Stettiner

NK 2694: Oude man met baard van S.Koninck (foto: RCE)

Advies inzake Stettiner

Dossiernummer: 
RC 1.139
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
2 februari 2015
Periode bezitsverlies: 
onbekend

Bij brief van 9 oktober 2013 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het restitutieverzoek van 11 september 2013 van AA, BB, CC, DD, EE en FF (hierna: verzoekers) als gerechtigden tot de nalatenschappen van Alphonse Stettiner, Oscar Stettiner en Adele de Jong-Stettiner (hierna: Adele Stettiner). Het verzoek betreft een schilderij van Salomon Koninck (1609-1656), Oude man met baard, dat onder inventarisnummer NK 2694 deel uitmaakt van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) en dat zich thans bevindt in het depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

De procedure

Oorspronkelijk is Nancy Parke-Taylor, later (vanaf februari 2014) James Palmer, beiden  verbonden aan Mondex Corporation te Toronto, Canada, als vertegenwoordiger van verzoekers bij het restitutieverzoek opgetreden. Tot de vertegenwoordiging strekkende volmachten van vijf van de zes verzoekers zijn overgelegd. Een volmacht van BB is, ook nadat de commissie daar herhaaldelijk om had gevraagd, niet overgelegd, zodat de commissie er van uit moet gaan dat Parke-Taylor en Palmer niet de bevoegdheid hebben om BB te vertegenwoordigen en het verzoek namens de overige vijf verzoekers en niet mede namens BB is gedaan.

Naar aanleiding van het adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. Zij heeft de resultaten van haar onderzoek neergelegd in een conceptonderzoeksrapport gedateerd 22 juli 2014 en dat rapport bij brieven van 23 juli 2014 voor commentaar voorgelegd aan verzoekers en de minister. Verzoekers hebben bij brief van 23 september 2014 gereageerd op het conceptonderzoeksrapport. De minister heeft bij brief van 31 juli 2014 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen.

Eerder hebben de erven Katz als onderdeel van een restitutieverzoek voor 189 kunstwerken teruggave van NK 2694 verzocht. De commissie heeft op 17 december 2012 tot afwijzing van dat restitutieverzoek voor 188 kunstwerken geadviseerd (RC 1.90 B), waaronder NK 2694, welk advies door de minister is gevolgd.

Overwegingen

1. Verzoekers verklaren erfgenamen te zijn van Alphonse Stettiner, Oscar Stettiner en Adele Stettiner (hierna al dan niet gezamenlijk met kunsthandel Stettiner ook aan te duiden als: Stettiner). Zij hebben ten bewijze hiervan erfrechtelijke stukken overgelegd op grond waarvan de commissie geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de positie van verzoekers als gerechtigden tot de nalatenschappen van Stettiner.

2. Verzoekers stellen dat het schilderij Oude man met baard (hierna ook: NK 2694) ten tijde van de hierna te omschrijven gebeurtenissen in 1939/1940 in eigendom toebehoorde aan Alphonse, Oscar en Adele Stettiner of de kunsthandel Stettiner et Cie. te Parijs (een in 1924 opgerichte en in 1951 ontbonden vennootschap naar Frans recht, waarvan Alphonse, Oscar en Adele Stettiner de aandeelhouders waren). Zij achten privé-eigendom van Oscar het meest waarschijnlijk. Voorts stellen zij dat het schilderij door de eigenaar aan de kunsthandel Firma D. Katz (hierna: Katz) te Dieren is uitgeleend of in consignatie gegeven voor een tentoonstelling van 8 juli tot en met 15 september 1939, nadien door Katz niet is geretourneerd aan de eigenaar in Parijs, doch - buiten medewerking of medeweten van Stettiner - op of omstreeks 5 augustus 1940 door Katz is verkocht aan de in Nederland gevestigde Duitse kunsthandelaar Alois Miedl, die kort daarvoor de Amsterdamse kunsthandel J. Goudstikker N.V. had overgenomen (hierna: Goudstikker/Miedl) en dat deze het schilderij kort daarop heeft doorverkocht aan H. Hoffmann, een kunstinkoper voor Hitler, ten behoeve van het in Linz te bouwen Führermuseum. Verzoekers stellen dat het bezitsverlies van het schilderij heeft plaats gevonden in augustus 1940 en onvrijwillig was als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime.

Feitenoverzicht

3. Alphonse, Oscar en Adele Stettiner zijn de in 1876, 1878 en 1880 geboren kinderen van het echtpaar Henri Jules Stettiner en Gertrude Davis. Zij waren van joodse afkomst. Oscar en Alphonse hadden de Britse nationaliteit, Adele de Franse. Henri Stettiner was eind negentiende, begin twintigste eeuw werkzaam als antiquair in Parijs en had een gevestigde reputatie. Nadat Henri zich had teruggetrokken werd het bedrijf voortgezet door de kinderen. Zij waren vennoten van de internationaal bekende en opererende vennootschap Stettiner et Cie.

4. Oorspronkelijk (tot 1935) werd de vennootschap geleid door Alphonse, vanaf 1935 door Oscar. Nadat op 3 september 1939 de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken, heeft Stettiner op 20 november 1939 de kunsthandel aan de Avenue Matignon te Parijs gesloten. Oscar verhuisde naar zijn woning in de Dordogne. Gezien hun joodse afkomst en de Britse nationaliteit van Alphonse en Oscar moesten zij onder de heersende omstandigheden voor vervolging vrezen en die heeft ook plaats gevonden. In het kader van de arisering van het bedrijf werden de handelsvoorraad van de kunsthandel en persoonlijke bezittingen van Alphonse, Oscar en Adele in beslag genomen. Op diverse dagen in de periode februari – mei 1943 is de handelsvoorraad van de kunsthandel geveild. Oscar werd in 1943 gearresteerd en gevangen gezet in La Grande Caserne Denis, die sedert 1940 dienst deed als gevangenis voor Britse burgers. Alphonse, Oscar en Adele hebben de oorlog overleefd. Zij zijn overleden in 1966 (Alphonse), 1948 (Oscar) en 1963 (Adele).

5. In de Archives Nationales te Parijs bevindt zich in de Archives de la Seconde Guerre Mondiale een dossier betreffende het beheer over de kunsthandel Stettiner tijdens de bezetting door een beheerder aangewezen door het Commissariat général aux questions juives, de instantie die verantwoordelijk was voor de uitvoering van het anti-joodse beleid van Vichy Frankrijk. Bij onderzoek van het dossier door de commissie is een inventarislijst aangetroffen van de handelsvoorraad van de kunsthandel Stettiner van 20 mei 1940. Het schilderij van Koninck en de naam Katz worden in de lijst of elders in het dossier niet vermeld. Verzoekers geven daarvoor als verklaring dat het schilderij zich bij het opmaken van de lijst in handen van Katz bevond en dus buiten de inventarisering viel.

6. Na de oorlog kreeg Stettiner het bedrijfspand van de kunsthandel aan de Avenue Matignon terug, maar moest constateren dat de handelsvoorraad en administratie van de kunsthandel en verschillende persoonlijke bezittingen uit het pand waren geroofd door de Duitsers of waren vernietigd. Oscar Stettiner heeft in 1945 en 1946 in Frankrijk claims ingediend in verband met de van hem en/of kunsthandel Stettiner geroofde objecten. De commissie heeft in het kader van het onderhavige restitutieverzoek onderzoek verricht in archieven van de restitutieautoriteiten in Frankrijk. In dossiers met betrekking tot Stettiner is geen verwijzing naar het schilderij van Koninck of naar Katz aangetroffen. Verzoekers verklaren geen bewijs te hebben gevonden dat het schilderij na de oorlog door Stettiner als vermist is opgegeven. Zij voeren als mogelijke verklaring daarvoor aan dat het schilderij eenvoudigweg over het hoofd is gezien, omdat het niet meer in Parijs was toen Stettiner werd beroofd van hun bezittingen in Parijs.

NK 2694

7. Het schilderij Oude man met baard werd na de oorlog uit Duitsland naar Nederland gerecupereerd omdat het tijdens de Duitse bezetting in september 1940 door Goudstikker/Miedl was verkocht aan H. Hoffmann, een kunstinkoper voor Hitler, ten behoeve van het in Linz te stichten Führermuseum.

8. Uit bronnenonderzoek blijkt dat het schilderij wordt vermeld in een catalogus van een veiling bij kunsthandel Eduard Schulte te Berlijn op 20 november 1906 van de collectie van Moritz Freiherr von Königswarter te Wenen. In een geannoteerd exemplaar van de veilingcatalogus in bezit van het RKD is in handschrift ‘14.100-/Kleinberger’ bij het schilderij aangetekend. Mogelijk verwijst dit naar het bedrag dat het schilderij op de veiling heeft opgebracht en naar kunsthandel F. Kleinberger Galleries (werkzaam in Parijs 1848-1973 en in New York 1913-1973) als koper. Zekerheid over de herkomstgeschiedenis van het schilderij in de periode vanaf de veiling in 1906 tot aan de tentoonstelling bij Katz in 1939 is niet verkregen.

9. Van 8 juli tot en met 15 september 1939 hield Katz te Dieren een tentoonstelling van een honderdtal schilderijen (‘Tentoonstelling van belangrijke 17e eeuwsche Hollandsche schilderijen’), waaronder het onderhavige schilderij. In het voorwoord van de catalogus bij de tentoonstelling schreef Katz: ‘Het is met groot genoegen, dat ondergeteekende bij deze den catalogus aanbiedt van een honderdtal schilderijen van oude Meesters in haar bezit. Door het tentoonstellen van deze keuze uit haar zich steeds méér uitbreidende verzameling van hare werken, bedoelt zij mede het aankweeken ten onzent van de waardering onzer Oude Schilderkunst in steeds breeder kring. Zij streeft er meer en meer naar, zooveel mogelijk het beste aan te koopen, wat op dit gebied, in Binnen- en Buitenland te vinden is. Bij het samenstellen dezer Tentoonstelling heeft ondergeteekende haar best gedaan om de prima kwaliteit van haar bezit, duidelijk aan den dag te doen treden’. Deze tekst suggereert dat Katz ten tijde van de tentoonstelling eigenaar was van de tentoongestelde werken (‘haar bezit, ‘hare werken’). In de catalogus bij de tentoonstelling van 1939 wordt bij het onderhavige schilderij (nummer 49, tentoongesteld onder de naam Oude man met handschoenen) als herkomstinformatie vermeld:

Vroeg. coll.:        Verzameling Rusland.
                              Stettiner, Parijs
’.

De commissie heeft niet kunnen vaststellen welke collectie met ‘Verzameling, Rusland’ wordt bedoeld en of en zo ja, in welke periode het schilderij daartoe heeft behoord (voor of na de veiling bij kunsthandel Eduard Schulte te Berlijn in 1906). Bij bestudering van de achterzijde van het kunstwerk heeft de commissie drie Russische lakzegels aangetroffen. Zij heeft hierover een informatieverzoek gericht aan een heraldisch tekenaar en Ruslandkenner. Deze heeft aangegeven dat alle drie de zegels Russisch zijn, dat een daarvan mogelijk een staatszegel/exportzegel is en dat een van de beide andere zegels in de richting van een familie genaamd Oguievsky zou kunnen wijzen. Over een Russische schakel in de herkomst heeft de commissie geen nadere gegevens gevonden.

10. De commissie heeft geen documentatie kunnen achterhalen met nadere details over de in de catalogus vermelde ‘Vroeg. coll. […] /  Stettiner, Parijs’ in relatie tot het schilderij. Verzoekers hebben met betrekking tot de herkomstnaam ‘Stettiner, Parijs’ verklaard: ‘Regardless of which ‘Stettiner, Parijs’ the 1939 Katz catalogue referred to, it could only be the family of our dealers in Paris’. De commissie heeft vastgesteld dat de herkomstnaam Stettiner in verschillende varianten ook wordt vermeld in andere door de commissie onderzochte documenten - inventariskaart 5212 van de Goudstikkeradministratie (‘Stettiner, Paris’) en documentatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit (‘Coll. Stettiner, Paris’) - maar die vermeldingen lijken alle terug te voeren op de vermelding in de Katz-catalogus van 1939 en geven geen nadere informatie over de betreffende herkomstnaam. Tevens heeft de commissie niet kunnen vaststellen wanneer en van wie ‘Stettiner, Parijs’ het schilderij Oude man met baard heeft verkregen. Daarnaast is niet vast komen te staan wanneer het schilderij uit het bezit van ‘Stettiner, Parijs’ is geraakt. 

11.  Met betrekking tot de herkomst van het schilderij in de periode september 1939 (einde tentoonstelling Katz) tot augustus 1940 (verkoop door Katz aan Goudstikker/Miedl) stellen verzoekers dat NK 2694 vermoedelijk in de veilige handen van Katz werd gelaten, omdat Katz volgens verzoekers een bijzondere relatie met de Duitse autoriteiten onderhield. Verzoekers achten het aannemelijk dat het schilderij in augustus 1940 door Katz aan Goudstikker/Miedl werd verkocht om confiscatie als vijandelijk bezit (van Stettiner ) door de Duitsers op de voet van Verordening VO 26/1940 te voorkomen. Verzoekers achten het onwaarschijnlijk dat Katz de opbrengst aan Stettiner heeft kunnen overmaken. Zij hebben de commissie gemeld niet te beschikken over documentatie betreffende ‘the business relationship between the Stettiners or Stettiner et Cie and the Katz dealership’. Ook de commissie heeft hierover bij het onderzoek geen gegevens aangetroffen.

12.  Katz verkocht het schilderij in augustus 1940 aan Goudstikker/Miedl. Dat gebeurde als onderdeel van een grote transactie waarbij Katz ruim 500 schilderijen aan Goudstikker/Miedl verkocht. Blijkens de in het RKD bewaarde inventariskaart 5212 behorend tot de Goudstikkeradministratie uit de oorlogstijd verkocht Goudstikker/Miedl het schilderij in september 1940 aan ‘Reichskanzlei / Berlin / f 30.000,= / 20/9 ‘40’. De verkoop wordt bevestigd door documenten die de commissie bij haar onderzoek heeft aangetroffen in het Nationaal Archief en het Bundesarchiv Koblenz.

Beoordeling van de claim

13.  De achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart (2001) noemt als een voorwaarde voor restitutie dat het eigendomsrecht van het geclaimde voorwerp in hoge mate aannemelijk is terwijl er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Die aanbeveling geldt zowel met betrekking tot eigendomsrecht van een privépersoon als van een kunsthandel (Commissie Ekkart 2003). Bij de beoordeling van de onderhavige claim dient daarom allereerst te worden bezien of het eigendomsrecht van Stettiner en/of kunsthandel Stettiner met betrekking tot het geclaimde kunstwerk NK 2694 in hoge mate aannemelijk is en of er geen aanwijzingen zijn die dit tegenspreken. Daarbij is van belang of het eigendomsrecht gedateerd kan worden op het voor het restitutieverzoek relevante moment, te weten het moment van de verkoop door Katz aan Goudstikker/Miedl (op of omstreeks 2 augustus 1940). De vraag of sprake is van onvrijwillig bezitsverlies van NK 2694 kan pas aan de orde komen als in hoge mate aannemelijk is dat Stettiner in de relevante periode eigenaar was van het schilderij. 

14.  Verzoekers stellen dat Stettiner en niet Katz ten tijde van de tentoonstelling in Dieren in 1939 en ook in augustus 1940 (bij de verkoop aan Goudstikker/Miedl) eigenaar van NK 2694 was. Zij baseren die stelling hoofdzakelijk op de vermelding van het schilderij in de catalogus bij de tentoonstelling, met als herkomst ‘Vroeg. coll.: Verzameling Rusland. / Stettiner, Parijs’. In dit verband stellen verzoekers dat aan het gebruik van het woord Vroeg . (als afkorting voor ‘vroeger’ of ‘vroegere’) geen betekenis toekomt. Katz zou wel vaker door toevoeging van het woord ‘vroeger’ aan de collectie waartoe een kunstwerk behoorde in catalogi de eigendom van tentoongestelde kunstwerken naar zich hebben toegeschreven. Zij verwijzen daarbij naar een ander kunstwerk uit de desbetreffende catalogus.
De commissie is van oordeel dat de vermelding in de catalogus niet meer dan een aanwijzing vormt dat het schilderij gedurende enige periode voor 15 september 1939 in eigendom heeft toebehoord aan ‘Stettiner, Parijs’. Het blijft echter onbekend van wanneer tot wanneer deze periode heeft geduurd.

15.  Voorts hebben verzoekers, naar het oordeel van de commissie, hun stelling dat NK 2694 door Stettiner aan Katz is uitgeleend of in consignatie is gegeven onvoldoende aannemelijk kunnen maken. Het moge zo zijn dat Katz, zoals door verzoekers gesteld, regelmatig kunstwerken voor de verkoop in consignatie nam (aldus oordeelde de commissie in haar advies RC 1.90 B) en dat kunsthandel Stettiner regelmatig schilderijen aan andere kunsthandels in consignatie gaf, maar of dat ook met NK 2694 is gebeurd is niet gebleken. Verzoekers hebben dienaangaande opgemerkt: ‘We do not have documentation showing that the painting was on loan or on consignment to the Katz dealership when exhibited in 1939.

16.  De conclusie is dat het eigendomsrecht van Alphonse, Oscar en Adele Stettiner en/of kunsthandel Stettiner et Cie met betrekking tot NK 2694 niet in hoge mate aannemelijk is. Gezien die conclusie komt de commissie niet toe aan de vraag of kunsthandel of familie Stettiner, zoals door verzoekers gesteld, het bezit van het schilderij door omstandigheden die direct verband houden met het naziregime in augustus 1940 onvrijwillig heeft verloren. 

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim van verzoekers op NK 2694 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 2 februari 2015 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en door de voorzitter ondertekend.

(W.J.M. Davids, voorzitter)

Gerelateerde adviezen: