Jacobson-Granaat II

God verschijnt aan Abraham te Sichem door C.N. Moeyaert (NK3401)

Advies inzake Jacobson-Granaat II

Dossiernummer: 
RC 1.155
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
29 juni 2016
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 8 mei 2015 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het verzoek van 10 maart 2015 van XX (hierna: verzoekster) tot teruggave van een wintergezicht door J. Griffier I en het schilderij God verschijnt aan Abraham te Sichem door C.N. Moeyaert. Beide schilderijen maken deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie). Het schilderij door Griffier I is geregistreerd onder NK 2121, maar wordt vermist. Het schilderij door Moeyaert is geregistreerd onder NK 3401 en is thans in beheer bij de Stichting Museum Catharijneconvent.

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, zoals gewijzigd, is er een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die:
a. onderdeel zijn van de NK-collectie; of
b. tot het overig bezit van de Staat der Nederlanden behoren.
Ingevolge het vierde lid adviseert de commissie over verzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, ingediend bij de minister voor 30 juni 2015, met inachtneming van het rijksbeleid ter zake.

De procedure

Naar aanleiding van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 14 september 2015. Verzoekster heeft hierop gereageerd bij email van 2 december 2015. Naar aanleiding van deze reactie heeft de commissie nader onderzoek verricht. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een Notitie van 17 december 2015, welke aan verzoekster is toegestuurd. De reactie van verzoekster van 2 december 2015 en de Notitie van 17 december 2015 zijn als bijlage bij het definitieve onderzoeksrapport gehecht. Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om een reactie op de Notitie te geven. Vervolgens is het onderzoeksrapport vastgesteld op 29 juni 2016.

Overwegingen

  1. Verzoekster vraagt om teruggave van NK 2121 in haar hoedanigheid van erfgename van haar oudtante, Rosa Jacobson-Granaat (1888-1944). Zij vraagt om teruggave van NK 3401 in haar hoedanigheid van erfgename van haar grootvader Siegfried Granaat (1891- ?). De commissie heeft geen reden te twijfelen aan de status van verzoekster. Verzoekster heeft verklaard in deze procedure tevens op te treden namens haar zuster, YY.
  2. Siegfried Granaat en Rosa Jacobson-Granaat waren de kinderen van David Granaat (1855‑1928) en Deborah Polak (1868-1915). David Granaat was eigenaar van een diamantslijperij te Amsterdam. Rosa Granaat trouwde met Abraham Simeon Jacobson (1879-1944), een keel-, neus- en oorarts, en één van de medeoprichters van de Centrale Israëlitische Ziekenverpleging aan de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam. Tijdens de oorlog woonde het echtpaar Jacobson-Granaat aan de Minervalaan 88 II. Op 3 september 1944 zijn ze via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd, waar ze zijn vermoord. Siegfried Granaat vluchtte in 1940 naar Engeland. Door de bezetter werd een Verwalter aangesteld over zijn vermogen.
  3. Verzoekster schrijft in haar brief aan de minister van 10 maart 2015 dat zij en haar zuster al geruime tijd op zoek zijn naar de grote kunstcollectie die hun grootvader Siegfried Granaat en zijn zuster Rosa Jacobson-Granaat in hun bezit hadden. In de zaak RC 1.22 heeft de commissie in 2006 geadviseerd het schilderij Familieportret van J.M. Quinckhard terug te geven aan de erven van Rosa Jacobson-Granaat. Met behulp van het Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) is verzoekster op het spoor gekomen van meer schilderijen uit het bezit van haar grootvader en oudtante, waaronder NK 2121 en NK 3401, zo schrijft zij.

    NK 2121

  4. NK 2121 betreft een winterlandschap door J. Griffier I. Het schilderij, olieverf op doek, gesigneerd, meet 28 x 43cm. Het werk is in 1973 gestolen uit het Bonnefantenmuseum te Maastricht, waar het destijds verbleef, en wordt sindsdien vermist. De herkomstreconstructie die BHG opstelde voor het werk, begint op 30 juni 1936, toen het werk ter veiling kwam bij Frederik Muller te Amsterdam. Op die datum plaatst BHG het werk in de collectie van C.W.A. Buma te Marssum. Ook vermeldt BHG de naam ‘Jacobson’ op die datum met de opmerking: ‘In de SNK dossiers op naam van Jacobson is geen informatie over dit schilderij gevonden’. De eerstvolgende vermelding in de herkomstreconstructie is uit 1942, toen het werk opnieuw ter veiling kwam bij Frederik Muller. Door wie het daar is ingebracht, is onbekend. Het werd op deze veiling gekocht door kunsthandel Goudstikker/Miedl te Amsterdam, die het werk op 8 november 1943 verkocht aan C. Becker te Keulen.
  5. Zoals vermeld in de herkomstreconstructie van BHG is NK 2121 in 1936 ter veiling gebracht bij Frederik Muller te Amsterdam. In de veilingcatalogus luidde de beschrijving bij dit schilderij als volgt:
    [Mak.]                   746  JAN GRIFFIER - Paysage d’hiver avec rivière prise par la glace,
    [Jacobson]            où se divertissent des patineurs,  et traversée par un pont en pierre A gauche une
                                habitation rustique, sur la rive droite des groupes de maisons avec tour d’église. -
                                Signé. - Toile.  - Haut. 28, larg. 34 cent. 
    [100.-]
                               A été exposé à titre de prêt au Musée Boymans à Rotterdam.

    De tussen vierkante haken aangegeven teksten zijn annotaties die naderhand in pen of potlood in de catalogus zijn aangebracht. Deze vormen een aanwijzing dat het schilderij voor NLG 100 is verkocht aan ‘Mak. Jacobson’.

  6. Het is de vraag op wie de aantekening ‘Mak. Jacobson’ betrekking heeft. Op dezelfde pagina van bovengenoemde catalogus waarop het werk door Griffier wordt vermeld, komt de vermelding ‘Mak. Jacobson’ nog eenmaal voor, bij een schilderij door R. Nooms. Eenzelfde soort vermelding, ‘Mak. Brandt’, wordt vermeld bij een schilderij door J. van Kessel. Deze laatste aantekening verwijst hoogstwaarschijnlijk naar Paul Brandt, een bekende taxateur en makelaar op het gebied van kunst en antiquiteiten. Dat gegeven is een aanwijzing dat met ‘Mak. Jacobson’ bedoeld wordt makelaar Jacobson. In 1936 was in Amsterdam een makelaar met de naam Nehemia Jacobson actief, die ook werkzaam was in het veld van kunst en antiquiteiten.
  7. Afgezien van bovenvermelde aantekening in de veilingcatalogus, zijn er geen aanwijzingen die NK 2121 koppelen aan de naam Jacobson. De bewindvoerder die na de oorlog was aangesteld over de bezittingen van het afwezige echtpaar Jacobson-Granaat correspondeerde met de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) over de vermissing van diverse kunstwerken uit het bezit van het echtpaar. In deze correspondentie komt het schilderij door Griffier I niet voor.
    Abraham Simeon Jacobson was arts van beroep. De commissie acht het dan ook niet aannemelijk dat deze als ‘Mak. Jacobson’ wordt aangeduid. Er wordt hoogstwaarschijnlijk de makelaar met de naam Nehemia Jacobson mee bedoeld.
  8. Ingevolge het voor deze claim geldende restitutiebeleid kan tot teruggave worden geadviseerd indien het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is gemaakt en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat wat betreft het verzoek om teruggave van NK 2121 niet aan dit vereiste is voldaan. De commissie zal de minister dan ook adviseren de claim van verzoekster op NK 2121 af te wijzen.

    NK 3401

  9. NK 3401 is een groot schilderij door C.N. Moeyaert. Het betreft een olieverfschilderij op doek met de afmetingen 102 x 168 cm, getiteld God verschijnt aan Abraham te Sichem. Het werk is gesigneerd en gedateerd 1628.
    In de herkomstreconstructie die BHG opstelde voor dit schilderij, is te lezen dat het werk tussen 1911 en 1936 deel zou hebben uitgemaakt van de collectie D.S. (David) Granaat te Amsterdam. Tussen 18 juni 1936 en 28 mei 1941 plaatst BHG het werk bij ‘H. Hamburger (kunsthandel)’ te Parijs met de opmerking: ‘Dit schilderij werd op 18 juni 1936 door H. Hamburger in bewaring gegeven aan S. Granaat’. Die vermelding verwijst naar Siegfried Granaat. In 1941 kwam het schilderij via een medewerker van de Dienststelle Mühlmann, Eduard Plietzsch, terecht in de collectie van het te Linz op te richten Führermuseum.
  10. Zoals vermeld in de herkomstreconstructie van BHG, maakte NK 3401 oorspronkelijk deel uit van de verzameling van David Granaat en later van die van zijn zoon Siegfried Granaat. Laatstgenoemde was eigenaar van een aanzienlijke hoeveelheid onroerend goed, waaronder Herengracht 579, waar Hamburger & Co’s Bankierskantoor was gevestigd, en van Herengracht 512. Dat laatste adres was tevens zijn woning.
    In het dossier dat de Abteilung Feindvermögen van het Generalkommissariat für Finanz und Justiz gedurende de bezetting heeft opgesteld met betrekking tot het beheer over het vermogen van Siegfried Granaat, zijn documenten aangetroffen die betrekking hebben op de eigendomssituatie van NK 3401. Relevant voor de beoordeling van de claim van verzoekster is het hiernavolgende.
  11. Op 20 mei 1930 legden Siegfried Granaat en Hamburger & Co’s Bankierskantoor in een onderhandse, geregistreerde akte vast dat de bank van Granaat een partij kunstwerken kocht ter waarde van NLG 230.515. De bedoelde kunstwerken zijn omschreven in een lijst die aan de akte is gehecht. Bij die akte werden vervolgens de voorwerpen door de bank aan Granaat in bewaring gegeven, die erkende de voorwerpen in bewaring te hebben ontvangen onder meer onder de verplichting de voorwerpen aan de bank uit te leveren wanneer deze dat zou verzoeken. Granaat werd voor het genoemde bedrag door de bank gecrediteerd. Tevens had hij het recht om binnen een jaar de goederen terug te kopen, mits de prijs contant aan de bank werd betaald. De bank kon Granaat verplichten de goederen geheel of gedeeltelijk terug te kopen tegen de betaalde prijs. Als Granaat niet aan die verplichting kon voldoen, zou de bank de kunstwerken zonder gerechtelijke interventie kunnen laten veilen of onderhands verkopen.
    Onder de kop ‘Schilderijen in de eetkamer’ wordt op het vijfde blad van de aan de akte gehechte en door Granaat en de bank ondertekende lijst een werk van Moeyaert vermeld als:
    C. Moeyaert. Bijbelsche voorstelling.           
    [f.] 9.000,--
    Op 29 december 1930 sloten de bank en Granaat een soortgelijke overeenkomst met betrekking tot een aantal andere kunstwerken.
  12. In een brief van 11 mei 1936 bevestigde Siegfried Granaat aan Hamburger & Co’s Bankierskantoor N.V. dat de bank hem op 11 mei 1936 het volgende heeft geschreven:
    Krachtens de door U bij artikel 5 der tusschen U en ons op 20 Mei 1930 en 29 December 1930
    gesloten aangegane verplichting, verzoeken wij U de blijkens die overeenkomsten door ons van U gekochte kunstvoorwerpen tegen de bij artikel 1 van voormelde overeenkomsten bedoelde prijzen uiterlijk den 18 mei a.s. van ons terug te koopen, en het gezamenlijke bedrag dier prijzen, zijnde f. 230.515,-- en f. 40.305,00, of in totaal f. 270.820,--,. contant, dat is uiterlijk op genoemden 18 Mei a.s. tegen levering van voormelde kunstvoorwerpen aan ons te betalen. Bij gebreke daarvan zullen wij krachtens het in artikel 6 van meergenoemde overeenkomsten bepaalde tot den verkoop van bedoelde kunstvoorwerpen moeten overgaan.

    In diezelfde brief reageerde hij hierop met de mededeling:
    Tot mijn leedwezen moet ik U mededeelen, dat ik noch vóór, noch na den, in Uwen brief genoemden datum van 18 Mei a.s., aan Uwe vordering tot terugkoop en tot betaling van de door U bedoelde kunstvoorwerpen kan voldoen.

  13. De mededeling van Granaat aan de bank dat hij niet in staat was de eerder verkochte kunstvoorwerpen, waaronder NK 3401, terug te kopen, resulteerde er in dat de bank deze kunstvoorwerpen verkocht aan Herman Hamburger, zo blijkt uit een brief van Granaat aan de bank van 18 juni 1936. In deze brief verwijst Granaat naar een brief van de bank aan hem van diezelfde datum:
    Hierbij deelen wij u in aansluiting op onze brief van 11 Mei jl. mede, dat de daarbij bedoelde en op de aangehechte, door ons getekende lijsten vermelde kunstvoorwerpen etc. door ons zijn verkocht aan den Heer Herman Hamburger, Parijs, 121 Avenue de Wagram, tegen een gezamenlijk bedrag van f. -67,000,-. (…)

    In zijn brief berichtte Granaat voorts dat hij met de inhoud van de brief van de bank akkoord ging. In het beheerdossier van de SNK betreffende Gustaaf Hamburger zijn afschriften van enkele inventarislijsten aangetroffen, volgens de kop ‘behoorende bij de Verklaring dd. 18 juni 1936 van de onderteekende’, waarmee waarschijnlijk voormelde verklaring van Siegfried Granaat wordt bedoeld. De lijst was blijkens het afschrift oorspronkelijk ondertekend door Siegfried Granaat.
    Bovenaan de eerste lijst is met potlood aangetekend: ‘afgegeven op 24-10-49 door Mr. Somers Dir Hamburger & Co’s Bankierskantoor’. Bovenaan de pagina’s van de lijst is aangegeven, dat het een lijst betreft ”van de Kunstvoorwerpen etc. zich bevindende in het perceel Heerengracht 512, Amsterdam, en welke aldaar door onderteekende blijkens zijn bovenvermelde verklaring voor den Heer Herman Hamburger, Parijs, 121 Avenue de Wagram, in bewaring worden gehouden”.
    Op de derde pagina van de lijst, onder de kop ‘Schilderijen in de eetkamer’, worden onder meer stillevens door De Heem en Kalf alsmede ‘C. Mooyaert. Bijbelsche voorstelling’ genoemd.

  14. Uit de hierboven geschetste gang van zaken kan worden afgeleid dat NK 3401 in 1930 aan de bank is verkocht door Siegfried Granaat. Toen Granaat in 1936 niet in staat was het schilderij terug te kopen, is het door de bank verkocht aan Herman Hamburger. Het schilderij werd vervolgens door Siegfried Granaat in bewaring gehouden voor Herman Hamburger in het pand op de Herengracht 512.
    Dat deze situatie onveranderd bleef tot aan het begin van de bezetting, kan worden afgeleid uit een rapportage van 19 februari 1941 van C.H. Oldach, die tot Verwalter was benoemd over het vermogen van Siegfried Granaat. De rapportage was gericht aan het Generalreferat Feindvermögen van het Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft en gebaseerd op de in overweging 11 tot en met 13 genoemde documenten. Oldach meldde dat hij de omstandigheden rond de vordering van Herman Hamburger nauwkeurig had onderzocht en een lijst had bijgesloten van de gehele huisraad welke zich in het pand Herengracht 512 bevond. Deze lijst was in opdracht van de voornaamste crediteur opgesteld door makelaar Jac. Leefson Jzn. te Amsterdam. Op de lijst van kunstvoorwerpen die toebehoorden aan Herman Hamburger wordt NK 3401 vermeld.
  15. Nadat Oldach op verzoek van de Abteilung Feindvermögen contact had opgenomen met de Dienststelle Mühlmann, kwam op 12 mei 1941 een medewerker daarvan, dr. Eduard Plietzsch, de kunstwerken in het pand Herengracht 512 bezichtigen. In een brief van 14 mei 1941 noemde hij tien schilderijen uit het bezit van Herman Hamburger waarvoor hij belangstelling had, waaronder het schilderij, thans bekend als NK 3401. Dit schilderij is uiteindelijk door de Dienststelle Mühlmann verkocht aan Hitler voor RM 13.270.
  16. Verzoekster heeft in haar reactie van 2 december 2015 aangegeven het vreemd te vinden dat NK 3401 door Siegfried Granaat verkocht zou zijn, maar vervolgens wel bij hem in huis bleef. Ook wijst zij erop dat het conceptonderzoeksrapport discrepanties bevat, in zoverre dat enerzijds wordt gesproken over het onroerend goed en overige bezittingen van Granaat en anderzijds over de schulden van Granaat aan onder meer de bank. Ten slotte wijst zij er op dat ook na de oorlog nog steeds gesproken werd over de ‘collectie Granaat’.
    Naar aanleiding van deze reactie heeft de commissie nader onderzoek verricht naar de financiële situatie van Siegfried Granaat. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat tegenover de omvangrijke bezittingen van Granaat nog grotere debetsaldi stonden bij diverse ondernemingen. Het ontstaan van deze debetsaldi is waarschijnlijk veroorzaakt door de aanvaarding door Siegfried Granaat van de nalatenschap van zijn in 1928 overleden vader D.S. Granaat, de effecten die zich in deze nalatenschap bevonden, alsmede de kort daarop volgende beurskrach van 1929, die een periode van economische crisis inleidde. Uit diverse aangetroffen documenten kan worden afgeleid dat de drie grootste schuldeisers van Granaat in 1939 afspraken maakten om tot liquidatie van zijn debetpositie over te gaan.
  17. De verkoop op 20 mei 1930 door Granaat aan de bank van een deel van kunstcollectie, waaronder NK 3401, past in het beeld dat naar voren is gekomen uit het nader onderzoek met betrekking tot de benarde financiële situatie van Siegfried Granaat. In 1936 heeft Granaat afgezien van terugkoop van NK 3401. Vanaf dat moment heeft hij het schilderij in zijn pand aan de Herengracht 512 in bewaring gehouden voor Herman Hamburger.
    Nu Granaat reeds in 1930 het geclaimde NK 3401 heeft verkocht en er geen aanwijzingen zijn dat hij de eigendom daarna weer heeft verkregen, kan de claim van verzoekster op grond van het voor deze zaak geldende restitutiebeleid niet voor toewijzing in aanmerking komen. De commissie zal de minister dan ook adviseren de claim van verzoekster op NK 3401 af te wijzen. 

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim van verzoekster op NK 2121 en NK 3401 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 29 juni 2016 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (R.A.M. Nachbahr, secretaris)

Gerelateerde adviezen: