Mautner (B)


Advies: Mautner (B)
Nummer: 1.89B
Datum: 16-12-2012

NK 2655, foto: RCE

Advies inzake Mautner (B)

(zaaknummer RC 1.89-B)

Bij brief van 13 juni 2007 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het restitutieverzoek van 4 april 2007 van X.X. te A. (VS) en Y.Y. te A. (VS) (hierna: verzoekers). Het restitutieverzoek betrof verschillende objecten uit de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) die tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk tot het bezit van hun oom respectievelijk oudoom Wilhelm M. Mautner hadden behoord. Het onderhavige advies heeft betrekking op het schilderij Rivierlandschap met figuren en een wagen voor een toren van Jan Steen (NK 2655). Thans bevindt het schilderij zich in depot bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE).

DE PROCEDURE

Het aanvankelijke adviesverzoek van 13 juni 2007 betrof vijf schilderijen uit de NK-collectie (inventarisnummers NK 1655, NK 1783, NK 2216, NK 2297 en NK 2655) en werd door de commissie geregistreerd onder dossiernummer RC 1.89.

Aangezien NK 2655 tevens deel uitmaakt van een restitutieverzoek inzake de kunsthandel Firma D. Katz te Dieren (RC 1.90-B), heeft de commissie besloten de advisering inzake RC 1.89 op te splitsen in twee deeldossiers. Hierover zijn de minister en verzoekers bij brieven van 20 oktober 2009 geïnformeerd. De claim met betrekking tot de objecten NK 1655, NK 1783, NK 2216 en NK 2297 werd ondergebracht in dossier RC 1.89-A, waarover op 12 oktober 2009 advies is uitgebracht. De claim met betrekking tot NK 2655 is ondergebracht in dossier RC 1.89-B, waarover hieronder het advies volgt.

In het kader van het adviesverzoek heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn bij brieven van 23 februari 2009 en 11 januari 2011 ter commentaar toegezonden aan verzoekers en op 23 februari 2009 ter feitelijke aanvulling voorgelegd aan de minister. Verzoekers hebben commentaar verschaft bij brieven van 23 maart 2009, 25 mei 2009, 30 juni 2009, 31 januari 2011, 5 april 2011 en 20 oktober 2011. De minister heeft gereageerd op 9 maart 2009. De onderzoeksresultaten zijn tevens op 7 oktober 2010 voor commentaar voorgelegd aan de verzoekers inzake Katz (RC 1.90-B), die hierop hebben gereageerd. De reacties zijn verwerkt in het definitieve onderzoeksrapport inzake
RC 1.89-B, dat is vastgesteld op 17 december 2012.

Verzoekers hebben zich tijdens de procedure laten vertegenwoordigen door dr. H. Kahmann, advocaat te Berlijn, Duitsland.

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekers vragen om teruggave van een schilderij van de kunstenaar Jan Steen getiteld Rivierlandschap met figuren en een wagen voor een toren uit het derde kwart van de zeventiende eeuw (NK 2655). Verzoekers stellen dat dr. Wilhelm M. Mautner (1889-1944; hierna: Mautner) het bezit van dit schilderij tijdens de oorlog heeft verloren ‘due to Nazi persecution during the German occupation of the Netherlands’. Verzoekers zijn X.X. en Y.Y., respectievelijk een dochter en een kleindochter van Franz Heinrich Mautner, een broer van Mautner. Naar mededeling van verzoekers vormen zij ‘the community of heirs after Dr. Wilhelm Mautner’. De commissie acht het op basis van overgelegde erfrechtelijke documenten aannemelijk dat zij behoren tot de kring van gerechtigden in het kader van dit verzoek.

  2. De commissie heeft onderzocht of sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak. Volgens de aanbevelingen van de Commissie Ekkart uit 2001 en de regeringsreactie daarop is hiervan sprake indien ‘door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter een vonnis is gewezen’ of indien ‘de vordering tot teruggave bewust en weloverwogen heeft geresulteerd in een schikking dan wel claimant expliciet van de vordering tot teruggave heeft afgezien’. Bij het onderzoek is niet gebleken dat de nabestaanden van Mautner na de oorlog bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) aangifte hebben gedaan in verband met het verlies van het schilderij Rivierlandschap met figuren en een wagen voor een toren. Evenmin zijn gegevens gevonden die erop wijzen dat dit schilderij na de oorlog onderwerp is geweest van een schikking of van een rechterlijke uitspraak. De commissie oordeelt dan ook dat hier geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak en dat verzoekers ontvankelijk zijn in hun restitutieverzoek.

