Bachstitz III

Advies inzake Bachstitz III

Dossiernummer: 
RC 1.143
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
1 december 2015
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 13 maart 2014 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het restitutieverzoek van 27 november 2013 van AA en BB (hierna: verzoekers). Zij treden op als erfgenamen van hun grootvader Kurt Walter Bachstitz (hierna: Bachstitz) en worden in deze procedure vertegenwoordigd door dr. H. Kahmann, advocaat te Berlijn. Het verzoek betreft een gouden armband en een gouden serapiskop. Beide objecten maken deel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie), onder het registratienummer NK 865, en bevinden zich thans in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. 

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, zoals gewijzigd, is er een commissie die tot taak heeft de minister op diens verzoek te adviseren over de te nemen beslissingen op verzoeken om teruggave van cultuurgoederen waarover de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren en die:
a. onderdeel zijn van de NK-collectie; of
b. tot het overig bezit van de Staat der Nederlanden behoren.
            Ingevolge het vierde lid adviseert de commissie over verzoeken als bedoeld in het eerste lid, onder a, ingediend bij de minister voor 30 juni 2015, met inachtneming van het rijksbeleid ter zake.

De procedure

De commissie heeft eerder, op 14 september 2009, advies uitgebracht aan de minister over een restitutieverzoek van verzoekers dat betrekking had op 25 objecten uit de NK‑collectie. Dat advies (RC 1.78) strekte tot afwijzing van het restitutieverzoek voor zover het betrekking had op 24 kunstwerken en tot teruggave van NK 1892, Capriccio met ruïnes, van P. Cappelli. De minister heeft op 28 oktober 2009 in overeenstemming met advies RC 1.78 beslist op het restitutieverzoek.
            Verzoekers hebben de minister verzocht dit besluit te herzien, voor zover het betrekking had op dertien NK-werken. Bij brieven van 11 januari 2013 en 7 mei 2014 heeft de minister de commissie verzocht om hernieuwd advies. Deze zaak is bij de commissie geregistreerd onder RC 4.138.
            De commissie heeft RC 1.143 en RC 4.138 gezamenlijk behandeld, maar in elke zaak wordt een afzonderlijk advies uitgebracht. Voor zover nodig wordt in dit advies verwezen naar het advies inzake RC 4.138.   

Naar aanleiding van het adviesverzoek van de minister inzake RC 1.143 heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. Dit onderzoek is gecombineerd met het onderzoek inzake RC 4.138. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een conceptfeitenoverzicht van 8 september 2014. Verzoekers hebben hierop gereageerd bij brieven van 29 en 30 maart 2015.
            Op 15 juni 2015 heeft een mondelinge behandeling plaats gevonden ten kantore van de commissie in Den Haag. Namens verzoekers zijn daar verschenen dr. Kahmann, CC en DD, beiden zonen van verzoeker BB, en E. Dolev en dr. R.K. Krul, onderzoekers.  Een verslag van de mondelinge behandeling is aan verzoekers toegestuurd. Verzoekers hebben nog aanvullende stukken toegestuurd bij brief van 19 juni 2015 en e-mail van 8 juli 2015.

Overwegingen

1.  In het adviesverzoek van de minister van 13 maart 2014 staat dat het verzoek betrekking heeft op een gouden object met nummer NK 865 en een gouden object met nummer Prec 162. Uit het onderzoek van de commissie is naar voren gekomen dat beide objecten samen gerecupereerd zijn, vervolgens samen als nummer 162 op de zogeheten preciosalijst van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) vermeld zijn en nadien samen het NK-nummer 865 hebben gekregen. In dit advies heeft NK 865 dan ook betrekking op beide thans geclaimde werken. 

2.  Verzoekers vragen teruggave van de geclaimde werken in hoedanigheid van erfgenaam van hun grootvader Kurt Walter Bachstitz (1882-1949), die volgens verzoekers de kunstwerken onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele erfrechtelijke stukken, naar aanleiding waarvan de commissie geen reden heeft gezien te twijfelen aan de status van verzoekers. 

3. Voor de relevante feiten verwijst de commissie allereerst naar overweging 2 tot en met 9 van advies RC 1.78. Wat betreft de thans geclaimde werken kan hier het volgende aan worden toegevoegd.
      De geclaimde werken zijn in mei 1941 door Bachstitz Gallery aan dr. Hans Posse verkocht ten behoeve van de Sonderauftrag Linz. Op 28 april 1941 schreef Posse in een brief aan Martin Bormann over de thans geclaimde objecten, alsmede over twee gouden slangarmbanden (NK 864a-b; onderwerp van RC 1.78 en RC 4.138). Uit deze brief blijkt dat de vraagprijs voor de gouden armband (NK 865) NLG 4.500 bedroeg. De vraagprijs voor de gouden serapiskop (NK 865) bedroeg NLG 3.500 en de vraagprijs voor NK 864a‑b bedroeg NLG 20.000. Op 6 mei bevestigde Posse aan Bormann dat de aankoop van de objecten (NK 864a-b en NK 865) had plaatsgevonden, ‘und zwar zu den reduzierten Preis von hfl. 24.000’. Dit bedrag wordt tevens genoemd in een aangetroffen rekening van Bachstitz voor de verkoop van de objecten.

4.  Na de oorlog heeft de echtgenote van Bachstitz, mevrouw Bachstitz-Hofer, bij de SNK aangifte gedaan van de verkopen van kunstwerken aan Duitsers, waaronder NK 865. De objecten worden beschreven in een brief van mevrouw Bachstitz-Hofer aan dr. J.G. van Gelder van de SNK van 2 juli 1945.  Op het Interne Aangifte Formulier dat de SNK opstelde voor de gouden serapiskop staat vermeld dat het object oorspronkelijk in bezit was van ‘Bachstitz, ’s-Gravenhage’ en door vrijwillige verkoop in bezit was gekomen van ‘Dr.H. Posse’ .
      Op 3 januari 1950 verzocht SNK-directeur mr. J. Jolles bij de Bachstitz Gallery om inlichtingen over 20 kunstwerken, waarover hij meldde:
Van de meeste voorwerpen hebt U aangifte gedaan, behalve van de voorwerpen vermeld onder 1, 8, en 14 en 15. Van deze laatste heb ik reden om aan te nemen, dat deze voorwerpen in Uw bezit waren of door U verhandeld zijn. Gaarne zou ik van U vernemen of [al] deze voorwerpen voor de Duitse bezetting Uw eigendom waren en zo niet wanneer deze door U zijn gekocht en van wie’.

In de brief worden ook twee gouden voorwerpen genoemd, hoogstwaarschijnlijk de thans geclaimde werken. Mevrouw Bachstitz-Hofer reageerde op 11 januari 1950 en meldde de SNK dat de in hun schrijven opgesomde kunstvoorwerpen ‘allen uit onze collectie [zijn] en bevonden zich daarin reeds sedert 1920, 1931 resp. 1937 […].
     
Op 30 januari 1950 vroeg Jolles om een nadere toelichting betreffende de in de brief van 3 januari 1950 genoemde kunstvoorwerpen en verzocht de kunsthandel mede te delen of een verkoop van de werken vrijwillig of onder dwang was geschied. Op 6 februari 1950 antwoordde mevrouw Bachstitz-Hofer omtrent de aard van de verkopen:
‘In antwoord op Uw schrijven van 30 Januari jl. deel ik U mede, dat mijn man ook de genoemde kunstvoorwerpen - evenals de destijds opgegeven verkopen - tijdens de vijandelijke bezetting onder onbehoorlijke invloed heeft moeten verkopen’.

Beoordeling claim

5.  Op grond van de in overweging 3 en 4 vermelde feiten acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat de thans geclaimde kunstvoorwerpen (NK 865) tijdens de bezetting eigendom waren van Bachstitz Gallery.

6.  Verzoekers voeren aan dat het aannemelijk is dat Bachstitz op enig moment zijn aandelen in de Bachstitz Gallery verloren heeft, hetgeen economisch gezien resulteerde in het verlies van de kunstwerken die in het bezit waren van de kunsthandel. Volgens verzoekers is het aannemelijk dat Bachstitz op het moment van zijn terugtreding als commissaris van de Bachstitz Gallery (17 februari 1941), om zijn kunsthandel te redden, zijn aandelen heeft moeten overdragen aan zijn niet‑joodse echtgenote. 
      Over deze stelling merkt de commissie het volgende op. Uit het onderzoek van de commissie is niet gebleken wie de aandeelhouders van de kunsthandel waren, maar het is waarschijnlijk dat Bachstitz zelf een substantieel belang had in de zaak. Voor de stelling dat Bachstitz op enig moment zijn aandelen heeft moeten overdragen aan zijn echtgenote heeft de commissie echter geen aanwijzingen gevonden. Bovendien zou dit, uitgaande van de stelling dat Bachstitz zijn aandelen aan zijn echtgenote heeft overgedragen, voor de beoordeling van het restitutieverzoek geen verschil maken.

