Spring naar content
Advies inzake Citroen

Citroen

Dossiernummer: RC 1.217

Soort advies: NK-collectie

Adviesdatum: 17 april 2026

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: particulier

Plaats bezitsverlies: in Nederland

NK 937 – Bord van geglazuurd aardewerk en polychroom decor met liggend hert (foto: RCE)

  • Bord van geglazuurd aardewerk en polychroom decor met liggend hert - NK 937 (foto: RCE)

Advies inzake Citroen

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris) heeft de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) gevraagd advies uit te brengen over een verzoek tot teruggave van veertien borden die deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: de NK-collectie). De staatssecretaris heeft zich in deze zaak laten vertegenwoordigen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE).
Het verzoek tot teruggave is gedaan door AA en BB (hierna: Verzoekers). Verzoekers zijn de enige twee kleinkinderen van Abraham Citroen (1885-1942).

Het verzoek betreft de volgende veertien aardewerken en porseleinen borden geregistreerd onder negen NK-nummers (hierna ook: de Borden):

  • NK 309-A t/m C: Drie borden van geglazuurd aardewerk met polychroom decor van florale motieven;
  • NK 313-A t/m C: Drie borden van Delfts geglazuurd aardewerk met polychroom decor met bloemenmand en andere florale motieven;
  • NK 314-A t/m B: Twee borden van Chinees of Japans porselein met polychroom decor met florale motieven;
  • NK 315: Diep bord van Delfts aardewerk met polychroom decor van vogel op tak;
  • NK 316: Bord van geglazuurd aardewerk met polychroom decor van florale motieven en insecten;
  • NK 317: Bord van Delfts aardewerk met polychrome decoratie met florale motieven en een vogel;
  • NK 318: Bord van Delfts aardewerk met polychrome decoratie met florale motieven en een vogel;
  • NK 322: Bord van geglazuurd aardewerk en polychroom decor met rivierlandschap;
  • NK 937: Bord van geglazuurd aardewerk en polychroom decor met liggend hert.

  1. Het verzoek

Bij brief van 20 juni 2024 heeft de RCE, namens de staatssecretaris, de commissie verzocht advies uit te brengen met betrekking tot het verzoek tot teruggave van de Borden. Aanleiding hiervoor is het restitutieverzoek van de zusters AA en BB van 23 mei 2024.

Het verzoek is gedaan, nadat de Verzoekers op 26 oktober 2023 door de RCE in kennis zijn gesteld van informatie over de Borden, die voortkwam uit onderzoek door de RCE in het kader van het Programma intensivering restitutiebeleid Cultuurgoederen WOII (2022-2025).

2. De procedure en het toepasselijke beoordelingskader

Drie leden van de commissie hebben Verzoekers tijdens een gesprek op 26 augustus 2024 te Den Haag en bij brief van 15 oktober 2024 geïnformeerd over het beoordelingskader van de commissie. Op 3 maart 2025 heeft een tweede gesprek plaats gevonden, wederom te Den Haag. Aan dit gesprek heeft naast de drie eerder bedoelde leden nog een vierde lid van de commissie deelgenomen. Van dit gesprek is aan Verzoekers een verslag gestuurd met een samenvatting van de besproken punten.

De aanleiding voor het eerste gesprek was de constatering door de commissie, kort na ontvangst van het verzoek om restitutie, dat Verzoekers naar alle waarschijnlijkheid niet als erfopvolgers krachtens erfrecht van Abraham Citroen hadden te gelden en de commissie om die reden, na het in behandeling nemen van het verzoek, zou moeten adviseren tot afwijzing van het verzoek. Tijdens het eerste gesprek is dit met Verzoekers besproken. Aan hen is tevens de vraag voorgelegd of zij het verzoek om die reden wensten in te trekken. Daarnaast zijn met Verzoekers alternatieve mogelijkheden besproken om tot teruggave van de Borden te komen, buiten de formele restitutieprocedure om. In dat verband is aan de orde gekomen dat overleg met de rechtsopvolger krachtens erfrecht, de weduwe van Karel Adolf Citroen, mogelijk tot teruggave van de Borden leidt. Vanuit de aanwezige leden van de commissie is in dat verband aangeboden Verzoekers daarbij, desgewenst, behulpzaam te zijn, bijvoorbeeld door contact te zoeken met de notaris ten overstaan van wie het testament van de vader van Verzoekers is opgemaakt. Verzoekers hebben dat aanbod alsook de gedachte van een overleg met de rechtsopvolger krachtens erfrecht tijdens dat gesprek afgewezen. De commissie heeft Verzoekers na afloop van het gesprek vervolgens tijd en ruimte geboden om na te denken over hetgeen tijdens het gesprek aan de orde was gekomen.

Tijdens het tweede gesprek is opnieuw aan Verzoekers te kennen gegeven dat volgens het beoordelingskader van de commissie uitsluitend tot teruggave kan worden geadviseerd aan erfgenamen krachtens erfrecht van de oorspronkelijke eigenaar. Verzoekers hebben tijdens het gesprek aan de commissie opnieuw te kennen gegeven hun verzoek om teruggave van de Borden te handhaven.

Verzoekers en de RCE zijn op 20 mei 2025 geïnformeerd dat de commissie het adviesverzoek in behandeling neemt. Daarbij zijn Verzoekers en de RCE tevens ingelicht over de procedure en het reglement van de Restitutiecommissie. De commissie heeft kennisgenomen van alle door Verzoekers en de RCE overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken met Verzoekers en de RCE gedeeld. Daarnaast heeft de commissie onderzoeksvragen voorgelegd aan het Expertisecentrum Restitutie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (hierna: het ECR). Het ECR heeft zijn bevindingen neergelegd in een onderzoeksrapport.

Chronologisch overzicht

  • Bij e-mail van 23 mei 2024 van Verzoekers is de staatssecretaris verzocht om teruggave van de Borden.
  • Op 20 juni 2024 heeft de RCE, namens de staatssecretaris, de commissie verzocht advies uit te brengen over het verzoek van Verzoekers.
  • Alvorens het verzoek in behandeling te nemen heeft op 26 augustus 2024 op initiatief van de commissie een gesprek plaatsgevonden tussen een afvaardiging van de commissie en Verzoekers. Daarbij is het verloop van de procedure aan de orde gekomen en ook wat daarvan in deze zaak de meest waarschijnlijke uitkomst zou zijn. Het gesprek was informeel van aard; er is geen gespreksverslag gemaakt.
  • Op 15 oktober 2024 heeft de commissie aan Verzoekers een brief gezonden als reactie op een e-mailbericht dat Verzoekers op 30 september 2024 aan de commissie hadden gestuurd.
  • Op 3 maart 2025 heeft een tweede gesprek plaatsgevonden tussen dezelfde afvaardiging van de commissie als op 26 augustus 2024, met toevoeging van een vierde lid van de commissie, en de Verzoekers. Van dit gesprek is een verslag gemaakt, dat op 17 april 2025 aan Verzoekers is toegezonden
  • Bij brief van 5 maart 2025 aan Verzoekers heeft de commissie gereageerd op eerdere correspondentie van de kant van Verzoekers over de wijze waarop zij het tweede gesprek hadden ervaren. Voorts zijn Verzoekers geïnformeerd over de voortgang van de procedure.
  • Op 20 mei 2025 heeft de commissie het adviesverzoek in behandeling genomen en aan het ECR een aantal onderzoeksvragen voorgelegd.
  • Verzoekers en de RCE zijn bij brief van 20 mei 2025 op de hoogte gesteld van de aan het ECR voorgelegde onderzoeksvragen en geïnformeerd over de procedure en het reglement van de commissie.
  • De resultaten van het onderzoek zijn door het ECR neergelegd in een concept-onderzoeksrapport dat op 9 juli 2025 voor feitelijke aanvulling en/of commentaar aan de Verzoekers en de RCE is toegezonden. Op dit conceptrapport is door Verzoekers gereageerd op 21 juli 2025 en door de RCE op 6 augustus 2025 met enkele feitelijke opmerkingen. Naar aanleiding van deze reacties zijn diverse correcties en aanvullingen aangebracht in het concept onderzoeksrapport.
  • Op 7 augustus 2025 heeft het ECR een bijgewerkte versie van het concept- onderzoeksrapport, samen met de reacties van Verzoekers en de RCE, toegezonden aan de commissie.
  • Tijdens de vergadering van 25 augustus 2025 heeft de commissie het concept- onderzoeksrapport met het ECR besproken. Naar aanleiding hiervan zijn diverse correcties en aanvullingen in het rapport aangebracht.
  • Op 17 september 2025 heeft de commissie het definitieve onderzoeksrapport van het ECR ontvangen.
  • Op 6 oktober 2025 is het definitieve onderzoeksrapport toegezonden aan Verzoekers en de RCE met een uitnodiging voor een mondelinge behandeling op 26 januari 2026.
  • Op 14 november 2025 hebben Verzoekers gereageerd op het definitieve onderzoeksrapport met enkele vragen. De RCE heeft op 14 oktober 2025 op het definitieve onderzoeksrapport gereageerd met enkele feitelijke opmerkingen.
  • Op 26 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in Den Haag.
  • Op 23 maart 2026 is een woordelijk verslag van de mondelinge behandeling verzonden aan Verzoekers en de RCE.
  • Op 25 maart 2026 heeft de commissie haar advies in concept toegezonden aan Verzoekers en de RCE.
  • Op 26 maart 2026 heeft de RCE laten weten geen opmerkingen van feitelijke aard op het conceptadvies te hebben.
  • Op 15 april 2026 hebben Verzoekers op het conceptadvies gereageerd met een aantal door hen gewenste toevoegingen en correcties, alsmede een reflectie op het functioneren van de commissie in algemene zin en ten aanzien van het onderhavige adviesverzoek.

3. Vaststelling van de feiten

Op grond van het door het ECR en de RCE verrichte onderzoek stelt de commissie de volgende feiten vast.

Familie Abraham Citroen

Abraham Citroen, geboren te Amsterdam op 14 augustus 1885, was een Joodse juwelier gevestigd op het adres Kalverstraat 1 te Amsterdam. Hij volgde in 1924 zijn vader op in het familiebedrijf dat in 1859 was opgericht. Abraham was de vierde generatie Citroen-juweliers.
Hij was gehuwd met de Joodse Chane Ptasznik, geboren te Zabno (Polen) op 21 juni 1885. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren: Karel Adolf Citroen op 12 februari 1920 en Thea Citroen op 10 november 1921.

Het gezin Citroen-Ptasznik betrok in 1938, na het overlijden van de moeder van Abraham, de woning boven de juwelierszaak aan de Kalverstraat 1 (te Amsterdam).

Vervolging familie Abraham Citroen

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Abraham Citroen getroffen door de door de bezetter uitgevaardigde anti-Joodse maatregelen. Zijn onderneming werd per 17 juni 1941 onder beheer geplaatst van een Duitse Verwalter.
Op grond van de zogenoemde Tweede Liro-verordening werd hij verplicht om waardevolle bezittingen in te leveren bij de door de bezetter voor dat doel opgerichte roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. aan de Sarphatistraat te Amsterdam (hierna ook: Liro-Sarphatistraat). Op de bewaard gebleven lijst van personen die bezit hebben moeten inleveren bij Liro-Sarphatistraat wordt Abraham Citroen vermeld onder het volgnummer 1757, met daarbij het administratienummer (ook wel aangeduid als het Hoofd Rekeningnummer of Huisraadnummer (H.R.-Nummer)) 3025 en het adres Kalverstraat 1 hs.
Na gearresteerd te zijn door de Sicherheitsdienst zijn Abraham en Chane (Anna) Citroen-Ptasznik overgebracht naar kamp Westerbork. Kort daarna zijn zij gedeporteerd naar Auschwitz, waar zij op of omstreeks 31 augustus 1942 zijn vermoord.
Dochter Thea Citroen was al op 21 juli 1942 vanuit Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz. Zij was daar op 24 juli 1942 vermoord.
Als enige van het gezin wist zoon Karel Adolf Citroen aan vervolging te ontkomen door op 1 december 1941 naar Zwitserland te ontsnappen en van daaruit door te reizen naar Engeland, waar hij in 1943 in dienst trad bij de Royal Navy als decoder Duits-Engels. Hij kwam in december 1945 terug uit Engeland en trof het familiehuis boven Kalverstraat 1 te Amsterdam leeggeroofd aan.

De Borden

Op de onderzijde van 13 van de 14 Borden is het nummer 3025 aangetroffen, wat aantoont dat deze Borden behoren tot de door Abraham Citroen bij Liro-Sarphatistraat ingeleverde bezittingen, waaraan – zoals hierboven vermeld – het administratienummer 3025 was toegekend. Op één van de Borden (NK 314-B) is het nummer niet zichtbaar, maar dat Bord is een pendant van Bord NK 314-A waarop het nummer wel zichtbaar is aangetekend. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat Bord NK 314-B een afwijkende herkomstgeschiedenis heeft.
Wanneer de Borden door Abraham Citroen zijn verworven, is niet bekend. Verzoekers hebben een taxatielijst overgelegd van voorwerpen die hebben behoord tot de nalatenschap van de weduwe Suzanne Citroen-Fedder, de in 1937 overleden moeder van Abraham Citroen.
In het onderzoekrapport van het ECR staat vermeld: “Op de genoemde lijst worden verschillende soorten porseleinen schotels, borden en vazen genoemd. De omschrijvingen zijn dermate summier dat individuele objecten niet met zekerheid te identificeren zijn, maar meerdere omschrijvingen zouden goed overeen kunnen komen met de 14 borden uit de NK-collectie. Het is daarom goed mogelijk dat de teruggevraagde borden geheel of gedeeltelijk afkomstig zijn uit de op de lijst omschreven nalatenschap van Suzanne Citroen-Fedder.”

De roofinstelling Liro-Sarphatistraat heeft tijdens de bezettingsjaren vrijwel al de bij haar ingeleverde goederen geliquideerd. De opbrengsten werden aanvankelijk geboekt op individuele rekeningen. Deze werden eind 1942 opgeheven en op een verzamelrekening geboekt. Daarmee ging het administratieve verband tussen saldi en de identiteit van de oorspronkelijke eigenaren van de geliquideerde goederen verloren. Na de bevrijding werd Liro-Sarphatistraat door de Nederlandse overheid onder beheer geplaatst. Omdat deze roofinstelling zich de naam van een bonafide Joodse bank had toegeëigend, werd de naam gewijzigd in Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS). In opdracht van de beheerders werd met behulp van nog aanwezige documentatie de verzamelrekening ontrafeld en werden de oude rekeningen van individuele rechthebbenden gereconstrueerd. Verzoekers hebben uit hun familiearchief het gereconstrueerde overzicht van de Liro-rekening van Abraham Citroen kunnen overleggen. Op dit overzicht is vermeld dat de tegenwaarde van 15 wandborden is geboekt op de individuele rekening van Abraham Citroen. De beheerders van LVVS hebben uiteindelijk 90% van het batig saldo van de individuele rekeningen kunnen uitkeren aan de rechthebbenden. Het ging daarbij om afdracht van een aandeel in het liquidatiesaldo, niet om vergoeding van de getaxeerde of actuele waarde. In hun schriftelijke reactie op het conceptadvies hebben Verzoekers opgemerkt dat niet duidelijk is geworden ‘in hoeverre de rechthebbenden in de jaren ’50 van dit verschil tussen afdracht en vergoeding op de hoogte zijn geweest’. Zij gaan ervan uit dat hun vader Karel Adolf Citroen zich vanaf het moment van de afdracht ‘niet langer als eigenaar [van de erfstukken] beschouwde’.

Op 19 mei 1951 heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel bepaald dat de “Joodse bevolkingsgroep door de inlevering van haar bezit de eigendom niet had verloren” en dat “ook het te gelde maken door belegging of wederbelegging, alsmede de samenvoeging van dit alles tot een niet meer te individualiseren massa, geen titel van eigendomsverkrijging voor de bezetter vermochten op te leveren” maar “het gezamenlijke eigendom van de beroofden of hun rechtverkrijgenden” was geworden.

Na de oorlog werd bij veilinghuis Lempertz te Keulen een deel van de tijdens de bezettingsjaren in Nederland door Liro-Sarphatistraat geliquideerde goederen aangetroffen. Daaronder bevonden zich ook de Borden. Bekend is dat Lempertz tijdens de bezetting grootschalig heeft ingekocht bij Liro-Sarphatistraat. Er zijn geen indicaties dat Lempertz de Borden langs andere weg heeft verworven, zodat aankoop bij Liro-Sarphatistraat voor de hand ligt.
De bij Lempertz aangetroffen goederen zijn in beslag genomen en waarschijnlijk in juli 1948 gerecupereerd naar Nederland, waar deze goederen onder beheer kwamen van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Tot op heden maken de Borden deel uit van de NK-collectie.

Erfopvolging Abraham Citroen

Blijkens een verklaring van erfrecht die op 19 februari 1954 is afgegeven door Jakob van Hasselt, destijds notaris te Amsterdam, is Karel Adolf Citroen enig en alleen bevoegd en gerechtigd om te beschikken over al hetgeen behoort tot de nalatenschappen van zijn zus Thea Citroen en van zijn ouders Abraham Citroen en Chane Ptasznik.
Karel Adolf Citroen was in eerste echt gehuwd met mevrouw W.M. Pasma, uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren, te weten de Verzoekers.
Genoemd huwelijk is ontbonden door het overlijden van mevrouw W.M. Citroen-Pasma op 10 november 1994, waarna Karel Adolf Citroen is hertrouwd met CC. Uit dit tweede huwelijk zijn geen kinderen geboren.

Verzoekers zijn door hun vader uitgesloten als erfgenamen van diens nalatenschap. Door deze uitsluiting kunnen Verzoekers niet worden aangemerkt als directe rechtsopvolgers krachtens erfrecht van hun vader en indirecte rechtsopvolgers krachtens erfrecht van hun grootouders.

4. Inhoudelijke beoordeling van het restitutieverzoek

De commissie stelt vast dat is voldaan aan de vereisten uit § 1 a t/m e van het beoordelingskader en zij daarmee het verzoek inhoudelijk in behandeling kan nemen.

Gelet op § 2 van het beoordelingskader moet de commissie beoordelen of in hoge mate aannemelijk is dat de Verzoekers de oorspronkelijke eigenaar van de Borden of diens rechtsopvolgers krachtens erfrecht zijn (hierna: het ‘eigendomsvereiste’).

Eigendomsvereiste

Het onderzoek van het ECR maakt duidelijk dat de Borden door Abraham Citroen zijn ingeleverd bij Liro-Sarphatistraat. Het op de Borden aangebrachte administratienummer of H.R. Nummer 3025 dat correspondeert met de naam en adresgegevens van Abraham Citroen vormt daarvoor het belangrijkste bewijs. Voorts acht de commissie het aannemelijk dat de Borden door Abraham Citroen zijn verkregen uit de nalatenschap van diens moeder.
Op grond van het vorenstaande komt de commissie tot het oordeel dat het in hoge mate aannemelijk is dat Abraham Citroen de oorspronkelijke eigenaar was van de Borden.
Op grond van het hetgeen hiervoor onder ‘Erfopvolging Abraham Citroen’ is vermeld, moet de commissie evenwel concluderen dat Verzoekers geen rechtsopvolgers krachtens erfrecht zijn van hun grootvader Abraham Citroen.

Uit § 2 van het beoordelingskader volgt, dat als het niet in hoge mate aannemelijk is dat verzoeker de oorspronkelijke eigenaar of diens rechtsopvolger krachtens erfrecht is, de Restitutiecommissie adviseert tot afwijzing van het restitutieverzoek.

Positie en standpunten van Verzoekers

Kort na ontvangst van het adviesverzoek was het de commissie duidelijk dat Verzoekers geen rechtsopvolgers krachtens erfrecht zijn van Abraham Citroen. Uit de bijlagen bij het adviesverzoek bleek grote betrokkenheid van Verzoekers bij de oorlogsgeschiedenis van hun familie en bij de Borden als tastbare herinnering daaraan. Dat is voor de commissie aanleiding geweest om Verzoekers uit te nodigen voor een gesprek alvorens het verzoek in behandeling te nemen. Een afvaardiging van de commissie heeft Verzoekers ontvangen en uitleg gegeven over de te volgen procedure en het beoordelingskader. De te verwachten negatieve uitkomst van het adviesverzoek is daarbij aan de orde geweest, zo ook de mogelijkheden die Verzoekers hebben om langs andere wegen teruggave van de Borden te bewerkstelligen. Genoemde thema’s zijn nadien in een brief van de commissie opnieuw onder de aandacht van Verzoekers gebracht.
Verzoekers brachten tijdens het gesprek naar voren hoe belangrijk de emotionele en symbolische waarde van de Borden voor hen is. Zij vormen voor hen een tastbare herinnering aan hun grootouders. Verzoekers schreven in een door hen tijdens het gesprek aangeboden notitie: “Wij zien onszelf als de enige morele erfgenamen van onze grootouders en doen een klemmend beroep op toekenning van ons verzoek dit geroofde erfgoed na 80 jaar terug te brengen naar de directe nazaten van de familie Citroen-Ptasznik.”
Aan het einde van het gesprek op 26 augustus 2024 heeft de commissie Verzoekers tijd geboden om zich te beraden over de verdere gang. Na een vervolggesprek op 3 maart 2025 hebben Verzoekers aan de commissie te kennen gegeven hun restitutieverzoek gestand te willen doen.
Nadat het onderzoeksrapport van het ECR in definitieve vorm gereed was, heeft op 26 januari 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij aanwezig waren de vier leden van de commissie die ook aan het gesprek van 3 maart 2025 hebben deelgenomen, de Verzoekers en afgevaardigden van de RCE en het ECR. Ook bij deze gelegenheid hebben Verzoekers benadrukt hoe belangrijk de Borden voor hen zijn. Verzoekers stellen dat de Borden door het recente onderzoek hun identiteit hebben teruggekregen en dat de objecten voor hen het symbool zijn van de ontrechting van mensen die werden vermoord om wie zij waren.
In hun schriftelijke reactie op het conceptadvies merken Verzoekers op dat zij er ‘herhaalde malen, vanaf het begin van de behandeling’, op hebben ‘aangedrongen en een dringend beroep op de Restitutiecommissie [hebben] gedaan § 5 [van het beoordelingskader] toe te passen.’ Genoemde § 5 luidt: “Als de bijzonderheden van een zaak daartoe een zwaarwegende aanleiding geven, kan de Restitutiecommissie bij wijze van uitzondering van een of meer onderdelen van dit beoordelingskader afwijken om een rechtvaardige en eerlijke oplossing als bedoeld in principe 8 van de Washington Principles te bereiken.”

Restitutiebeleid

De Restitutiecommissie is in 2001 opgericht. Dit is geschied in navolging van de Washington Conference Principles on Nazi-Confiscated Art van 3 december 1998 (hierna: de Washington Principles), ondertekend door 44 landen waaronder Nederland.
Doel van het beoordelingskader van de commissie, dat als bijlage is opgenomen bij het Instellingsbesluit Restitutiecommissie, is om bij restitutieverzoeken een rechtvaardige en eerlijke oplossing (‘a just and fair solution’) te bereiken als bedoeld in principe 8 van de Washington Principles. De Washington Principles richten zich in de principes 5 e.v. op de ‘pre-War owners’ (i.e. de oorspronkelijke eigenaren) en ’their heirs’ (i.e. hun erfgenamen).
Ook het beoordelingskader gaat hiervan uit door onder meer ‘restitutie’ te omschrijven als, voor zover hier van belang, “teruggave aan de oorspronkelijke eigenaar of aan diens rechtsopvolgers krachtens erfrecht”.

Conclusie ten aanzien van het verzoek om restitutie

De commissie heeft het eigendomsvereiste (i.e. het bepaalde in § 2 van het beoordelingskader) afgewogen tegen de suggestie van Verzoekers dat er in dit geval een zwaarwegende aanleiding is als bedoeld in § 5 van het beoordelingskader om af te wijken van het beoordelingskader en daarmee van het in § 2 van het beoordelingskader neergelegde vereiste dat het in hoge mate aannemelijk is dat Verzoekers de oorspronkelijke eigenaar of diens rechtsopvolgers krachtens erfrecht zijn.
Voor een dergelijke afwijking bestaat naar het oordeel van de commissie geen zwaarwegende aanleiding, gelet op het navolgende.

Wie de erfgenamen/rechtsopvolgers krachtens erfrecht van een persoon zijn, wordt bepaald door de wet. De erfopvolging in Nederland vindt plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (testament). Karel Adolf Citroen heeft van deze laatste mogelijkheid gebruik gemaakt door bij testament af te wijken van het zogenaamde versterferfrecht en zijn kinderen, de Verzoekers, uit te sluiten als erfgenamen.
De vrijheid van een persoon om zelf te bepalen wie diens rechtsopvolger of rechtsopvolgers krachtens erfrecht zijn, meent de commissie niet te mogen aantasten door af te wijken van de hoofdregel met betrekking tot het eigendomsvereiste in § 2 van het beoordelingskader. Daarom zal de commissie op grond daarvan adviseren om het restitutieverzoek van Verzoekers af te wijzen.

5. Advies

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het restitutieverzoek van Verzoekers af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 17 april 2026 door A.I.M. van Mierlo (voorzitter), D. Oostinga (plv. voorzitter), J.F. Cohen, S.G. Cohen-Willner, J.J. Euwe, C.J.H. Jansen, en A. Marck en ondertekend door de voorzitter en de plv. voorzitter.

(A.I.M. van Mierlo, voorzitter)                     (D. Oostinga, plv. voorzitter)