Wandtapijt

Advies over een wandtapijt

Dossiernummer: 
RC 1.147
Soort advies: 
Rijkscollectie
Adviesdatum: 
7 maart 2016
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 17 december 2014 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) verzocht om advies over het verzoek van AA (hierna: verzoekster), in deze zaak vertegenwoordigd door BB (hierna: BB). Dit verzoek heeft betrekking op een wandtapijt [...] (hierna ook: het wandtapijt) dat zich bevindt in het Stadsmuseum te CC (hierna: het Stadsmuseum).

Naar aanleiding van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een feitenoverzicht van 22 juli 2015. Verzoekster en de minister zijn in de gelegenheid gesteld op dit feitenoverzicht te reageren. De minister heeft bij brief van 11 augustus 2015 laten weten geen opmerkingen te hebben. Verzoekster heeft gereageerd bij brief van 3 september 2015.
Op 13 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen BB en de voorzitter, de secretaris en een onderzoeker van de commissie. In vervolg op dit gesprek heeft de commissie aanvullend feitenonderzoek gedaan. Op 1 februari 2016 heeft een mondelinge behandeling door de commissie plaatsgevonden. Namens verzoekster was daarbij BB aanwezig. Namens de minister zijn verschenen mr. I. Looman en C. Klopman, beiden beleidsmedewerker, en drs. E.W.M. Rodrigo, adviseur rijkscollectie en namens de gemeente CC de heer DD, adviseur.
De commissie heeft haar advies aan de minister vastgesteld in haar vergadering van 7 maart 2016. Naar aanleiding van de reactie van verzoekster op het feitenoverzicht heeft de commissie het feitenoverzicht aangepast. Dit aangepaste feitenoverzicht wordt met het vastgestelde advies aan de minister toegezonden

Overwegingen

  1. De aanleiding voor het adviesverzoek van de minister aan de commissie was een brief van BB, mede namens verzoekster, aan het Stadsmuseum van 18 november 2013. In deze brief verwijst BB naar informatie over het wandtapijt [...]. BB schrijft dat [...] EE (hierna: EE) vroeger in het bezit was van [enkele gobelins]. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn deze gobelins vervreemd. [...]. BB schrijft verder dat hij verzoekster,zonder haar te voren in te lichten, een foto van het wandtapijt heeft getoond, waarop zij direct zei dat een dergelijk wandtapijt vroeger bij haar thuis hing.In zijn brief verzoekt BB het Stadsmuseum te onderzoeken of het wandtapijt in het museum mogelijk één van [deze vermiste] gobelins is.
  2. Door tussenkomst van de minister is dit verzoek doorgestuurd naar de commissie. Het door de commissie verrichte onderzoek heeft het volgende opgeleverd.
    In [naoorlogse correspondentie] vermeldde EE de afmetingen van de vermiste gobelins [...]. EE vermeldde bovendien dat zij alle in een vergulde lijst waren gevat [...]. Nadat EE in 1942 uit zijn huis is gezet, zijn de gobelins samen met zijn andere bezittingen door de Sicherheitsdienst meegenomen. Meer informatie over de in [naoorlogse correspondentie] vermelde gobelins heeft het onderzoek niet opgeleverd.
  3. Over het wandtapijt in het Stadsmuseum is het volgende bekend. Het is circa 205 x 201 cm groot. De voorstelling toont een jachttafereel.
    Onder de door de minister toegezonden documentatie bevindt zich een verklaring van 28 november 1979 van een zekere FF te CC die als volgt luidt:
    Ondertekende FF te CC verklaart hierbij in bruikleen te hebben ontvangen van Mevrouw GG, wonend te CC [...], een gobelin voorstellende een jacht partij. Bij overlijden van Mevrouw GG zal dit gobelin binnen 14 dagen aan het [Stadsmuseum] worden overgedragen door ondergetekende = zonder enige vergoeding - ingevolge afspraak met mevrouw GG. Getekend te CC, 28 november 1979.'

    Uit een intern memo van de gemeente CC van 21 april 1988 valt af te leiden dat FF het tapijt op 20 april 1988 heeft afgeleverd bij het Stadsmuseum.

    In het dossier van de gemeente CC bevinden zich ook twee pagina’s met handgeschreven notities in telegramstijl. Onderaan één pagina is genoteerd ‘JJ, 9 juni 1988’. De notities luiden als volgt:
    buren

    Heldring en Pierson - archief

    Kleed hing bij mij op goedkeuring van Dr. H. Gerson. Overleden. Gobelin
    vermoedelijk van 1600 - 1700 - eind 1800.

    Gobelin lag in de kluis
    Rijksbureau v. Kunsthistorische Documentatie.

    Oorlog 40 - 45

    Korte Vijverberg 7

    Op 9 juni 1988 noteerde een medewerker van de gemeente in een telefoonnotitie onder meer:
    Briefje JJ 9 juni 1988

    Heldring & Pierson archief DWC

    Kleed hing bij RKD

    gekregen v. toenmalig ‘hoofd’ RKD, Gerson. In bruikleen of echt gekregen.

    Div tel. gesprekken met N.N. over dat de schenking niet officieel aanvaard is door de gemeente ivm dubieuze herkomst en dat mw. GG er niets meer over wilde horen

    Mevrouw GG was in die periode hoofd van de huishoudelijke dienst van het RKD (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie).

    De gemeente zag zich, na ontvangst, gesteld voor de vraag of zij het wandtapijt als geschenk wilde aanvaarden. Uiteindelijk heeft het college van burgemeester en wethouders op 21 februari 1989 besloten dit niet te doen.

  4. In de eindrapportage uit 1999 van het project Museale Verwervingen 1940-1948 wordt de herkomstgeschiedenis van het wandtapijt als volgt samengevat:
    ‘Het museum meldt dat er in 1988 een kunstvoorwerp met een ‘onduidelijke oorlogsgeschiedenis’ ten geschenke is ontvangen van een particulier. Het betreft een gobelin met de voorstelling van een jachttafereel (…). De schenking is nooit officieel door de Raad der Gemeente [CC] aanvaard, gezien het feit dat het kunstwerk met de nodige vraagtekens over de herkomstgeschiedenis bij het museum was binnengekomen. Binnen de huidige collectie heeft de gobelin volgens het museum wellicht eerder de status van een bewaarneming, dan van een schenking. Het museum beschikt over een briefje met enige aantekeningen over de herkomst van de gobelin. Voor zover uit deze notities kan worden opgemaakt, heeft de gobelin tijdens de oorlog in de kluis van het Rijksbureau Voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) gelegen. Op zeker moment zou het voorwerp met toestemming van één van de medewerkers van het RKD bij de latere schenkster zijn komen te hangen. Het museum meldt dat het geen mogelijkheden ziet om nadere gegevens te achterhalen over de herkomstgeschiedenis van het kunstwerk. Dit in verband met het feit dat de schenkster de gobelin destijds heeft afgestaan met nadrukkelijke mededeling dat zij niet meer over deze kwestie benaderd wenste te worden. De schenkster heeft geen naaste familieleden die meer informatie zouden kunnen bieden over de herkomst van het kunstwerk. De onderzoeker van de Commissie Museale Verwervingen 1940-1948 heeft diverse instellingen en particulieren om inlichtingen verzocht over de herkomst van het kunstwerk. Eén en ander heeft geen nieuwe gegevens opgeleverd.’
  5. Op de website […] wordt vermeld dat verder onderzoek na 1999 geen nieuwe gegevens heeft opgeleverd. Ook het door de commissie verrichte onderzoek naar de herkomstgeschiedenis van het wandtapijt en, in verband daarmee, naar mevrouw GG, heeft geen relevante nieuwe gegevens opgeleverd.
  6. Op grond van de resultaten van het onderzoek naar de feiten acht de commissie het niet aannemelijk dat het wandtapijt in het Stadsmuseum één van de [...] gobelins is die door EE [...] als vermist [is] opgegeven. Doorslaggevend hiervoor is het verschil in de afmetingen van dit wandtapijt (205 x 201cm) en van de gobelins die EE [...] na de oorlog heeft genoemd ([...]). Bovendien geeft het verschil in afmetingen ook een duidelijk verschil in vorm. De in de [naoorlogse correspondentie] vermelde gobelins zijn rechthoekig terwijl het wandtapijt in het Stadsmuseum vrijwel vierkant is.
    Niet kan worden uitgesloten dat EE zich in de afmetingen heeft vergist [...]. Aannemelijk acht de commissie dit echter niet. De commissie wijst er op dat EE [in latere documenten] dezelfde afmetingen heeft opgegeven als in een eerdere brief [...]. Ook het verschil in vorm maakt dat het niet aannemelijk is dat EE zich heeft vergist.
    Ook de nu bekende herkomstgeschiedenis van het wandtapijt kan niet in verband worden gebracht met EE. De commissie acht het verder niet haar taak in dit geval een oordeel te geven over de herkomstgeschiedenis van het wandtapijt.

 
Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot afwijzing van het verzoek van AA.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 7 maart 2016 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (R.A.M. Nachbahr, secretaris)