Advies inzake Adelsberger (II)

Adelsberger (II)

Dossiernummer: RC 4.171

Soort advies: Heroverweging

Adviesdatum: 10 december 2021

Periode bezitsverlies: 1940-1945

Oorspronkelijke eigenaar: Particulier

Plaats bezitsverlies: In Nederland

NK3277 – Berglandschap door A.H. von Stadler
NK3278 – Landschap door A.H. von Stadler
(foto’s: Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

  • NK3277 Berglandschap door A.H. von Stadler (foto: Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

Samenvatting advies

De Restitutiecommissie heeft het verzoek van de erven van Abraham Adelsberger (1863-1940) tot teruggave van twee schilderijen (NK 3277 en NK 3278) van de kunstenaar A. von Stadler opnieuw beoordeeld na een verzoek tot heroverweging op grond van nieuwe feiten. Het oorspronkelijke advies van commissie uit 2009 (Adelsberger RC 1.91) had betrekking op drie werken waarvan het verzoek tot teruggave van twee schilderijen van Von Stadler werd afgewezen omdat de eigendom en de omstandigheden van het bezitsverlies onvoldoende waren komen vast te staan.

Uit nieuw onderzoek is gebleken dat zich in het Joods Historisch Museum te Amsterdam inmiddels een voordien onbekend archief bevindt met documenten die betrekking hebben op de familie Adelsberger en op de aanverwante familie Isay. Dit familiearchief dat een tijdvak van circa een halve eeuw bestrijkt, bevat persoonlijke en zakelijke documenten, ook over de verkoop van schilderijen in de periode 1933-1945.

Daarnaast is door en namens de erven Adelsberger nieuwe documentatie aangeleverd.

Uit al dit materiaal en het aanvullende onderzoek zijn relevante gegevens en inzichten naar voren gekomen over de vlucht van de families Adelsberger en Isay uit Duitsland naar Amsterdam en over de eigendom en de lotgevallen van individuele kunstwerken uit hun bezit. Deze nieuwe feiten rechtvaardigen het om het verzoek tot herbeoordeling inhoudelijk in behandeling te nemen. Uit de hierboven genoemde archiefstukken en rapportage is gebleken dat Adelsbergers schoonzoon Alfred Isay (1885-1948) de twee schilderijen van Von Stadler in 1933 in eigendom kreeg en deze in 1934 heeft meegenomen naar Amsterdam.

Daarnaast is uit de administratie van de kunsthandel Goudstikker-Miedl gebleken dat deze twee werken van Von Stadler op 13 november 1941 door de kunsthandel zijn aangekocht van een zekere ‘Weinberg’. Onderzoek naar de identiteit van Weinberg heeft aan het licht gebracht dat zich in de directe omgeving van de familie Isay iemand bevond met de naam Weinberg die tevens contact onderhield met de kunsthandel Goudstikker-Miedl.

Op grond van de nieuwe feiten is de commissie tot het oordeel gekomen dat het in hoge mate aannemelijk is dat Alfred Isay ten tijde van het bezitsverlies in november 1941 eigenaar was van de twee schilderijen van Von Stadler. Ook acht de commissie het in voldoende mate aannemelijk dat Alfred Isay, die gegeven zijn joodse afkomst tot een vervolgde bevolkingsgroep behoorde, deze kunstwerken via de verkoop door Leopold Weinberg aan kunsthandel Goudstikker- Miedl op 13 november 1941 onvrijwillig is kwijtgeraakt als gevolg van omstandigheden direct gerelateerd aan het naziregime. Daarom heeft de commissie de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geadviseerd de twee NK-werken ‘Berglandschap’, onder NK 3277 en ‘Landschap’, onder NK 3278 aan de erven van Alfred Isay te restitueren.

Het advies

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) heeft de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) op 23 mei 2017 verzocht om advies uit te brengen. Dit advies heeft betrekking op de vraag of zij haar besluit van 20 april 2009 in de zaak Adelsberger (RC 1.91) dient te heroverwegen. Deze zaak is bij de commissie geregistreerd onder RC 4.171. Het verzoek tot herbeoordeling heeft betrekking op twee door Anton (‘Toni’) von Stadler (1850-1917) geschilderde panelen, Berglandschap uit 1904 (NK 3277) en Landschap uit 1908 (NK 3278). Verzoek tot teruggave van de twee kunstwerken is gedaan door de erven van de joodse speelgoedfabrikant en kunstverzamelaar Abraham Adelsberger (1863-1940) (hierna: verzoekers). Deze twee kunstwerken maken sinds hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) en bevinden zich op dit moment in depot bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) in Amersfoort.

1. Het verzoek tot herbeoordeling

Bij brief van 23 mei 2017 heeft de minister de commissie verzocht om advies omtrent de vraag of zij het ministeriële besluit van 20 april 2009 in de zaak Adelsberger dient te heroverwegen. Aanleiding hiervoor is het verzoek van advocaten L. Fremy (Berlijn) en N. Scheftelowitz (Israël), namens de gezamenlijke erfopvolgers van Abraham Adelsberger, aan de minister zoals opgenomen in brieven van 20 januari en 13 februari 2017. Twee erfopvolgers, AA en BB, hebben de commissie in de loop van de behandeling laten weten dat zij niet langer door genoemde advocaten vertegenwoordigd worden, maar dat zij hun eigen belangen in deze waarnemen.
Het eerdere advies Adelsberger (RC 1.91) van 9 maart 2009 had betrekking op drie NK-werken. De RC heeft in die zaak geadviseerd om één van deze werken te restitueren aan de erven van Abraham Adelsberger (NK 2425) en het verzoek met betrekking tot de twee andere werken (NK 3277 en NK 3278) af te wijzen. De minister heeft dit advies overgenomen. Het verzoek om herbeoordeling heeft betrekking op de niet teruggegeven werken NK 3277 en NK 3278.

2. De taak van de commissie

De commissie heeft naar aanleiding van het ingestelde heroverwegingsverzoek onderzoek laten verrichten naar in ieder geval de volgende onderwerpen:

  • oorspronkelijke eigendom en identificatie van de geclaimde werken;
  • omstandigheden van het bezitsverlies.

Meer specifiek heeft de commissie opdracht gegeven onderzoek in te stellen naar:

  • de lijst genoemd op blz. 9 van het door verzoekers toegestuurde Artiaz-rapport met daarboven als datum ‘10/8/1940’;
  • het dossier over Adelsberger in het archief van het Joods Historisch Museum;
  • de handgeschreven brief van 4 mei 1934 (Amsterdam) van Alfred Isay;
  • de persoon die door Bureau Herkomst Gezocht als verkoper van de geclaimde werken aan Goudstikker in november 1941 wordt genoemd en aangeduid als ‘Weinberg’.

3. Werkwijze van de commissie

Bij brief van 20 januari 2017 hebben verzoekers de minister verzocht om heroverweging van haar besluit van 20 april 2009 met betrekking tot de schilderijen Berglandschap (NK 3277) en Landschap (NK 3278) door A. von Stadler. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de minister de commissie op 23 mei 2017 verzocht haar over dit verzoek te adviseren. Bij hun verzoek van 20 januari 2017 hebben verzoekers een door D. Kleefstra van v.o.f. Artiaz opgesteld rapport gevoegd van 9 november 2016 (hierna: het Artiaz-rapport). Bij brief van 8 juni 2017 heeft de commissie verzoekers geïnformeerd over het verloop van de procedure. Ook is hun in deze brief gevraagd om kopieën van in het Artiaz-rapport genoemde documenten en bronvermeldingen ervan. Bij brief van 30 oktober 2017 hebben verzoekers desgevraagd nadere stukken toegestuurd.
Op 7 februari 2019 heeft de commissie het Expertisecentrum Restitutie (hierna: ECR) verzocht een aanvullend onderzoek naar de feiten in te stellen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een concept feitenoverzicht van 1 april 2021. Dit concept feitenoverzicht is bij brief van 20 april 2021 aan de RCE en aan verzoekers toegestuurd voor feitelijke aanvulling en/of commentaar. Verzoekers hebben gereageerd bij brieven van 18 juni, 20 juni en 22 juni 2021, de RCE bij e-mail van 24 juni 2021. De in de brieven van verzoekers opgenomen opmerkingen zijn door het ECR in het feitenoverzicht verwerkt.
Verzoekers hebben ermee ingestemd dat het Beoordelingskader behorend bij het Instellingsbesluit Restitutiecommissie d.d. 15 april 2021 (hierna: het Beoordelingskader) wordt toegepast. Het Beoordelingskader is in de Bijlage bij het Instellingsbesluit opgenomen.
Aansluitend is op 16 juli 2021 het definitieve feitenoverzicht vastgesteld. De RCE heeft op 30 juli 2021 aangegeven geen nadere aanvullingen op het definitieve feitenoverzicht te hebben. Op de vraag van de commissie van 16 september 2021 of er bij verzoekers behoefte bestaat aan een mondelinge behandeling, hebben deze op 22 september 2021 laten weten hiervan af te zien.
Verzoekers hebben zich tijdens de procedure laten vertegenwoordigen door L.Fremy, Rechtsanwalt te Berlijn, en dr. E. Scheftelowitz en N. Scheftelowitz, te Israël. Eén van de verzoekers, AA, heeft op 22 juni 2021 laten weten voortaan zonder tussenkomst van een advocaat op te treden.

4. Vereisten voor het inhoudelijk in behandeling nemen van een verzoek tot herbeoordeling (§ 1 van het Beoordelingskader)

De commissie heeft eerst onderzocht of het verzoek tot herbeoordeling van het advies uit 2009 inhoudelijk in behandeling kan worden genomen. Zij beantwoordt die vraag positief omdat er na dat advies inmiddels nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken die herbeoordeling rechtvaardigen (§ 1 van het Beoordelingskader). Zij overweegt daartoe het volgende.
In het advies van 9 maart 2009 (RC 1.91) is overwogen dat de opgestelde herkomstreconstructie niet sluitend was; ook aanvullend onderzoek door de commissie bracht destijds geen gegevens aan het licht over de eigendom van de twee genoemde schilderijen in de periode tussen 1930 en 1941.
Inmiddels zijn relevante nieuwe gegevens over Abraham Adelsberger, zijn familie en de eigendom van (delen van) zijn zeer omvangrijke kunstcollectie aan het licht gekomen. Een deel van die informatie is door verzoekers aangeleverd in het kader van hun verzoek van 13 februari 2017. Ter onderbouwing van het verzoek hebben zij aanvullend onderzoek laten uitvoeren en diverse gegevens aangeleverd, waaronder twee lijsten waarop de genoemde kunstwerken worden vermeld; zie de aan het slot van paragraaf 5 vermelde stukken. De commissie is daarna gestuit op een omvangrijk familiearchief, dat overwegend betrekking heeft op Abraham Adelsberger en de familie Isay.
De commissie heeft op grond van de aard van deze nieuwe gegevens geconcludeerd dat het gerechtvaardigd is het verzoek tot herbeoordeling inhoudelijk in behandeling te nemen.

5. Vaststelling van de feiten

De familie Adelsberger

Abraham Adelsberger werd op 23 april 1863 geboren in Hockenheim. Op 14 juni 1893 trouwde hij met de op 15 juli 1872 te Fürth geboren Clothilde Reichhold. Het echtpaar kreeg twee kinderen: Paul, geboren op 11 maart 1894 te Mannheim en Sofie, geboren op 21 augustus 1897 te Neurenberg. Abraham Adelsberger vestigde zich omstreeks 1897 met zijn gezin in Neurenberg. Hij was aanvankelijk, net als zijn vader actief in de hophandel. Later werd hij (mede)eigenaar van H. Fischer & Co, een firma die blikken speelgoed produceerde. Bij de firma, die ook internationaal actief was en de producten succesvol exporteerde, werkten ongeveer 300 personen. De villa van Adelsberger was een knooppunt in het culturele leven in de stad. De woning bood onderdak aan een omvangrijke kunstverzameling, die bestond uit onder meer porselein en schilderijen. Clothilde Adelsberger ondersteunde kunstenaars en bevorderde hun opleiding tot schilder of muzikant. Adelsberger verwierf vanwege zijn verdiensten voor de gemeenschap in de loop der jaren de eretitel ‘Kommerzienrat’. Bekenden verklaarden hem te hebben leren kennen als ‘einen sehr grosszügigen und liebenswerten Menschen’. Dochter Sofie Adelsberger trouwde met de Keulse ondernemer Alfred Isay. Zoon Paul Adelsberger vertrok in 1914 naar de Verenigde Staten en verwierf het Amerikaanse staatsburgerschap. In 1922 keerde hij terug naar Neurenberg, waar hij in de firma van zijn vader trad. In 1923 trouwde hij met Rosalie Weil. In oktober 1933 ontvluchtte hij Duitsland met achterlating van al zijn bezittingen en keerde terug naar de Verenigde Staten.

De familie Isay

Alfred Isay werd op 17 augustus 1885 te Keulen geboren. Op 13 juni 1920 trouwde hij met Sofie Adelsberger. Het echtpaar vestigde zich in Keulen en kreeg twee kinderen, Marlise Ruth (geboren 28 juni 1921, overleden 2012) en Walter (14 augustus 1927, overleden 2000). Alfred Isay dreef samen met zijn neef Adolf Isay de aanvankelijk florerende textielfabriek- en groothandel ‘Gebrüder Isay’ te Keulen. Zij liquideerden dit bedrijf in 1932 en zetten het voort onder de naam Wistri.

Omstandigheden van het bezitsverlies

Antisemitische maatregelen en economische neergang in Duitsland

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat Abraham Adelsberger al vóór 1933 mikpunt werd van antisemitische agitatie. De woonplaats van Adelsberger, Neurenberg, was de stad waar Julius Streicher vanaf 1923 zijn fanatiek antisemitische krant ‘Der Stürmer’ publiceerde. In 1923 nam Streicher deel aan de ‘Hitler-Putsch’ in München. Dat Adelsberger, prominent ondernemer en burger van joodse afkomst, persoonlijk en zakelijk te lijden had van Streichers antisemitische campagnes valt af te leiden uit naoorlogse verklaringen van tijdgenoten en getuigen.
De invloed die de neergaande economische conjunctuur had op Adelsbergers firma is uit onderzoek duidelijk gebleken. Aan het einde van de jaren twintig stagneerde de Duitse economie. Tegelijk moest de onderneming grote bedragen investeren om te kunnen inspelen op de wensen van de markt. Op 24 oktober 1929, ‘Black Thursday’, stortte de Amerikaanse aandelenbeurs in. De vrije val van de aandelenmarkt zette zich in de daaropvolgende jaren voort en bereikte pas in 1932 een dieptepunt. Op de beurskrach volgde een wereldwijde economische crisis die de Duitse economie hard trof. Ondernemingen maakten recordverliezen bekend. In Duitsland ontstond in 1931 een bankencrisis, die de economische en politieke orde verder dreigde te destabiliseren. Adelsbergers onderneming leed vanaf 1929 toenemende verliezen.
In deze periode sloot Adelsberger diverse leningen af, vermoedelijk bij verschillende partijen, waarbij Adelsberger de eigendom van kunstwerken uit zijn bezit tot zekerheid van de verstrekte kredieten overdroeg. Van de betrokken financiers heeft de Darmstadter Bank (later overgenomen door de Dresdner Bank) waarschijnlijk verreweg het grootste krediet verstrekt. Daarnaast sloot Adelsberger overeenkomsten met andere partijen, waaronder Immobilien AG Noris, de Amsterdamsche Crediet-Maatschappij (hierna: ACM) en de firma van Alfred Isay. Bij deze overeenkomsten speelden kunstwerken een rol. De twee schilderijen van Von Stadler maakten deel uit van een groep van 34 kunstwerken waarvan Abraham Adelsberger in 1932 de eigendom tot zekerheid overdroeg aan de ACM.
Na de machtsovername door de nazi’s in 1933 in Duitsland werden de omstandigheden voor de Adelsbergers steeds nijpender. In 1937 verkocht de Dresdner Bank Adelsbergers villa aan de Sigenastrasse aan de Polizeidirektion Nürnberg. De Dresdner Bank voerde de verkooponderhandelingen; Adelsberger kon slechts zijn handtekening zetten. De verkoopprijs van RM 200.000 ging naar de Dresdner Bank. De situatie in Duitsland en de beklemmende omstandigheden in Neurenberg werden voor het echtpaar Adelsberger steeds ondraaglijker, waarmee het voornemen ontstond om uit Duitsland te vluchten.
Met de opkomst van het nationaalsocialisme en de daarmee gepaard gaande anti-joodse maatregelen en sentimenten kwam ook het bestaan van de familie Isay in Keulen onder zware druk te staan. Kort na de machtsovername door Adolf Hitler werden het kantoor van Wistri en de woning van Alfred Isay doorzocht. Alfred Isay bracht in deze periode zijn gezin in veiligheid. Vanaf de eerste maanden van 1934 stonden Alfred en Sofie Isay achtereenvolgens ingeschreven op diverse adressen in Amsterdam. In maart 1936 betrok de familie een woning aan de Schubertstraat 66 in Amsterdam. Op 2 november 1936 werd de woning in Keulen verkocht. Het gezin Isay vroeg in 1939 de Nederlandse nationaliteit aan, maar de procedure werd vermoedelijk door de Duitse inval op 10 mei 1940 doorkruist.
In de correspondentie tussen Abraham Adelsberger en Alfred Isay is aanhoudend sprake van het aflossen van Adelsbergers schulden en de zorg om de in Duitsland verblijvende schoonouders. Ten behoeve van Adelsbergers voorgenomen uitreis naar Nederland probeerde de familie Isay vanuit Nederland een aantal zaken te regelen, waaronder enkele financiële kwesties, waarbij ook de hulp van derden werd ingeschakeld. Het echtpaar Adelsberger wist kort daarop uit Duitsland weg te komen en trok in bij Alfred Isay en zijn gezin aan de Schubertstraat in Amsterdam. Abraham Adelsberger overleed op 24 augustus 1940 te Amsterdam, op 77-jarige leeftijd.

Antisemitische maatregelen en deportaties in Nederland

De invoering van anti-joodse maatregelen verliep in Nederland stapsgewijs. Zo werd op 22 oktober 1940 verordening 189/1940 uitgevaardigd waarin werd bepaald dat ‘joodse’ ondernemingen zich voor 30 november 1940 dienden te laten registreren. De registratie vormde de opmaat voor verdere maatregelen die in het voorjaar van 1941 zouden volgen. Op 10 januari 1941 werd verordening 6/1941 uitgevaardigd, die bepaalde dat alle joden in Nederland zich dienden te registreren. Als gevolg van de op 12 maart 1941 uitgevaardigde verordening 48/1941, de zogenaamde ‘Wirtschaftsentjüdungs-verordening’, volgde onteigening of onder-beheerstelling van ondernemingen. Alfred Isay werd daardoor gedwongen zijn aandelen in de door hem zelf opgerichte textielfabriek EMKA over te dragen aan niet-joodse personen. Op 1 augustus 1941 werd Isay ontslagen, waardoor hij vanaf dat moment geen salaris meer ontving. De elkaar snel opvolgende maatregelen dreven joodse inwoners steeds verder in het nauw. Een week na het ontslag van Isay, op 8 augustus 1941, trad de z.g. ‘eerste Liro-verordening’ in werking, op grond waarvan joden hun vermogen boven een bepaald vrij maximum (meestal NLG 1000) dienden in te leveren bij de tot dat doel opgerichte roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co. Isay werd na het afstaan van zijn aandelen gedwongen de koopsom te storten bij deze roofbank. Mede als gevolg van deze en andere vervolgingsmaatregelen die hemzelf en zijn omgeving troffen, heeft Alfred Isay geprobeerd bezittingen van de hand te doen, al dan niet via tussenpersonen of ‘stromannen’, teneinde in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien of anderen ondersteuning te kunnen bieden. Tot deze sociale en zakelijke kring in Nederland behoorde in ieder geval Leopold Klopfer die zijn zwager Leopold Weinberg in het persoonlijke netwerk van Isay introduceerde.
In de zomer van 1942 begonnen de systematische deportaties naar de vernietigingskampen. Alfred Isay en zijn familieleden zijn in deze periode meerdere malen gearresteerd. Op 3 juli 1943 kreeg Alfred Isay een tijdelijke vrijstelling van deportatie, een zogeheten ‘Sperre’, waarschijnlijk omdat de nazi’s hem nodig hadden bij de afhandeling van een deviezenkwestie. Dergelijke vrijstellingen waren tijdelijk en de mate en duur van de bescherming was hoogst onzeker. Op 1 maart 1944 dook het gezin Isay onder. Het echtpaar vond onderdak op de vliering van een huis in Amsterdam en de twee kinderen werden gescheiden van elkaar elders ondergebracht. De gebeurtenissen hadden een grote invloed op de gesteldheid van Isay. Hij werd enkele malen (langdurig) in het ziekenhuis opgenomen wegens ernstige nierklachten. Alfred Isay overleed op 3 juni 1948 te Amsterdam. Sofie Isay-Adelsberger overleed in 1982 op 85-jarige leeftijd.

Standpunten van verzoekers

Op 9 oktober 1930 vond bij Hugo Heilberg te München een grote veiling plaats, waarbij 200 schilderijen uit de collectie Adelsberger waren betrokken. Volgens verzoekers zijn de twee schilderijen van Von Stadler bij deze veiling in 1930 onverkocht gebleven, retour gegaan en op 23 november 1933 ter veiling aangeboden door veilinghuis Lempertz, waar ze eveneens onverkocht zijn gebleven. De schilderijen zouden vervolgens door Alfred Isay zijn meegenomen naar Amsterdam en zouden zich daar nog steeds bevonden hebben op 10 mei 1940. Verzoekers hebben in dit verband een aantal documenten naar voren gebracht.
Het gaat hierbij om lijsten uit 1930 en 1940 en brieven uit 1933 en 1934 waaruit blijkt dat de twee schilderijen van Von Stadler zich tijdens de genoemde jaartallen nog in bezit van Alfred Isay bevonden. Ook een overdrachtsverklaring uit 1933 en een veilingcatalogus uit 1933 bevestigen volgens verzoekers de aanname dat de schilderijen ten tijde van de veiling van Heilberg in München niet verkocht zijn. Alle genoemde documenten waren volgens verzoekers niet bekend ten tijde van de vaststelling van het eerdere advies. Een deel van de documenten zijn afkomstig uit een voorheen onbekend archief van het Joods Historisch Museum in Amsterdam.

6. Inhoudelijke beoordeling van het verzoek

De eerdere afwegingen in het advies Adelsberger d.d. 9 maart 2009 (RC 1.91)

In haar advies RC 1.91 heeft de commissie over NK 3277 en NK 3278 het volgende overwogen:
‘10. Ten aanzien van de twee andere thans geclaimde kunstwerken NK 3277 en NK 3278 zijn de herkomstgegevens evenmin sluitend. In de door Bureau Herkomst Gezocht (BHG) verrichte herkomstreconstructie wordt gesteld dat op de in overweging 7 genoemde veiling van 8 oktober 1930 bij veilinghuis Hugo Helbing in München verschillende werken van A. von Stadler uit de collectie Adelsberger ter veiling werden aangeboden. NK 3277 en NK 3278 komen wat betreft de afbeelding en de afmeting respectievelijk overeen met de werken vermeld in de veilingcatalogus onder nummers 155 en 154. Het is onbekend of de schilderijen op deze veiling ook daadwerkelijk zijn verkocht. Van de eventuele kopers is in elk geval geen naam bekend. Uit onderzoek is voorts gebleken dat deze twee kunstwerken op 13 november 1941 door een zekere Weinberg zijn verkocht aan Kunsthandel N.V. voorheen Kunsthandel J. Goudstikker (Goudstikker/Miedl). Het onderzoek heeft geen nader licht kunnen werpen op de gebeurtenissen met betrekking tot deze schilderijen tijdens de oorlog. Verzoekster heeft in dit kader het volgende gesteld:
‘Regarding the two paintings by Toni von Stadler (NK 3277 and NK 3278) no further evidence was found. As both paintings appeared in 1941 in Amsterdam, it has to be concluded that Abraham Adelsberger also managed to take these paintings with him to Amsterdam and that the paintings were sold to finance the subsistence of the family’.
11. Met betrekking tot deze stelling van verzoekster overweegt de commissie als volgt. Het is mogelijk dat Adelsberger of diens erven de onderhavige werken in Amsterdam hebben verkocht. Het is echter evenzeer mogelijk dat deze schilderijen door Adelsberger al in 1930 vrijwillig zijn verkocht op de bovengemelde veiling bij Hugo Helbing, of in de jaren daarna. De commissie oordeelt dat bij deze stand van het onderzoek, en bij uitblijven van nieuwe informatie over het bezitsverlies van NK 3277 en NK 3278, onvoldoende grond aanwezig is om verzoekster te kunnen volgen in haar stelling dat de kunstwerken tijdens de oorlog in Amsterdam zijn verkocht ten behoeve van Adelsberger en/of zijn familie. Derhalve kan de commissie ten aanzien van NK 3277 en NK 3278 thans niet aannemen dat Adelsberger of diens erven onvrijwillig bezitsverlies hebben geleden door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.’

Uit deze overwegingen blijkt dat ten tijde van het advies uit 2009 voldoende vaststond dat de thans geclaimde werken uit de collectie Adelsberger in 1930 ter veiling zijn aangeboden bij veilinghuis Hugo Helbing in München. Onbekend was toen echter of ze daar verkocht zijn en wat er verder mee is gebeurd. Wel stond voldoende vast dat de twee schilderijen op 13 november 1941 door een zekere Weinberg zijn verkocht aan Kunsthandel N.V. voorheen Kunsthandel J. Goudstikker (Goudstikker/Miedl). Over de identiteit van Weinberg was ten tijde van het advies uit 2009 echter niets bekend.

Nieuwe documentatie en informatie

Over de nieuwe herkomstgegevens met betrekking tot de kunstwerken NK 3277 en NK 3278 overweegt de commissie thans het volgende. Op grond van de door verzoekers toegestuurde documenten is meer duidelijkheid ontstaan over wat er met de schilderijen is gebeurd tussen 1930 en 13 november 1941. De twee belangrijkste nieuwe bronnen zijn:
I.       Door of namens erven van Adelsberger aangeleverde, nieuwe documentatie in de vorm van een rapportage van VOF Artiaz. In de rapportage zijn twee lijsten afgebeeld waarop diverse kunstwerken worden opgesomd, waaronder de twee kunstwerken van Von Stadler.
II.     Een in de loop van 2017 door de RC in het Joods Historisch Museum (hierna: JHM) te Amsterdam aangetroffen verzameling documenten die betrekking heeft op Alfred Isay, Abraham Adelsberger en hun families. Het gaat om een (familie-)archief dat circa 6000 bladen telt en onder meer betrekking heeft op de vlucht van Duitsland naar Nederland en de lotgevallen van delen van de kunstcollectie, waaronder de twee genoemde kunstwerken van Von Stadler. Uit de aard en inhoud van het archief kan worden afgeleid dat het waarschijnlijk gaat om documenten uit het bezit van Sofie Isay-Adelsberger (1897-1982).

De onder I. en II. genoemde bronnen zijn in opdracht van de RC onderzocht op nieuwe relevante informatie en aanknopingspunten voor nader onderzoek. Naar aanleiding daarvan is aanvullend onderzoek uitgevoerd, waarbij archiefdocumentatie uit binnen- en buitenland is geraadpleegd.
Tijdens het nader onderzoek is in het archief van het JHM bovendien een voordien onbekend archief ontdekt. Dit archief, dat een tijdvak van circa een halve eeuw bestrijkt (ca. 1910-1960), heeft betrekking op onder meer Abraham Adelsberger, Sofie Isay-Adelsberger en Alfred Isay. Het is niet duidelijk in wiens bezit de documenten waren voordat zij bij het JHM werden aangebracht. Volgens mondelinge mededeling van een medewerker van het museum aan de RC zijn de documenten daar aangebracht door iemand die anoniem wenste te blijven; in hoeverre daarbij het oorspronkelijke archief volledig is overhandigd, is niet komen vast te staan.
Het archief is een belangrijke bron geweest bij het aanvullende onderzoek. Het bevat ambtelijke en notariële stukken van persoonlijke en zakelijke aard, aktes van oprichting en verkoopaktes, persoonlijke en zakelijke correspondentie en documentatie, ook inzake de verkoop van schilderijen via veilinghuizen en kunsthandelaren in de periode 1933-1945. Het gaat onder meer om correspondentie (i) tussen Abraham Adelsberger en zijn schoonzoon Alfred Isay, (ii) tussen Adelsberger en veilinghuis Lempertz te Keulen, (iii) tussen Isay en Lempertz en (iv) tussen Isay en kunsthandelaar dr. J. Schönemann. Daarnaast bevat het archief stukken die betrekking hebben op diverse naoorlogse Wiedergutmachung- en Entschädigung-procedures. Mogelijk is het archief ook in dat kader gevormd.
Uit het nieuwe materiaal en het aanvullende onderzoek zijn relevante nieuwe gegevens en inzichten naar voren gekomen over de vlucht van de families Adelsberger en Isay en de eigendom en lotgevallen van individuele kunstwerken uit hun bezit.

Eigendomsvereiste (§ 2 van het Beoordelingskader)

Over de eigendom van de twee kunstwerken van Von Stadler op het moment van het bezitsverlies overweegt de commissie het volgende. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de bezits- en eigendomsgeschiedenis van verschillende delen van de zeer omvangrijke kunstverzameling van Abraham Adelsberger vanaf het einde van de jaren twintig uiteen zijn gaan lopen als gevolg van de rol die de kunstwerken gingen spelen bij een aantal zakelijke constructies. Zo sloot Abraham Adelsberger in de loop der jaren diverse kredieten af met wisselende looptijden, waarbij hij kunstwerken uit zijn bezit tot zekerheid overdroeg, vaak in de vorm van eigendomsoverdracht tot zekerheid (‘Sicherungsübereignung’), een zakelijke constructie naar Duits recht die in Duitsland in die periode gebruikelijk was. Diverse ondernemingen, waaronder die van Alfred Isay, de Firma Gebrüder Isay (later Wistri), verstrekten Adelsberger op deze wijze kredieten. Een andere betrokken partij was de Amsterdamse bankinstelling ACM, die vanaf 1924 gedreven werd door Julius Kahn, die eerder bankdirecteur was te Keulen.
Al in april 1930 maakten Isay en Adelsberger afspraken over de verstrekking van een krediet, waarbij Adelsberger grote hoeveelheden kunst tot zekerheid overdroeg. De looptijd van dit krediet was beperkt en de werken van Von Stadler komen niet voor op de bijgesloten lijsten. De werken worden wel genoemd in 1933 in een verklaring (een zogenaamde ‘Abtretungserklärung’) van 7 november van dat jaar. Uit de tekst van deze verklaring blijkt dat de ACM op 28 november 1932 diverse zekerheden had overgedragen aan de onderneming van Alfred Isay. Uit de verklaring van 7 november 1933 is duidelijk geworden dat Wistri alle nog bestaande rechten uit de eerdere overeenkomst overdroeg aan Alfred Isay persoonlijk. Om welke rechten het ging, is duidelijk geworden uit een lijst waarop 34 kunstwerken worden vermeld. Daaronder bevinden zich de twee schilderijen van Von Stadler. Van gebruik van deze twee schilderijen bij kredieten door andere geldverstrekkers is niet gebleken. Naar alle waarschijnlijkheid is zowel de vordering als de tot zekerheid daarvan verstrekte eigendom enige tijd later gecedeerd en/of overgedragen aan de onderneming van Alfred Isay en vervolgens aan Isay persoonlijk.
Uit bronnenonderzoek valt af te leiden dat Alfed Isay de werken samen met andere objecten waarschijnlijk tussen 8 en 18 februari 1934 naar Amsterdam heeft overgebracht. In Amsterdam bevond zich vanaf 1938 ook Leopold Klopfer, die na zijn vlucht uit Duitsland werd opgevangen door de familie Isay. Vanaf 1939 arriveerden ook het echtpaar Adelsberger, Leopold Weinberg en Hedwig Klopfer in Amsterdam. Dat Leopold Klopfer ook gedurende de bezettingsjaren in Nederland betrokken is gebleven bij de familie Isay, blijkt onder meer uit de door verzoekers aangeleverde lijst met schilderijen waarop Klopfers naam en een datum zijn aangetekend, en uit een naoorlogse verklaring waarin Alfred Isay stelt dat Klopfer hem ondersteuning heeft geboden bij de onderduik.
De commissie acht het gelet op alle omstandigheden in hoge mate aannemelijk dat Isay ten tijde van de hierna te vermelden verkoop op 13 november 1941 aan Goudstikker-Miedl eigenaar was van de werken NK 3277 en NK 3278.

Onvrijwillig bezitsverlies (§ 3 van het Beoordelingskader)

Over het bezitsverlies van NK 3277 en NK 3278 overweegt de commissie het volgende. In augustus 1941 had Alfred Isay zijn baan en daarmee zijn inkomen verloren, terwijl maatregelen van de bezetter het bestaan van joden in toenemende mate bedreigden. Uit het eerdere advies van de commissie met betrekking tot de restitutie van het werk Jupiter besluipt de slapende Antiope in de gedaante van een satyr van Hendrick Goltzius (RC 1.91) blijkt dat Isay in de loop van de bezetting werken uit oorspronkelijk bezit van Adelsberger van de hand heeft gedaan, met hulp van zijn zakelijk en persoonlijk netwerk.
Kort na de Duitse inval werd kunsthandel J. Goudstikker N.V. gekocht door Alois Miedl, een Duitse zakenman en bankier. Op 1 juli 1940 kocht Miedl alle activa van de firma Goudstikker waarna hij op 14 september 1940 een nieuw bedrijf oprichtte, de Kunsthandel voorheen J. Goudstikker NV (Goudstikker-Miedl). Uit de administratie van Goudstikker-Miedl blijkt dat deze kunsthandel de twee werken van Von Stadler op 13 november 1941 van ‘Weinberg’ heeft gekocht. Onderzoek naar de identiteit van Weinberg heeft aan het licht gebracht dat zich in de directe omgeving van de familie Isay iemand bevond met de naam Leopold Weinberg die tevens contact onderhield met kunsthandel Goudstikker-Miedl. De commissie acht het voldoende aannemelijk dat deze Leopold Weinberg de twee werken in 1941 op verzoek van Isay aan Goudstikker-Miedl heeft verkocht. Nu Isay een particulier was die wegens zijn joodse afkomst tot een vervolgde bevolkingsgroep behoorde, moet op grond van criterium 3.1 van het Beoordelingskader worden aangenomen dat het bezitsverlies van Isay in 1941 onvrijwillig was.

Conclusie ten aanzien van het verzoek om restitutie

De commissie stelt vast (i) dat het in hoge mate aannemelijk is dat Alfred Isay ten tijde van het bezitsverlies in 1941 eigenaar was van de werken NK 3277 en NK 3278. Dit betekent dat het restitutieverzoek van de erven Adelsberger niet gehonoreerd kan worden. Aangezien de erven Isay deel uitmaken van de verzoekers, wil de commissie hen niet verplichten tot een nieuw verzoek en beschouwt zij de erven Isay in deze ook als (separate) verzoekers. Verder stelt de commissie vast (ii) dat gelet op criterium 3.1 van het Beoordelingskader moet worden aangenomen dat het bezitsverlies door Alfred Isay onvrijwillig was. Dit betekent op grond van het slot van § 3 van het Beoordelingskader dat, nu de werken op dit moment in het bezit zijn van de Staat, de werken aan de erven van Isay gerestitueerd dienen te worden. Aangezien de Staat in geen enkel geval beroep meer zal doen op de eventuele verwerving te goeder trouw, is ter zake geen onderzoek gedaan. (TK 25 839, nr. 48, onder III, sub b; § 3, punt 2 Beoordelingskader).

7. Advies

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de schilderijen Berglandschap (NK 3277) en Landschap (NK 3278) aan de erven van Alfred Isay te restitueren.

Aldus vastgesteld op 10 december 2021 door J. Kohnstamm (voorzitter), J.F. Cohen, S.G. Cohen-Willner, J.H. van Kreveld, D. Oostinga, E.H. Swaab (vicevoorzitter) en C.C. Wesselink, en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(J. Kohnstamm, voorzitter)                            (E.M. van Sterkenburg, secretaris)