| Advies RC 1.38 |
| Datum | : |
24-04-2006 |
| Zaaknummer |
: |
RC 1.38 |
| Advies inzake het verzoek tot teruggave van: |
||
| diverse artikelen uit de nalatenschap van Anne Frank |
__________________________________________________________________________________________________________________________
Bij brief van 12 juli 2005 verzocht de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie om advies over een verzoek van de heer B.E. en het Anne Frank Fonds, beiden te Bazel (Zwitserland), tot teruggave van twee brieven, drie foto's, een leerboek Frans en een halsketting uit de nalatenschap van Anne Frank die worden bewaard in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) te Amsterdam. Daarbij verzocht de minister de commissie allereerst na te gaan of genoemde zaken beschouwd kunnen worden als cultuurgoederen in de zin van het Instellingsbesluit van de Restitutiecommissie.
De procedure
Aan deze adviesaanvraag ligt een claim van de heer B.E. tot teruggave
van de betreffende zaken ten grondslag, zoals hij deze op 19 april 2005
tijdens een overleg tussen het NIOD en het Anne Frank Fonds naar voren
heeft gebracht. Bij brief van 19 mei 2005 heeft het NIOD de minister
van deze claim in kennis gesteld. Bij de overgang van het NIOD,
voorheen Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), naar de
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is bepaald dat de
minister rechtstreeks verantwoordelijk is voor alle kwesties die
betrekking hebben op de nalatenschap van Anne Frank.
Bij brief van 18 augustus 2005 heeft de Restitutiecommissie de minister
op haar preliminaire vraag allereerst als volgt bericht:
In antwoord hierop kan ik u melden dat de commissie van mening is dat de door de heer B.E. teruggevraagde voorwerpen zonder meer als cultuurgoederen kunnen worden aangemerkt en er in die zin geen beletsel bestaat het verzoek van de heer B.E. in onderzoek te nemen. Om u te kunnen adviseren over de vraag of de betreffende voorwerpen ook gerestitueerd moeten worden in de zin van ons Instellingsbesluit is echter nader onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek zal door de commissie worden uitgevoerd en zal zich conform artikel 2 lid 1 van het Instellingsbesluit moeten richten op de vraag of er sprake is van onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.
Vervolgens heeft de commissie een onderzoek naar de feiten ingesteld.
Bij dit onderzoek heeft zij kennis kunnen nemen van het dossier zoals
de minister dit in bijlage bij haar brief van 12 juli 2005 heeft
meegezonden. De commissie heeft voorts contact opgenomen met de heer
B.E. te Zwitserland, het NIOD te Amsterdam, en met de heer G.S. te
Duitsland. De resultaten van dit feitenonderzoek zijn neergelegd in een
concept-onderzoeksrapport van 6 maart 2006, dat ter commentaar is
voorgelegd aan de heer B.E. en het NIOD. Na ontvangst van het
commentaar van de heer N.D.J. Barnouw van het NIOD bij brief van 20
maart 2006 en van de heer B.E. bij brief van 30 maart 2006 is het
rapport aangepast en vastgesteld in de commissievergadering van 24
april 2006. De inhoud van dit rapport wordt geacht deel uit te maken
van dit advies.
Algemene overwegingen
a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de
beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de
regering.
b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen
advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere
zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere
omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan
worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.
c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden
omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen
zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn
teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De
commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede)
oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens
onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.
d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar
algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog
klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova
(nieuwe feiten).
e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder
instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de
eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude
handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven
niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor
zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan
van rechten.
Bijzondere overwegingen:
1. De heer B.E., neef van Anne Frank en directeur van het Anne Frank Fonds te Zwitserland, verzoekt de teruggave van de volgende voorwerpen:
1. Een halsketting van Anne Frank (Mazel Tow) met daarin gegraveerd 12.6.1929 Frankfurt am Main.
2. Een leerboek, getiteld Franse Spraakkunst van Anne Frank met een plakpapiertje.
3. Een brief van Anne Frank aan haar grootmoeder, gedateerd op 18 december 1936 en geschreven in de Duitse taal.
4. Een brief van Anne Frank aan haar grootmoeder, gedateerd op 9 mei 1937 en geschreven in het Nederlands met als aanhef Lieve Oma. Er is een enveloppe bij, gericht aan Mevr. A.Frakstern.
5. Een foto van mevrouw Edith Frank-Holländer met Anne.
6. Een foto van Anne en Margot Frank met een derde persoon. De laatste is niet geïdentificeerd.
7. Een foto van het interieur van het Achterhuis.
De heer B.E. verzoekt teruggave op persoonlijke titel, in zijn
hoedanigheid van erfgenaam van Alice Frank, grootmoeder van zowel B.E.
als Anne Frank en degene aan wie de brieven onder 3 en 4 zijn gericht.
Tevens verzoekt de heer B.E. teruggave namens het Anne Frank Fonds, in
zijn hoedanigheid van directeur van dit Fonds. In zijn brief van 14
december 2005 aan de commissie licht de heer B.E. zijn claim onder meer
als volgt toe:
Wir meinen, sowohl juristisch als archivistisch unsere Ansprüche geltend machen zu können und verweisen dabei auch auf die Holländische Archivgesetzgebung bezüglich des Umgangs durch Staatsorgane mit Privatarchiven, welche Ihnen nicht rechtens zustehen.
2. De zeven hierboven genoemde geclaimde voorwerpen en documenten zijn volgens opgave van de minister in haar brief aan de commissie van 12 juli 2005 in 1981 aan het NIOD geschonken en daarmee staatseigendom geworden.
3. Over de bezitsverkrijging door de Nederlandse Staat en het
bezitsverlies door de familie Frank is tijdens het onderzoek,
samengevat, het volgende bekend geworden.
De betreffende zaken zijn op
21 april 1981 door de heer G.S., destijds redacteur van het Duitse
weekblad Stern, verworven van een onbekende Nederlander. Deze onbekende
Nederlander, aan wie de heer S. vertrouwelijkheid toezegde, heeft hem
destijds schriftelijk laten weten dat hij de zaken ten geschenke had
ontvangen van de persoonlijke secretaris van Otto Frank. Uit een brief
van S. van 20 april 1981 aan het RIOD blijkt dat S. en Stern met deze
verwerving een schenking aan het RIOD voor ogen hadden, welk voornemen
ten uitvoer is gebracht. De betreffende documenten en voorwerpen zijn
aldus op 7 mei 1981 overgedragen aan het RIOD.
Volgens een verklaring
van de heer B.E. zijn de voorwerpen en documenten ontvreemd uit het
huis van Otto Frank te Zwitserland, kort voor of na zijn overlijden in
1980. Ten aanzien van de aard van dit bezitsverlies verklaarde de heer
B.E.:
Niemals im Leben hätte er persönliche Andenken und Unterlagen seiner Familie einem 'Freund' verschenkt, insbesondere nicht jene seiner jüngsten Tochter an seine geliebte Mutter. [...] Otto Frank hat die bei seinem Ableben in seiner Wohnung befindlichen Dokumente testamentarisch dem Anne Frank Fonds vermacht. Da die "Stern" illegal übergebenen Briefe von Anne Frank an meine Familie gerichtet waren, erhebe auch ich als erbberechtigter, letzter direkter Nachkomme der Familie E.-Frank Besitzanspruch.
Uit een brief van de heer Barnouw, medewerker van het
RIOD, van 1 mei 1981 aan de heer S., blijkt dat ook bij het instituut
twijfels bestonden over de rechtmatigheid van deze verkrijging door de
anonieme Nederlander:
Obwohl ich die Dokumente grundsätzlich für echt halte, [..] , rufen sie doch einige Problemen auf dem Plan. Von einem “Privatsekretär” des Herrn Otto Frank ist uns nämlich bislang nie etwas bekannt geworden. [...] Auch ist es fast unglaublich, dass Herr Frank, der alle Erinnerungen an seine Tochter so sorgfältig aufbewahrte, Sache wie diese aus der Hand gegeben hätte.
De heer B.E. is sinds de publicatie van foto's en het verslag van de overdracht in Stern van 21 mei 1981 op de hoogte van het feit dat de voorwerpen zich bij het NIOD bevinden. Destijds heeft hij op dit artikel in Stern gereageerd met een ingezonden brief, waarbij hij de eigendomskwestie niet aan de orde stelde. In een brief van 14 december 2005 aan de commissie verklaart de heer B.E., dat pas bij de aanvang van een wetenschappelijk archiveringsproject door het Anne Frank Fonds in 2003 het belang van deze documenten en voorwerpen naar voren is gekomen. Daardoor is een aantal tot dusver onbekende stukken opgespoord. Tijdens de inventarisatie van het archief van het Fonds, die in 2006 zal worden afgesloten, heeft drs. Barnouw van het NIOD een overzicht opgesteld van de zogenaamde Stern-stukken. Ze worden door het Anne Frank Fonds in Bazel inmiddels als een lacune in het archief beschouwd.
4. In het kader van de eigendomsverhoudingen heeft de commissie kennis
genomen van een uittreksel uit het testament van Otto Heinrich Frank,
vader en enig erfgenaam van Anne Frank, van 15 december 1978, alsmede
van een nadere toelichting hierop van 11 november 1980 door dr. Hans
Eckert, advocaat te Bazel en executeur van dit testament. Uit de ter
beschikking staande documenten blijkt dat Otto Frank het Anne Frank
Fonds te Bazel tot zijn enig erfgenaam heeft benoemd, en dat het NIOD
ingevolge artikel 9 van het testament de eigendom kreeg toebedeeld van
alle handgeschreven aantekeningen en een fotoalbum van Anne Frank,
alsmede van een aantal voorwerpen met betrekking tot Anne Frank die in
bewaring waren bij de Anne Frank Stichting te Amsterdam. Om welke
'handgeschreven aantekeningen' van Anne Frank het artikel 9 gaat, heeft
de executeur van het testament bij brief van 11 november 1980 aan het
NIOD gepreciseerd. Volgens de heer Eckert zou het daarbij om vier
dagboeken en een kasboek getiteld 'Verhaaltjes en gebeurtenissen uit
het Achterhuis' gaan.
De heer B.E. stelt dat de zeven geclaimde
voorwerpen en documenten in eigendom toebehoren aan het Anne Frank
Fonds dan wel aan de familie Frank-E., waarbij hij verwijst naar
bepalingen in het testament van Otto Frank. In zijn brief van 30 maart
2006 aan de Restitutiecommissie verwoordt hij dit aldus:
It is however, clear that pursuant to the last will of Otto Frank of December 15, 1978 only those documents or objects mentioned in sect. II 9 are given to NIOD or tho the Anne Frank Stichting. All other documents, photos and objects not specified in sect. II 9 are the property of the sole heir of Otto Frank and this is Anne Frank-Foundation in Basel (see sect. II of the Last Will). As a consequence the objects taken from the house of Otto Frank at the time of his death do not belong to the NIOD but rather to the Frank family. It is specially true for those objects which were not the property of Otto Frank at the time of his death but rather of the family E.-Frank.
Over de eigendomsverhoudingen merkt de heer Barnouw van het NIOD bij
brief van 20 maart 2006 aan de commissie nog het volgende op:
Wij kennen niet het volledige testament, maar in art 1 staat '...... unterstelle ich die Erbfolge meinem Nachlass meinem heimatlichen niederländischen Recht, ...'
5. Alvorens aan de vraag toe te kunnen komen welke persoon of instelling als (oorspronkelijk) rechthebbende op de zeven hiervoor genoemde zaken kan worden aangemerkt, zal de commissie een oordeel moeten geven of zij in deze bevoegd is in haar advies tot een inhoudelijk oordeel te komen. De taakopdracht van de commissie beperkt zich, ingevolge artikel 2 van haar Instellingsbesluit, immers tot cultuurgoederen waarover het bezit is verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Daarbij stelt de commissie voorop, zoals in een eerder stadium reeds gemeld aan de minister, dat de teruggevraagde documenten en voorwerpen naar haar mening cultuurgoederen zijn in de zin van haar instellingsbesluit.
6. Gezien de hiervoor beschreven feiten, die geenszins wijzen op een
bezitsverlies tijdens de Tweede Wereldoorlog maar daarentegen op een
bezitsverlies dat plaats had in de jaren tachtig van de vorige eeuw,
moet het antwoord op de hiervoor onder 4 gestelde vraag luiden dat in
deze enig verband tussen het bezitsverlies en het naziregime ontbreekt.
Ondanks de aanwijzingen van de onvrijwilligheid van het bezitsverlies,
zal de commissie zich dan ook van een oordeel over de
eigendomsaanspraken van de heer B.E. moeten onthouden.
Conclusie
De Restitutiecommissie acht zich, op grond van het ontbreken van enig verband tussen het bezitsverlies van de betreffende zaken en het naziregime, onbevoegd de Minister te adviseren over het verzoek om teruggave van de heer B.E. van 19 april 2005.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 24 april 2006,
B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies
« Vorige pagina

English Site

