S.B. Levie

Stadhuis te Amsterdam door G.A. Berckheyde (NK 1978)

Advies inzake S.B. Levie

Dossiernummer: 
RC 1.136
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
27 januari 2014
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 25 oktober 2012 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake het verzoek van 24 augustus 2012 van XX uit YY (hierna: verzoeker) tot teruggave van twee schilderijen die tot het voormalig bezit van Sam Bernhard Levie zouden hebben behoord.

Het betreft Stadhuis te Amsterdam door G.A. Berckheyde (NK 1978) en Een Hollands havengezicht met figuren van A. Willaerts (NK 2729). Beide kunstwerken maken thans onderdeel uit van de Nederlands Kunstbezit-collectie in beheer van de Nederlandse staat.

De procedure

In het kader van het adviesverzoek van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 7 oktober 2013. De commissie heeft dit conceptrapport bij brief van 31 oktober 2013 voor commentaar toegestuurd aan verzoeker, waarop deze bij brief van 12 december 2013 heeft gereageerd. De commissie heeft de conceptrapportage daarnaast voor feitelijke aanvulling toegezonden aan de minister bij brief van 31 oktober 2013, waarop de minister de commissie op 19 november 2013 heeft laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 27 januari 2014.
Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport; hieronder zal worden volstaan met een samenvatting.
Verzoeker heeft zich tijdens de procedure voor de commissie laten vertegenwoordigen door advocaat Nancy Parke-Taylor te Canada.

Overwegingen

  1. Verzoeker vraagt teruggave van twee schilderijen die zouden hebben behoord tot het bezit van Sam Bernhard Levie (1887-1943). De commissie ziet naar aanleiding van de overgelegde erfrechtelijke stukken geen reden om te twijfelen aan de status van verzoeker als gerechtigde tot de nalatenschap van Sam Bernhard Levie.

  2. Sam Bernhard Levie (hierna ook: Levie) werd op 6 april 1887 te Groningen geboren. In 1916 richtte hij samen met Rudolph de Metz in Rotterdam de firma ‘R. de Metz & Co’ op, een handelsonderneming in textiel. Omstreeks 1924 vestigde hij zich in Amsterdam. Op 5 juli 1933 trad Levie in het huwelijk met Sara de Zwarte (1899-1943), uit welk huwelijk geen kinderen werden geboren.

    Gedurende de jaren twintig en dertig was Levie als verkoper en vertegenwoordiger werkzaam in de textielbranche. Vermoedelijk is hij aan het einde van de jaren dertig werkloos geraakt. Tijdens de bezetting, vermoedelijk eind 1942, zijn Levie en zijn echtgenote door de nazi’s gedeporteerd naar Kamp Vught en op of omstreeks 28 mei 1943 om het leven gebracht in Sobibor.

  3. Op grond van het geldende rijksbeleid kan tot teruggave worden overgegaan indien het eigendomsrecht van de geclaimde voorwerpen in hoge mate aannemelijk is en de oorspronkelijke eigenaar het bezit daarvan onvrijwillig heeft verloren als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

  4. Met betrekking tot de eigendom van de twee geclaimde kunstwerken is het volgende gebleken.

    Levie heeft het huidige NK 1978 op een onbekend moment voor de Duitse inval in commissie gegeven aan N.V. kunsthandel J. Goudstikker. Tijdens de bezetting heeft Levie het schilderij daar weggehaald en op 1 augustus 1940 in commissie gegeven aan de Amsterdamse kunsthandel D.A. Hoogendijk & Co. Deze kunsthandel heeft het schilderij vervolgens op 15 september 1940 voor NLG 8.000 aangekocht.

    Wanneer Levie het schilderij NK 2729 heeft verworven, is onbekend. Wel staat vast dat Levie het werk op 12 of 13 september 1940 via kunsthandel Gebr. Douwes heeft verkocht aan W.A. Hofer, een kunstinkoper van Hermann Göring. Welk bedrag Levie bij deze transactie heeft ontvangen is niet duidelijk geworden.

    De commissie acht het op grond van deze gegevens in hoge mate aannemelijk dat de thans geclaimde schilderijen ten tijde van het bezitsverlies eigendom waren van Levie.

  5. In de herkomstreconstructie van de kunstwerken, opgesteld door Bureau Herkomst Gezocht (BHG), wordt vermeld dat Levie een kunsthandel dreef aan de Prinsengracht te Amsterdam. Deze vermelding is gebaseerd op een naoorlogse verklaring van een voormalige huisbaas van Levie, ZZ. Deze verklaarde in 1951 in een brief aan het Nederlands Beheersinstituut (NBI) dat Levie in de jaren 1925/1926 in kunst handelde met kantoor aan de Prinsengracht. De commissie heeft bij haar onderzoek echter geen nadere aanwijzingen gevonden die de stelling ondersteunen dat Levie ooit een kunsthandel heeft gedreven. Wel zijn bij het onderzoek aanwijzingen gevonden dat Levie in textiel handelde, en daarnaast dat hij een groot aantal schilderijen bezat waarvan hij een aantal tijdens de bezetting had ondergebracht bij diverse personen en ondernemingen, hoogstwaarschijnlijk met het doel om deze te verkopen.

  6. De commissie heeft zich in dit kader afgevraagd of Levie ten tijde van het bezitsverlies zou moeten worden aangemerkt als ‘gelegenheidshandelaar’, waarvoor de strengere eisen van het kunsthandelbeleid van toepassing zijn. In de aanbevelingen van de commissie Ekkart voor de kunsthandel (2003), worden gelegenheidshandelaren omschreven als ‘[…] personen, die zich niet hadden gevestigd als kunsthandelaar, maar zich op meer of minder intensieve wijze bezig hielden met de in- en verkoop van kunstwerken.’

    De commissie komt op basis van haar eigen onderzoeksgegevens, en het ontbreken van aanwijzingen die de stelling van ZZ ondersteunen, tot het oordeel dat zij onvoldoende aanwijzingen ziet om Levie ten tijde van het bezitsverlies als gelegenheidshandelaar aan te merken. Zij wijst daarbij op het feit dat Levie tijdens de bezetting weliswaar een aantal schilderijen te koop heeft aangeboden maar niet is gebleken dat hij kunstwerken heeft ingekocht. Dat laatste is volgens de hierboven aangehaalde omschrijving van de commissie Ekkart kenmerkend voor het gedrag van een gelegenheidshandelaar. De commissie concludeert dan ook dat ten aanzien van de onderhavige claim het beleid voor particulieren dient te worden toegepast (de aanbevelingen van de commissie Ekkart 2001).

  7. Ingevolge de derde aanbeveling inzake particulier kunstbezit dienen verkopen van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 te worden beschouwd als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Aangezien Levie een joodse particulier was en de verkopen van de geclaimde schilderijen hebben plaatsgehad tijdens de bezetting (zie overweging 4) dient derhalve te worden uitgegaan van onvrijwillig bezitsverlies.

    Dat Levie het schilderij NK 1978 al voor de oorlog bij kunsthandel Goudstikker in commissie heeft gegeven, acht de commissie onvoldoende aanwijzing voor het tegendeel (vrijwillige verkoop). De bedoeling van Levie bij het in commissie geven van het schilderij op een moment voor de Duitse inval kan niet doorslaggevend worden geacht voor de verkoop van dit werk onder de (veranderde) omstandigheden tijdens de bezetting.

    De commissie is op grond van het bovenstaande van oordeel dat Levie het bezit van de geclaimde schilderijen in de zin van het restitutiebeleid onvrijwillig heeft verloren als direct gevolg van het naziregime.

  8. Tot slot heeft de commissie zich de vraag gesteld of tegenover restitutie van de geclaimde kunstwerken een betalingsverplichting zou moeten worden gesteld in verband met eventueel ontvangen verkoopgelden. Ingevolge het geldende restitutiebeleid is een verplichting tot terugbetaling uitsluitend aan de orde indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erven de opbrengst daadwerkelijk ter vrije beschikking heeft gekregen. Bij twijfel daaromtrent dient de verkoper of zijn erven het voordeel van de twijfel te worden gegund.

    De commissie is hieromtrent van oordeel dat een betalingsverplichting in deze zaak achterwege kan blijven. De door de bezetter tegen joden genomen maatregelen en de situatie waarin Levie zich ten tijde van de verkopen bevond geven voldoende aanleiding om aan te nemen dat er geen sprake was van vrije beschikking over de koopsommen.

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om NK 1978 en NK 2729 te restitueren aan de gerechtigden tot de nalatenschap van Sam Bernhard Levie.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 27 januari 2014 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, R. Herrmann, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart en I.C. van der Vlies, ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (E. Campfens, secretaris)