Portret van Joan Huydecoper naar Bartholomeus van der Helst

Portret van Joan Huydecoper naar Bartholomeus van der Helst

Bindend advies inzake het geschil over teruggave van het schilderij Portret van Joan Huydecoper, anoniem, naar Bartholomeus van der Helst, met gestelde herkomst AA, thans in bezit van de gemeente Amsterdam

Dossiernummer: 
3.144
Soort advies: 
Bindend advies
Adviesdatum: 
30 maart 2015
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bindend advies

in het geschil tussen:

BB,

te Amersfoort

(hierna: verzoekster),

en:

de gemeente Amsterdam,

vertegenwoordigd door M.H.M. Kanters, directeur Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling

(hierna ook: de gemeente),

gegeven door de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog te Den Haag (de Restitutiecommissie), verder te noemen: de commissie.

 

1.         Het geschil

De gemeente heeft verklaard dat het schilderij Portret van Joan Huydecoper (hierna: het werk), anoniem, naar Bartholomeus van der Helst, sinds 1955 eigendom is van de gemeente en deel uitmaakt van de collectie van het Amsterdam Museum (hierna: het Museum). Verzoekster heeft verklaard dat het werk tot februari 1941 deel heeft uitgemaakt van de collectie van haar vader, AA (hierna ook: AA). Verzoekster verklaart de enige rechthebbende op de nalatenschap van AA te zijn en maakt aanspraak op de restitutie van het werk wegens de door haar gestelde onvrijwilligheid van het bezitsverlies als gevolg van omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Partijen hebben door tussenkomst van de commissie een gezamenlijk verzoek gericht aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna ook: de minister) teneinde de aanspraak van verzoekster voor bindend advies aan de commissie voor te leggen. 

2.         De procedure

 De minister heeft de commissie verzocht om advies uit te brengen aan partijen in het kader van artikel 2, tweede lid, van het Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 november 2001, zoals gewijzigd bij Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 juli 2012 (hierna het Instellingsbesluit). De tussenkomst van de minister is ingegeven om pragmatische redenen en de staat wordt op geen enkel tijdstip partij in de procedure.

Partijen hebben schriftelijk verklaard zich te onderwerpen aan het ‘Reglement inzake adviesprocedure in het kader van artikel 2, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, Besluit adviescommissie restitutieverzoeken cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog’ (vastgesteld door de commissie op 3 december 2007, laatstelijk gewijzigd op 27 januari 2014, hierna: het Reglement) en het advies van de commissie als bindend te zullen aanvaarden. De commissie heeft zich overtuigd van de identiteit van partijen. De gemeente heeft een besluit van maart 2014 overgelegd waarin W.P. Spies, directeur van het Museum, wordt gemachtigd om bij de procedure op te treden als aanspreekpunt voor de commissie en om deze van informatie te voorzien. Verzoekster heeft een verklaring van erfrecht van 25 januari 2001 overgelegd waaruit blijkt dat zij de enige erfgename is van haar op 10 januari 2001 overleden vader, AA.

De commissie heeft kennis genomen van alle door partijen overgelegde stukken en heeft daarnaast zelfstandig nader onderzoek verricht. De bevindingen van het onderzoek, zowel van partijen als van de commissie zelf, zijn neergelegd in een conceptfeitenoverzicht, dat bij brieven van 9 december 2014 voor commentaar naar partijen is gestuurd. Verzoekster heeft gereageerd bij brief van 14 januari 2015. De gemeente heeft gereageerd bij brief van 20 januari 2015.
            Bij brief van 11 februari 2015 heeft verzoekster een verklaring van erfrecht van 23 juli 1996 inzake de nalatenschap van CC, haar moeder, overgelegd. Bij brief gedateerd 20 februari 2015 en ontvangen op 2 maart 2015, heeft de gemeente een nadere reactie ingediend. Verzoekster heeft hierop gereageerd bij brief van 19 maart 2015.

Partijen hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge behandeling. Aangezien de commissie hiervoor ook geen aanleiding heeft gezien, heeft in deze zaak geen mondelinge behandeling plaats gevonden.

3.         De feiten

De commissie gaat in deze procedure uit van de volgende feiten:

3.1       AA, geboren op XX, was van joodse afkomst en had de Duitse nationaliteit. Tot begin 1938 was hij woonachtig en werkzaam in Berlijn, waar hij in het bezit was van een kunstverzameling. Als gevolg van de anti-joodse wetgeving vertrok hij begin 1938 met zijn echtgenote naar Nederland en werden zij in 1939 stateloos. Het echtpaar vestigde zich tijdens de oorlog in EE en werd actief in het verzet. Vanaf eind 1943 was AA genoodzaakt onder te duiken, gedurende welke periode zijn dochter (verzoekster) werd geboren. Eind oktober 1944 werd AA gearresteerd en gedetineerd. Hij overleefde de oorlog, evenals zijn echtgenote en dochter.

3.2       Tijdens de bezetting zijn er verschillende objecten uit de kunstcollectie van AA verkocht. Het betrof onder meer verkopen in de periode 1941-1942 aan de Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V. te Amsterdam, onder leiding van de Duitser Alois Miedl (hierna ook: Goudstikker-Miedl).
            Op 11 februari 1941 is het werk door 'AA/ EE' verkocht aan Goudstikker-Miedl. Dit kan worden afgeleid uit de bedrijfsadministratie van de naamloze vennootschap in het archief van het Nederlandse Beheersinstituut (hierna: NBI) en het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (hierna: RKD). Van deze transactie wordt melding gemaakt in het in- en verkoopboek van Goudstikker-Miedl, terwijl er tevens een factuur in de archieven is teruggevonden. De verkoopsom bedroeg NLG 2.500. Daarnaast kende de kunsthandel een provisie van NLG 125 toe aan ‘DD’ uit Amsterdam. Het werk is na de aankoop door Goudstikker-Miedl aangeboden aan verschillende potentiële kopers uit Duitsland, maar is naar alle waarschijnlijkheid onverkocht gebleven.

3.3       Na de bevrijding voerde het NBI het beheer over het vermogen van Miedl en Goudstikker-Miedl. In de bedrijfspanden van Goudstikker-Miedl aan de Herengracht 458 en 468 te Amsterdam werden veel goederen uit de handelsvoorraad aangetroffen, waarvan een gedeelte vervolgens is verkocht in het kader van de liquidatie van de onderneming. Het werk was één van deze goederen en is op 15 april 1947 verkocht bij de firma Frederik Muller & Cie. te Amsterdam. Het bracht NLG 160 op. De koper kan niet met zekerheid worden vastgesteld.

            De gemeente heeft het werk op 19 oktober 1955 voor NLG 5.200 aangekocht van kunsthandel Joseph M. Morpurgo te Amsterdam.

3.4       In het kader van het landelijke onderzoeksproject Museale Verwervingen vanaf 1933 heeft het Museum in de periode 2009-2013 de herkomstgeschiedenis van de eigen collectie onderzocht. Hierbij werd van het werk vastgesteld dat het een problematische provenance heeft. De resultaten van het landelijke project zijn gepubliceerd op de op 29 oktober 2013 gelanceerde website www.musealeverwervingen.nl.
            Het Museum concludeert op de website: 'Het schilderij behoorde vermoedelijk tot de collectie van een joodse verzamelaar, die onder druk van de oorlogsomstandigheden genoodzaakt was enkele van zijn schilderijen te verkopen'.
            Als toelichting vermeldt het Museum:

De voormalige eigenaar van het schilderij vluchtte in 1938 vanuit Berlijn naar Nederland. In 1943 was hij gedwongen onder te duiken. Begin jaren 40 was hij genoodzaakt schilderijen uit zijn verzameling te verkopen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Enkele daarvan werden verkocht via kunsthandel Jacques Goudstikker die op dat moment onder leiding stond van de Duitse Alois Miedl. Er is contact opgenomen met de erven van de joodse verzamelaar’.

3.5       Een andere zaak verdient hier vermelding. De commissie heeft eerder, op YY,
de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geadviseerd over een verzoek om teruggave van verzoekster van twee schilderijen uit de NK(Nederlands Kunstbezit)-collectie in beheer van het Rijk. In deze eerdere zaak heeft de commissie geadviseerd beide kunstwerken terug te geven aan ‘de erven van AA’. De commissie achtte in deze zaak ‘afdoende bewezen’ dat AA aan het begin van de bezetting van Nederland eigenaar was van de geclaimde werken. Daarnaast overwoog de commissie dat onder het rijksbeleid de verkoop van de beide werken als onvrijwillig, als gevolg van omstandigheden die direct verband houden met het naziregime, diende te worden aangemerkt.

4.         Het standpunt van verzoekster

4.1       Verzoekster heeft verklaard dat haar vader een bevlogen kunstverzamelaar was. Aan het werk heeft zij geen herinneringen. Ten tijde van het bezitsverlies was zij immers nog niet geboren.
            Over de omstandigheden waaronder het eigendom van het werk is verloren, heeft verzoekster het volgende verklaard:
‘De verkoop van het schilderij van Bartholomeus van der Helst in februari 1941 valt onder de categorie ‘gedwongen verkoop’ conform de aanbeveling sub 4 betreffende de restitutie van kunstwerken’ uit de Eindrapportage van de Begeleidingscommissie Herkomst Gezocht (December 2004, Bijlage 7): ‘… verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 …’. In het geval van mijn vader ligt deze dwang voor de hand, omdat hij geen beroep kon uitoefenen en dus uitsluitend uit eigen middelen in het levensonderhoud van zichzelf en mijn moeder kon voorzien. Het kan dan ook niet worden aangenomen dat mijn vader de opbrengsten van de verkoop werkelijk ter vrije beschikking heeft gehad. Op grond van wat hij tussen 1933 en 1938 in Duitsland had meegemaakt kon hij vermoeden wat Joden in Nederland bij benadering te wachten stond. Het is aannemelijk dat hij niet alleen middelen nodig had voor zijn levensonderhoud, maar ook voor de eigen veiligheid, temeer daar mijn ouders staatloos waren. Dat vanaf 1943 de financiële situatie benauwd was, blijkt wel uit het feit dat mijn moeder te eniger tijd via het verzet geldelijke steun van onbekende omvang heeft gekregen’.

4.2       Over de mate van inspanning om het werk na de oorlog te achterhalen, heeft verzoekster verklaard dat haar vader op verschillende momenten na de oorlog uiteenlopende activiteiten heeft ontplooid die verband hielden met teruggave van (eigen) kunstwerken, maar dat zij niet bekend is met een actie specifiek gericht op het werk. Na de oorlog is volgens verzoekster geen schadevergoeding voor het verlies van het werk ontvangen.

4.3       Het belang van het werk voor verzoekster heeft zij als volgt omschreven:
‘De bijzondere betekenis, die mijn ouders aan hun collectie van schilderijen, tapijten en andere kunstvoorwerpen hebben toegekend, moge blijken uit de pogingen tot opsporing en teruggave, die mijn vader kort na de oorlog en opnieuw in 1961-1963 heeft gedaan. Dat deze geen enkel resultaat hadden was een teleurstelling voor hem. Het restitutiebeleid zoals dat in Nederland en Duitsland kort na zijn dood vorm heeft gekregen en als gevolg daarvan de feitelijke teruggave van enkele schilderijen beschouw ik als postume genoegdoening aan het rechtsgevoel voor het onrecht dat mijn vader in Duitsland en na 1940 in Nederland is aangedaan. Ikzelf handel vanuit verantwoordelijkheidsgevoel tegenover voormalig bezit van mijn ouders dat de neerslag is van een zeer ingrijpende periode in hun leven. Bovendien meen ik gevoelsmatig in de voetstappen van mijn vader te treden door zijn esthetische keuze voor dit portret van Van der Helst te volgen. Tenslotte draagt een teruggave bij aan instandhouding van de herinnering van onze eigen kinderen aan hun grootouders en aan het bewustzijn van hun levensgeschiedenis’.