  3. De relevante feiten zijn beschreven in het onderzoeksrapport van 17 december 2012. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Mautner was een in Wenen geboren econoom van joodse afkomst. Hij vestigde zich in 1919 in Nederland, waar hij jarenlang werkzaam was bij de Rotterdamse Bank. Vanaf 1929 tot augustus 1943 woonde hij aan de Haringvlietstraat 13 II in Amsterdam; daarna aan de Tugelaweg 147 II in dezelfde stad. Tijdens de oorlog heeft Mautner tevergeefs geprobeerd het naziregime te ontvluchten. Dit blijkt uit documentatie uit het archief van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung en het archief van het Ministerie van Justitie te Londen, waaruit kan worden afgeleid dat Mautner met hulp van zijn in New York woonachtige broer heeft gepoogd een uitreisvisum voor de Verenigde Staten te verkrijgen. In december 1943 is Mautner bij een razzia in Amsterdam uit zijn woning weggehaald en naar Westerbork gedeporteerd, van waaruit hij naar Theresienstadt is weggevoerd. Mautner is omstreeks 29 september 1944 omgekomen te Auschwitz.

  4. Mautner bezat een schilderijencollectie van onder meer Hollandse meesters. Hij zou tijdens de oorlog nog kunstwerken hebben gekocht en verkocht. De met hem bevriende Hans Alfred Wetzlar (hierna: Wetzlar) verklaarde na de oorlog: ‘… dat de Heer Mautner nogal het een en ander in schilderijen deed. Vanaf 1941 kon hij dit niet meer op zijn eigen naam doen [vanwege zijn joodse afkomst, RC], en heb ik daarom verschillende schilderijen voor hem op mijn naam gekocht’. Verzoekers stellen over de verkoop van schilderijen tijdens de oorlog dat hierbij geen sprake was van het drijven van een kunsthandel. Mautner zou de intentie hebben gehad zijn collectie te behouden en zou deze zelfs hebben uitgebreid gedurende de bezetting van Nederland. Over mogelijke verkopen door Mautner tijdens de oorlog stellen verzoekers: ‘It is evident that he did so only to maintain himself during his racial persecution’. Daarnaast kregen verschillende personen tijdens de oorlog kunstwerken en/of andere eigendommen van Mautner in bewaring. Verzoekers stellen dat Mautner een substantieel deel van zijn kunstcollectie, waaronder de geclaimde schilderijen, heeft verloren als gevolg van vervolgingsmaatregelen tijdens het naziregime. Bij het onderzoek van de commissie is naoorlogse correspondentie van de Stichting Bewindvoering Afwezigen en Onbeheerde Nalatenschappen aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat tijdens de oorlog ‘funds’ van Mautner door de bezetter zijn geconfisqueerd. Daarnaast is de naam Mautner vermeld in een overzicht uit het archief van de beheerders-vereffenaars van de Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat (LVVS), ook wel bekend als de roofinstelling Liro, waaruit blijkt dat in de periode 1941-1945 kostbaarheden uit Mautners bezit zijn geroofd. Ook kan uit documentatie van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung worden afgeleid dat Mautner tijdens de oorlog waarschijnlijk kostbaarheden heeft ingeleverd ter verkrijging van een (voorlopige) vrijstelling van deportatie. Mogelijk is dit gebeurd in of na juni 1943. Overzichten van de confiscaties en van de kostbaarheden die zijn ingeleverd, zijn bij het onderzoek niet aangetroffen.

  5. Uit documentatie uit het archief van kunsthandel P. de Boer te Amsterdam kan worden afgeleid dat de betreffende kunsthandel het thans geclaimde schilderij waarschijnlijk in september 1934 heeft aangekocht en vervolgens in november 1934 heeft verkocht aan ‘Minken’. Met ‘Minken’ is mogelijk de in januari 1936 opgeheven antiquiteitenfirma J.F. Minken te Amsterdam bedoeld. Ook is bekend dat het huidige NK 2655 naar alle waarschijnlijkheid in 1938 in bezit was van Mautner. Dit blijkt uit drie geannoteerde fotokaarten van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) en een inventariskaart van de SNK, die de naam ‘Dr. W. Mautner’ en het jaartal 1938 vermelden. Wanneer, hoe en van wie Mautner het thans geclaimde schilderij heeft verkregen, kan niet worden vastgesteld, omdat hierover geen documentatie is aangetroffen. Verzoekers achten het plausibel dat de kunsthandel die zij aanduiden als ‘F.H. Minken’ het schilderij tijdens de opheffing van de zaak in 1936 aan Mautner heeft verkocht.

  6. Voor wat betreft de jaren 1939-1942 zijn geen gegevens aangetroffen over de verblijfplaats van het kunstwerk. Het is derhalve niet bekend hoe en wanneer het huidige NK 2655 uit Mautners bezit is geraakt. Wel is bij het onderzoek een naoorlogse verklaring aangetroffen van de onder 5 genoemde kunsthandel P. de Boer. Naar aanleiding van een in 1950 door de restitutie-autoriteiten georganiseerde tentoonstelling die diende om eigenaren van uit Duitsland teruggevoerde kunstwerken te achterhalen, stelde deze kunsthandel over het huidige NK 2655 dat dit schilderij ‘eigendom is of in elk geval was van den in den oorlog omgekomen Dr. Mautner’.

  7. Bij het feitenonderzoek zijn de volgende gegevens over de herkomstgeschiedenis van het schilderij vanaf 1943 aangetroffen.
    (a)    Het huidige NK 2655 was volgens gegevens op de RKD-fotokaarten in 1943 aanwezig bij ‘Kunsthandel D. Katz, Den Haag’. De SNK-inventariskaart van het kunstwerk vermeldt eveneens de herkomstnaam ‘D. Katz, Den Haag’. De verwijzingen hebben betrekking op kunsthandel Firma D. Katz te Dieren, vanaf 1941 N.V. Schilderijen en Antiquiteitenhandel v/h D. Katz (hierna: kunsthandel Katz). De betreffende kunsthandel beschikte over een filiaal in Den Haag. Bij het onderzoek van de commissie is onbekend gebleven op welke bronnen de verwijzingen naar kunsthandel Katz zijn gebaseerd. Wel zijn nog meer aanwijzingen gevonden voor een mogelijke betrokkenheid van kunsthandel Katz bij de herkomstgeschiedenis van het schilderij. Zo noemt een door het Deutsches Historisches Museum vervaardigde database betreffende de collectie die was bestemd voor het op te richten Führermuseum te Linz als ‘Vorbesitzer’ van het huidige NK 2655: ‘Nathan und Benjamin Katz, Hoflieferant Katz / Dieren (Kunsthandel Niederlande)’. Ook is een briefkaart van de huisbewaarder van de kunsthandel Katz van februari 1943 aangetroffen, waarop het volgende is vermeld: ‘[Nu] mijnheer ik ben afgelopen week aan het handelen geweest. Ridder had van iemand een goed schilderij wat wij mochten verkopen nu heb ik dat voor mijn doen met succes aan Bandertje verkocht het was een vroege J. Steen (...). Het heeft 50 mil opgebracht dit was voor ons een buitenkansje’. Het is niet uitgesloten dat deze ‘vroege J. Steen’ van de briefkaart het thans geclaimde schilderij betreft, maar door de summiere omschrijving op de briefkaart en het ontbreken van nadere gegevens is hierover geen duidelijkheid verkregen.
    (b)     Aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid van een niet nader geïdentificeerde kunstschilder ‘Keisinga’ of ‘Keizinga’ te Den Haag of Antwerpen, België. Zo zou het huidige NK 2655 bij deze kunstschilder zijn bezichtigd door Dr. Göpel, die zich bezighield met verwervingen voor het op te richten Führermuseum te Linz. In het onderzoek door de commissie is niet meer bekend geworden over ‘Keisinga’ of ‘Keizinga’ en zijn eventuele rol in de herkomstgeschiedenis van het schilderij.
    (c)    Ten slotte zou het schilderij op 5 januari 1944 door of via kunsthandel Bernhard Böhmer te Güstrow, Duitsland zijn aangekocht voor de collectie van het op te richten Führermuseum te Linz. Het staat niet vast wanneer en op welke wijze het huidige NK 2655 terecht is gekomen bij kunsthandelaar Böhmer.


    BEOORDELING CLAIM


  8. Aangezien bij het onderzoek geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat Mautner was gevestigd als kunsthandelaar, is de commissie van oordeel dat de claim dient te worden beoordeeld conform het restitutiebeleid inzake particulier kunstbezit. Op grond hiervan kan tot teruggave worden geadviseerd indien de eigendom in hoge mate aannemelijk is en de oorspronkelijke eigenaar het bezit van het kunstwerk onvrijwillig heeft verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime. Hierbij geldt, ingevolge de derde aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001, dat verkopen door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 als gedwongen worden beschouwd, tenzij nadrukkelijk anders blijkt.

  9. De commissie concludeert dat het huidige NK 2655 in 1938 in bezit was van Mautner, maar dat onbekend is gebleven wanneer en op welke wijze hij het bezit van het schilderij precies heeft verloren. In verband met de eigendomssituatie wijst de commissie op de onder 6 omschreven naoorlogse verklaring van kunsthandel P. de Boer, die zij beoordeelt als een belangrijke aanwijzing dat Mautner het kunstwerk tijdens de bezetting nog in bezit heeft gehad. De Boers verklaring staat immers in het kader van een poging van de restitutie-autoriteiten om voor wat betreft tentoongestelde kunstwerken specifiek de eigenaren tijdens de oorlog te achterhalen. In aanvulling hierop hecht de commissie belang aan het feit dat ook na uitgebreid (kunst)historisch onderzoek geen indicatie is gevonden dat Mautner, een particuliere kunstverzamelaar, het schilderij voor de bezettingsjaren zou hebben verkocht of dat het kunstwerk voor 1943 in bezit van een andere persoon of kunsthandel was. Op grond hiervan acht de commissie het in hoge mate aannemelijk dat Mautner het huidige NK 2655 tijdens het begin van de bezetting nog in bezit had en dit bezit op enig tijdstip voor zijn deportatie naar Westerbork in december 1943 heeft verloren.

  10. Omtrent het bezitsverlies stellen verzoekers dat het aannemelijk is dat Mautner in 1943 een koper voor het geclaimde schilderij heeft gezocht en dat hij dit vanwege zijn joodse afkomst heeft gedaan met hulp van derden, bijvoorbeeld de onder 4 genoemde Wetzlar. De commissie overweegt dat deze handelwijze, waarbij Wetzlar schilderijen verkocht in opdracht van Mautner, vaker is gevolgd bij de verkoop van kunstwerken uit Mautners collectie, zoals omschreven in het op 12 oktober 2009 uitgebrachte advies RC 1.89-A. Daarnaast wijst de commissie op de onder 3 omschreven poging van Mautner om te vluchten naar de Verenigde Staten, waarvoor hij geldelijke middelen zal hebben moeten verzamelen. Gelet op deze feiten acht de commissie een verkoop van NK 2655 in de oorlogsperiode, eventueel met hulp van Wetzlar, zeer aannemelijk. Aangezien Mautner tot een vervolgde bevolkingsgroep behoorde, heeft een verkoop van NK 2655 tijdens de oorlog op grond van het restitutiebeleid een onvrijwillig karakter. Er zijn in het onderzoek geen aanwijzingen gevonden die deze aanname tegenspreken.

  11. De commissie overweegt nog dat ook wanneer NK 2655 niet is verkocht door of in opdracht van Mautner, er sprake is van onvrijwillig bezitsverlies. Mautner was een particuliere kunstverzamelaar die vanwege zijn joodse afkomst werd vervolgd. Tijdens het naziregime voelde hij zich ernstig beperkt in zijn vrijheid. Hij bracht onder meer delen van zijn schilderijencollectie onder bij bekenden en ondernam een vluchtpoging naar de Verenigde Staten. Uiteindelijk werd hij bij een razzia in 1943 uit zijn woning weggehaald en via Westerbork en Theresienstadt naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij in 1944 is omgekomen. Zoals onder 4 overwogen, blijkt uit het onderzoek dat op last van de nazi-autoriteiten confiscaties hebben plaatsgevonden ten aanzien van het bezit van Mautner en dat hij waarschijnlijk kostbaarheden heeft ingeleverd om een (voorlopige) vrijstelling van deportatie te verkrijgen. De commissie acht het aannemelijk dat, wanneer Mautner het schilderij NK 2655 bij zijn arrestatie in 1943 nog in bezit heeft gehad, dit door de bezetter is geconfisqueerd. Op grond van het voorgaande oordeelt de commissie dat aan alle voorwaarden voor teruggave van het huidige NK 2655 aan de erfgenamen van Mautner is voldaan, met inachtneming van hetgeen hierna afzonderlijk wordt overwogen onder 12 en 13. 

  12. Op het huidige NK 2655 rust tevens een aanspraak in verband met het restitutieverzoek inzake de kunsthandel Katz (RC 1.90-B). Uit het onderzoek blijkt dat het huidige NK 2655 mogelijk via kunsthandel Katz en anderen in 1943/1944 terecht is gekomen in Duitsland. De commissie overweegt dat het onderzoek geen duidelijkheid heeft opgeleverd over de rol van kunsthandel Katz bij de herkomstgeschiedenis van NK 2655. Het is onzeker gebleven of de ‘vroege J. Steen’ op de onder 7 genoemde briefkaart betrekking heeft op NK 2655. Bovendien volgt uit de tekst op de briefkaart dat kunsthandel Katz ten aanzien van de verkoop van deze Steen een bemiddelende rol vervulde, hetgeen aansluit bij het onderzoek van de commissie inzake kunsthandel Katz, waaruit blijkt dat deze kunsthandel dikwijls bemiddelde bij de verkoop van kunstwerken voor andere eigenaars. Naar het oordeel van de commissie komt in dit geval alleen de claim op NK 2655 van de verzoekers inzake Mautner in aanmerking voor een positief advies. Immers, het eigendomsrecht van Mautner is in hoge mate aannemelijk geworden, maar het onderzoek inzake kunsthandel Katz heeft niet kunnen uitwijzen of sprake was van bemiddeling of van eigendom. Daarnaast hebben de verzoekers inzake kunsthandel Katz (RC 1.90-B) ten aanzien van NK 2655 gesteld dat ‘[T]here is no strong documentation for Katz involvement’.

  13. Tot slot wordt overwogen of tegenover restitutie van NK 2655 een betalingsverplichting zou moeten worden gesteld in verband met een bij een eventuele verkoop van het schilderij ontvangen tegenprestatie. Ingevolge het geldende restitutiebeleid is een verplichting tot terugbetaling uitsluitend aan de orde indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erven de opbrengst daadwerkelijk ter vrije beschikking hebben gekregen. Hieromtrent overweegt de commissie allereerst dat er geen bijzonderheden over de eventuele verkoop van NK 2655 door Mautner bekend zijn, zoals de hoogte van de verkoopsom. Volgens aanbeveling 5 van de Commissie Ekkart uit 2001 komt verzoekers alleen al daarom het voordeel van de twijfel toe. Hier voegt de commissie nog aan toe dat Mautner een eventueel ontvangen verkoopopbrengst zal hebben moeten aanwenden voor zijn onder 3 omschreven poging om het naziregime te ontvluchten, zodat geen sprake is van een ter vrije beschikking van de eigenaar gekomen tegenprestatie. Op grond van het voorgaande oordeelt de commissie dat een betalingsverplichting in deze zaak achterwege kan blijven.


CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Rivierlandschap met figuren en een wagen voor een toren van Jan Steen (NK 2655) te restitueren aan de erfgenamen van Wilhelm M. Mautner.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 december 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart,
I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                          (E. Campfens, secretaris)




Gerelateerd advies: