking van de voorstelling of, zoals in het geval van het schilderij in Lille op basis van herkomst, goed van elkaar te onderscheiden zijn. Het Schilderij, nummer 5 in vorenstaande opsomming, heeft van al deze werken verreweg de kleinste afmetingen.

Het Schilderij voor de bezetting

Inzending door Gosschalk bij veiling Mak 1933

Het Schilderij kwam op de eerste dag van de veiling van 16 tot 18 mei 1933 bij de firma A. Mak te Dordrecht onder de hamer. Op deze veiling zijn kunstwerken aangeboden uit diverse ‘bekende collecties en nalatenschappen’, onder meer – verwijzend naar Gosschalk – uit de ‘Coll. Jos. G. te ’s-Gravenhage (eerste gedeelte)’. Het Schilderij is zonder afbeelding in de veilingcatalogus opgenomen onder nummer 6, als ‘Christus’ Opstanding / […] / Prachtwerkje / Paneel H. 34 B. 27’ van Benjamin Gerritsz. Cuyp. De kunstenaarsnaam, de omschrijving van de voorstelling en de afmetingen in de catalogus komen nagenoeg overeen met die van het Schilderij. De catalogus vermeldt geen herkomst bij het Schilderij. Bij onderzoek van het ECR in het archief van de firma Mak, aanwezig in het Regionaal Archief Dordrecht (RAD), is een veilingcatalogus aangetroffen die is vastgehecht aan een gelinieerd schrift. De gelinieerde bladzijden bevatten annotaties over in de catalogus beschreven werken, en vormen daarmee een veilingregister. Hierin wordt als inzender van het werk van Cuyp ‘Gosschalk’ genoemd. In de kolom met gegevens over de kopers op de veiling is ‘M.’ genoteerd, waarmee het veilinghuis de onverkocht gebleven werken aanduidde.

Het ECR heeft in het archief van de firma Mak correspondentie gevonden over het ter veiling gebrachte werk van Cuyp. Het betreft onder meer een brief van Joseph Henri Gosschalk aan de firma Mak van 21 maart 1933. Hierin schreef hij dat ‘uw bediende reeds aan de deur was’, en dat hij hem ‘een voorloopige partij’ had meegegeven. Daaronder bevond zich onder meer: ‘met schrijven van Prof. Wilh. Von Bode: Benj. Cuyp, prachtwerk, absoluut gaaf, op paneel 26 ½ / 33 ½ Opstanding [F.] 350’. Op een postkaart van 6 mei 1933 corrigeerde Gosschalk zijn informatie: ‘Het schrijven van Bode is bij een andere B. Cuyp. U kunt dat wel bij het nummer als het opkomt zeggen. Het stuk wordt evenwel volledig gegarandeerd. Met ‘Bode’ bedoelde Gosschalk de vooraanstaande Duitse kunsthistoricus en museumdirecteur Wilhelm von Bode (1845-1929).

Het Schilderij tijdens de bezetting 1940-1945

Het ECR heeft geen herkomstinformatie over het Schilderij aangetroffen voor de zeven jaren nadat Gosschalk het werk had aangeboden op de veiling bij Mak in mei 1933. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat hij het werk in de periode tussen de veiling en de aanvang van de bezetting heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen.

Aanwezigheid van het Schilderij in Kunstzaal Bennewitz

Het is aannemelijk dat het Schilderij in het eerste bezettingsjaar te zien is geweest op een tentoonstelling bij Kunstzaal Bennewitz aan het Noordeinde 48 te Den Haag.

Deze tentoonstelling werd gehouden in september 1940 en is daarna verlengd, eerst tot eind oktober en vervolgens tot eind november 1940. Uit krantenartikelen kan worden afgeleid dat op de tentoonstelling oude kunst werd getoond, voornamelijk schilderijen van Noord- en Zuid-Nederlandse meesters uit de 16e en 17e eeuw. Uit een van de besprekingen blijkt dat er een catalogus van de tentoonstelling was gemaakt en dat ‘van een deel der paneelen en doeken bekend [is] waar zij vandaan komen, uit welke collecties zij stammen’. In andere artikelen wordt vermeld dat de werken ‘uit particulier bezit’ kwamen en ‘te koop’ waren. In de verlengingen van de tentoonstelling waren deels andere schilderijen te zien, want ‘De verkochte werken zijn door nieuwe vervangen’. Het ECR heeft geen catalogus van de expositie kunnen achterhalen. Onderzoek in en informatieverzoeken aan verschillende culturele instellingen in binnen- en buitenland zijn zonder resultaat gebleven. In een bericht over de tentoonstelling in De Avondpost van 5 oktober 1940 wordt een werk genoemd dat, gezien de omschrijving, hoogstwaarschijnlijk het Schilderij is.

Een van de mooiste stukken is “Opstanding” van Benjamin Cuyp, de voorstelling van den engel, die de steenen van het Heilige graf afwentelt, terwijl de menigte, verschrikt over het wonder dat zich voltrok, wegholt. De engel staat hier in een stralenbundel en het profanum vulgus op den voorgrond, is in donker gehouden. Maar wát een uitdrukking, wát een beweging zit er in al deze figuren!

In geen van de krantenartikelen over de tentoonstelling bij Kunstzaal Bennewitz is een foto van het schilderij van Cuyp aangetroffen. Ook precieze afmetingen worden niet genoemd, maar wel wordt in Het Vaderland van 12 september 1940 het volgende opgemerkt:
Meer handig dan diep, overigens apart en opmerkelijk, is het kleine Bijbelsche tafereel door Benjamin Cuyp, geanimeerd in het gebarenspel.

Op grond van de omschrijving die in deze en andere krantenartikelen is gegeven van het werk (de kunstenaar, voorstelling, enscenering, uitvoering, alsmede het kleine formaat dat het tevens apart zet binnen Cuyps bekende werk met dit onderwerp) is het hoogstwaarschijnlijk het Schilderij dat hier is tentoongesteld. De eigenaar van het schilderij wordt echter niet vermeld, noch of het al dan niet op de tentoonstelling is verkocht.

Bij het onderzoek van het ECR is weliswaar geen documentatie gevonden waaruit met zekerheid blijkt dat Gosschalk het Schilderij heeft ingestuurd voor de tentoonstelling in Kunstzaal Bennewitz. Dit is echter wel aannemelijk, temeer omdat Gosschalk hoogstwaarschijnlijk ook een ander werk, dat wordt toegeschreven aan De Momper, op de betreffende expositie heeft ingebracht.

De Momper

Bij initieel onderzoek van het ECR naar een aan Joos de Momper (II) (1564-1635) toegeschreven schilderij, getiteld Het oordeel van Paris, bleek dat dit schilderij in het najaar van 1940 op de tentoonstelling bij Kunstzaal Bennewitz te zien was. Dit schilderij is sinds 1977 eigendom van het Worcester Art Museum (WAM) in de Verenigde Staten.

Bij het onderzoek naar de De Momper van het WAM zijn aanwijzingen gevonden dat dit werk als inzending van Gosschalk in 1927 te zien is geweest op tentoonstellingen in de Duitse steden Chemnitz en Berlijn.

In de krantenberichten over de expositie bij Kunstzaal Bennewitz in het najaar van 1940 wordt een werk genoemd, waarvan de omschrijving en de herkomstgegevens nauw aansluiten bij die van het schilderij in het WAM. In geen van de krantenartikelen over de tentoonstelling bij Kunstzaal Bennewitz wordt vermeld wie de inzender van de De Momper was en of het werk al dan niet was verkocht op de tentoonstelling. In augustus 1942 is de De Momper van het WAM door de Amsterdamse kunsthandel J. Denijs verkocht aan een Oostenrijkse koper. Mogelijk heeft ook de Nederlandse schilderijen-restaurateur en kunsthandelaar Jan Dik jr. een rol gespeeld bij transacties betreffende de De Momper.

Na de bevrijding is de De Momper naar Nederland gerecupereerd en vervolgens in juli 1951 ten behoeve van de Nederlandse Staat verkocht op een veiling bij de firma Frederik Muller & Co. in Amsterdam. De recuperatie- en rechtsherstelautoriteiten vermeldden in hun documentatie als OWNER van de De Momper in handschrift: ‘Onbekend. JH Gosschalk?’. Een brief van Gosschalk aan deze autoriteiten van 25 oktober 1951 biedt een aanwijzing dat hij het werk van De Momper had verkocht. Hij schreef de betreffende brief naar aanleiding van onderzoek van de autoriteiten naar een ander schilderij van De Momper, namelijk het werk ‘Uitzicht door grot op berglandschap’. Gosschalk verklaarde het volgende:
Tot mijn spijt heb ik u wat moeten laten wachten. Mijn aantekeningen (voor zover men die in de bezettingstijd maakte) zijn met mijn inboedelrest nadat ik Jan 1943 werd weggehaald, verdwenen. Het door u genoemde onderwerp werd door De Momper veel behandeld en daar ik speciaal De Momper-collectioneur was had ik er verscheidene. Doordat ik tevens een ander aantal schilderijen in beheer had, waarvan ik bij de administratie wel een lijst vond, ken ik het onderwerp van 2 stuks die toen aan de Heer Schretlen verkocht werden (Juli 1941), één was een berglandschap met een soort S. Hieronymus, het ander een toren v. Babel. Van andere De Mompers kan ik mij niet herinneren aan wie ik die verkocht, zoo werd dit voorjaar bij Fred Muller & Co er een geveild Berglandschap met Paris’ Oordeel die ook uit mijn collectie komt, maar waarvan ik ook niet mijn koper herinner. Ik heb met antwoorden afgewacht vergeefs of mij iets nog te binnen zou schieten.

Gosschalk vermeldde niet wanneer zijn koper het werk Berglandschap met Paris’ Oordeel had verworven, maar de inhoud en de context van zijn brief doen vermoeden dat hij een verkoop tijdens de bezetting bedoelde.

 Collectie Gosschalk tijdens de bezetting

 Er is geen totaaloverzicht bekend van de samenstelling van de collectie Gosschalk ten tijde van de Duitse inval op 10 mei 1940, noch van de veranderingen in deze verzameling in de jaren erna, tot het einde van de bezetting.

Uit de geraadpleegde documentatie kan worden afgeleid dat Gosschalk tijdens de bezetting verschillende kunstwerken heeft verkocht en aangekocht. Zo wordt in naoorlogse documentatie van de SNK verwezen naar schilderijen die Gosschalk heeft verkocht aan de Amsterdamse kunsthandelaar M.J.A.M. Schretlen (1890-1972) in de ‘zomer van 1940’ en in ‘Juli 1941’. Bij de laatstgenoemde transactie ging het mogelijk om werken die Gosschalk ‘in beheer’ had. Daarnaast heeft Gosschalk werken aangeboden aan het Museum Boijmans van Beuningen, dat hem in oktober 1942 liet weten af te zien van de verwerving van een schilderij van de kunstenaar Charles Rochussen (1814-1894) en van enkele tekeningen. Uit de administratie van het Amsterdamse veilinghuis Mak van Waay blijkt dat Gosschalk in 1941 aankopen heeft gedaan bij deze firma. Geen van de hierboven genoemde voorbeelden van aan- en verkopen en pogingen hiertoe betrof het Schilderij.

Bewaarnemingen, bruiklenen en schenkingen tijdens de bezetting

Uit correspondentie van Gosschalk blijkt dat tijdens de bezetting objecten uit zijn collectie naar ‘Bewaarders’ zijn gegaan. In het archief van het Kunstmuseum in Den Haag is documentatie aanwezig over kunstwerken van hem die tijdens de oorlog in beheer waren van dit museum. Het is onbekend of Gosschalk met zijn verwijzing naar ‘Bewaarders’ het Kunstmuseum bedoelde of (ook) andere instanties of personen.

Gosschalk heeft tijdens de bezetting verschillende schenkingen gedaan aan Nederlandse musea. Zo bevindt zich in het archief van het Rijksmuseum te Amsterdam correspondentie uit 1942, over de schenking van een verzameling schetsboeken en varia van de architect Isaac Gosschalk (1838-1907). In het archief van het Kunstmuseum in Den Haag zijn verwijzingen gevonden naar schenkingen door Gosschalk van werken van de kunstenaars Van den Berg, Bles, Van der Drift, Huijs en Signac in de eerste helft van de oorlog. Vermeldingen over een eventuele bewaarneming, bruikleen of schenking van het Schilderij aan Nederlandse musea zijn bij het onderzoek niet aangetroffen.

Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK)

Op 11 juni 1945 is van rijkswege de SNK opgericht, een organisatie die een kernrol kreeg in het terugvoeren, het beheer en de restitutie van cultuurgoederen die tijdens de oorlog naar Duitsland waren weggevoerd. Een belangrijke administratieve taak van de Stichting was het verzamelen van informatie over de verdwenen kunst. Iedereen die tijdens de oorlog kunstschatten had verkocht of afgestaan aan de vijand, of hierover informatie had, was op basis van een verordening van het Militair Gezag van juli 1945 verplicht om aangifte te doen bij de SNK door middel van een Aangifte Formulier. De Stichting vulde deze gegevens aan op basis van andere bronnen, zoals de administraties van veilinghuizen, transportbedrijven en roofinstellingen in Nederland, en documentatie verkregen van de geallieerden. Zo ontstond een grote hoeveelheid zogeheten Intern Aangifteformulieren, die gebruikt konden worden voor het identificeren en opeisen van kunstwerken in Duitsland.

Contact SNK met Gosschalk

In november 1945 schreef Gosschalk aan de SNK dat hij tijdens de bezettingstijd het grootste deel van zijn kunstcollectie was kwijtgeraakt. Hij vroeg wat hij moest doen om deze weer in zijn bezit te krijgen. Gosschalk had onder meer werken moeten inleveren bij de Duitse roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. (Liro) aan de Sarphatistraat in Amsterdam. Daarnaast was hij beroofd in Barneveld of Westerbork en waren bezittingen weggehaald uit zijn door hem achtergelaten woning in Den Haag. Het ECR heeft in de geraadpleegde documentatie over confiscaties van werken van Gosschalk geen verwijzing aangetroffen naar het werk van Cuyp. Gosschalk liet weten dat het lastig was om bijzonderheden over de vermiste werken te geven: ‘Daar de Duitsers mijn koffers met papieren ook achtergehouden hebben bezit ik geen aanteekeningen meer om een lijst te kunnen geven met nauwkeurige omschrijving. Herkennen kan ik de stukken wel’. Op 5 december 1945 stuurde de SNK hem 25 Aangifte Formulieren voor het verstrekken van inlichtingen. In een brief van 5 juli 1946 liet Gosschalk opnieuw aan SNK weten dat het niet of nauwelijks mogelijk was voor hem om gedetailleerde gegevens te vermelden:
Zoals ik u al vroeger mededeelde ben ik het grootste deel van mijn kunstbezit kwijt geworden in de bezettingstijd en heb ik de moeilijkheid dat ook alle gegevens verdwenen zijn en mijn geheugen mij deerlijk in den steek laat. Waar u in Uw formulieren allerlei gegevens vraagt was het mij niet mogelijk die in te vullen. Hoogstens kan ik van enkele stukken die mij invallen een vage beschrijving geven. […] / Mijn vertrek uit Den Haag liet mij al te weinig tijd om aanteekeningen te maken, zelfs niet om te onthouden of schilderijen enz. naar “Bewaarders”, naar Barneveld (waar ze ook verdwenen), naar Lippmann gingen of in mijn huis achterbleven en daar later weggehaald werden.

Gosschalk deed een beroep op de SNK voor het identificeren en terugkrijgen van zijn kunstwerken. Ook vroeg hij in zijn brief naar de mogelijkheden tot gedeeltelijke schadeloosstelling op basis van schilderijen die hij had verkocht. Gosschalk heeft drie Aangifte Formulieren ingevuld voor schilderijen van oude meesters. Het betrof geen werken van de kunstenaar Cuyp. In 1948 is één van de werken op deze formulieren aan Gosschalk gerestitueerd: een schilderij door een kunstenaar uit de school van Rogier van der Weijden. Voor zover kan worden nagegaan, is dit het enige kunstwerk dat Gosschalk via de SNK of haar taakopvolgers heeft teruggekregen. Naast het gerestitueerde werk hebben de naoorlogse recuperatie- en restitutieautoriteiten nog verschillende andere schilderijen in beheer gehad met een (mogelijke) herkomst Gosschalk.

Kunsthandel J. Denijs, april 1944

Het ECR heeft geen Aangifte Formulier voor het Schilderij aangetroffen. Wel is er een Intern Aangifteformulier van de SNK voor het Schilderij aanwezig. Op dit formulier heeft de Stichting op 30 november 1945 ingevuld dat het betreffende kunstwerk ‘oorspronkelijk in bezit’ was van ‘Mej. J. Denijs, Kunsthandel, Keizersgracht 565-567, Amsterdam’, en dat zij het op ‘1944, 3 April’ had verkocht. Op het Intern Aangifteformulier heeft de SNK vermeld dat er sprake was van ‘vrijwillige verkoop’. De Stichting heeft niet uiteengezet waarop deze vermelding was gebaseerd.

Volgens documentatie in het archief van de SNK heeft kunsthandel J. Denijs het Schilderij op 3 april 1944 voor NLG 3000 verkocht aan ‘D.A. Cords Söhne’ aan de Zollstrasse 48 in Hamburg. De transactie zou hebben plaatsgevonden via de firma ‘Bierich & Co.’ aan de Bottgerstrasse 15 in Hamburg. Het ECR heeft documentatie over deze firma opgevraagd bij het Staatsarchiv Hamburg. Deze bronnen bieden geen nadere herkomstgegevens over het Schilderij.

Jannetje (Jans) Denijs (1870-1953) was een Nederlandse antiquair die in 1912 haar eerste antiekwinkel opende aan de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam. Vanaf de jaren twintig was ook haar neef Johannes (Hans) de Lange (1901-1982) verbonden aan het bedrijf, vanaf 1939 als vennoot. Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog behoorde kunsthandel J. Denijs tot de grotere Amsterdamse antiekzaken. In mei 1941 kocht de firma een pand aan de Keizersgracht 565 en 567, bestaande uit een herenhuis en een pakhuis. Hans de Lange en zijn gezin trokken in de bovenverdieping van de woning. In het pakhuis waren toonzalen ingericht voor de cliënten.

Het ECR heeft niet kunnen vaststellen wanneer en van wie Denijs het schilderij van Cuyp heeft verworven. Raadpleging van documentatie betreffende Gosschalk, Denijs en De Lange in onder meer het Nationaal Archief heeft hierover geen gegevens opgeleverd. Pogingen van het Expertisecentrum om een bedrijfsarchief van de kunsthandel J. Denijs te achterhalen, zijn zonder resultaat gebleven.

Om informatie te achterhalen over eventuele handelscontacten tussen kunsthandel J. Denijs en Gosschalk, is nagegaan of er naar hem wordt verwezen in het beheersdossier van de firma in het archief van de SNK. In het betreffende dossier is slechts één vermelding gevonden van de naam Gosschalk. Op een Aangifte Formulier dat Jannetje Denijs invulde voor een schilderij van de kunstenaar Roelant Savery, noteerde zij dat het werk oorspronkelijk in bezit was van ‘Gosschalk, Den Haag’. Het is onbekend of Denijs hiermee bedoelde dat zij het werk direct van Gosschalk had verworven en, zo ja, wanneer en onder welke omstandigheden.

Een krantenartikel in het Algemeen Handelsblad uit 1953 vermeldde het volgende over Jannetje Denijs tijdens de bezetting: ‘De oorlog is ook voor mej. Denijs die in haar pakhuis heel wat meubels en kostbaarheden van Joodse stadsgenoten veilig heeft bewaard een moeilijke tijd geweest’. In dit verband kan ook worden verwezen naar een artikel van kunsthistoricus Jan van Campen over kunsthandel J. Denijs uit 2020. Hierin merkte de auteur op dat Denijs en De Lange in de oorlog geld verdienden aan de handel met Duitse klanten, maar dat zij tegelijkertijd hulp hebben geboden aan Joodse collega’s. Ter voorkoming van onteigening zouden zij delen van de handelsvoorraad van deze collega’s hebben ondergebracht op de zolders van het pand Keizersgracht 567.

De firma zou ook goederen uit deze ondergedoken collecties hebben verkocht: ‘Volgens de herinneringen van Bert Bochove, de latere compagnon van Hans de Lange, verkocht de firma ook uit deze ondergedoken collecties, verkopen die tot tevredenheid van beide partijen na de oorlog werden afgerekend’. In het artikel van Van Campen en in het Algemeen Handelsblad worden geen eigenaarsnamen van de verborgen goederen genoemd. Het is niet bekend of kunsthandel J. Denijs in de bezettingsperiode ook het Schilderij in bewaring heeft genomen. Het ECR heeft contact opgenomen met Van Campen, maar dit heeft geen nadere herkomstgegevens over het Schilderij opgeleverd.

Na de bevrijding is onderzoek gedaan naar de gedragingen van Denijs en De Lange tijdens de oorlog. In 1949 stelde het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam hen voorwaardelijk buiten vervolging. Zij moesten ieder een boete betalen van NLG 10.000.

Jan Dik jr.

Het is ook mogelijk dat de Nederlandse schilderijenrestaurator en kunsthandelaar Jan Dik jr. een rol heeft gespeeld bij transacties betreffende het werk van Cuyp. Tijdens de bezetting kon veel worden verdiend met de verkoop van schilderijen. Om hiervan te kunnen profiteren, ging de firma Denijs een samenwerking aan met Dik, die beschikte over zowel kunstkennis als handelscontacten. Gefinancierd door kunsthandel J. Denijs verkocht Dik een grote hoeveelheid schilderijen aan Duitse kopers. Eind 1943 of begin 1944 eindigde de associatie van de beide partners, toen bleek dat Dik ook handel dreef buiten de firma Denijs om.

Na de bevrijding is Dik in het kader van de bijzondere rechtspleging bij verstek veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. Het werd hem aangerekend dat hij ‘opzettelijk in tijd van oorlog de vijand hulp heeft verleend’, onder meer door de verkopen aan personen in het buitenland die hij tezamen met kunsthandel J. Denijs had uitgevoerd. Dik wist aan zijn gevangenisstraf te ontkomen door Nederland te ontvluchten.

In het CABR-dossier van Dik bevindt zich een brief van Denijs van 12 april 1948, waarin zij verwijst naar een bij de brief gevoegde lijst van schilderijen die ‘bij ons verhandeld zijn in de periode, dat de Heer J. Dik Jr. met ons zaken deed’. Op deze lijst staat een schilderij dat wordt aangeduid als ‘BENJ. CUYP Opstanding’, waarbij de naam ‘(Gosschalk)’ en de datum ‘10/9. [1942]’ zijn genoteerd. Het werk op de lijst zou zijn verkocht aan ‘Herbst’, waarmee waarschijnlijk dr. Johann (Hans) Herbst (1915-1982) is bedoeld, een Oostenrijkse kunsthandelaar die sinds de jaren dertig verbonden was aan het veilinghuis Dorotheum in Wenen. In het CABR-dossier van Dik bevindt zich voorts een foto met het bijschrift ‘No. 9 / Benj. Cuijp / “Opstanding” / verkocht aan Dr. Herbst’. De kunstenaarsnaam en titel van de voorstelling komen (deels) overeen met die van het Schilderij, maar de foto laat een ander werk zien: het betreft geen voorstelling van de opstanding van Christus, maar van de bevrijding van Petrus uit de gevangenis door de engel (Handelingen 12:7-8). Niet valt uit te sluiten dat een onjuiste foto bij het werk is gevoegd. Het werk op de foto bevindt zich thans mogelijk in de collectie van het Worcester Art Museum (WAM), als The liberation of Saint Peter. De herkomst van het betreffende schilderij is volgens de website van het WAM ‘Kunsthaus Lampertz, Cologne, Germany; then sold to the Worcester Art Museum, July 10, 1956’. De namen Gosschalk, Denijs, De Lange, Dik of Herbst worden niet genoemd. Een informatieverzoek van het ECR aan het WAM heeft geen aanvullende herkomstgegevens over het schilderij The liberation of Saint Peter opgeleverd.

Het Schilderij na de bezetting

Recuperatie, 1948

Zoals hierboven reeds is vermeld, heeft de SNK op 30 november 1945 een Intern Aangifteformulier ingevuld voor het Schilderij. Op dit formulier heeft de Stichting later de tekst toegevoegd: ‘Transp. Hamburg.V 31.1.1948’, waaruit kan worden afgeleid dat het werk naar Nederland was teruggevoerd met een transport uit Hamburg van 31 januari 1948. De naam van Gosschalk komt niet voor op het formulier. Evenmin staat deze naam in het inventarisboek en op de inventariskaart waarop de SNK de gegevens van het gerecupereerde schilderij noteerde. In de betreffende documentatie worden wel de namen van Denijs, Bierich & Co. en D.A. Cords Söhne genoemd.

Het ECR heeft bij het onderzoek geen aanwijzingen gevonden dat Gosschalk, de firmanten van kunsthandel J. Denijs of Jan Dik jr. aan de SNK hebben gemeld dat het Schilderij tijdens de bezetting in vijandelijk bezit was gekomen. Evenmin is gebleken dat de Stichting de betrokkenen heeft geïnformeerd over het feit dat het Schilderij terug was in Nederland.

Contact Kunstmuseum Den Haag met Gosschalk

Na de oorlog heeft Gosschalk gecorrespondeerd met het Gemeentemuseum Den Haag over kunstwerken uit zijn bezit die zich daar hadden bevonden. Op 21 februari 1949 deed hij vanuit het ziekenhuis opgave van de betreffende werken. Hij eindigde zijn brief als volgt:
Op ’t ogenblik kan ik mij niets meer te binnen brengen, maar mijn geheugen heeft door alles wat ik pas doorleefd heb, ernstig geleden, misschien valt mij later nog wat in. / Voorlopig hebt u dus al een en ander om op te sporen, waarvoor bij voorbaat mijn dank. / Later als ik hier levend uit kom, moeten wij maar zien wat we met een en ander doen.

In een verklaring van 4 april 1950 liet Gosschalk weten dat hij zijn gehele bruikleen aan het Gemeentemuseum Den Haag had terugontvangen. In de documentatie over de bruiklenen en bewaarnemingen van Gosschalk zijn geen verwijzingen aangetroffen naar het Schilderij.

Tentoonstelling Rijksmuseum, 1950

In 1949 en 1950 organiseerde de SNK drie (claim)tentoonstellingen van gerecupereerde kunstwerken in Den Haag en Amsterdam. Deze waren bedoeld om oorspronkelijke eigenaren van de recuperatiegoederen of hun erfgenamen in de gelegenheid te stellen hun verdwenen kunstwerken zelf te herkennen en eventueel te claimen. Het schilderij van Cuyp maakte deel uit van de tentoonstelling van 1950 in het Rijksmuseum. Het werk is te herkennen op foto’s van de betreffende expositie. Het ECR heeft bij onderzoek in de dossiers van de SNK over de claimtentoonstellingen niet kunnen vaststellen of Gosschalk deze heeft bezocht.

De SNK meende dat kunstwerken die op de tentoonstellingen niet werden herkend, te beschouwen waren als ‘niet in aanmerking te komen voor rechtsherstel, waardoor er van de zijde van de Staat over kan worden beschikt’. Na de claimtentoonstellingen zijn de resterende recuperatiegoederen, voor zover zij van museale waarde werden geacht, overgedragen aan het Ministerie van OKW. Dit gold onder meer voor het Schilderij.

4. Inhoudelijke beoordeling van het restitutieverzoek

De commissie kan het verzoek, gelet op het bepaalde in § 1 a t/m e van het Beoordelingskader, inhoudelijk in behandeling nemen.

Gelet op § 2 van het Beoordelingskader moet de commissie beoordelen of in hoge mate aannemelijk is dat het Schilderij eigendom was van Joseph Henri Gosschalk en op grond van § 3 of voldoende aannemelijk is dat het bezit van het Schilderij onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Hiertoe overweegt de commissie het volgende:

Eigendomsvereiste (§ 2 van het Beoordelingskader)

Hoewel onduidelijk is wanneer en hoe Gosschalk het Schilderij heeft verkregen, wijzen de bij het onderzoek van het ECR aangetroffen resultaten erop dat het Schilderij in mei 1933 door Gosschalk is ingebracht op een veiling van firma A. Mak te Dordrecht. Voorafgaand aan deze veiling heeft Gosschalk over het Schilderij gecommuniceerd. Daarmee staat voor de commissie in voldoende mate vast dat het Schilderij in 1933 in eigendom toebehoorde aan Gosschalk. Uit het veilingregister blijkt dat het Schilderij onverkocht is gebleven. De commissie acht het aannemelijk dat het onverkochte Schilderij na de veiling aan Gosschalk is geretourneerd.

De commissie stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn gevonden die erop duiden dat het Schilderij voor de bezetting uit het bezit van Gosschalk is geraakt. Het is zeer aannemelijk dat het Schilderij in de periode september tot eind november 1940 bij Kunstzaal Bennewitz in Den Haag te zien is geweest. Hoewel bij het onderzoek geen catalogus van de tentoonstelling is aangetroffen, leidt de commissie uit diverse krantenartikelen over de tentoonstelling af dat een van de daarin beschreven werken het Schilderij betreft. Zo beschrijft het artikel in Het Vaderland het werk als “het kleine Bijbelsche tafereel” door Benjamin Cuyp. In dat verband verwijst de commissie naar de afmeting van het Schilderij, dat in vergelijking tot andere schilderijen met dit onderwerp van Cuyp verreweg het kleinste is. Daarnaast verwijst de commissie naar een bericht in De Avondpost van 5 oktober 1940 op grond waarvan, gelet op de titel en de gedetailleerd beschreven voorstelling, niet anders kan worden geconcludeerd dan dat het om het Schilderij moet gaan.

De commissie vindt steun voor deze conclusie in het feit dat er mogelijk ook andere werken uit de collectie van Gosschalk op de tentoonstelling bij Kunstzaal Bennewitz te zien waren. Zo is het waarschijnlijk dat hij een aan Joos de Momper toegeschreven schilderij getiteld Het oordeel van Paris heeft ingebracht.

Bij haar overwegingen betrekt de commissie ook de brief van Denijs van 12 april 1948 uit het CABR-dossier van Dik, in samenhang met een foto van een werk van Cuyp uit ditzelfde CABR-dossier. In zowel de brief als op de foto wordt een schilderij dat Denijs en Dik in 1942 aan Herbst hebben verkocht, aangeduid als ‘Opstanding’ van Benjamin Cuyp. De commissie sluit niet uit dat de foto met de voorstelling van de bevrijding van Petrus een vergissing is geweest en dat eigenlijk was bedoeld een foto van het Schilderij bij te voegen.

Tot slot stelt de commissie vast dat het Schilderij deel uitmaakte van de zogenoemde ‘claimtentoonstelling’ van 1950 in het Rijksmuseum, naar aanleiding waarvan zich geen andere eigenaar van het Schilderij heeft gemeld.

Op grond van bovenstaande gegevens in samenhang bezien, komt de commissie tot het oordeel dat in hoge mate aannemelijk is dat het Schilderij zowel voorafgaand aan als gedurende de Duitse bezetting in eigendom toebehoorde aan de Joodse kunstenaar en kunstverzamelaar Joseph Henri Gosschalk. Dit betekent dat is voldaan aan het eigendomsvereiste van § 2 van het Beoordelingskader.

Dit heeft tot gevolg dat de commissie nu moet beoordelen of er ten aanzien van het Schilderij sprake is geweest van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Onvrijwillig bezitsverlies (§ 3 van het beoordelingskader)

Hoewel uit onderzoek van het ECR is gebleken dat Gosschalk ook kunst verkocht, beschouwt de commissie hem niet als kunsthandelaar. Uit diverse bronnen blijkt dat Gosschalk in de eerste plaats kunstenaar en kunstverzamelaar was. In dit verband wordt verwezen naar de vele werken die hij in zijn woning had, aan musea schonk en in bruikleen gaf voor tentoonstellingen. Van zuiver beroepsmatig handelen in kunst was geen sprake. De omstandigheid dat Gosschalks Bureau voor Grafische kunst bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven en volgens de omschrijving handelde voor provisie maakt dit niet anders. De commissie neemt daarbij in aanmerking dat Gosschalks bureau op hetzelfde adres was gevestigd als zijn woning, zodat in de rede ligt dat de kunstwerken die hij verkocht uit zijn privécollectie kwamen. Om die reden viel geen onderscheid te maken tussen handelsvoorraad en zijn privécollectie. Daarnaast is uit archiefstukken gebleken dat Gosschalk zijn Bureau met ingang van maart 1940 had opgeheven. Nu de commissie waarschijnlijk acht dat het bezitsverlies in de periode na de tentoonstelling van september tot eind november 1940 bij Kunsthandel Bennewitz moet hebben plaatsgevonden, is eveneens waarschijnlijk dat Gosschalk het bezit is verloren nadat hij de activiteiten van zijn eenmanszaak reeds had beëindigd.

Gelet op het bovenstaande, zal de commissie de aard van het bezitsverlies beoordelen op grond van criterium 3.1 van § 3 van het beoordelingskader.

Bij de beoordeling van de aard van het bezitsverlies geldt het uitgangspunt dat bezitsverlies door een Joodse particulier in Nederland na 10 mei 1940 als onvrijwillig dient te worden beschouwd, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Op grond van de vastgestelde feiten oordeelt de commissie dat van dat laatste geen sprake is.

De commissie stelt vast dat Gosschalk heeft geleden onder de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Zijn pogingen om een vrijstelling voor tewerkstelling te verkrijgen, en aldus niet te worden gedeporteerd, hebben geleid tot zijn toelating tot de Barneveldgroep alvorens hij op transport is gezet naar Westerbork en is gedeporteerd naar Theresienstadt. Uit naoorlogse correspondentie van Gosschalk met de SNK blijkt dat hij in de bezettingstijd het grootste deel van zijn kunstcollectie is kwijtgeraakt. Hij had kunst moeten inleveren bij de Duitse roofbank Liro en was voorts in Barneveld of Westerbork beroofd. Ook waren bezittingen uit zijn achtergelaten woning in Den Haag weggehaald, zodat de commissie aannemelijk acht dat het Schilderij als gevolg van een van deze omstandigheden uit zijn bezit is geraakt.

Gosschalk heeft na de oorlog geen Aangifte Formulier voor het Schilderij ingevuld. Dit gegeven acht de commissie van geringe betekenis nu uit zijn naoorlogse correspondentie met de SNK blijkt dat het geheugen van Gosschalk erg te lijden heeft gehad onder de gebeurtenissen tijdens de bezetting. Als gevolg daarvan vroeg hij de SNK hem te helpen bij het identificeren en terugkrijgen van zijn kunstwerken, terwijl de SNK hem juist vroeg inlichtingen te verstrekken. Van de 25 door de SNK aan hem toegezonden formulieren heeft hij er slechts drie ingevuld, terwijl vaststaat dat hij een omvangrijke kunstcollectie had.

Op grond van vorenstaande is de commissie van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat het bezitsverlies onvrijwillig is geweest, want veroorzaakt door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime. Daarmee is tevens voldaan aan het vereiste van onvrijwillig bezitsverlies van § 3 van het beoordelingskader.

Conclusie ten aanzien van het verzoek om restitutie

De commissie concludeert dat het in hoge mate aannemelijk is dat het kunstwerk De engel bij het graf (De wederopstanding van Christus) van Benjamin Gerritsz. Cuyp in eigendom toebehoorde aan Joseph Henri Gosschalk, en dat voldoende aannemelijk is dat het bezit hiervan na december 1940 onvrijwillig is verloren door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Dit alles leidt ertoe, gelet op het beoordelingskader § 2 en § 3 (criterium 3.1, en onderdeel 2 van het slot van § 3) dat de commissie zal adviseren het Schilderij te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Joseph Henri Gosschalk.

5. Advies

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij De engel bij het graf (De wederopstanding van Christus) door Benjamin Gerritsz. Cuyp, dat op dit moment deel is van de Nederlands Kunstbezit-collectie onder inventarisnummer NK 2107, te restitueren aan de rechtsopvolgers krachtens erfrecht van Joseph Henri Gosschalk.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 31 maart 2025 door A.I.M. van Mierlo (voorzitter), D. Oostinga (plv. voorzitter), J.F. Cohen, S.G. Cohen-Willner, J.J. Euwe, C.J.H. Jansen, en A. Marck en ondertekend door de voorzitter en commissielid J.J. Euwe.

(A.I.M. van Mierlo, voorzitter)                     (J.J. Euwe, commissielid)