5.         Het standpunt van de gemeente

5.1       De gemeente heeft over het herkomstonderzoek, dat voorafgaand aan de verkrijging in 1955 is uitgevoerd, verklaard:
‘Bij de verwerving betrof het onderzoek voornamelijk (kunst)historische aspecten: wie is afgebeeld en door wie is het geschilderd. Voor de in 1975 gepubliceerde schilderijencatalogus is de herkomst onderzocht en werd geconstateerd dat het schilderij in circa 1943 bij kunsthandel Goudstikker was’.

5.2       Wat betreft het belang van het werk voor de juridische eigenaar en/of de beheerder, heeft de gemeente medegedeeld dat het werk zich op dit moment in het depot van het Museum bevindt. De afgelopen decennia is het enkele malen voor een tentoonstelling in bruikleen gegeven. De op het werk afgebeelde Joan Huydecoper (1599-1661) was één van de belangrijkste Amsterdamse burgemeesters. Hij was onder andere één van de initiatiefnemers van de bouw van het stadhuis op de Dam. Het werk heeft binnen de collectie van de gemeente ‘een hoge ensemble waarde’. In de collectie bevinden zich twee andere schilderijen die een directe relatie met het werk hebben, te weten een groepsportret van de overlieden van de Voetboogdoelen door Bartholomeus van der Helst uit 1656, onderdeel van de collectie schutterstukken van de gemeente Amsterdam (het werk is een kopie naar het portret van Huydecoper geheel rechts op het groepsportret) en een aan Wybrand Hendriks toegeschreven portret uit ca. 1790 van een nazaat van Joan Huydecoper (het werk is op de wand achter de geportretteerde afgebeeld).

6.         De taak van de commissie

6.1       Op grond van artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit heeft de commissie tot taak op verzoek van partijen advies uit te brengen over geschillen tot teruggave van cultuurgoederen tussen de oorspronkelijke eigenaar die door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit verloor of diens erfgenamen en de huidige bezitter niet zijnde de Staat der Nederlanden. Dit advies is een bindend advies in de zin van artikel 7:900 BW.

6.2       Met betrekking tot verzoeken ten aanzien van cultuurgoederen uit de NK-collectie die bij de minister zijn ingediend voor 30 juni 2015, geldt op grond van het relevante rijksbeleid dat indien voldaan is aan de eis dat de oorspronkelijke eigenaar door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime onvrijwillig het bezit heeft verloren, de commissie adviseert tot teruggave van het desbetreffende cultuurgoed. Bij deze beoordeling wordt het belang van de huidige houder of bezitter niet meegewogen. Deze regel is geheel te billijken ten aanzien van kunstwerken uit de NK-collectie, aangezien het bij deze kunstwerken over het algemeen gaat om na afloop van de Tweede Wereldoorlog naar Nederland gerecupereerde werken die door de Nederlandse Staat in beheer genomen zijn met de uitdrukkelijke opdracht deze – zo mogelijk – terug te geven aan de rechthebbenden of hun erfgenamen.

6.3       Ten aanzien van cultuurgoederen die geen onderdeel zijn van de NK-collectie geldt een ander toetsingskader. De commissie adviseert in die gevallen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 2, vijfde lid van het Instellingsbesluit). Dit verschil in toetsingskader vindt zijn rechtvaardiging in het verschil in herkomst van cultuurgoederen uit de NK-collectie enerzijds en de herkomst van andere cultuurgoederen anderzijds. Tot de laatste categorie behoren bijvoorbeeld ook kunstvoorwerpen die, anders dan kunstvoorwerpen uit de NK-collectie, door de huidige bezitter pas vele jaren na de Tweede Wereldoorlog op reguliere wijze en te goeder trouw zijn aangekocht. Advisering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid biedt dan ruimte om rekening te houden met deze en andere omstandigheden en om de diverse betrokken belangen tegen elkaar af te wegen.

            Bij haar advisering ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Instellingsbesluit, kan de commissie conform artikel 3 van het Reglement in ieder geval in haar overwegingen betrekken de omstandigheden waaronder het bezit van het werk verloren is gegaan, de mate waarin de partij die om teruggave verzoekt zich heeft ingespannen om het werk te achterhalen, alsmede het tijdstip en de omstandigheden van de verwerving van het bezit door de huidige bezitter en het door hem verrichte onderzoek voor de verwerving. Daarnaast kan het onderscheidenlijke belang van het werk voor de beide partijen en van het openbaar kunstbezit in de overweging worden betrokken. De internationaal en nationaal aanvaarde beginselen, zoals de Washington Principles en de beleidslijnen van de regering inzake de restitutie van roofkunst, kunnen in de overweging worden betrokken voor zover zij naar de opvatting van de commissie in het concrete geval van overeenkomstige toepassing zijn.

            Dit ruime afwegingskader doet ook recht aan de Washington Principles, volgens welke beginselen het restitutiebeleid gericht moet zijn op het bereiken van ‘a just and fair solution, recognizing this may vary according to the facts and circumstances surrounding a specific case.

7.         Beoordeling van het geschil

 7.1       De commissie heeft zich ervan vergewist dat het geschil tussen verzoekster en de gemeente niet reeds definitief is afgehandeld. Zo is de commissie niet gebleken van een rechterlijke procedure of van een rechterlijke uitspraak inzake het werk. Evenmin heeft verzoekster eerder uitdrukkelijk afstand gedaan van haar rechten op het werk. De commissie acht partijen derhalve ontvankelijk in hun verzoek.

7.2       Verzoekster heeft gesteld de enige erfgenaam te zijn van AA. De commissie heeft kennis genomen van notariële verklaringen van erfrecht, die zich in het onderzoeksdossier van de commissie bevinden. Uit de notariële verklaring van erfrecht van 25 januari 2001 inzake de nalatenschap van AA, en de notariële verklaring van erfrecht van 23 juli 1996 inzake de nalatenschap van CC, de moeder van verzoekster met wie AA in gemeenschap van goederen gehuwd is geweest, blijkt dat verzoekster als enige gerechtigd is tot de nalatenschappen van AA en diens vooroverleden echtgenote.

7.3       Ten aanzien van de eigendomsvraag oordeelt de commissie als volgt. Het onderzoek heeft geen uitsluitsel kunnen bieden over de vraag hoe en wanneer het werk in het bezit is gekomen van AA, maar wel is komen vast te staan dat hij het werk op 11 februari 1941 voor  NLG 2.500 heeft verkocht aan Goudstikker-Miedl. Van deze transactie wordt immers melding gemaakt in het in- en verkoopboek van deze kunsthandel, terwijl er tevens een factuur in de archieven is teruggevonden. De vermelding 'AA / EE' in deze administratiegegevens, biedt naar het oordeel van de commissie voldoende grond voor het oordeel dat het in hoge mate aannemelijk is dat AA ten tijde van de verkoop van het werk op 11 februari 1941 eigenaar was van het werk.

7.4       Wat betreft de aard van het bezitsverlies overweegt de commissie dat deze als onvrijwillig dient te worden aangemerkt. Hiervoor verwijst de commissie in de eerste plaats naar de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart van 26 april 2001, zoals overgenomen door de regering, die bepaalt dat verkopen door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als onvrijwillig dienen te worden beschouwd tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Deze aanbeveling is naar het oordeel van de commissie van overeenkomstige toepassing in de thans voorliggende  zaak. Verder neemt de commissie bij haar oordeelsvorming in aanmerking hetgeen verzoekster hierover heeft verklaard, zoals weergegeven onder 4.1. Met verzoekster acht de commissie het aannemelijk dat AA als stateloos ingezetene, van joodse afkomst, in Nederland gedurende de bezettingsjaren zijn beroep niet kon uitoefenen en genoodzaakt was ter voorziening in zijn levensonderhoud en in het belang van zijn veiligheid het werk te verkopen. Ook de omstandigheid dat hij en zijn echtgenote deelnamen aan het verzet speelt daarbij een rol.

7.5       Naar Nederlands recht moet worden aangenomen dat de gemeente thans eigenaar is van het werk. De gemeente heeft het schilderij in 1955 verworven. De commissie heeft geen enkele aanwijzing dat de gemeente bij die verwerving onzorgvuldig heeft gehandeld.

7.6       Thans komt de commissie toe aan een afweging van de belangen van partijen bij teruggave respectievelijk behoud van het werk. Bij die afweging legt in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het eigendomsrecht van de gemeente onvoldoende gewicht in de schaal om het geschil ten gunste van de gemeente beslissen. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat, nu de gemeente een overheidsorgaan is, de Washington Principles van overeenkomstige toepassing zijn. Wat betreft de gestelde ‘hoge ensemble waarde’ is voorts van belang dat het werk weliswaar het groepsportret van Bartholomeus van der Helst uit 1656 verbindt met het aan Wybrand Hendriks toegeschreven portret uit ca. 1790 en derhalve een schakelstuk is, maar dat het werk niettemin een kopie is naar het portret van Joan Huydecoper in het groepsportret van Van der Helst uit 1656, dat de maker van het werk onbekend is en dat dit zich thans in het depot van het Museum bevindt. Bezien in het licht van een en ander, zijn de door de gemeente gestelde belangen naar het oordeel van de commissie niet zodanig zwaarwegend dat zij aan teruggave in de weg staan. Tegenover dit belang van de gemeente staat het door verzoekster gestelde emotionele en morele belang bij teruggave van het werk. Verzoekster heeft in dit verband gesteld dat zij handelt vanuit een verantwoordelijkheidsgevoel tegenover het voormalig bezit van haar ouders en dat de teruggave van het werk bijdraagt aan de instandhouding van de herinnering van haar eigen kinderen aan hun grootouders en aan het bewustzijn van hun levensgeschiedenis. In dit verband is daarnaast van belang dat verzoekster eerstegraads familie is van de oorspronkelijke eigenaar, die het bezit van het werk op onvrijwillige wijze heeft verloren. Gelet hierop merkt de commissie het belang van verzoekster bij teruggave van het werk als zwaarwegender aan dan het belang van de gemeente bij behoud van het werk.

7.7       De commissie ziet zich voor de vraag gesteld of aan de afgifte van het werk een tegenprestatie door verzoekster dient te worden verbonden. In dit verband is van belang dat de gemeente het werk in 1955 heeft verworven voor een bedrag van NLG 5.200 en dat er geen aanwijzingen zijn dat de gemeente destijds niet te goeder trouw heeft gehandeld. De commissie is echter van oordeel dat dit een relatief gering bedrag betreft, terwijl de gemeente wel sinds 1955 het genot van het werk heeft gehad. Dat het werk zich hoofdzakelijk in het depot heeft bevonden, doet hieraan niet af, aangezien dit de keuze van het Museum is geweest. Onder deze omstandigheden ziet de commissie geen aanleiding om aan de afgifte van het werk een tegenprestatie door verzoekster te verbinden.

7.8       Op grond van het vorenstaande geeft de commissie het volgende bindend advies.

 

BINDEND ADVIES

De commissie adviseert de gemeente Amsterdam het schilderij Portret van Joan Huydecoper, anoniem, naar Bartholomeus van der Helst, te restitueren aan BB.

Dit bindend advies is gegeven op 30 maart 2015 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, R. Herrmann en I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de waarnemend secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (R.A.M. Nachbahr, waarnemend secretaris)