De Haan (III)

NK1416: Drieluik van P. Coecke van Aelst (foto: RCE)

Advies inzake De Haan (III)

Dossiernummer: 
RC 1.150
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
8 november 2016
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 7 juli 2014 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het verzoek van 29 mei 2014 van AA (hierna: verzoekster) tot teruggave van zeven schilderijen die deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie). Volgens verzoekster heeft haar oom, Simon de Haan, deze schilderijen tijdens de Tweede Wereldoorlog onvrijwillig verkocht, onder druk van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Het verzoek betreft de volgende werken.

NK 1416 – P. Coecke van Aelst, Drieluik: Aanbidding der Wijzen (midden); Maria in aanbidding voor het Christuskind (links); presentatie van Christus in de tempel (rechts)
NK 1509 – navolger van B. Fabritius, Man met baard
NK 1536 – anoniem, Romeinse capricio
NK 1862 – J.F. van Douven, Jachtgezelschap rustend aan de zoom van een bos
NK 1910 – H. Goltzius, Diana en haar nimfen ontdekken de zwangerschap van Calisto
NK 2583 – J.J. van Goyen, IJsgezicht met schaatsers bij een dorp
NK 2772 – F. van Mieris I, De vioolspeler

Beoordelingskader 

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, zoals gewijzigd, is er een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die:
a. onderdeel zijn van de NK-collectie; of
b. tot het overig bezit van de Staat der Nederlanden behoren.
Ingevolge het vierde lid adviseert de commissie over verzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, ingediend bij de minister voor 30 juni 2015, met inachtneming van het rijksbeleid ter zake.

De procedure en eerdere adviezen

De aanleiding voor het restitutieverzoek was een bezoek van verzoekster aan de tentoonstelling Geroofd, maar van wie? in 2007. Na daaropvolgend contact tussen verzoekster en Bureau Herkomst Gezocht (hierna: BHG) heeft verzoekster in eerste instantie in 2007, 2009 en 2010 de toenmalige staatssecretaris van OCW verzocht om teruggave van 23 NK-werken, waaronder de zeven thans geclaimde werken. De staatssecretaris heeft de commissie verzocht om advies uit brengen over dit verzoek. Het betrof zaak RC 1.106. Hangende die adviesprocedure heeft verzoekster haar claim op de zeven thans geclaimde NK-werken en twee andere NK-werken ingetrokken. Het uiteindelijke advies in zaak RC 1.106 van 13 oktober 2011, dat strekte tot afwijzing van de claim van verzoekster, had derhalve betrekking op 14 NK-werken. Bij besluit van 3 november 2011 heeft de staatssecretaris het restitutieverzoek afgewezen.
            Verzoekster heeft de minister verzocht dit besluit te herzien. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de minister de commissie op 27 januari 2014 verzocht om een hernieuwd advies. Deze procedure bij de commissie stond geregistreerd onder RC 4.142. Op 18 mei 2015 adviseerde de commissie de minister om het besluit van 3 november 2011 in stand te laten.
            Bij brief van 29 mei 2014 heeft verzoekster de minister alsnog verzocht om restitutie van de zeven bovengenoemde NK-werken. De minister heeft deze claim voorgelegd aan de commissie voor advies. De commissie heeft een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 14 december 2015. Verzoekster heeft hierop gereageerd bij brief van 31 maart 2016. Naar aanleiding van deze reactie heeft de commissie aanvullend onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een Conceptverslag van 8 juni 2016. Dit verslag is voor reactie aan verzoekster toegezonden. Verzoekster heeft gereageerd bij brief van 3 juli 2016.
            Op 5 september 2016 heeft een mondelinge behandeling plaats gevonden. Namens verzoekster zijn daar verschenen haar echtgenoot de heer BB en haar dochter CC. Een verslag van deze mondelinge behandeling is toegezonden aan verzoekster. Naar aanleiding van deze mondelinge behandeling heeft de commissie aanvullend onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een verslag van 10 oktober 2016. Dit is voor reactie toegezonden aan verzoekster. Verzoekster heeft hierop gereageerd bij brief van 25 oktober 2016.
            De commissie heeft het onderzoeksrapport vastgesteld op 8 november 2016.
 
Verzoekster heeft zowel schriftelijk als, uitvoerig, tijdens de mondelinge behandeling als bezwaar tegen de werkwijze van de commissie aangevoerd dat het conceptonderzoeksrapport geen weging van de weergegeven feiten bevat. De commissie acht dit bezwaar niet gegrond. De werkwijze van de commissie houdt in dat eerst een onderzoek plaatsvindt naar de relevante feiten, waarna deze worden samengevat in een conceptrapport. Een weging van de feiten blijft in dit stadium achterwege omdat het niet juist zou zijn als de commissie de feiten al zou interpreteren voordat verzoekster de gelegenheid heeft gehad om op deze vaststelling van de feiten te reageren. Ook zou daarmee het onderzoek en de advisering door elkaar gaan lopen. Bij brief van 6 juli 2016 is dit ook aan verzoekster meegedeeld.

