Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog
Samenvatting RC 1.31

Bostafereel met herder en vee van B.C. Koekkoek


In april 2005 werden twee restitutieverzoeken bij de Staatssecretaris van OCW ingediend met betrekking tot het schilderij Bostafereel met herder en vee van B.C. Koekkoek (NK 2944), dat zich in bruikleen bevond in een Duits museum. De verzoeken werden ingediend in reactie op een brief van BHG aan een aantal familieleden van Jonas Alexander van Bever, die, zo bleek uit onderzoek, het schilderij in 1941 ter veiling had aangeboden. De commissie heeft de restitutieverzoeken gezamenlijk behandeld.

In de archieven van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) was een aangifteformulier uit 1946 aangetroffen van het veilinghuis Frederik Muller & Co., waarin aangifte werd gedaan van een vrijwillige verkoop van een Boschgezicht van B.C. Koekkoek op 11 juli 1941. Het kunstwerk was verkocht aan een Duitse firma. Wie de inzender was werd niet vermeld. In 1951 deed de taakopvolger van SNK, het Bureau Herstelbetaling- en Recuperatiegoederen (Hergo), navraag naar de inzender van het schilderij. Het veilinghuis antwoordde dat de inzender was ‘J.A. van Bever Destijds makelaar te Amsterdam (intusschen overleden)’ en dat het schilderij verkocht was voor een bedrag van NLG 2.900,-. Het archief bevatte geen aanwijzingen dat Hergo heeft getracht in contact te komen met erfgenamen van Van Bever.
 
Nader onderzoek naar de joodse J.A. van Bever bevestigde dat hij makelaar was geweest in Amsterdam, waar hij aan het begin van de bezetting met zijn vrouw woonde. Na de uitvaardiging door de bezettingsautoriteiten van verordening 48/1941 van 12 maart 1941, ook wel bekend als Verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven, werd het Van Bever onmogelijk gemaakt zijn beroep verder uit te oefenen. Uit archiefstukken van het Nederlandse Beheersinstituut bleek verder dat hij werd verplicht tot het inleveren van vermogenswaarden bij de roofinstantie Lippmann, Rosenthal & Co. Het echtpaar Van Bever, hun dochter en schoonzoon zijn rond 17 september 1943 te Auschwitz omgekomen. Hun woning werd geruimd door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg.

In haar advies van 3 juli 2006 concludeerde de commissie op grond van deze feiten dat Van Bever in 1941 eigenaar was van het geclaimde werk. Hoewel over de omstandigheden waaronder Van Bever het schilderij verkocht geen nadere gegevens naar voren waren gekomen, overwoog de commissie dat er geen aanwijzingen waren dat van Bever het schilderij uit vrije wil had verkocht. ‘Integendeel,’ zo stelde de commissie,‘gezien het feit dat het hem in de loop van 1941 niet meer was toegestaan zijn bedrijf uit te oefenen, ligt het voor de hand dat Van Bever in de zomer van 1941 genoodzaakt was tot verkoop van het schilderij om zijn gezin te onderhouden.’
Onder verwijzing naar de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart inzake particulier kunstbezit, waarin wordt verondersteld dat een verkoop van een kunstwerk door een joodse particulier in Nederland vanaf 10 mei 1940 een gedwongen verkoop was, tenzij nadrukkelijk anders blijkt, adviseerde de commissie tot teruggave van het geclaimde werk aan de gezamenlijke erven van Van Bever.

De minister heeft het advies op 29 september 2006 overgenomen.

Lees het gehele advies
 



« Vorige pagina