3. Vaststelling van de feiten
Op grond van het door het ECR en de RCE verrichte onderzoek stelt de commissie de volgende feiten vast.
Familie Abraham Citroen
Abraham Citroen, geboren te Amsterdam op 14 augustus 1885, was een Joodse juwelier gevestigd op het adres Kalverstraat 1 te Amsterdam. Hij volgde in 1924 zijn vader op in het familiebedrijf dat in 1859 was opgericht. Abraham was de vierde generatie Citroen-juweliers.
Hij was gehuwd met de Joodse Chane Ptasznik, geboren te Zabno (Polen) op 21 juni 1885. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren: Karel Adolf Citroen op 12 februari 1920 en Thea Citroen op 10 november 1921.
Het gezin Citroen-Ptasznik betrok in 1938, na het overlijden van de moeder van Abraham, de woning boven de juwelierszaak aan de Kalverstraat 1 (te Amsterdam).
Vervolging familie Abraham Citroen
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Abraham Citroen getroffen door de door de bezetter uitgevaardigde anti-Joodse maatregelen. Zijn onderneming werd per 17 juni 1941 onder beheer geplaatst van een Duitse Verwalter.
Op grond van de zogenoemde Tweede Liro-verordening werd hij verplicht om waardevolle bezittingen in te leveren bij de door de bezetter voor dat doel opgerichte roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. aan de Sarphatistraat te Amsterdam (hierna ook: Liro-Sarphatistraat). Op de bewaard gebleven lijst van personen die bezit hebben moeten inleveren bij Liro-Sarphatistraat wordt Abraham Citroen vermeld onder het volgnummer 1757, met daarbij het administratienummer (ook wel aangeduid als het Hoofd Rekeningnummer of Huisraadnummer (H.R.-Nummer)) 3025 en het adres Kalverstraat 1 hs.
Na gearresteerd te zijn door de Sicherheitsdienst zijn Abraham en Chane (Anna) Citroen-Ptasznik overgebracht naar kamp Westerbork. Kort daarna zijn zij gedeporteerd naar Auschwitz, waar zij op of omstreeks 31 augustus 1942 zijn vermoord.
Dochter Thea Citroen was al op 21 juli 1942 vanuit Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz. Zij was daar op 24 juli 1942 vermoord.
Als enige van het gezin wist zoon Karel Adolf Citroen aan vervolging te ontkomen door op 1 december 1941 naar Zwitserland te ontsnappen en van daaruit door te reizen naar Engeland, waar hij in 1943 in dienst trad bij de Royal Navy als decoder Duits-Engels. Hij kwam in december 1945 terug uit Engeland en trof het familiehuis boven Kalverstraat 1 te Amsterdam leeggeroofd aan.
De Borden
Op de onderzijde van 13 van de 14 Borden is het nummer 3025 aangetroffen, wat aantoont dat deze Borden behoren tot de door Abraham Citroen bij Liro-Sarphatistraat ingeleverde bezittingen, waaraan – zoals hierboven vermeld – het administratienummer 3025 was toegekend. Op één van de Borden (NK 314-B) is het nummer niet zichtbaar, maar dat Bord is een pendant van Bord NK 314-A waarop het nummer wel zichtbaar is aangetekend. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat Bord NK 314-B een afwijkende herkomstgeschiedenis heeft.
Wanneer de Borden door Abraham Citroen zijn verworven, is niet bekend. Verzoekers hebben een taxatielijst overgelegd van voorwerpen die hebben behoord tot de nalatenschap van de weduwe Suzanne Citroen-Fedder, de in 1937 overleden moeder van Abraham Citroen.
In het onderzoekrapport van het ECR staat vermeld: “Op de genoemde lijst worden verschillende soorten porseleinen schotels, borden en vazen genoemd. De omschrijvingen zijn dermate summier dat individuele objecten niet met zekerheid te identificeren zijn, maar meerdere omschrijvingen zouden goed overeen kunnen komen met de 14 borden uit de NK-collectie. Het is daarom goed mogelijk dat de teruggevraagde borden geheel of gedeeltelijk afkomstig zijn uit de op de lijst omschreven nalatenschap van Suzanne Citroen-Fedder.”
De roofinstelling Liro-Sarphatistraat heeft tijdens de bezettingsjaren vrijwel al de bij haar ingeleverde goederen geliquideerd. De opbrengsten werden aanvankelijk geboekt op individuele rekeningen. Deze werden eind 1942 opgeheven en op een verzamelrekening geboekt. Daarmee ging het administratieve verband tussen saldi en de identiteit van de oorspronkelijke eigenaren van de geliquideerde goederen verloren. Na de bevrijding werd Liro-Sarphatistraat door de Nederlandse overheid onder beheer geplaatst. Omdat deze roofinstelling zich de naam van een bonafide Joodse bank had toegeëigend, werd de naam gewijzigd in Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS). In opdracht van de beheerders werd met behulp van nog aanwezige documentatie de verzamelrekening ontrafeld en werden de oude rekeningen van individuele rechthebbenden gereconstrueerd. Verzoekers hebben uit hun familiearchief het gereconstrueerde overzicht van de Liro-rekening van Abraham Citroen kunnen overleggen. Op dit overzicht is vermeld dat de tegenwaarde van 15 wandborden is geboekt op de individuele rekening van Abraham Citroen. De beheerders van LVVS hebben uiteindelijk 90% van het batig saldo van de individuele rekeningen kunnen uitkeren aan de rechthebbenden. Het ging daarbij om afdracht van een aandeel in het liquidatiesaldo, niet om vergoeding van de getaxeerde of actuele waarde. In hun schriftelijke reactie op het conceptadvies hebben Verzoekers opgemerkt dat niet duidelijk is geworden ‘in hoeverre de rechthebbenden in de jaren ’50 van dit verschil tussen afdracht en vergoeding op de hoogte zijn geweest’. Zij gaan ervan uit dat hun vader Karel Adolf Citroen zich vanaf het moment van de afdracht ‘niet langer als eigenaar [van de erfstukken] beschouwde’.
Op 19 mei 1951 heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel bepaald dat de “Joodse bevolkingsgroep door de inlevering van haar bezit de eigendom niet had verloren” en dat “ook het te gelde maken door belegging of wederbelegging, alsmede de samenvoeging van dit alles tot een niet meer te individualiseren massa, geen titel van eigendomsverkrijging voor de bezetter vermochten op te leveren” maar “het gezamenlijke eigendom van de beroofden of hun rechtverkrijgenden” was geworden.
Na de oorlog werd bij veilinghuis Lempertz te Keulen een deel van de tijdens de bezettingsjaren in Nederland door Liro-Sarphatistraat geliquideerde goederen aangetroffen. Daaronder bevonden zich ook de Borden. Bekend is dat Lempertz tijdens de bezetting grootschalig heeft ingekocht bij Liro-Sarphatistraat. Er zijn geen indicaties dat Lempertz de Borden langs andere weg heeft verworven, zodat aankoop bij Liro-Sarphatistraat voor de hand ligt.
De bij Lempertz aangetroffen goederen zijn in beslag genomen en waarschijnlijk in juli 1948 gerecupereerd naar Nederland, waar deze goederen onder beheer kwamen van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Tot op heden maken de Borden deel uit van de NK-collectie.
Erfopvolging Abraham Citroen
Blijkens een verklaring van erfrecht die op 19 februari 1954 is afgegeven door Jakob van Hasselt, destijds notaris te Amsterdam, is Karel Adolf Citroen enig en alleen bevoegd en gerechtigd om te beschikken over al hetgeen behoort tot de nalatenschappen van zijn zus Thea Citroen en van zijn ouders Abraham Citroen en Chane Ptasznik.
Karel Adolf Citroen was in eerste echt gehuwd met mevrouw W.M. Pasma, uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren, te weten de Verzoekers.
Genoemd huwelijk is ontbonden door het overlijden van mevrouw W.M. Citroen-Pasma op 10 november 1994, waarna Karel Adolf Citroen is hertrouwd met CC. Uit dit tweede huwelijk zijn geen kinderen geboren.
Verzoekers zijn door hun vader uitgesloten als erfgenamen van diens nalatenschap. Door deze uitsluiting kunnen Verzoekers niet worden aangemerkt als directe rechtsopvolgers krachtens erfrecht van hun vader en indirecte rechtsopvolgers krachtens erfrecht van hun grootouders.