| Advies rc 1.29 |
| Datum |
: | 12-06-2006 |
| Zaaknummer | : |
RC 1.29 |
| Advies inzake het verzoek tot teruggave van: |
||
| Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier |
||
| Berglandschap met kasteel van T. le Feubure |
_____________________________________________________________________________________________________________________________________________
Advies inzake het verzoek tot teruggave van Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK3229) (zaaknummer RC 1.29)
Bij brief van 12 april 2005 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Restitutiecommissie om advies over de te nemen beslissing op het verzoek van 3 februari 2005 van R.A., P.E. en M.A.-H. (hierna: verzoekers) tot teruggave van het schilderij Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229). Verzoekers worden vertegenwoordigd door I. Gielen, advocate te Berlijn.
De procedure
De aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van Bureau Herkomst Gezocht (BHG) van 1 december 2004 aan verzoekers met een verzoek om informatie betreffende bovengenoemde kunstwerken, die zich momenteel in depot van het Instituut Collectie Nederland bevinden. In deze brief werd aangegeven dat de werken waarschijnlijk in bezit waren geweest van de heer Martin Israel Aufhäuser, die deze in 1941 had verkocht aan de Duitse kunsthandelaar Alois Miedl te Amsterdam. BHG maakte verzoekers daarbij attent op de mogelijkheid een restitutieverzoek in te dienen indien sprake was geweest van onvrijwillige verkoop.
In reactie hierop heeft verzoeker R.A., zoon van de oorspronkelijke eigenaar van de werken, nadere gegevens omtrent de geschiedenis van zijn ouders verstrekt. Vervolgens hebben verzoekers in februari 2005 een restitutieverzoek bij de staatssecretaris ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft de commissie een onderzoek naar de feiten laten uitvoeren, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptrapport van 24 maart 2006. Het rapport is voorgelegd aan de vertegenwoordiger van verzoekers, waarna het is vastgesteld op 12 juni 2006. Voor wat betreft de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport, dat geacht wordt deel uit te maken van dit advies.
Algemene overwegingen
a) De commissie laat zich bij haar advisering leiden door de
beleidslijnen terzake van de Commissie Ekkart als overgenomen door de
regering.
b) De commissie heeft zich de vraag gesteld of een uit te brengen
advies invloed mag ondervinden van mogelijke consequenties in latere
zaken. De commissie beantwoordt die vraag, behoudens onder bijzondere
omstandigheden ontkennend omdat een dergelijke invloed bezwaarlijk kan
worden tegengeworpen aan de betrokken verzoeker.
c) De commissie heeft zich voorts afgevraagd op welke wijze moet worden
omgegaan met het gegeven dat bepaalde feiten niet meer te achterhalen
zijn, dat bepaalde gegevens verloren zijn gegaan of niet zijn
teruggevonden of anderszins bewijzen niet meer zijn bij te brengen. De
commissie is daaromtrent van mening dat, indien het tijdsverloop (mede)
oorzaak is van de ontstane problemen, het risico daarvoor, behoudens
onder bijzondere omstandigheden, behoort te liggen bij de overheid.
d) De commissie is van mening dat inzichten en omstandigheden die naar
algemene maatschappelijke opvattingen sinds de Tweede Wereldoorlog
klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova
(nieuwe feiten).
e) Onder onvrijwillig bezitsverlies wordt ook verstaan verkopen zonder
instemming van de kunsthandelaar door Verwalters of andere niet door de
eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde oude
handelsvoorraad, voor zover de oorspronkelijke eigenaar of zijn erven
niet het volledige profijt van de transactie heeft genoten of voor
zover de eigenaar niet na de oorlog uitdrukkelijk afstand heeft gedaan
van rechten.
Bijzondere overwegingen:
- Verzoekers vragen restitutie van het schilderij Drie mannen in een
boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap
met kasteel van T. le Feubure (NK 3229) als erfgenamen van Martin
Aufhäuser, die in 1944 in de Verenigde Staten is overleden. Martin
Aufhäuser was gehuwd met Auguste Sara Aufhäuser-Ortlieb; zij is in 1961
overleden. Het echtpaar had drie kinderen, D., W. en R. (thans
verzoeker). Verzoekster M.A.-H. was gehuwd met W.A.,
die in 1980 is overleden. Verzoeker P.E. is de enige zoon van - de
eveneens overleden – D.E.-A.
- Verzoekers hebben een korte
beschrijving gegeven van de levensloop van Martin Aufhäuser en zijn
echtgenote vanaf de jaren ’20 van de twintigste eeuw. Daaruit blijkt
dat Martin Aufhäuser, geboren op 26 juni 1875 en van joodse afkomst,
bankier en grootaandeelhouder was van de bank H. Aufhäuser te München.
Gedurende de vooroorlogse periode zou hij een aanzienlijke collectie
schilderijen en prenten hebben verzameld. In de Kristallnacht van 8/9
november 1938 werd hij in het concentratiekamp Dachau geïnterneerd,
terwijl de Gestapo het huis van het echtpaar leegroofde. De bank werd
‘geariseerd’ en voortgezet onder een andere naam. Na zijn vrijlating
kregen Martin Aufhäuser en zijn echtgenote in maart 1939 toestemming
van de Duitse autoriteiten om naar Nederland te vertrekken. Volgens
verzoekers waren zij in staat enkele stukken uit de kunstcollectie mee
te nemen, waaronder de thans geclaimde werken. In mei 1941 kreeg het
echtpaar toestemming om naar de Verenigde Staten te reizen, in ruil
voor de verkoop van een schilderij waar Göring belangstelling voor had.
- Het onderzoek heeft uitgewezen dat beide werken door ‘M. Aufhauser’
op 23 april 1941 te Amsterdam zijn verkocht aan de Duitse
kunsthandelaar Alois Miedl van de Kunsthandel Voorheen J. Goudstikker
NV, tezamen met een hoeveelheid andere schilderijen en voorwerpen van
toegepaste kunst. Een en ander blijkt uit de inkoopfactuur die in de
archieven van de kunsthandel is teruggevonden. Het schilderij van A.H.
Lier en de aquarel van T. le Feubure zijn vervolgens naar een depot te
München gezonden en na de oorlog uit Duitsland naar Nederland
teruggevoerd.
- Eind 1952 heeft het Bureau Herstelbetalings- en
Recuperatiegoederen de advocaat van de familie Aufhäuser schriftelijk
op de hoogte gesteld van het feit dat de werken van Lier en Le Feubure
gerecupereerd waren en in aanmerking konden komen voor teruggave, mits
de eigendom werd bewezen en de destijds ontvangen koopsom zou worden
afgedragen. In de documentatie is geen reactie van de familie Aufhäuser
aangetroffen. De commissie overweegt dan ook dat geen sprake is van een
in het verleden afgehandelde zaak en acht het verzoek ontvankelijk.
- Ingevolge het geldende rijksbeleid met betrekking tot de restitutie
van kunstwerken, dient de commissie zich de vraag te stellen of
aannemelijk is dat de geclaimde werken oorspronkelijk eigendom waren
van Martin Aufhäuser, en of de werken onvrijwillig uit zijn bezit zijn
geraakt door omstandigheden die direct verband hielden met het
naziregime.
- Met betrekking tot de eigendomsvraag acht de commissie
de lezing van verzoekers overtuigend dat Martin Aufhäuser in 1939
eigenaar was van de thans geclaimde kunstwerken en de werken heeft
kunnen meenemen naar Nederland. In ieder geval staat vast dat de
kunstwerken in april 1941 toebehoorden aan Martin Aufhäuser, aangezien
hij de werken toen verkocht.
Ten aanzien van het bezitsverlies van de kunstwerken hebben verzoekers aangevoerd dat Martin Aufhäuser gedwongen was beide kunstwerken te verkopen ‘in order to support his survival and the costs for his emigration to the United States’. De commissie acht dit zeer aannemelijk en is dan ook van mening dat onder het huidige rijksbeleid de verkoop van beide kunstwerken als onvrijwillig, als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime, dient te worden aangemerkt. In dit verband neemt de commissie tevens in aanmerking een naoorlogse verklaring van Auguste Aufhäuser-Ortlieb, waarin wordt aangegeven dat zij en haar echtgenoot gedurende hun verblijf in Nederland ter bekostiging van hun levensonderhoud voortdurend voorwerpen uit de verhuisboedel verkochten.
- Gezien het voorgaande acht de commissie het verzoek tot teruggave van de werken Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229) toewijsbaar. De commissie is van mening dat daaraan geen voorwaarde tot afdracht van de destijds ontvangen koopsommen dient te worden verbonden, aangezien Martin Aufhäuser deze gelden zeer waarschijnlijk heeft aangewend voor zijn emigratie en dus niet ter vrije beschikking heeft gekregen. Hiervoor verwijst de commissie naar de toelichting van de Commissie Ekkart op haar aanbevelingen van 26 april 2001, waarin het volgende wordt gesteld: ‘In alle gevallen waarin betaling ontvangen is waarvan het waarschijnlijk is dat die uitsluitend besteed is aan al dan niet geslaagde pogingen het land te verlaten of onder te duiken, is er geen reden tot terugbetaling’.
Conclusie
De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de werken Drie mannen in een boot op wild water van A.H. Lier (NK 3228) en de aquarel Berglandschap met kasteel van T. le Feubure (NK 3229) te restitueren aan de erven van Martin Aufhäuser.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 12 juni 2006,
B.J. Asscher (voorzitter)
J.Th.M. Bank
J.C.M. Leijten
P.J.N. van Os
E.J. van Straaten
H.M. Verrijn Stuart
I.C. van der Vlies
NK3228: Lier, A.H., Drie mannen in een boot op wild water, tweede helft 19e eeuw,
14.5 x 17.5 cm (foto Tim Koster/ICN)
NK3229: le Feubure, T., Berglandschap met kasteel, 19e eeuw,
17.5 x 16.4 cm (foto Tim Koster / ICN)
« Vorige pagina

English Site