7.  Vaststaat dat de geclaimde werken niet zijn gestolen of geconfisqueerd. De werken zijn immers verkocht door Bachstitz Gallery aan Posse in mei 1941. De vraag of deze verkoop als onvrijwillig moet worden aangemerkt, dient de commissie te beantwoorden aan de hand van de zesde Aanbeveling voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart. Deze luidt als volgt:
‘In alle gevallen waarin na de oorlog op een aangifteformulier door de betrokkene, zijn erven of zijn door hem of zijn erven benoemde directe vertegenwoordiger de kwalificatie “onvrijwillige verkoop” is ingevuld en waarin geen aanwijzingen bestaan die deze kwalificatie tegenspreken, dient een dergelijke kwalificatie te worden geaccepteerd. In alle gevallen waarin een dergelijk aangifteformulier ontbreekt, dienen aanwijzingen, die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is van verkoop onder dwang, op dezelfde wijze als uitgangspunt voor het teruggavebeleid te worden gehanteerd.
Tot de aanwijzingen voor onvrijwillige verkoop behoren in ieder geval dreiging met represailles, en toezeggingen tot levering van paspoorten of vrijgeleides als onderdeel van de transactie. Onder onvrijwillige verkopen worden ook verstaan verkopen door Verwalters of andere niet door de eigenaar aangestelde beheerders uit de onder hun beheer gestelde voorraden, voor zover de oorspronkelijke eigenaars of hun erven niet het volledig profijt van de transactie hebben genoten en na de oorlog uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van rechten.’

8.  Verzoekers stellen dat in dit geval de eerste zin van de hierboven genoemde Aanbeveling 6 van toepassing is. Volgens hen is de ratio van deze zin dat de beoordeling door de oorspronkelijke eigenaar doorslaggevend is. De verklaringen van Bachstitz en zijn echtgenote na de oorlog duiden er volgens verzoekers op dat zij destijds de verkoop van de geclaimde werken als onvrijwillig hebben ervaren.
      De commissie stelt voorop dat door Bachstitz niet na de oorlog op een aangifteformulier is aangegeven dat de verkoop van de geclaimde werken onvrijwillig was. Strikt genomen is de eerste van zin van de hierboven genoemde Aanbeveling 6 in dit geval dan ook niet van toepassing. De commissie heeft er oog voor dat mevrouw Bachstitz-Hofer al op 2 en 18 juli 1945 bij de SNK aangifte heeft gedaan van de kunstverkopen door de kunsthandel aan Duitsers, dus vóór de bekendmaking van de aangifteplicht op 24 juli 1945. Het is aannemelijk dat zij om deze reden geen gebruik heeft kunnen maken van de SNK-aangifteformulieren, waarop – onder meer – kon worden aangegeven dat sprake was van een gedwongen verkoop. De commissie ziet echter geen aanleiding voor de ruimere toepassing van de eerste zin van de hierboven genoemde Aanbeveling 6 die verzoekers kennelijk voor ogen staat. Hiervoor is allereerst van belang dat, anders dan verzoekers stellen, SNK-medewerker Van Gelder in zijn brief van 21 juli 1945 aan mevrouw Bachstitz-Hofer niet heeft medegedeeld dat, in de woorden van verzoekers, ‘the formal requirements of the SNK have been met’. Voorts is van belang dat de door verzoekers bedoelde verklaring van mevrouw Bachstitz-Hofer dateert van 6 februari 1950, dat wil zeggen ruim 4,5 jaar nadat zij in juli 1945 bij de SNK opgave had gedaan van de verkopen door de kunsthandel aan Duitsers. Gedurende deze periode hebben Bachstitz en zijn vrouw zelf niet bij de SNK verzocht om teruggave van de geclaimde werken, terwijl zij dit bijvoorbeeld wel hebben gedaan voor de drie werken die Hermann Göring zich had toegeëigend (zie overweging 9 van advies RC 1.78). De mededeling in de brief van 6 februari 1950 was in reactie op de uitdrukkelijke vraag van de SNK in de brief van 30 januari 1950 of de verkoop van  - onder meer - de geclaimde werken vrijwillig of onder dwang was geschied. Onder deze omstandigheden kan de mededeling van mevrouw Bachstitz-Hofer in haar brief aan de SNK van 6 februari 1950 dat haar man de geclaimde werken ‘onder onbehoorlijke invloed’ heeft moeten verkopen, niet worden gelijkgesteld aan een verklaring na de oorlog op een SNK-aangifteformulier dat sprake was van een onvrijwillige verkoop. 
      Ook de verklaring van Bachstitz zelf, zoals weergegeven in overweging 7 van advies RC 1.78, kan hier niet aan worden gelijkgesteld. 

9.  De commissie zal, in overeenstemming met rijksbeleid ter zake, nagaan of er aanwijzingen zijn die het in hoge mate waarschijnlijk maken dat sprake is geweest van een verkoop onder dwang. Verzoekers hebben in dit verband aangevoerd dat Bachstitz de geclaimde werken aan Posse heeft verkocht omdat hij bang was voor de gevolgen van een eventuele weigering dit te doen. Verzoekers wijzen er op dat bekend was dat Posse kunst kocht ten behoeve van Adolf Hitler. Volgens verzoekers was Posse, gelet op zijn positie, in staat om op de vraagprijzen van Bachstitz dusdanig af te dingen dat niet meer gesproken kan worden van vrijwillige verkopen.
      De commissie merkt op dat verzoekers deze argumenten ook naar voren hebben gebracht in RC 4.138 voor de in die zaak geclaimde werken. De commissie heeft deze argumenten in overweging 10 tot en met 13 van het advies in RC 4.138 ten volle kunnen bespreken en is tot de conclusie gekomen dat hierin geen aanwijzingen voor een verkoop onder dwang kunnen worden gevonden. De commissie ziet geen aanleiding om in deze zaak (RC 1.143) wat betreft de verkoop van NK 865 tot een andere conclusie te komen.

10.  Verzoekers voeren aan dat de omstandigheden waaronder Bachstitz handel dreef reeds tijdens het begin van de Duitse bezetting - of in ieder geval na de uitvaardiging van Verordening 48/1941 op 12 maart 1941 - dusdanig waren dat niet meer gesproken kan worden van vrijwillige verkopen. Verzoekers verwijzen naar overweging 18 van het advies inzake RC 1.78, waarin de commissie concludeerde tot teruggave van NK 1892. Volgens verzoekers deden de omstandigheden waaronder NK 1892 door Bachstitz is verkocht zich reeds voor tijdens het begin van de bezetting.
      De commissie kan verzoekers hierin niet volgen. Bij de verkoop van  NK 1892 heeft de commissie aanwijzingen gevonden voor dwang. Deze worden beschreven in overweging 18 van het advies inzake RC 1.78, maar hebben slechts betrekking op de omstandigheden van die verkoop. Zo heeft de commissie onder meer de verklaring van Bachstitz tot ‘Volljude’ van belang geacht. De verkoop van NK 1892 vond vlak hierna plaats. De omstandigheden waaronder de verkoop van NK 1892 op 10 juni 1943 plaatsvond, verschillen ook overigens van die waaronder de verkoop van de thans geclaimde werken in mei 1941 plaatsvond. Voor zover verzoekers verwijzen naar de jodenvervolging in Nederland in het algemeen, merkt de commissie op dat de Aanbevelingen voor de kunsthandel van de Commissie Ekkart er vanuit gaat dat ‘de kunsthandel verkoop van handelsvoorraad als doelstelling heeft, zodat een belangrijk deel van de verrichte transacties, ook bij de joodse kunsthandelaars, in principe gewone verkoop was’.  

11.  In overweging 17 van het advies inzake RC 1.78 heeft de commissie over onder meer de verkoop van NK 864a-b geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat deze verkoop onder dwang heeft plaatsgevonden. Aangezien de verkoop van de thans geclaimde werken onder dezelfde omstandigheden heeft plaatsgevonden, ziet de commissie, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en op het advies inzake RC 4.138, geen aanleiding om met betrekking tot de thans geclaimde werken tot een andere conclusie te komen. 

12.  Verzoekers hebben nog aangevoerd dat, indien de minister hun claim afwijst, dit tot gevolg zal hebben dat ‘they would be held liable for German war reparations’. Daargelaten dat dit betoog is gestoeld op de onjuiste veronderstelling dat de geclaimde werken op grond van Besluit E 133 in beslag zijn genomen, biedt het rijksbeleid ter zake geen mogelijkheid hier rekening mee te houden. Dit betoog kan dus ook niet leiden tot een andersluidend advies.  

13.  Het bovenstaande leidt er toe dat de commissie zal adviseren de claim van verzoekers af te wijzen.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim van verzoekers op NK 865 af te wijzen.

Aldus vastgesteld op 1 december 2015 door W.J.M. Davids (voorzitter), R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (R.A.M. Nachbahr, secretaris)