Pasteltekening door Philippus Endlich

Advies inzake een pasteltekening door Philippus Endlich

Dossiernummer: 
RC 1.167
Soort advies: 
Rijkscollectie
Adviesdatum: 
13 november 2017
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Op 11 januari 2017 hebben AA te BB en CC, eveneens te BB (hierna: verzoekers), de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) om teruggave verzocht van een pasteltekening door Philippus Endlich. De tekening bevindt zich in het Rijksmuseum en maakt deel uit van de Rijkscollectie. Op 21 februari 2017 heeft de minister de Restitutiecommissie verzocht om advies uit te brengen over het restitutieverzoek.

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog is er een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die:
a. onderdeel zijn van de NK-collectie; of
b. tot het overig bezit van de Staat der Nederlanden behoren.
Ingevolge het vijfde lid adviseert de commissie over verzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder b, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Ingevolge het zesde lid kent de commissie bij haar adviestaak, bedoeld in het eerste lid, groot gewicht toe aan de omstandigheden van de verwerving door de bezitter en de mogelijkheid van kennis van de verdachte herkomst ten tijde van de verwerving van het betrokken cultuurgoed.

De procedure

Bij brief van 21 februari 2017 heeft de minister de commissie verzocht om advies over het verzoek van verzoekers van 11 januari 2017 tot teruggave van de tekening.

Naar aanleiding van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een feitenoverzicht van 4 september 2017. Verzoekers en de minister zijn in de gelegenheid gesteld op dit feitenoverzicht te reageren. Verzoekers hebben gereageerd bij brief van 16 september 2017. De minister heeft gereageerd bij email van 2 oktober 2017.

Overwegingen

  1. De commissie heeft de relevante feiten vastgesteld aan de hand van het feitenoverzicht van 4 september 2017 en de daarop ontvangen reacties. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting.
  2. Verzoeker AA is een kleinzoon van DD (geb. 1881). Verzoekster CC is een kleindochter van EE (geb. 1878). Volgens verzoekers was de geclaimde tekening oorspronkelijk gedeelde eigendom van hun beide grootvaders en is deze tijdens de Tweede Wereldoorlog geconfisqueerd door de Duitse bezetter.
    De geclaimde tekening is een tekening op papier in pastelkrijt door Philippus Endlich, voorstellende een portret van een heer, zittend in een bibliotheek, met naast zich een viool op een tafel. De tekening is gedateerd 1747 en heeft de afmetingen 440mm bij 394mm. De tekening is op 24 mei 1944 op een veiling in gebouw Odeon te Amsterdam verworven door het Rijksprentenkabinet. In het Rijksmuseum heeft het werk het inventarisnummer RP-T-1944-247.
  3. De broers EE en DD waren bankier van beroep en zijn gedurende een periode directeur geweest van de Amsterdamsche Bank N.V., een onderneming die in 1871 (mede) werd opgericht door hun vader, FF (1844-1924). Volgens verzoekers maakte de thans geclaimde tekening deel uit van een grote collectie familieportretten uit de boedel van FF. De tekening wordt vermeld op een door kunsthandel Bernard Houthakker op 14 december 1931 opgesteld taxatierapport van ‘schilderijen en pastels van de familie[…]’ als ‘Portret van een heer in zijn bibliotheek. Pastel’. Volgens verzoekers bevond de tekening zich tot mei 1940 in het woonhuis van DD en zijn echtgenote GG in de Breitnerstraat te Amsterdam. Direct na de Duitse inval werd deze woning door de bezetters geconfisqueerd. DD bevond zich op dat moment in New York en is daar gedurende de bezettingstijd gebleven. Zijn echtgenote trok eerst in bij haar getrouwde dochters en dook later onder, werd verraden, gearresteerd en via Westerbork naar Theresienstadt getransporteerd. Na de bevrijding keerde zij naar Amsterdam terug.
  4. Voordat GG haar huis aan de Breitnerstraat verliet, zou zij volgens verzoekers getracht hebben kostbaarheden, waaronder de schilderijencollectie, in veiligheid te brengen door de goederen onder te brengen in een kluis van de Amsterdamsche Bank N.V. en voor een kleiner deel bij transportbedrijf De Gruyter. Op een op 10 oktober 1945 door EE ondertekend Aangifte Formulier van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) is ingevuld dat de familiecollectie kunstwerken, schilderijen (olieverf op doek) en pastels omvatte, gedateerd van 1680 tot 1920, en dat deze werken door confiscatie in bezit waren gekomen van de Duitse autoriteiten. De bij de Amsterdamsche Bank opgeslagen kunstwerken bevonden zich volgens het Aangifte Formulier daar ten name van DD.
  5. Op grond van de in mei 1942 door de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied uitgevaardigde Verordening 58/1942 ‘betreffende de behandeling van joodsche vermogenswaarden’, ook wel de tweede Liro-Verordening genoemd, werden joden gedwongen hun waardevolle goederen, waaronder waardevolle metalen, antiek en kunstvoorwerpen, in te leveren bij de roofinstelling Lippmann, Rosenthal & Co, Sarphatistraat (hierna ook: Liro). Ondernemingen waar zich mogelijk goederen uit joods bezit bevonden, zoals meubelopslag- en transportondernemingen, veilinghuizen en banken, kregen van de bezetter opdracht om hiervan een overzicht te verstrekken. Goederen uit joods bezit dienden door de organisaties ingeleverd te worden of werden ter plekke door de autoriteiten in beslag genomen.
  6. Verzoekers verklaren dat de goederen die bij de Amsterdamsche Bank en bij De Gruyter waren opgeslagen, tijdens de bezetting door de Duitse autoriteiten in beslag zijn genomen. Dit is ingevuld op een op 17 november 1945 door EE ondertekend SNK Aangifte Formulier dat betrekking heeft op de thans geclaimde tekening. Nadat deze tekening in beslag was genomen bij de Amsterdamsche Bank aan de Van Baerlestraat, is de tekening op enig moment terechtgekomen bij de roofinstelling Liro. Dit blijkt uit een in het SNK-archief aangetroffen zogeheten ‘Liro-lijst’, een lijst van bij Liro ingeleverde kunstwerken die na de oorlog aan de SNK is verstrekt, waarschijnlijk door de naoorlogse beheerder op grond van destijds nog voorhanden informatie uit de Liro-administratie. Op dit overzicht staan twaalf kunstwerken vermeld die ingeleverd zijn uit het bezit van ‘GG / Stadionkade / Amsterdam’. Van één van deze twaalf kunstwerken wordt als schilder genoemd ‘Ph. Endlich’, als voorstelling ‘Man m/viool op tafel’ en als bijbehorende datum 7 juni 1943. Ook wordt vermeld dat de tekening is verkocht aan ‘[M.v.Waay]’ en staan de taxatiewaarde (NLG 25) en verkoopprijs (NLG 31.25) vermeld.
    Een jaar later, op 24 mei 1944, kwam de tekening onder de hamer bij een kunstveiling die door Chr.J. Bolle en W. Dirkse werd georganiseerd in gebouw Odeon te Amsterdam, als lotnummer 873. Onbekend is wie de tekening daar heeft ingebracht. Wel bekend is dat de tekening daar is verworven door het Rijksprentenkabinet voor NLG 207,10. De tekening is vervolgens ingeschreven in het ‘Inventarisboek 1944’ van het Rijksmuseum.
  7. Na de bevrijding bevond DD zich nog in de Verenigde Staten. EE trad in contact met de SNK over het vermiste familiebezit. Op 10 oktober 1945 stuurde hij een ingevuld Aangifte Formulier aan de SNK, waarbij hij verwees naar een lijst die hij ter hand had gesteld aan de directeur van de SNK, dr. A.B. de Vries. Op deze in het archief van de SNK aangetroffen lijst zijn in totaal 28 portretten opgesomd. Onder de kop ‘Portretten ontvreemd door Lippmann Rosenthal & Co Sarphatistraat / eerst in safe Amsterdamsche Bank NV Bijkantoor Van Baerlestraat Amsterdam / behoord hebbende aan DD / Breitnerstraat Amsterdam Zuid’ wordt onder nummer 19 de thans geclaimde tekening vermeld.
    Naar aanleiding van zijn brief verzocht de SNK aan EE om per werk een Aangifte Formulier in te vullen. Een op 17 november 1945 ondertekend formulier had betrekking op een tekening door de kunstenaar Ph. Endlich, voorstellende ‘heer in bibliotheek met viool’. De tekening had volgens opgave ongeveer de afmetingen 40cm hoog bij 30cm breed en was gedateerd ‘1747’. Als herkomst van het vermiste kunstwerk was opgegeven ‘familiebezit’. Over de eigendom is vermeld dat het kunstwerk oorspronkelijk in ‘gemeenschappelijk’ bezit was van ‘EE, Apollolaan, A’dam’ en ‘DD, thans te New York’. De tekening was volgens opgave door confiscatie in bezit gekomen van ‘Duitsche autoriteiten’. Over de omstandigheden van het bezitsverlies tekende EE op het formulier aan: ‘gerequireerd uit safe Amsterdamsche Bank A’dam’. Deze aangifte heeft echter niet geleid tot teruggave van de thans geclaimde tekening.
  8. Hierna bleef EE corresponderen met de SNK, haar taakopvolger Bureau Hergo en het Nederlandse Beheersinstituut in zijn pogingen de vermiste kunstwerken terug te krijgen. Ook wendde hij zich tot het Amsterdamse veilinghuis Mak van Waay in verband met de door dit veilinghuis van Liro aangekochte werken uit het voormalig familiebezit van […]. Verzoekers hebben de commissie een overeenkomst (‘Acte van dading’) uit 1949 toegestuurd tussen enerzijds EE, DD en GG (aangeduid als ‘eigenaar’) en anderzijds de N.V. Maatschappij voor kunst- en antiekveilingen (Mak van Waay), aangeduid als ‘koopster’. De overeenkomst had betrekking op vijf door koopster van Liro in 1943 gekochte kunstwerken, waaronder de thans geclaimde tekening. Deze vijf kunstwerken waren in 1931 door kunsthandel Bernard Houthakker getaxeerd (zie ook overweging 3) op in totaal NLG 1525, waarbij de thans geclaimde tekening was getaxeerd op NLG 250. De overeenkomst bepaalde dat de koopster aan de eigenaar voormeld bedrag van NLG 1525 zou betalen en dat de eigenaar in volle eigendom aan koopster over zou dragen alle rechten en aanspraken die hij in verband met de verkoop aan Liro in 1943 tegen de liquidateurs van Liro of derden mocht hebben. De overeenkomst bepaalde echter tevens dat de eigenaar door deze overeenkomst niet het eigendomsrecht noch het recht van revindicatie van de vijf schilderijen zou verliezen, voor zover de eigenaar dat op dat moment nog mocht hebben. Indien de eigenaar een of meerdere van de schilderijen weer in zijn bezit zou krijgen, was hij verplicht het door koopster ter zake van die schilderijen betaalde weer te restitueren aan koopster.
  9. Als Liro waardevolle voorwerpen van joodse eigenaren verkocht, werd de opbrengst aanvankelijk door de instelling geboekt op een rekening op naam. Vanaf 1 januari 1943 werden alle bedragen op een verzamelrekening geboekt, het zogenoemde Sammelkonto. De naoorlogse beheerders van Liro zagen zich voor de taak gesteld deze verzamelrekening te ontrafelen en de bedragen te herleiden tot individuen. Uit het onderzoek is bekend geworden dat na de oorlog GG de hoogte van de aan haar toegekende vergoeding heeft betwist in een procedure bij de Raad voor het Rechtsherstel, Afdeling rechtspraak. Welk bedrag uiteindelijk precies is uitgekeerd en in hoeverre dit betrekking had op de thans geclaimde tekening valt echter niet meer te achterhalen.
  10. Volgens verzoekers is er in de periode 1945 tot heden alleen door aangifte bij de SNK getracht de objecten te achterhalen. In december 2016 heeft Bureau Herkomst Gezocht informatie uit het project ‘Vermiste Werken’ op haar website gepubliceerd. Dit project heeft tot doel het digitaliseren en ontsluiten van gegevens over vermiste kunstwerken en waar mogelijk het identificeren ervan. De basis voor dit project vormen de circa 15.000 Aangifteformulieren en het daarbij behorende beeldmateriaal uit het archief van de SNK en het RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. Een van de gepubliceerde Aangifteformulieren was het in overweging 6 genoemde door EE op 17 november 1945 ondertekende formulier. Verzoekers hebben na publicatie van dit formulier de hierop vermelde tekening vervolgens geïdentificeerd als de thans geclaimde tekening en de minister verzocht om restitutie.

    Beoordeling claim

  11. Verzoeker AA heeft gesteld erfgenaam te zijn van DD. Verzoekster CC heeft gesteld erfgenaam te zijn van EE. De commissie heeft kennisgenomen van door verzoekers toegezonden erfrechtelijke documenten, op grond waarvan de commissie geen aanleiding ziet te twijfelen aan de status van verzoekers als erfgenamen van EE onderscheidenlijk DD.
  12. De in overweging 8 genoemde overeenkomst met Mak van Waay roept de vraag op of EE en DD hiermee uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van hun rechten op de thans geclaimde tekening, hetgeen aan inwilliging van het thans voorliggende restitutieverzoek in de weg zou kunnen staan. Aangezien de overeenkomst echter bepaalt dat door de overeenkomst het eigendomsrecht noch het recht van revindicatie van de eigenaar van onder meer de thans geclaimde tekening verloren gaat, beantwoordt de commissie deze vraag ontkennend.
  13. Op grond van de in overweging 3 tot en met 7 weergegeven feiten is het voldoende aannemelijk dat de geclaimde tekening in 1943 als gevolg van de tweede Liro-Verordening is ingeleverd bij Liro en dat deze op dat moment gedeelde eigendom was van EE en DD. Zij hebben op deze manier het bezit van de tekening onvrijwillig verloren als gevolg van het naziregime. De minister heeft gesteld dat de tekening van matig belang is voor het Rijksmuseum, de Rijkscollectie en de collectie Nederland. Dit beperkte belang weegt naar het oordeel van de commissie niet op tegen het belang van verzoekers bij teruggave van de tekening. De commissie zal de minister dan ook adviseren de tekening te restitueren aan de erven van EE en DD.
  14. Voor het verbinden van een tegenprestatie door verzoekers aan de afgifte van de tekening bestaat naar het oordeel van de commissie geen aanleiding. In dit verband merkt zij op dat de Staat de tekening in 1944 voor een bescheiden bedrag heeft verworven. Ook de in overweging 8 genoemde in 1949 gesloten overeenkomst geeft, gelet op de inhoud ervan, geen aanleiding voor het verbinden van zodanige tegenprestatie.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de tekening door Philippus Endlich (Rijksmuseum inventarisnummer RP-T-1944-247) te restitueren aan de erfgenamen van EE en DD.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 13 november 2017 door A. Hammerstein (voorzitter), J.H.W. Koster, P.J.N. van Os, H.M. Verrijn Stuart, G.N. Verschoor en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(A. Hammerstein, voorzitter)                        (M.C.J. Kooij, secretaris)