Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog
Samenvatting RC 1.22

Familieportret door J.M. Quinkhard


Bij brief van 20 december 2004 verzocht de Staatssecretaris van OCW de Restitutiecommissie om advies over een verzoek tot teruggave van het schilderij Familieportret van J.M. Quinkhard (NK 2079). Het schilderij bevond zich op dat moment in bruikleen bij het Museum voor Moderne Kunst te Arnhem, waar het in depot werd bewaard. Aanleiding voor het restitutieverzoek vormde een brief van Bureau Herkomst Gezocht aan diverse familieleden van Rosa Jacobson-Granaat met een verzoek om inlichtingen over het schilderij.

Voor de oorlog, in ieder geval vanaf 1921, behoorde het schilderij van Quinkhard tot de kunstcollectie van de familie Granaat. Het schilderij werd waarschijnlijk in 1928 door vererving eigendom van Rosa Jacobson-Granaat, die geboren werd te Amsterdam op 19 mei 1888. De laatste kunsthistorische bron op grond waarvan onomstotelijk vast staat dat Rosa Jacobson-Granaat eigenaresse was van het schilderij dateert uit 1932.
Over haar leven is bekend dat zij was getrouwd met Abraham Simeon Jacobson en één adoptiefdochter had. De echtelieden, die meer waardevolle kunstwerken bezaten, woonden gedurende de eerste jaren van de oorlog aan de Minervalaan te Amsterdam. Daarna zijn ze tijdens een onderduikperiode op een boerderij gearresteerd en begin september 1944 vanuit Westerbork naar Auschwitz overgebracht. Aldaar is het echtpaar enkele dagen later om het leven gebracht.

De bezittingen van het echtpaar Jacobson-Granaat, waaronder een onbekend aantal schilderijen, zijn tijdens de oorlog via diverse wegen in handen van de bezetter gekomen. Zo is de inboedel van het huis na hun arrestatie weggehaald, en zijn verschillende kunstwerken die het echtpaar tijdens de oorlog in bewaring had gegeven in beslag genomen en naar Duitsland gevoerd. Het was echter niet meer te achterhalen of Familieportret van J.M. Quinkhard zich onder de geroofde kunstwerken bevond. Wel was komen vast te staan dat het schilderij in 1944 in handen was gekomen van een Nederlandse koopman, die het werk in juni van dat jaar voor een bedrag van NLG 25.000,- verkocht aan de Duitser Ernst Göpel voor het Führermuseum te Linz.

De commissie stond derhalve voor de vraag of voldoende aannemelijk was dat Rosa Jacobson-Granaat het geclaimde schilderij gedurende de bezetting onvrijwillig had verloren, en niet al eerder had verkocht. Zij liet daarom uitzoeken of er aanwijzingen waren die duidden op een mogelijke verkoop van het schilderij vóór het uitbreken van de oorlog. Deze aanwijzingen werden niet gevonden. In dit kader merkte de commissie op dat het een in de kunsthistorische literatuur beschreven kunstwerk betreft, hetgeen de kans vergroot dat een eventuele verkoop in de periode tussen 1932 en 1944 zou zijn gedocumenteerd. Daarnaast hechtte de commissie belang aan een verklaring van een achternicht van Rosa Jacobson-Granaat:

‘Deze week zag ik de photocopy van het schilderij “Familieportret”. Ik kwam als jong meisje vaak bij mijn oom en tante Fam. Rosa en Abraham Jacobson. Ik meen mij tamelijk zeker te herinneren dat ik dit schilderij bij hen gezien heb, want ik vond het, als jong meisje, altijd zo mooi. Natuurlijk is dit al lang geleden (+/- 1938- +/- 1941) maar ik geloof dat mijn herinnering mij niet bedriegt.’

De Restitutiecommissie adviseerde op 6 maart 2006 de staatssecretaris om het schilderij Familieportret van J.M. Quinkhard terug te geven aan de erven van Rosa Jacobson-Granaat. De staatssecretaris volgde het advies bij beslissing van 5 april 2006.



Lees het gehele advies





« Vorige pagina