Hernieuwd advies inzake De Vries II

Bron: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, archief 185c Het Parool, inventarisnummer 214

Hernieuwd advies inzake De Vries II

Dossiernummer: 
4.119
Soort advies: 
Hernieuwd advies
Adviesdatum: 
6 september 2012
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel

Bij brief van 23 april 2010 verzocht de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris, OCW) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om hernieuwd advies over een eerder afgewezen restitutieverzoek van X.X. te Y. (hierna: verzoeker) betreffende de volgende tien schilderijen uit de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie):

- NK 1756: G. Lundens, Interieur van een herberg met jagers en andere figuren
- NK 2047: A. Eversen, Gezicht op een Nederlandse stad
- NK 2059: F.A. Breuhaus De Groot, Boerderij aan zandweg
- NK 2160: A. Schelfhout, Landschap met ruines van kasteel Brederode
- NK 2251: B.C. Koekkoek, Winterlandschap
- NK 2380: J. Ekels I, Haarlemmersluis en de Haringpakkerstoren te Amsterdam
- NK 2508: F. de Braekeleer I, Boerderij
- NK 2727: J.H. Steen, De waarzegster
- NK 2933: K. Dujardin, Paard en twee koeien in heuvelachtig landschap
- NK 3303: H. van Streek, Interieur van de Oude Kerk te Amsterdam

Het eerdere teruggaveverzoek van bovengenoemde schilderijen werd bij besluit van de minister van OCW van 8 februari 2008 afgewezen, conform het advies van de commissie van 3 december 2007 (RC 1.50).[1]

De procedure

De aanleiding voor het verzoek om hernieuwd advies is een brief van verzoeker aan de minister van OCW van 29 maart 2010, waarin hij met een beroep op nieuw feitenmateriaal de minister verzoekt zijn besluit tot afwijzing van het restitutieverzoek, conform het advies RC 1.50, te heroverwegen. Naar aanleiding hiervan heeft de minister de commissie verzocht om een hernieuwd advies op basis van hetgeen door verzoeker in zijn brief van 29 maart 2010 is aangevoerd.

Naar aanleiding van het beroep van verzoeker op nieuwe feiten heeft de commissie een overzicht opgesteld van het bij zijn brief van 29 maart 2010 overgelegde, deels nog niet bekende, bronnenmateriaal. Dit overzicht is neergelegd in een conceptrapport van 20 juni 2011, dat op 6 juli 2011 voor commentaar aan verzoeker en voor feitelijke aanvulling aan de staatssecretaris is gestuurd. Laatstgenoemde heeft op 14 juli 2011 bericht geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. Verzoeker heeft op 25 november 2011, na vier verlengingen van de reactietermijn, via zijn gemachtigde mr. G.J.T.M. van den Bergh gereageerd met een inhoudelijke toelichting op zijn verzoek. Deze reactie is als bijlage bij het definitieve rapport inzake RC 4.119 opgenomen. In de loop van de behandeling van deze zaak heeft de commissie zelf ook nader onderzoek verricht, vooral in het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (hierna: NIOD), waarvan de relevante resultaten zijn gemeld aan verzoeker, laatstelijk bij brief van 22 juni 2012. Tevens zijn de door verzoeker in eerdere restitutiezaken (RC 1.18 en RC 1.50) toegestuurde documenten geraadpleegd.

De zaak is mondeling behandeld op 25 april 2012 in aanwezigheid van verzoeker, zijn echtgenote, kunsthandelaar E.J.M. Douwes (deels), gemachtigden van verzoeker mr. G.J.T.M. van den Bergh en mr. E.S. Wagner en een afvaardiging van de commissie. Bij deze gelegenheid heeft E.J.M. Douwes een toelichting gegeven op documenten afkomstig uit zijn archief en heeft verzoeker zijn standpunten nader uiteengezet. Tevens is tijdens de mondelinge behandeling een aantal aanvullende stukken overgelegd, waaronder een verklaring van 17 april 2012 van de heer P. Knolle, hoofd collecties van het Rijksmuseum Twenthe (overweging 4 k). Tijdens deze zitting heeft de voorzitter in het kader van het feitenonderzoek een gesprek van de commissie aangekondigd met dr. M. de Keizer, senior onderzoeker van het NIOD, over de betekenis van een door verzoeker overgelegd document (overweging 4 g).

Verzoeker heeft vervolgens op 3 en 4 mei 2012 nadere stukken en een toelichting toegezonden, waaronder een in overleg met de gemachtigde van verzoeker opgestelde verklaring van 3 mei 2012 van dr. De Keizer over het betreffende document. Op 4 mei 2012 heeft vervolgens het gesprek tussen de commissie en dr. De Keizer plaatsgevonden, bij welke gelegenheid zij aanvullende informatie heeft verstrekt en de aan verzoeker afgegeven verklaring heeft toegelicht. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt dat, na accordering door dr. De Keizer, bij brief van 7 juni 2012 aan verzoeker is gezonden, tezamen met de resultaten van nader onderzoek dat door de commissie naar aanleiding van het gesprek is verricht. Verzoeker heeft hierop per brief van 14 juni 2012 gereageerd, naar aanleiding waarvan de commissie op 22 juni 2012 aanvullende onderzoeksgegevens aan verzoeker heeft gezonden. Op 1 augustus 2012 heeft verzoeker deze gegevens becommentarieerd, bij welke reactie een aantal nieuwe stukken is overgelegd.

De in de beoordeling van de commissie betrokken toelichting van verzoeker omvat zijn inbreng bij brief van 29 maart 2010, e-mail van 8 juli 2011, brief van 25 november 2011, brief van 3 mei 2012, e-mail van 4 mei 2012, de gegevens en aanvullende stukken verstrekt tijdens de mondelinge behandeling op 25 april 2012 en zijn brieven van 14 juni 2012 en 1 augustus 2012. Bij het aanvankelijke onderzoeksrapport in deze zaak zijn de relevante reacties van verzoeker en de nadere onderzoeksresultaten van de commissie als bijlagen opgenomen, waarna het rapport op 6 september 2012 is vastgesteld.

NK 1756 en NK 2727 maken tevens onderdeel uit van een restitutieverzoek betreffende de kunsthandel Katz (RC 1.90-B). De commissie weegt dubbele claims indien en voor zover nodig tegen elkaar af. In het onderstaande advies blijkt een zodanige afweging, gezien de navolgende overwegingen, niet aan de orde te zijn.

Overwegingen

1. Het onderhavige hernieuwd advies heeft betrekking op de zaak RC 1.50, betreffende schilderijen uit het bezit van de joodse koopman Marcus de Vries (hierna: De Vries), de vader van verzoeker. Inzake RC 1.50 adviseerde de commissie de minister van OCW op 3 december 2007 het teruggaveverzoek toe te wijzen voor wat betreft één werk (NK 3072) en af te wijzen voor wat betreft de bovengenoemde tien schilderijen.

2. In zijn toelichting verklaart verzoeker onder meer dat hij na de beslissing van de minister op het restitutieverzoek RC 1.50 nader onderzoek heeft verricht. Verzoeker stelt dat hij hierbij nieuw relevant feitenmateriaal heeft aangetroffen waaruit blijkt dat de tien onderhavige schilderijen behoorden tot de privéverzameling van De Vries. Verzoeker betoogt dat zijn claim dient te worden beoordeeld conform de normen van het restitutiebeleid inzake particulier kunstbezit en niet, zoals inzake RC 1.50, volgens de (strengere) richtlijnen van het kunsthandelbeleid. Ten aanzien van het bezitsverlies verklaart verzoeker dat acht van de geclaimde schilderijen zijn gestolen op 16 april 1941 of in de dagen na 8/9 juli 1942. De schilderijen NK 1756 en NK 3303 zijn volgens verzoeker in opdracht van De Vries noodgedwongen door diens zwager M.L.J. Lemaire verkocht, onder meer ten behoeve van het levensonderhoud van ondergedoken naasten van De Vries.

Toetsingscriteria

3. De commissie beoordeelt het verzoek om hernieuwd advies conform twee toetsingscriteria, te weten of er in de door verzoeker verstrekte toelichting sprake is van:

a. nieuwe feiten, die, waren zij bekend geweest ten tijde van de vaststelling van het advies inzake RC 1.50, geleid zouden hebben tot een andere conclusie, en/of
b. fouten tijdens de procedure inzake RC 1.50, waardoor fundamentele belangen van verzoeker zijn geschaad.

Aangezien de toelichting van verzoeker geen procedurele bezwaren betreft, maar is gegrond op een beroep op nieuwe feiten, beperkt het onderhavige hernieuwd advies zich tot een toetsing aan criterium a.

4. Ten aanzien van de vraag of sprake is van nieuwe feiten stelt de commissie allereerst vast dat verschillende door verzoeker in de onderhavige procedure overgelegde bronnen reeds onderdeel uitmaakten van het dossier inzake RC 1.50. Betreffende stukken dienden mede als grondslag voor het feitenoverzicht dat is weergegeven in het onderzoeksrapport inzake RC 1.50 van 1 oktober 2007 en zijn, voor zover relevant voor de beoordeling van het restitutieverzoek, omschreven en afgewogen in het advies inzake RC 1.50.

De door verzoeker overgelegde stukken die thans als nieuw zijn aan te merken, zijn de volgende:

a. aantekeningen van verzoeker op pagina’s van zijn agenda uit 1998 (brief van verzoeker d.d. 25 november 2011, bijlage 3);
b. een brief van E.J.M. Douwes sr. van Douwes Fine Art B.V. d.d. 24 september 2009 (ibidem, bijlage 5);
c. het kasboek-overzicht ‘M.F. de Vries, Alhier’ uit het archief van Douwes Fine Art B.V. (ibidem, bijlage 10);
d. een brief van RBZ Recherche d.d. 22 oktober 2009 (ibidem, bijlage 12);
e. een brief van P.L. Zevenbergen Schrift- en Documentonderzoek d.d. 24 november 2008 (ibidem, bijlage 13);
f. een brief van het Stadsarchief Amsterdam d.d. 17 oktober 2011 (ibidem, bijlage 15);
g. een kopie van een in potlood geschreven en op 14 oktober 1986 gedateerde brief met als afzender Mietje Lamaire-de Vries en een kopie van een enveloppe (ibidem, bijlage 17);
h. kopieën van de ‘Richtlijnen voor de heffing uit inkomen en vermogen’ en de daarbij behorende brief van de Joodsche Raad met daarop in handschrift gestelde aantekeningen (ibidem, bijlagen 19 en 21);
i. een brief van P.P.M. de Boer van Kunsthandel P. de Boer B.V. d.d. 30 september 2009 (ibidem, bijlage 22);
j. een ‘overzicht kasregister 1941’ betreffende M.F. de Vries uit het archief van Douwes Fine Art B.V. (ibidem, bijlage 24);
k. een verklaring van P. Knolle, hoofd collecties van het Rijksmuseum Twenthe betreffende het schilderij NK 2380 (door verzoeker overhandigd tijdens de mondelinge behandeling op 25 april 2012);
l. twee stukken betreffende kunsthandel Katz uit het archief van de Stichting Nederlands Kunstbezit (hierna: SNK) (ibidem);
m. een schriftelijke verklaring van dr. M. de Keizer, senior onderzoeker van het NIOD d.d. 3 mei 2012 (bijlage bij de brief van verzoeker d.d. 3 mei 2012);
n. een door verzoeker ondertekende verklaring d.d. 31 juli 2012 (bijlage bij de brief van verzoeker d.d. 1 augustus 2012);
o. een door G.J.T.M. van den Bergh ondertekende brief aan verzoeker d.d. 18 augustus 2008 (ibidem);
p. een door Marina Lemaire ondertekende verklaring d.d. 25 juli 2012 (ibidem).

5. Naar het oordeel van de commissie omvatten de stukken genoemd onder 4 a, d, e, f, h en l geen nieuwe informatie of informatie die voor de aan de orde zijnde vragen relevant is. Verzoeker geeft op grond van deze stukken slechts een nieuwe interpretatie van al bekende en gewogen feiten of de betreffende stukken zien op aspecten die niet relevant zijn voor de advisering. Genoemde documenten houden derhalve geen nieuwe feiten in die, bij bekendheid ten tijde van de vaststelling van het advies, zouden hebben geleid tot een andere conclusie.

6. Het substantiële deel van de argumentatie van verzoeker is gebaseerd op de met potlood geschreven brief genoemd onder overweging 4 g. De betreffende brief is gericht aan M. de Keizer en gedateerd op 14 oktober 1986. Als afzender is de‘Wed. Mvr. M. Lamaire de Vries’ vermeld, met wie bedoeld moet zijn de op 26 oktober 1986 op 98-jarige leeftijd overleden zuster van Marcus de Vries en weduwe van M.L.J. Lemaire. De brief luidt als volgt:

Bron: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, archief 185c Het Parool, inventarisnummer 214

Bron: NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, archief 185c Het Parool, inventarisnummer 214

7. Volgens verzoeker betreft de brief een ‘novum ten opzichte van RC 1.50 aangezien daarin alle zeven werken worden genoemd terzake waarvan de Restitutiecommissie in RC 1.50 de eigendom van De Vries niet aannemelijk heeft geacht’. Verzoeker stelt dat uit de brief volgt dat ‘een aantal met name genoemde schilderijen behoorden tot de privé-collectie van De Vries’. Verzoeker is van mening dat in de brief een duidelijk onderscheid [wordt] gemaakt tussen werken die behoorden tot de kunstverzameling van De Vries enerzijds, en werken die De Vries bij Lemaire voor eventuele verkoop had ondergebracht anderzijds’. De gemachtigde van verzoeker heeft verklaard dat deze brief nog maar kort in het bezit van verzoeker is en dat het stuk destijds door zijn tante is geschreven in het kader van het onderzoek van De Keizer. Dit onderzoek stond in het kader van het proefschrift van De Keizer, dat in 1991 zou verschijnen onder de titel Het Parool (1940-45). Verzetsblad in oorlogstijd.  

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft verzoeker echter verklaard het niet waarschijnlijk te achten dat zijn tante de brief zelf heeft geschreven, aangezien deze twaalf dagen voor haar overlijden is gedateerd en zij indertijd ernstig ziek was. Verzoeker heeft gesuggereerd dat de tekst is gedicteerd aan haar zoon Frits Lemaire, maar heeft tegelijkertijd aangegeven dat hij hierover geen enkele nadere informatie heeft. In zijn reactie van 1 augustus 2012 heeft verzoeker vervolgens verklaard, ondersteund door een verklaring van Marina Lemaire, een kleindochter van Mietje Lemaire-de Vries, dat het handschrift niet afkomstig is van Frits Lemaire of zijn zuster Trees Lemaire, maar dat Mietje Lemaire-de Vries bij het opstellen geassisteerd moet zijn door iemand anders in haar omgeving, zoals een medewerker van het bejaardentehuis waar zij in 1986 verbleef.

8. Het is de commissie opgevallen dat de brief een aantal spelfouten bevat, zoals de twee maal waarop de naam ‘Lamaire’ lijkt te worden geschreven in plaats van ‘Lemaire’, de inconsistente wijze waarop de naam ‘Marcus’/‘Markus’ wordt gespeld, en de foutieve spelling van de naam van de broer van Marcus en Mietje, Joseph de Vries, die in de brief wordt vermeld als ‘Josef’. Het bekende Amsterdamse veilinghuis Mak van Waay wordt daarnaast aangeduid als ‘Mak en van Waay’.

Een en ander maakt het onwaarschijnlijk dat de brief is geschreven door een familielid van Mietje Lemaire-de Vries, of iemand die goed was ingevoerd in de Amsterdamse kunst- en antiekwereld, waartoe de familie Lemaire behoorde. De veronderstelling van verzoeker dat Mietje Lemaire-de Vries bij het opstellen van de brief geassisteerd moet zijn door iemand in haar omgeving is te vaag om daaraan betekenis toe te kennen. Er is immers onvoldoende zekerheid dat het schrijven van de brief van Mietje Lemaire-de Vries uitging. De commissie constateert dat het auteurschap van de brief, zowel inhoudelijk als instrumenteel, onopgehelderd blijft.

9. Naast de hiervoor beschreven kwestie omtrent het auteurschap bevat de brief een aantal onduidelijkheden en roept hij een aantal vragen op die bij het onderzoek onopgehelderd en onbeantwoord zijn gebleven. Het gaat hier om de volgende punten.

- Onduidelijk is gebleven wat bedoeld wordt met: ‘Rest gestolen: zegt dochter en zoon in begin april 1941’.
- Onduidelijk is de betekenis van de opmerking dat schilderijen die zijn ‘verkocht door mijn man Lamaire in opdracht van Markus de Vries, eigendom [zijn] van Josef de Vries in Australië.’
- Verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de brief van Mietje Lemaire-de Vries niets te maken heeft met de hiervoor onder 4 h omschreven stukken van de Joodsche Raad. Verzoeker heeft verklaard dat hijzelf de brief in het archief van het NIOD heeft aangetroffen en het stuk van de Joodsche Raad in een familiearchief. De commissie heeft evenwel bij onderzoek in het archief van het NIOD geconstateerd dat het origineel van de brief van Mietje Lemaire-de Vries is geschreven op de achterkant van een kopie van de ‘Richtlijnen’ van de Joodsche Raad. In zijn brieven van 14 juni 2012 en 1 augustus 2012 heeft de gemachtigde van verzoeker hieraan een uitleg gegeven die op hoofdpunten afwijkt van hetgeen verzoeker tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard. Die uitleg wordt ook niet ondersteund door enig feitelijk gegeven en is slechts gebouwd op veronderstellingen.
- Tijdens het gesprek dat de commissie heeft gevoerd met dr. De Keizer heeft deze verklaard zich de daadwerkelijke ontvangst van de brief in 1986 niet meer te herinneren en heeft zij uitleg gegeven over wat zij heeft bedoeld met haar - blijkens e-mail van 4 mei 2012 - door mr. Van den Bergh opgestelde, anderszins lijkende verklaring van 3 mei 2012. Met betrekking tot de inhoud van de brief heeft dr. De Keizer aangegeven dat gegevens over schilderijen voor haar onderzoek in 1986 niet van belang waren, aangezien dit zich uitsluitend richtte op Het Parool. Zij heeft mevrouw Lemaire-de Vries nooit gesproken.
- Naar aanleiding van de door verzoeker bij zijn toelichting overgelegde kopie van een enveloppe waarin de brief van Mietje Lemaire-de Vries op 14 oktober 1986 aan dr. De Keizer zou zijn verzonden (overweging 4 g; hierna: kopie A) heeft de commissie, laatstelijk op 10 mei 2012, in het archief van het NIOD het origineel van de enveloppe onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de originele enveloppe zichtbaar was dichtgeplakt en aan de bovenrand weer opengemaakt, hetgeen afwijkt van de door verzoeker overgelegde kopie A, waarop de enveloppe aan de bovenrand ongeschonden is. Gelet op treffende identieke details, zoals enkele vlekjes, kreuksels en een specifieke beschadiging, komt het de commissie voor dat het hier gaat om één en dezelfde enveloppe. Voorts heeft de commissie geconstateerd dat verzoeker in oktober 2006, tijdens de procedure inzake RC 1.50, ook een kopie heeft overgelegd van een enveloppe met dezelfde vlekjes, kreuksels en beschadiging (hierna: kopie B). Kopie B uit 2006 toont evenwel een open enveloppe. Op grond van het voorgaande constateert de commissie dat ook kopie B lijkt te zijn gemaakt van dezelfde enveloppe doch dat onopgehelderd is gebleven waarom en door wie er na 24 oktober 2006 – toen er van een brief van Mietje Lemaire-de Vries nog geen sprake was – wat betreft dichtplakken en weer openen veranderingen zijn aangebracht aan de enveloppe waarin de brief van Mietje Lemaire-de Vries zou zijn verzonden.

10. Op grond van de onzekerheid over de hiervoor genoemde enveloppe, over degene die de brief heeft geschreven en over de vraag van wie de daarin vervatte informatie afkomstig is, kan de commissie de betrouwbaarheid van de daarin vermelde gegevens onvoldoende beoordelen. Dit brengt in samenhang met de onopgehelderde inhoudelijke onduidelijkheden in de brief de commissie tot de conclusie dat de brief niet kan gelden als een bron van nieuwe, relevante informatie die bij bekendheid tijdens het opstellen van het advies RC 1.50 zou hebben geleid tot een andere conclusie. De reactie van verzoeker van 1 augustus 2012 en de daarbij gevoegde bijlagen, zoals omschreven onder overweging 4 n t/m p, hebben deze onduidelijkheden niet opgelost.

11. De onder overweging 4 c en j omschreven documenten zijn afkomstig uit de administratie van de Amsterdamse kunsthandel Douwes Fine Art B.V. Tijdens de mondelinge behandeling heeft kunsthandelaar E.J.M. Douwes een toelichting gegeven op de betreffende stukken, waarbij hij het standpunt uit zijn brief van 24 september 2009 (genoemd onder overweging 4 b) heeft herhaald dat Marcus de Vries naar zijn weten kunstverzamelaar en geen kunsthandelaar was. In het kader van Douwes’ verklaring wijst de commissie tevens op de brief van kunsthandelaar P.P.M. de Boer van 30 september 2009 (genoemd onder overweging 4 i), waarin deze verklaart dat op grond van een in zijn archief aanwezige inventariskaart geen reden bestaat om aan te nemen dat De Vries een handelaar is geweest. Ten aanzien van de genoemde documenten en verklaringen oordeelt de commissie dat de wijze waarop beide kunsthandelaren De Vries’ activiteiten schetsen niet tegenstrijdig is met het inzake RC 1.50 omschreven oordeel dat De Vries gelegenheidshandelaar was. Zoals uiteengezet in overweging 4 van advies RC 1.50 wordt in de aanbevelingen van de Commissie Ekkart inzake de kunsthandel gesteld dat ‘naast de reguliere kunsthandelaren, die voor het merendeel reeds lang voor het begin van de oorlog gevestigd waren, in de jaren vanaf 1940 een groeiend aantal “gelegenheidshandelaren” werkzaam was, zowel joodse als niet-joodse personen, die zich niet hadden gevestigd als kunsthandelaar, maar zich op meer of minder intensieve wijze bezig hielden met de in- en verkoop van kunstwerken’. De commissie wijst erop dat dergelijke gelegenheidshandel vanuit het perspectief van gerenommeerde kunsthandels met een lange traditie wellicht niet gemakkelijk als professionele kunsthandel kan worden opgevat. Beide verklaringen tasten voor de commissie de conclusie inzake RC 1.50 niet aan dat op grond van het aangetroffen archiefmateriaal blijkt dat De Vries gedurende de oorlogsjaren actief was als gelegenheidshandelaar van kunst.

12. Al met al komt de commissie tot de conclusie dat door verzoeker onvoldoende nieuwe feiten zijn aangevoerd of anderszins naar voren zijn gekomen die leiden tot het hernieuwde advies aan de staatssecretaris van OCW om de afwijzing van het restitutieverzoek RC 1.50 te heroverwegen.

13. Te dezer plaatse overweegt de commissie ten overvloede:

- in de eerste plaats dat, wanneer wel acht zou kunnen worden geslagen op hetgeen met voldoende duidelijkheid uit de brief (genoemd onder 4 g) zou kunnen blijken, die brief onvoldoende steun geeft aan de stelling dat Marcus de Vries louter een kunstverzamelaar was en niet een ‘gelegenheidshandelaar’ en
- voorts dat ook over de eigendomssituatie van de geclaimde werken en de onvrijwilligheid van het bezitsverlies door Marcus de Vries bij het onderzoek onvoldoende gegevens bekend zijn geworden, zoals overwogen in het advies RC 1.50.

14. Met betrekking tot het schilderij J. Ekels I, De Haarlemmersluis en de Haringpakkerstoren te Amsterdam (NK 2380) heeft de heer P. Knolle, hoofd collecties van het Rijksmuseum Twenthe in zijn brief van 17 april 2012 (overweging 4 k) verklaard dat verzoeker in het weekend van 9 en 10 oktober 2004 met zijn vrouw op bezoek was in het museum in het kader van een bruikleen van een eerder aan hem gerestitueerd schilderij. Verzoeker heeft destijds in een van de museumzalen een stadsgezicht van Jan Ekels de Oude, getiteld Haarlemmersluis en de Haringpakkerstoren te Amsterdam, gezien waarover ‘hij aangaf dat het vroeger in het huis van zijn vader had gehangen’. 

Verzoeker heeft bij de mondelinge behandeling ook persoonlijke herinneringen aan dat schilderij vermeld. Naar aanleiding hiervan heeft de commissie nader herkomstonderzoek in verschillende archieven uitgevoerd. Dit heeft echter geen aanvullende informatie over de eigendom opgeleverd. De commissie overweegt dat uitsluitend op grond van de hiervoor genoemde verklaringen en de eerder in het kader van RC 1.50 door verzoeker aangeleverde verklaringen niet kan worden geconcludeerd dat NK 2380 in de relevante periode nog eigendom was van Marcus De Vries en buiten zijn handelsvoorraad viel, terwijl over de omstandigheden van het eventuele bezitsverlies onvoldoende bekend is geworden om te voldoen aan de vereisten voor teruggave. In dit kader wijst de commissie er nog op dat de herinneringen van verzoeker dateren uit de periode van zijn laatste bezoek aan het huis van zijn vader, geruime tijd voor de bezetting van Nederland (zie ook het advies inzake RC 1.50). 

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de afwijzing van het restitutieverzoek betreffende de schilderijen NK 1756, NK 2047, NK 2059, NK 2160, NK 2251, NK 2380, NK 2508, NK 2727, NK 2933 en NK 3303 in stand te laten.

Aldus vastgesteld op 6 september 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten en H.M. Verrijn Stuart en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)

----
[1] Zie tevens het advies RC 1.18 van 18 mei 2004, waarin de commissie tot teruggave van drie schilderijen adviseerde naar aanleiding van een eerdere claim van verzoeker.

Gerelateerde adviezen: