Blick auf Murnau mit Kirche door Wassily Kandinsky

Bindend advies inzake het geschil over teruggave van het schilderij Blick auf Murnau mit Kirche, door Wassily Kandinsky, thans in bezit van de Gemeente Eindhoven

Dossiernummer: 
RC 3.162
Soort advies: 
Bindend advies
Adviesdatum: 
29 januari 2018
Periode bezitsverlies: 
onbekend
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier

Bindend advies

in het geschil tussen:

AA, mede namens
BB, CC, DD, EE, FF, GG, HH, II, JJ
(hierna: verzoekers),

en:

de Gemeente Eindhoven (hierna: de gemeente),
vertegenwoordigd door KK, directeur Van Abbemuseum (hierna ook: het Museum).

gegeven door de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog te Den Haag (de Restitutiecommissie), verder te noemen: de commissie.

1.         Het geschil

De gemeente is sinds 1951 eigenaar van een schilderij getiteld Blick auf Murnau mit Kirche (hierna: het werk) van de kunstenaar Wassily Kandinsky. Het werk maakt deel uit van de collectie van het Museum. Verzoekers stellen dat het werk behoorde tot de collectie van hun (over)grootmoeder Johanna Margareta Stern-Lippmann (1874-1944, hierna ook: (Margareta) Stern-Lippmann). Zij verklaren de enige rechthebbenden op de nalatenschap van Stern-Lippmann te zijn en maken aanspraak op de restitutie van het werk wegens de door hen gestelde onvrijwilligheid van het bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Verzoekers hebben zelf onderzoek verricht en de bevindingen hiervan neergelegd in een rapport getiteld Collectie Stern (2015). 

2.         De procedure

In een gezamenlijke brief, ontvangen door de commissie op 18 februari 2016, hebben partijen de aanspraak van verzoekers op het werk voor onderzoek en bindend advies aan de commissie voorgelegd.

Partijen hebben schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het ‘Reglement inzake adviesprocedure in het kader van artikel 2, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (vastgesteld door de commissie op 3 december 2007, laatstelijk gewijzigd op 27 januari 2014, hierna: het Reglement) en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden. De commissie heeft zich overtuigd van de identiteit van partijen.

De commissie heeft kennis genomen van alle door partijen overgelegde stukken. Zij heeft afschriften van alle stukken aan de andere partij gestuurd. Daarnaast heeft de commissie zelfstandig nader onderzoek verricht. In het kader van dit onderzoek heeft de commissie schriftelijke vragen gesteld aan partijen en verzocht om informatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een feitenoverzicht van 16 oktober 2017. Verzoekers hebben hierop gereageerd bij email van 15 november 2017. De gemeente heeft gereageerd bij brief van 20 november 2017.
           
Op 25 januari 2018 heeft in Den Haag een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Van de zijde van verzoekers zijn verschenen AA vergezeld door LL. Van de zijde van de gemeente zijn verschenen KK en MM, conservator en hoofd collecties van het Museum. Hiervan is een verslag opgesteld.

3.         De feiten

De commissie heeft de feiten vastgesteld aan de hand van het feitenoverzicht en de daarop ontvangen reacties. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting:

3.1       Johanna Margareta Lippmann werd op 6 januari 1874 geboren te Berlijn en was van joodse afkomst. Ze huwde Samuel Siegbert Stern (1864-1935), eveneens van joodse afkomst, die onder meer verzamelaar was van kunst. Het echtpaar woonde in Babelsberg bij Berlijn en kreeg vier kinderen: Annie Regina Stern (1899-1989), Hilde Sophie Stern (1901-1984), Hans Martin Stern (1907-1953) en Luise Henriette Stern (1909-1944). Het echtpaar Stern-Lippmann had een omvangrijke kunstcollectie verzameld. Dit blijkt onder meer uit een testament van het echtpaar uit 1924. Hierin worden 144 genummerde (kunst)objecten genoemd, waaronder meer dan 100 schilderijen en tekeningen. In dit testament wordt één schilderij van Kandinsky (‘Landschaft’) genoemd. Verzoekers hebben een kopie van een afschrift van een typoscript van dit testament overgelegd, waarop wordt vermeld: ‘Verkündet am 14. Oktober 1935’. Onbekend is wanneer dit schilderij is verworven. Een deel van de kunstcollectie van het echtpaar Stern-Lippmann is ook te zien in een foto-album van het interieur van hun woonhuis in Babelsberg. Eén van deze foto’s toont een kamer met aan de wand twee schilderijen, waaronder het thans geclaimde werk van Kandinsky. Op andere foto’s zijn andere kunstwerken te zien, waaronder het schilderij De Besnijdenis waarover de commissie heeft geadviseerd in zaak RC 1.44. Volgens verzoekers is het aannemelijk dat het foto-album in de periode 1933/1934 gemaakt is, in ieder geval voor het overlijden van Siegbert Stern in 1935 aangezien hij op één van de foto’s staat. Een foto-expert die het album op verzoek van de commissie heeft bestudeerd is tot de conclusie gekomen dat het album tussen ongeveer 1915 en 1940 is gemaakt. Een precieze datering van de foto’s waarop het thans geclaimde werk te zien is, wordt door de foto-expert niet gegeven en is ook niet op een andere manier vast te stellen.

3.2       Samuel Siegbert Stern overleed op 7 augustus 1935 te Berlijn. Stern-Lippmann verhuisde in verband met de anti-joodse maatregelen in het voorjaar van 1937 naar Badenweiler in Zuid-Duitsland. Bij deze verhuizing nam Stern-Lippmann een klein deel van haar bezittingen mee. Ook in Badenweiler kreeg zij te maken met de anti-joodse maatregelen, waarop zij in de zomer van 1938 via Zwitserland uitweek naar Nederland. Verscheidene familieleden van Stern-Lippmann waren eveneens naar Nederland uitgeweken. Zo werd haar zwager Albert Stern in maart 1937 ingeschreven in Amsterdam en haar broer Heinrich Lippmann in juni 1938. Ook de kinderen van Stern-Lippmann hadden zich in de jaren twintig en dertig in Nederland gevestigd.
            Intussen had Stern-Lippmann vanuit Zwitserland de door haar aangestelde zaakwaarnemer Konstantin Balaszeskul te Berlijn opdracht gegeven om haar zakelijke belangen in Duitsland te behartigen, waaronder het beheer en de afwikkeling van haar vermogen. Dit was een complexe taak, aangezien de nazi-autoriteiten scherp toezicht hielden op bezittingen van joodse emigranten. Balaszeskul droeg onder meer zorg voor de liquidatie van het onroerend goed van Stern-Lippmann, waaronder de villa in Babelsberg, die uiteindelijk op 2 november 1940 werd verkocht. Voorafgaand aan deze verkoop zorgde hij ook voor de verhuizing van de inboedel naar Nederland. Om toestemming van de Duitse autoriteiten te verkrijgen voor de verzending, moest Balaszeskul onder meer de inventarislijst overleggen en gelegenheid bieden voor het bezichtigen van de goederen. Verschillende voorwerpen van goud en zilver werden uit de verhuisboedel weggehaald omdat ze op grond van anti-joodse maatregelen ingeleverd moesten worden. De uiteindelijke verzending van de woninginrichting naar Amsterdam vond vermoedelijk plaats in december 1939. Met betrekking tot de verhuizing van de inboedel van Stern-Lippmann zijn vier lijsten met bezittingen aangetroffen. Op één lijst worden ongeveer 38 ‘Bilder’ vermeld, op een andere lijst wordt gesproken van '1 Ölbild' in de 'Groβes Wohnzimmer'.

3.3       In de jaren 1938-1940 stond Stern-Lippmann ingeschreven op verschillende adressen in Bloemendaal en Amsterdam. Vanaf 15 september 1939 woonde zij bij haar jongste dochter Luise in Bloemendaal. De inboedel die in december 1939 naar Nederland werd verzonden ging blijkens de aangetroffen factuur van het transportbedrijf naar ‘Amsterdam - Doklaan’. Welke schilderijen precies zijn meegekomen en waar deze vervolgens terecht zijn gekomen is niet duidelijk. Mogelijk is een deel van de collectie van Stern-Lippmann buiten deze officiële verhuizing om naar Nederland gekomen.
            In het najaar van 1940 verhuisde Stern-Lippmann naar Hilversum, waar zij op verschillende adressen woonde, onder meer op de Wernerlaan 30. Op dit adres had eerder Hermann Stern gewoond (geen familie), een koopman van Duits-joodse afkomst die in 1938 naar Nederland was uitgeweken. Een van zijn twee dochters, Doris, was in 1937 getrouwd met Salomon George Kaufmann, de zoon van Carl en Alice Kaufmann. De naam Kaufmann speelt een rol in de herkomstgeschiedenis van het werk. Er zijn echter geen gegevens gevonden waaruit blijkt dat dit om deze Salomon Kaufmann of zijn familie zou gaan.

Stern-Lippmann werd in 1941 stateloos verklaard. Zij heeft vervolgens geprobeerd emigratie-visa te bemachtigen voor haarzelf en haar familie. Onderdeel hiervan vormde het ter beschikking stellen van het schilderij Portrait of Miss Edith Crowe van de schilder Fantin-Latour aan de Dienststelle Mühlmann, een Duitse instantie die zich bezig hield met de verwerving van kunstwerken voor Duitsland. Dit schilderij bevond zich niet in de collectie van Stern-Lippmann maar is door haar eind 1941 speciaal voor dit doel aangekocht bij de firma D’Audretsch te Den Haag voor NLG 40.000. Bij deze aankoop heeft de Duits-joodse kunsthandelaar Myrtl Frank, die sinds begin 1941 in Hilversum woonde, bemiddeld. Frank heeft het schilderij afgegeven aan de Dienststelle Mühlmann maar de emigratie-visa zijn nooit verstrekt.
            In 1942 dook Stern-Lippmann onder in Amsterdam. Daar is zij uiteindelijk opgepakt en vervolgens is zij via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, waar zij op of omstreeks 22 mei 1944 is vermoord. Ook haar dochter Luise en haar man zijn slachtoffer geworden van de jodenvervolging, net als andere familieleden. Haar andere kinderen zouden de oorlog overleven.

3.4       Het is grotendeels onduidelijk wat er met de kunstcollectie van Stern-Lippmann is gebeurd tijdens de oorlog. Een gedeelte ervan bleek na de bevrijding nog aanwezig. Ten aanzien van de kunstwerken waarvan bekend was dat deze vermist waren, werden pogingen ondernomen om deze weer in het bezit te krijgen. Zo werd bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: de SNK) aangifte gedaan van bezitsverlies van een aantal kunstwerken, wat resulteerde in de teruggave in 1949 van slechts één werk, het hierboven genoemde schilderij van Fantin-Latour. Door een aantal personen werden overzichten opgesteld en taxaties verricht van de collectie van Stern-Lippmann, onder meer ten behoeve van de verdeling van haar nalatenschap in 1954. Bij deze verdeling werden diverse schilderijen die na de bevrijding nog aanwezig waren of teruggekeerd waren in de boedel, verdeeld over de verschillende erfgenamen.

Bij de verdeling van de schilderijen werd gebruik gemaakt van verschillende taxateurs, waaronder de kunsthandelaar Bernard Houthakker. In zijn archief zijn bij het onderzoek van de commissie verschillende (taxatie)lijsten van kunstwerken aangetroffen, die betrekking hadden op de kunstcollectie van Stern-Lippmann. Op één van deze lijsten, gedateerd 29 oktober 1950, met de titel 'BILDERLISTE MIT PREISSCHAETZUNGEN', worden 40 schilderijen en tekeningen vermeld, waaronder een ‘Landschaft’ van ‘Kandinsky’, waarbij het land ‘USA’ en een geschatte waarde van ‘[DOLLAR] 500.-’ worden vermeld. Bij elf andere werken op deze lijst wordt als land ‘USA’ en een geschatte waarde in dollars vermeld. Het werk van Kandinsky is als enige werk op de ‘Bilderliste’ met de hand doorgestreept. Alle 40 schilderijen en tekeningen van de ‘Bilderliste’, met uitzondering van drie schilderijen waaronder het schilderij van Kandinsky, worden vermeld op een deskundigenverklaring van Houthakker van 18 september 1952 die betrekking had op 37 schilderijen 'behorende tot de nalatenschap van Mevrouw M.J. Stern-Lippmann en zich bevindende in diverse percelen te Nunspeet (Gld.) en te Amsterdam in het Stedelijk Museum en in het gebouw van de Associatie Cassa'.

Afgezien van voormelde ‘Bilderliste’ wordt op de overige aangetroffen (taxatie)lijsten in het archief van Houthakker geen melding gemaakt van een schilderij van Kandinsky. Ook op andere aangetroffen documentatie van na de bevrijding komt deze naam niet voor.
            Na de verdeling van de nalatenschap van Stern-Lippmann in 1954 waren er nog steeds schilderijen uit de collectie van Stern-Lippmann vermist. Dit blijkt uit een brief van financieel-juridisch adviseur W.H.C. Schukking van 12 mei 1955 aan de inmiddels opgeheven SNK. Bij deze brief was een lijst gevoegd van 28 kunstwerken, met de kop 'Schilderijen van wijlen Mevr. Marg. Stern-Lippmann, welke na 1945 niet meer in de boedel werden aangetroffen'. (hierna ook: Schukking-lijst). In de brief wordt vermeld dat het om werken ging die in 1940 toebehoorden aan Stern-Lippmann. Er wordt geen werk van Kandinsky op de Schukking-lijst genoemd. Ook op de in 1958 gedateerde lijst van vermiste kunstwerken die in 1959 werd toegestuurd aan de Wiedergutmachungsämter von Berlin (WGA), die grotendeels overeenkwam met de Schukking-lijst, wordt geen werk van Kandinsky genoemd. In het WGA-dossier bevindt zich een verklaring van Schukking waarin staat dat de bedragen behorend bij de betreffende kunstwerken zijn ontleend aan verzekeringspolissen uit de jaren 1934-1938.

3.5       Het thans geclaimde werk wordt in 1951 door het Museum aangekocht van kunsthandelaar Karl Alexander Legat in Den Haag. Op één van de door het Museum toegezonden inventariskaarten van het schilderij is in handschrift de volgende herkomstinformatie genoteerd: ‘Légat, Den Haag (1951) f. 11.500-’; ‘Vroeger verzameling A. Kaufmann; door diens in Nederl. wonende dochter verkocht Légat. (opg. Légat)’. Uit correspondentie rond de aankoop in 1951 kan worden afgeleid dat Legat zelf NLG 10.000 voor het werk heeft betaald. Onduidelijk is wie met ‘A. Kaufmann’ wordt bedoeld.
            Eerder in 1949 had Legat een ander werk van Kandinsky, Kirche in Murnau, te koop aangeboden aan het Museum. Dit werk is uiteindelijk niet naar een Nederlands museum gegaan maar werd in 1950 verworven door het Museum of Modern Art in New York. Hiervoor was dit werk door Legat ingezonden voor de tentoonstelling Expressionisme: Van Gogh tot Picasso in het Stedelijk Museum in Amsterdam in juli-september 1949. Het thans geclaimde werk was daar niet te zien.

 4.         De standpunten van partijen

4.1       Verzoekers stellen dat het thans geclaimde werk in 1939 vanuit Duitsland naar Nederland is verstuurd en dat Stern-Lippmann het werk eind 1941 heeft moeten verkopen om het schilderij van Fantin-Latour te kunnen aankopen, dat diende om emigratie-visa te bemachtigen. Wat betreft de aankoop van het schilderij van Fantin-Latour wijzen zij op connecties tussen Frank en Stern-Lippmann, die in 1941 beiden in Hilversum woonden, en op de connecties tussen Frank en Legat. Volgens het oorspronkelijke standpunt van verzoekers is de naam ‘A. Kaufmann’ in de herkomstgeschiedenis van het werk een door Frank gefingeerde eigenaar. Bij de mondelinge behandeling is namens verzoekers verklaard dat er geen Kaufmann te vinden is die in connectie met dit schilderij gebracht kan worden. Volgens verzoekers blijkt uit het feit dat het thans geclaimde werk niet voorkomt op de diverse (taxatie)lijsten na de bevrijding dat het thans geclaimde werk na de bevrijding niet in het bezit is gekomen van de erfgenamen. Dat het werk wel wordt genoemd op de ‘Bilderliste’ kan volgens verzoekers worden verklaard doordat de opstellers van deze lijst rekenden op de terugkomst van het schilderij. De Schukking-lijst is opgesteld aan de hand van verzekeringspapieren uit de periode 1934-1938, hetgeen volgens verzoekers kan verklaren dat een werk van ‘entartete Kunst’ zoals het thans geclaimde werk daar niet op voorkwam.  

4.2       De gemeente heeft kennis genomen van het onderzoek van verzoekers zoals neergelegd in het rapport Collectie Stern en het verzoek om restitutie. De gemeente refereert zich aan het oordeel van de commissie.

5.         De taak van de commissie

5.1       Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit heeft de commissie tot taak op verzoek van partijen advies uit te brengen over geschillen tot teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden. Dit advies is een bindend advies in de zin van artikel 7:900 BW.

5.2       De commissie adviseert naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit houdt allereerst in dat wordt beoordeeld of voldaan is aan de vereisten dat het in hoge mate aannemelijk is dat de gestelde oorspronkelijke eigenaar inderdaad de eigenaar was en dat in voldoende mate aannemelijk is dat hij of zij het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Daarnaast biedt advisering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ruimte om rekening te houden met de wijze van verwerving door de huidige eigenaar en andere omstandigheden en om de diverse betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.

5.3       Bij haar advisering ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit, kan de commissie conform artikel 3 van het Reglement in ieder geval in haar overwegingen betrekken de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan, de mate waarin de partij die om teruggave verzoekt zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen, alsmede het tijdstip en de omstandigheden van de verwerving van het bezit door de huidige bezitter en het door hem verrichte onderzoek voor de verwerving. Daarnaast kan het onderscheidenlijke belang van het werk voor de beide partijen en van het openbaar kunstbezit in de overweging worden betrokken. De internationaal en nationaal aanvaarde beginselen, zoals de Washington Principles en de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst, worden in de overwegingen betrokken voor zover zij naar de opvatting van de commissie in het concrete geval van overeenkomstige toepassing zijn.
               Dit ruime afwegingskader doet ook recht aan de Washington Principles, volgens welke beginselen het restitutiebeleid gericht moet zijn op het bereiken van ‘a just and fair solution, recognizing this may vary according to the facts and circumstances surrounding a specific case.

6.         Beoordeling van het geschil

6.1       Verzoekers hebben gesteld de rechthebbenden te zijn op de nalatenschap van Margareta Stern-Lippmann. Hiertoe hebben zij overgelegd een afschrift van een verklaring van erfrecht van 1 april 2011, verleden voor mr. M.R. Meijer, notaris te Amsterdam, en een verklaring van erfrecht van 16 juni 2016, verleden voor mr. G.W. Gramser, notaris te Amsterdam. Uit deze verklaringen volgt dat de hierna genoemde natuurlijke personen erfgenamen zijn van Margareta Stern-Lippmann:
a) BB;
b) CC;
c) DD;
d) EE;
e) FF;
f) GG;
g) HH;
h) II;
i) JJ;
j) AA.

De hierboven genoemde personen a t/m j zijn verzoekers in deze zaak. Uit de twee voormelde verklaringen van erfrecht blijkt dat verzoekers alle gerechtigden tot het vermogen van Margareta Stern-Lippmann vertegenwoordigen.

6.2       De commissie heeft zich ervan vergewist dat het geschil tussen verzoekers en de gemeente niet reeds definitief is afgehandeld. Zo is de commissie niet gebleken van een gerechtelijke procedure of van een rechterlijke uitspraak inzake het werk. Evenmin is gebleken dat verzoekers eerder uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van hun rechten op het werk. De commissie acht partijen derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

6.3      Gezien de onder 5.2 vermelde taak van de commissie dient het in hoge aannemelijk te zijn dat het thans geclaimde werk, zoals verzoekers stellen, in eigendom heeft toebehoord aan Stern-Lippmann en dat voldoende aannemelijk is dat zij door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime het bezit ervan onvrijwillig heeft verloren.
           Bij de beoordeling ziet de commissie zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het werk in eigendom heeft toebehoord aan Stern-Lippmann zoals verzoekers hebben gesteld. Hiervoor is ten eerste van belang dat in het testament uit 1924 een ‘Landschaft’ van Kandinsky wordt vermeld. Daarnaast is van belang het door verzoekers toegezonden foto-album, waarin een foto is opgenomen waarop het werk te zien is. Gelet hierop acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat het werk tot de collectie van Stern-Lippmann heeft behoord.

6.4      Wat betreft de vraag of voldoende aannemelijk is dat Stern-Lippmann het bezit van het werk onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime, stelt de commissie vast dat er geen feiten bekend zijn waaruit blijkt wat er in de periode 1924 (het testament) tot 1951 (aankoop door het Museum) met het werk is gebeurd. Verzoekers hebben verwezen naar het foto-album, dat zij dateren in 1933/1934 en het door hen overgelegde afschrift uit 1935 van het testament. Zoals hierboven is overwogen is een precieze datering van de foto’s waarop het werk is te zien echter niet vast te stellen. Aan het afschrift uit 1935 van het testament kan, gelet op de vermelding ‘Verkündet am 14. Oktober 1935’, niet de conclusie worden ontleend dat het werk toen nog tot de collectie van Stern-Lippmann behoorde.
           De commissie heeft zichzelf de vraag gesteld of, bij gebrek aan gegevens over wat er met het werk in de periode 1924-1951 is gebeurd, in voldoende mate aannemelijk kan worden geacht dat Stern-Lippmann het bezit van het werk onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Daarbij heeft de commissie ook de door verzoekers geopperde scenario’s betrokken. De commissie acht voor geen van deze scenario’s voldoende feitelijke grondslag aanwezig. Het volgende is hierbij van belang:

- Verzoekers stellen dat het werk in 1939 vanuit Duitsland naar Nederland is vervoerd. Zij stellen dat het Ölbild' uit de 'Groβes Wohnzimmer', dat wordt genoemd in documentatie die betrekking heeft op de verhuizing van de inboedel van Stern-Lippmann naar Nederland in december 1939, het thans geclaimde werk moet zijn geweest. In eerdere contacten met het Museum hebben zij als mogelijkheid geopperd dat het werk in het geheim uit Duitsland is overgebracht. De commissie sluit niet uit dat het werk, evenals een (groot) aantal andere schilderijen van Stern-Lippmann, omstreeks 1939 vanuit Duitsland naar Nederland is overgebracht, gelet op de vermelding van een Kandinsky, ‘Landschaft’, op de in 1950 opgestelde ‘Bilderliste’, doch de betekenis van deze lijst is onvoldoende duidelijk geworden.

- Op de diverse na-oorlogse (taxatie)lijsten van kunstwerken uit de collectie van Stern-Lippmann die bij het onderzoek zijn aangetroffen komt het werk niet voor, met uitzondering van de ‘Bilderliste’ uit 1950. Hierop wordt een ‘Landschaft’ van Kandinsky genoemd, waarbij het land ‘USA’ en een geschatte waarde van ‘[DOLLAR] 500.-’ worden vermeld. Deze vermelding is op de 'Bilderliste' met de hand doorgestreept, als enige werk op de betreffende lijst. Uit deze vermelding en doorhaling, en uit het ontbreken van een vermelding van het werk op de andere aangetroffen lijsten, kunnen naar het oordeel van de commissie echter geen eenduidige conclusies worden getrokken.

- Een uitzondering op dit laatste vormt naar het oordeel van de commissie het feit dat het werk niet voorkomt op de Schukking-lijst van kunstwerken die in 1940 aan Stern-Lippmann toebehoorden maar na 1945 niet meer in de boedel werden aangetroffen, evenmin als op de in 1959 aan de WGA toegestuurde lijst. Dit maakt aannemelijk dat het werk in de periode 1945-1959 niet als vermist werd beschouwd. De door verzoekers gegeven verklaring inhoudende dat het werk niet op de Schukking-lijst wordt vermeld omdat het om ‘entartete Kunst’ ging, die volgens verzoekers niet verzekerd mocht worden, overtuigt niet omdat op de Schukking-lijst wel degelijk werken van ‘entartete Kunst’ voorkomen, bijvoorbeeld een schilderij van Munch.

- Bekend is dat Stern-Lippmann eind 1941 heeft geprobeerd emigratie-visa te bemachtigen voor haarzelf en haar familie. Onderdeel hiervan vormde het ter beschikking stellen van het schilderij Portrait of Miss Edith Crowe van Fantin-Latour aan de Dienststelle Mühlmann. Stern-Lippmann heeft dit schilderij voor dit doel moeten aankopen bij de firma D’Audretsch te Den Haag voor NLG 40.000. Bij deze aankoop heeft Frank bemiddeld.
- Verzoekers opperen als mogelijkheid dat Stern-Lippmann om het schilderij van Fantin-Latour te kunnen kopen diverse schilderijen uit haar collectie heeft moeten verkopen, waaronder het thans geclaimde werk. Dit schilderij zou eind 1941 via Frank verkocht zijn aan Legat, die het schilderij vervolgens tot 1951 onder zich zou hebben gehouden. Naar het oordeel van de commissie ontbreekt voldoende begin van bewijs voor deze door verzoekers gestelde gang van zaken ook al kan die niet helemaal worden uitgesloten omdat tijdens de oorlog kunst uit de collectie is verkocht. Er is echter geen aanwijzing dat Stern-Lippmann voor de aankoop van het schilderij van Fantin Latour daadwerkelijk kunstwerken heeft verkocht.

6.5      Gelet op het vorenstaande is de commissie van oordeel dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan waaruit met de vereiste mate van aannemelijkheid kan worden afgeleid dat het werk tijdens het nazi-regime uit het bezit van Stern-Lippmann is geraakt. Oordelend naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zal de commissie adviseren dat de Gemeente niet is gehouden tot restitutie van het werk.

BINDEND ADVIES

De gemeente Eindhoven is niet gehouden tot restitutie van het schilderij Blick auf Murnau mit Kirche, door Wassily Kandinsky, aan verzoekers.

Dit bindend advies is gegeven op 29 januari 2018 door A. Hammerstein (voorzitter), J.H.W. Koster, J.H. van Kreveld, H.M. Verrijn Stuart (vice-voorzitter), G.N. Verschoor en C.C. Wesselink en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(A. Hammerstein, voorzitter)                               (M.C.J. Kooij, secretaris)