Samenvatting RC 1.6

DE KOENIGS-COLLECTIE

Op 3 mei 2002 kreeg de Restitutiecommissie een verzoek voorgelegd tot teruggave van schilderijen en tekeningen uit het voormalig bezit van F.W. Koenigs voor zover deze zich in de NK-collectie bevinden. Hiertoe was op 18 maart 2002 een claim ingediend bij de Staatssecretaris van Cultuur. Het gaat in dit verzoek om 33 schilderijen, voornamelijk werken van Rubens, en 37 werken op papier van met name Duitse meesters zoals Dürer.

Deze werken behoren tot de Rijkscollectie en zijn voor het grootste deel in langdurige bruikleen gegeven aan het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen. Op 26 november 2002 kreeg de commissie vervolgens een verzoek voorgelegd tot teruggave van het schilderij "Cadmus zaait drakentanden" van P.P. Rubens. Dit schilderij behoort tot de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam en behoort - alhoewel niet tot de Nkcollectie - wel tot de Rijkscollectie. De twee verzoeken zijn door de commissie tegelijkertijd behandeld.

Volgens verzoekster, één van de erven van de collectioneur en zakenman F.W. Koenigs, zouden deze tekeningen en schilderijen in aanmerking komen voor teruggave aan de familie onder het versoepelde restitutiebeleid. Koenigs verloor zijn zeer omvangrijke kunstcollectie, waarna de (meeste van de) betreffende kunstwerken uiteindelijk in het bezit van Hitler en Göring kwamen. De collectie van F.W. Koenigs bestond anno 1935 uit 2145 tekeningen en 47 schilderijen. Ter ondersteuning van haar verzoek stuurde verzoekster de resultaten van een door haar uitgevoerd onderzoek mee, en diende haar raadsman op 30 augustus 2002 een Memorie in. De Restitutie Commissie stelde - zoals gebruikelijk in de door haar gevolgde procedure - tevens zelf een onderzoek in. In mart 2003 werden ten behoeve van dit onderzoek hoorzittingen georganiseerd, waarbij behalve verzoekster ook de zoon van de heer F.W. Koenigs werd gehoord. Het onderzoek resulteerde in een conceptonderzoeksrapport, dat voor commentaar werd voorgelegd aan verzoekster. Naar aanleiding van de reactie van de zijde van verzoekster werd dit rapport op punten aangepast. Op 3 november 2003 tenslotte stelde de commissie haar advies vast. Het onderzoeksrapport, opgesteld door haar secretaris/rapporteur, maakt integral onderdeel uit van dit advies.

De commissie stelt in haar advies vast dat de meeste van de geclaimde kunstwerken (28 schilderijen en de 37 tekeningen) tot 1940 tot de collectie van Franz W. Koenigs behoorden. Ten aanzien van een kleine groep van zes schilderijen concludeert zij echter dat onzeker is of deze schilderijen ooit tot de collectie van Koenigs hebben behoord. Voor wat betreft deze groep strandt het verzoek op deze conclusie.

De commissie onderzoekt of het bezitsverlies door Koenigs voor wat betreft de overige werken aangemerkt kan worden als onvrijwillig in de zin van het restitutiebeleid. Onder verwijzing naar haar instellingsbesluit hanteert zij daarvoor als criterium dat sprake moet zijn van onvrijwillig bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het nazi-regime. Hiervan is naar haar oordeel geen sprake: het bezitsverlies door Koenigs had uitsluitend een economische/zakelijke oorzaak. De commissie wijst daarbij op de internationale monetaire maatregelen, waardoor Koenigs al begin jaren '30 en zonder enig verband met het nazi-regime, genoodzaakt was een lening af te sluiten bij de bank Lisser & Rosenkranz en zijn kunstcollectie tot zekerheid aan deze bank over te dragen. Toen aan de vooravond van de oorlog vervolgens bleek dat hij deze lening niet kon terugbetalen, werd de kunstcollectie om deze reden verkocht. De commissie overweegt hieromtrent: ".. dat het bezitsverlies van Koenigs geen gevolg was van omstandigheden die in directe relatie stonden met het nazi-regime doch uitsluitend verband hield met de economische omstandigheden in Duitsland, die aanleiding hadden gegeven tot de zogenaamde "Stillhalte", een maatregel ten gevolge waarvan Koenigs niet vrijelijk kon beschikken over het Duitse deel van zijn vermogen. Daardoor was hij gedwongen in Nederland geld te lenen tegenover het tot zekerheid afstaan van zijn collectie. Een bezitsverlies derhalve dat uitsluitend een economische/zakelijke oorzaak had. Dat er ten tijde van de onderhandelingen over en de verkoop van de collectie sprake was van een alom aanwezige oorlogsdreiging kan aan het voorgaande geen afbreuk doen." De commissie stelt daarnaast vast dat Koenigs niet behoorde tot een vervolgde bevolkingsgroep noch daarmee gelijk gesteld kan worden, zoals verzoekster beargumenteerde. Ten aanzien hiervan overweegt de commissie: ".. over de persoon Koenigs [komt] het beeld naar voren van een invloedrijk zakenman die zich - zeker in vergelijking met het joodse volksdeel - in vrijheid kon bewegen, een vrijheid waarvan hij gedurende de jaren 1938-1940 gebruik heeft gemaakt door te blijven handelen, ook met de Duitsers/nazi's. Naast altruïstische motieven - de belangen van zijn joodse vrienden - speelden zonder twijfel zijn eigen financiële belangen en zijn belangen als kunstverzamelaar daarbij een rol." Dit betekent dat er voor wat betreft de vaststelling van de onvrijwilligheid van de verkoop geen sprake is van een omkering van de bewijslast, zoals bij een verkoop door een joodse particulier tijdens de bezetting. De conclusie dat het hier niet om onvrijwillig bezitsverlies in de zin van het restitutiebeleid gaat, wordt tenslotte nog overtuigend ondersteund - aldus de commissie - door de houding en verklaring van leden van de familie Koenigs na de oorlog, onder wie de weduwe van Koenigs.

In haar beslissing van 10 december 2003 volgt de staatssecretaris het advies en wijst het verzoek tot teruggave van de Koenigs-collectie af.
Gezien de verwarring die kan ontstaan als men het over 'de claim Koenigs' heeft, is het van belang vast te stellen dat de commissie adviseerde over de anno 2003 tot de Rijkscollectie behorende kunstwerken. Haar advies betreft niet de voorwerpen uit het voormalig bezit van F.W. Koenigs die in bezit zijn van de Stichting Boijmans Van Beuningen of de Gemeente Rotterdam, noch om werken uit de collectie Koenigs die uiteindelijk in Russische of andere collecties terecht zijn gekomen.