Overwegingen

1. Verzoekster is enig erfgename van haar oom Simon de Haan (hierna ook: De Haan), zoals blijkt uit een verklaring van erfrecht, verleden op 1 september 2010 voor mr. M.R. Meijer, notaris te Amsterdam.

2. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport van 8 november 2016 beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Simon de Haan (hierna: De Haan) werd op 6 juni 1901 te Amsterdam geboren als zoon van Salomon de Haan en Abigaël Buitenkant. Simon de Haan was van joodse afkomst. Op een gezinskaart in het Haags Gemeentearchief is over De Haan vermeld dat hij zichzelf ‘Henri Simon De Haan’ noemde. Hij stond ook bekend als ‘Hans de Haan’. Op 5 april 1933 trad De Haan in het huwelijk met Elsbeth Dorothea Hilda Haufschild, welk huwelijk blijkens de onder 1 genoemde verklaring van erfrecht later (waarschijnlijk) door echtscheiding is ontbonden. Uit onderzoek blijkt dat De Haan vanaf 1929 afwisselend in Den Haag en Amsterdam woonde. De laatst geregistreerde verblijfplaats van De Haan was de Surinamestraat 22 te Den Haag. Dit adres was ook het woonadres van Eduard Hollander (hierna: Hollander), van wie onder meer bekend is dat hij De Haan als advocaat heeft bijgestaan.

3. De Haan was werkzaam in de kunsthandel. Uit het archief van het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te ‘s-Gravenhage blijkt dat De Haan met Hendrik Maas Szn. vanaf 1929 directeur was van de N.V. Internationale Kunsthandel (hierna: Galerie Internationale) te Den Haag. Deze kunsthandel had een filiaal in Amsterdam. Na enkele jaren eindigden de werkzaamheden van De Haan voor het bedrijf. Dit blijkt uit een aangifte van Maas op 17 september 1934 bij het handelsregister te Amsterdam, waarin sprake is van het ontslag van De Haan en van de opheffing van het Amsterdamse filiaal van de Galerie Internationale.

4. Bij het onderzoek van de commissie zijn gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat De Haan actief bleef in de kunsthandel. Zo heeft de Tilburgse kunstverzamelaar H.F.J. Weijers na de oorlog verklaard dat De Haan voor hem optrad als bemiddelaar bij de aankoop van bijna zijn gehele verzameling. Een andere bron is het archief Hoogendijk in het RKD, waarin een overzicht van een accountantskantoor is aangetroffen met de kop ‘H.S. de Haan, ’s Gravenhage, in rekening courant met D.A. Hoogendijk & Co’, betreffende verrekeningen/transacties gedateerd februari 1939 - december 1940. Op dit overzicht worden onder meer schilderijen vermeld, dikwijls met notities over de in- en verkoop van de betreffende werken en/of over betaalde commissies. Geen van de genoemde kunstwerken komt overeen met één van de thans geclaimde schilderijen.
Uit een door verzoekster in RC 4.142 overgelegde lijst met als titel ‘Aankopen Simon de Haan op de veilingen van Mak van Waay 1934-1940’ blijkt dat De Haan in deze periode bij twaalf door dit veilinghuis gehouden veilingen als koper wordt genoemd. Ook kocht en verkocht De Haan bij het veilinghuis Van Marle & Bignell in Den Haag. Geen van de aankopen heeft betrekking op een thans geclaimd schilderij.

5. Uit aangetroffen documentatie blijkt verder dat De Haan voor de oorlog actief was als inkoper voor de Amsterdamse kunsthandel J. Goudstikker N.V., die onder leiding stond van de joodse Jacques Goudstikker. Na de Duitse inval in Nederland zette De Haan deze werkzaamheden als kunstinkoper/bemiddelaar voort, ook nadat het bedrijf was overgenomen door de Duitser Alois Miedl, die onder de naam ‘Voorheen J. Goudstikker N.V.’ (hierna ook: Goudstikker-Miedl) handelde met onder andere Hermann Göring. Dit blijkt uit verklaringen en andere documentatie die de commissie heeft aangetroffen bij haar onderzoek en die zijn vermeld in het onderzoeksrapport. Zo heeft de commissie onder meer kennis genomen van tijdens de bezetting door de accountant Elte opgestelde rapportages over Goudstikker-Miedl. In een rapport per 13 september 1940 (hierna: het Elte-rapport) wordt verschillende keren verwezen naar betalingen of verrekeningen in relatie tot De Haan. Het betreft onder meer verschuldigde provisies. In het door Goudstikker-Miedl bijgehouden voorraadboek zijn diverse schilderijen ingeschreven met daarbij een vermelding van de naam ‘de Haan’ in de kolom ‘Inkoopen’. In het onderzoeksrapport wordt ook andere documentatie uit de Goudstikker-Miedl administratie genoemd waarin de naam van De Haan is aangetroffen.

6. Alle zeven thans geclaimde werken maakten deel uit van de op 2 augustus 1940 tussen Miedl en de broers Benjamin en Nathan Katz, van de kunsthandel Katz te Dieren (hierna ook: Katz), overeengekomen transactie. Hierbij kocht Goudstikker-Miedl ruim 500 schilderijen van Katz voor NLG 1.822.500. Deze transactie is goed gedocumenteerd en onder meer terug te vinden in de bewaard gebleven administratie van Goudstikker-Miedl. Zo komen alle thans geclaimde werken voor op bij het Elte-rapport behorende lijsten van werken die Goudstikker-Miedl gekocht zou hebben ‘VAN DE FA. KATZ D.D. 2 AUGUSTUS 1940’. Ook is de transactie terug te vinden in het voorraadboek van Goudstikker-Miedl en in het administratieboek, waarin de in- en uitgaande stukken werden bijgehouden.
Zowel Miedl als Benjamin Katz hebben na de oorlog verklaard over de betrokkenheid van De Haan bij deze transactie. Miedl heeft verklaard dat De Haan als tussenpersoon voor hem was opgetreden. Katz heeft verklaard dat er aanbrengprovisie aan De Haan is betaald. Ook anderen hebben verklaard over deze transactie en de rol van De Haan. Zo verklaarde Victor Modrzejewski, een van oorsprong Duitse kunsthandelaar, na de oorlog: ‘Hans de Haan, een joodse kunstkenner, die reeds voor den oorlog inkoper bij de N.V. Goudstikker was, was mijn vriend. Het is mij bekend dat deze De Haan voor de later als eigenaar optredende A. Miedl verschillende schilderijen inkocht o.a. bij de gebroeders Katz te Dieren’.

7. Kort na of omstreeks deze transactie is De Haan gearresteerd. De hierboven genoemde Modrzejewski heeft hierover verklaard: ‘De Haan werd in Augustus 1940, het kan 2 Augustus 1940 geweest zijn, gearresteerd door de Duitse politie. Met behulp van de Duitser A. Miedl heb ik getracht Hans de Haan vrij te krijgen (…)’. De Haan werd veroordeeld tot twee jaar cel. Van 6 december 1940 tot 17 februari 1941 verbleef hij in de strafgevangenis te Scheveningen. Daarna is hij naar een gevangenis in Wuppertal overgebracht. Op een kaart uit het registratiesysteem van deze gevangenis is aangetekend dat De Haan was veroordeeld wegens ‘Beschimpfung der d. Wehrmacht und Verbr. unwahrer Behauptungen u.s.w.’. Nadat zijn hechtenis op 10 januari 1943 formeel was geëindigd, is De Haan op 12 februari 1943 overgebracht naar Westerbork en van daaruit op 16 februari 1943 gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij op 19 februari 1943 is vermoord.

8. Al tijdens de oorlog, op 26 september 1942, verscheen in de ‘Engelse editie’ van het blad Vrij Nederland een artikel, waarin geschreven werd dat De Haan op aanklacht van Miedl gearresteerd was. In dit artikel, getiteld ‘Goering en Funk in gevecht / Om gestolen Hollandsche oude meesters’, dat gebaseerd zou zijn op mededelingen van ‘EEN NEDERLANDER, uit het bezette gebied ontsnapt’, wordt het volgende vermeld over De Haan: ‘In Den Haag woont prof. Friedlaender, een oude, grijze Duitsche schilderijen-expert. Miedel nam hem geheel in dienst en Friedlaender werd verplicht heele reeksen certificaten voor schilderijen af te geven. Zoo verscheen er een Friedlaender-certificaat voor een Jan Steen, die zoo valsch was als een looden gulden. Een der agenten van Miedel, zekere De Haan, protesteerde tegen deze handeling. Hij verweet Miedel zijn geknoei. Kort daarop verdween hij van het tooneel. Hij had den “Fuehrer beleedigd” en was op aanklacht van zijn werkgever gearresteerd’.
Artikelen die vrijwel woordelijk overeenkomen verschenen op 25 november 1942 in het in de Verenigde Staten uitgegeven Nederlandstalige weekblad Onze Toekomst en op 30 maart 1943 in het Amerikaanse maandblad Click. The National Picture Monthly.
Wat betreft de aanleiding voor de arrestatie van De Haan, verwijst de commissie naar overweging 12 van haar advies inzake RC 1.106.

Beoordeling claim

9. Verzoekster heeft gesteld dat De Haan eigenaar was van de thans geclaimde werken en dat hij ze onder dwang aan Miedl heeft verkocht. Hiervoor verwijst zij naar de over de werken beschikbare gegevens op de website van BHG, waar de naam van De Haan wordt genoemd in de verschillende herkomstreconstructies. Specifiek voor NK 1416 verwijst zij naar de gegevens uit de database "Die Kunstsammlung Herman Göring" van het Deutsches Historisches Museum. Voor NK 1416 en NK 2583 verwijst zij naar de publicatie Beyond the Dreams of Avarice: The Hermann Goering Collection (2009) van Nancy H. Yeide.

10.  De commissie kan verzoekster niet volgen in deze stelling. Zoals in overweging 6 wordt vermeld maakten alle thans geclaimde werken deel uit van de transactie tussen Katz en Goudstikker/Miedl van 2 augustus 1940. Uit de thans bekende feiten blijkt niet dat De Haan op enig moment voorafgaand aan deze transactie de thans geclaimde werken in eigendom heeft gehad. Dit wordt ook niet aannemelijk geacht. De rol van De Haan bij deze transactie is door de direct betrokkenen en ook anderen omschreven als die van een bemiddelaar. Dit past bij hetgeen verder over de werkzaamheden van De Haan bekend is en omschreven wordt in overwegingen 3, 4 en 5 alsmede bij de opmerking van de heer BB tijdens de mondelinge behandeling dat de werkzaamheden van de heer H.S. de Haan thans zouden worden omschreven als die van een consulent.
Ook de vermelding van de naam van De Haan in alle zeven herkomstreconstructies van de thans geclaimde werken op de BHG-website, duidt op de bemiddelende rol van De Haan bij de transactie tussen Katz en Goudstikker-Miedl. BHG plaatst de werken immers telkens op de daarbij behorende  datum, ergens begin augustus 1940, bij kunsthandel Katz, De Haan en Goudstikker-Miedl.
Wat betreft de vermeldingen in de database "Die Kunstsammlung Herman Göring" en in de publicatie van Yeide, overweegt de commissie dat deze vermeldingen zijn gebaseerd op de vermeldingen op de BHG-website. Hieraan kunnen geen zelfstandige argumenten ter ondersteuning van de visie van verzoekster worden ontleend.

11.  Verzoekster heeft de commissie herhaaldelijk verzocht om meer aandacht te besteden aan de relatie tussen De Haan en de in overweging 2 genoemde Hollander. Volgens verzoekster is het mogelijk dat Hollander, van wie bekend is dat hij drie schilderijen aan Miedl heeft verkocht, schilderijen voor De Haan in bewaring had.
In reactie hierop wijst de commissie allereerst op haar advies RC 1.97 van 12 oktober 2009 dat betrekking had op deze zelfde Hollander. De persoon van Hollander is voor de commissie derhalve geen onbekende. Daarnaast heeft verzoekster ook eerder al bij haar verzoek om hernieuwd advies (RC 4.142) gewezen op de relatie tussen De Haan en Hollander. In overweging 16 van het advies in die zaak is hier op ingegaan.
De thans geclaimde werken zijn niet via Hollander bij Goudstikker/Miedl terecht gekomen maar maakten alle deel uit van de transactie tussen Katz en Goudstikker/Miedl van 2 augustus 1940. Dat Hollander de thans geclaimde werken in bewaring zou hebben gehad voor De Haan is dan ook niet alleen niet aannemelijk maar zou juist in strijd zijn met wat wel bekend is over de herkomst van deze werken. De commissie heeft het daarom in deze zaak niet nodig geacht om meer aandacht te besteden dan zij al heeft gedaan aan de relatie tussen De Haan en Hollander.

12.  Op grond van het geldende restitutiebeleid kan tot teruggave worden geadviseerd indien de eigendom in hoge mate aannemelijk is en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat niet in hoge mate aannemelijk is dat De Haan op enig moment de thans geclaimde werken in eigendom had.
De commissie zal de minister dan ook adviseren de claim van verzoekster af te wijzen.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim van verzoekster af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 8 november 2016 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (R.A.M. Nachbahr, secretaris)

Gerelateerde adviezen: