Bachstitz

NK1892 (Foto: RCE)

Advies inzake Bachstitz

Dossiernummer: 
1.78
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
14 september 2009
Periode bezitsverlies: 
1940-1945
Oorspronkelijke eigenaar: 
Kunsthandel
Plaats bezitsverlies: 
In Nederland

Bij brief van 4 mei 2007 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies inzake een verzoek van A.R.W.I., mede namens zijn zuster M.F.J.C.-Y. (hierna tezamen: verzoekers) van 22 maart 2007 tot teruggave van 25 kunstwerken. Deze objecten zijn na hun recuperatie naar Nederland na de Tweede Wereldoorlog onderdeel geworden van de Nederlands Kunstbezit-collectie (NK-collectie) en zijn geregistreerd onder de volgende inventarisnummers: NK 394, NK 602, NK 604a-b, NK 615, NK 620, NK 631, NK 636a-b, NK 864a-b, NK 1552, NK 1553, NK 1618, NK 1627, NK 1763, NK 1787, NK 1798, NK 1892, NK 1940, NK 2436, NK 2447, NK 2484, NK 2581, NK 2707a-b, NK 2904, NK 2905 en NK 2919.

DE PROCEDURE

Naar aanleiding van de adviesaanvraag van de minister heeft de commissie een onderzoek naar de feiten uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een conceptonderzoeksrapport van 12 januari 2009. Het conceptonderzoeksrapport is bij brief van 20 maart 2009 voor commentaar toegezonden aan verzoekers en bij brief van 23 maart 2009 voor feitelijke aanvulling toegestuurd aan de minister. Verzoekers hebben bij brief van 1 april 2009 op het conceptonderzoeksrapport gereageerd, welke reactie als bijlage bij het onderzoeksrapport is gevoegd. Het onderzoeksrapport is vervolgens vastgesteld op 14 september 2009. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar haar onderzoeksrapport. Het schilderij NK 2919 werd tevens geclaimd in een ander restitutieverzoek (RC 1.88). Verzoekers zijn hiervan op de hoogte gesteld. Op 12 januari 2009 heeft de commissie bedoelde claim in haar advies RC 1.88 afgewezen.

OVERWEGINGEN

    1. Verzoekers vragen teruggave van 25 kunstwerken uit de NK-collectie in hoedanigheid van erfgenaam van hun grootvader Kurt Walter Bachstitz (hierna: Bachstitz), die volgens verzoekers de kunstwerken onvrijwillig heeft verloren als gevolg van het naziregime. In dit kader heeft de commissie kennisgenomen van enkele door verzoekers toegezonden erfrechtelijke stukken, naar aanleiding waarvan de commissie geen reden heeft gezien te twijfelen aan de status van verzoekers.

      De feiten

    2. De relevante feiten zijn beschreven in het onderzoeksrapport van 14 september 2009. Hier volgt een samenvatting. Bachstitz werd op 4 oktober 1882 geboren in de toen nog Duitse stad Breslau. Hij was van joodse afkomst en had de Oostenrijkse nationaliteit. Hij trad in het huwelijk met Elfriede Pesé. Het echtpaar kreeg twee kinderen. Zijn zoon Walter overleed vermoedelijk in 1940 of 1941 en was, voor zover de commissie bekend, bij zijn overlijden ongehuwd en kinderloos. Zijn dochter, Margit Martha, is de moeder van verzoekers. Nadat zijn eerste huwelijk was geëindigd, hertrouwde Bachstitz in 1918 de Duitse, niet joodse Elisa Emma Hofer. Dit huwelijk is, voor zover de commissie bekend, kinderloos gebleven. Het echtpaar vestigde zich vanaf 1938 definitief in Nederland. Bachstitz deed afstand van zijn Oostenrijkse nationaliteit en werd daarmee statenloos.

    3. Bachstitz was een internationaal bekend kunsthandelaar. Het hoofdkantoor van de kunsthandel was in Den Haag gevestigd. Sinds 1920 werd deze vestiging gedreven in een naamloze vennootschap, onder de naam Kunsthandel K.W. Bachstitz (Bachstitz Gallery) N.V. (hierna: Bachstitz Gallery). Van 1922 tot 1926 werd de kunsthandel bestuurd door Bachstitz’ zwager, Walter Andreas Hofer, de latere kunstinkoper van Hermann Göring. Van 1926 tot 1931 had de vennootschap geen directie, zodat Bachstitz als commissaris het bestuur feitelijk op zich nam. Bij het uitbreken van de oorlog was alleen Bachstitz betrokken bij het bestuur van de Bachstitz Gallery. Uit het onderzoek is niet naar voren gekomen wie de aandeelhouders van de kunsthandel waren, maar het is zeer waarschijnlijk dat Bachstitz zelf een substantieel belang had in de zaak. De commissie acht hiermee voldoende aangetoond dat Bachstitz feitelijk belanghebbende was. Zijn erfgenamen kunnen derhalve in het kader van het onderhavige restitutieverzoek als rechthebbenden worden aangemerkt.

    4. Na de Duitse inval in Nederland in mei 1940 bleef Bachstitz actief als kunsthandelaar. Uit het onderzoek is duidelijk geworden dat Bachstitz Gallery in de beginjaren van de oorlog een grote hoeveelheid schilderijen heeft verkocht aan de Duitsers, met name aan dr. H. Posse, kunstinkoper voor Hitler, en aan andere kunstinkopers van de nazi’s, zoals dr. E. Göpel en Bachstitz’ zwager W.A. Hofer. Onder overweging 16 wordt hierop ingegaan. Op 17 februari 1941 trad Bachstitz formeel terug als commissaris van de Bachstitz Gallery, terwijl zijn niet-joodse echtgenote directrice werd. Hiermee is voorkomen dat Bachstitz Gallery gedurende de oorlog onder beheer van een Verwalter is gesteld. Daarnaast heeft het echtpaar, vermoedelijk om de kunsthandel te behoeden voor confiscatie, het huwelijk op 27 september 1943 laten ontbinden. Na de oorlog stond het echtpaar weer als gehuwd geregistreerd. De feitelijke leiding van Bachstitz Gallery is vermoedelijk gedurende de bezetting, in ieder geval tot het moment van zijn emigratie in 1944, bij Bachstitz zelf blijven berusten.

    5. Uit het onderzoek blijkt dat niet alleen de kunsthandel, maar ook Bachstitz persoonlijk in de beginperiode van de Duitse bezetting ongemoeid werd gelaten door de Duitsers. Gemengd gehuwden, zoals Bachstitz, genoten aanvankelijk bescherming tegen deportatie. Uit naoorlogse verklaringen blijkt dat Bachstitz en zijn echtgenote anti-nazi gezind waren en zich hebben ingezet om joden te beschermen door hen te laten onderduiken en hun goederen in bewaring te nemen. Vanaf 1942 lijken de omstandigheden echter moeilijker te zijn geworden voor Bachstitz. Zo werd hij in 1942 gesommeerd bij het Wirtschaftsamt in Den Haag te verschijnen, omdat hij had verzuimd zijn galerie als ‘niet-arisch bezit’ aan te gegeven. Vervolgens werd hij, zo blijkt uit bewaard gebleven documentatie, in mei 1943 tot ‘Volljude’ verklaard in de zin van de Neurenbergse rassenwetten. In juli 1943 werd Bachstitz gearresteerd door de Sicherheitsdienst en in de gevangenis te Scheveningen vastgehouden. Door zijn huwelijk met de zuster van Hofer en vanwege zijn positie als kunstleverancier voor de Duitse kunstmarkt, beschikte Bachstitz echter over belangrijke connecties, die hem bescherming boden tegen de nazi’s. Zo wist Hofer in juli 1943 te bewerkstelligen dat zijn zwager binnen een week werd ontslagen uit de gevangenis. Het belang van Bachstitz als kunsthandelaar voor de Duitse markt werd daarbij als argument aangedragen. In zijn brief van 5 juli 1943 aan de Brigadeführer te Den Haag schreef Hofer:

      Fuer das Linzer Museum wurden in den letzten Jahren von Prof.Posse hochklassige Kunstwerke durch Vermittlung von Bachstitz angekauft; auch andere deutsche Museen haben durch Bachstitz wichtige Kunstgegenstaende erworben.

      Hofer meldde ook dat Göring Bachstitz in bescherming nam:

      Der Herr Reichsmarschall wuenscht, dass Bachstitz die Ausreise in das Ausland ermoeglicht & das Verfahren gegen ihn solange ausgestellt wird, bis ich ihm ueber die Angelegenheit persoenlich Bericht erstattet habe. Im Auftrage des Herrn Reichsmarschalls bitte ich um Freilassung des Bachstitz, der schwer Herzkrank ist & um Rueckfuehrung in seine Wohnung. Ich uebernehme jede Verantwortung dafuer, dass Bachstitz bis zur Regelung der Angelegenheit durch den Reichsmarschall seine Wohnung nicht verlasst,dass jede Veraenderung seines bis heute Einwandfreien Geschaeftsbetriebes & jede Verschiebung seines Geschaeft- & Privatvermoegens unterbleibt.

      Daarnaast werd Bachstitz vrijgesteld van de plicht een Jodenster te dragen wegens zijn belang als kunsthandelaar voor het door Hitler op te richten Führermuseum te Linz (Sonderauftrag Museum Linz). Dit blijkt uit een verslag van een Duitse vergadering te Den Haag van oktober 1943, waarbij dr. E. Göpel, kunstinkoper van Hitler, voor Bachstitz pleitte:

      Unter den von Tragen des Sterns befreiten befindet zich auch Bachstitz, auf dessen besondere Verdiensten für den Sonderauftrage von Seiten Dr. Göpel hingewiesen wurde.

    6. Na zijn vrijlating in juli 1943 verliet Bachstitz zijn huis niet meer. Nadat de Sicherheitsdienst verschillende malen een inval had verricht, wilde Bachstitz emigreren. Uiteindelijk heeft Bachstitz met behulp van zijn zwager en met toestemming van Göring een uitreisvisum voor Zwitserland verkregen, waarnaar hij in 1944 is vertrokken. In ruil voor deze hulp heeft Bachstitz een drietal waardevolle kunstobjecten aan Göring moeten afgeven zonder daarvoor betaling te ontvangen. Deze voorwerpen maken echter geen onderdeel uit van de onderhavige claim.

    7. Kort na de oorlog heeft de echtgenote van Bachstitz, als directrice van Bachstitz Gallery, bij brieven van 2 en 18 juli 1945 bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) een opgave gedaan van de kunstverkopen door de kunsthandel aan de Duitsers. In de brieven werd niet aangegeven tegen welke prijs de kunstvoorwerpen waren verkocht, noch of de verkopen naar het oordeel van mevrouw Bachstitz-Hofer vrijwillig waren geweest. Zij voldeed hiermee aan een verplichting op grond van naoorlogse regels. Anders dan verzoekers menen, kan hieruit geen restitutieverzoek wegens verkoop onder dwang worden afgeleid. Op basis van de verstrekte informatie vulde de SNK interne aangifteformulieren in en gaf daarbij aan dat sprake was geweest van vrijwillige verkopen. Bachstitz zelf verklaarde na de oorlog jegens een ambtenaar in het kader van zijn naturalisatieaanvraag ten aanzien van de verkopen:

      dat hij verschillende schilderijen naar Duitsland had verkocht. Volgens hem moest hij verkopen. Had hij zulks niet gedaan, dan was alles weg geweest. Hij moest, zoals dat met iedereen het geval was, af en toe bukken voor de pressie. Hij kon dit ook makkelijker doen dan menigeen, doordat hij vrijwel alle kopers kende. Zoals hij toen verklaarde, werden alle verkopen gedaan aan musea-directeuren, met wie hij lang vóór de oorlog zaken had gedaan.

    8. Bachstitz overleed in 1949. Begin 1950 vroeg de SNK mevrouw Bachstitz-Hofer om nadere informatie over de herkomst van een twintigtal gerecupereerde kunstwerken. Na aangegeven te hebben dat de werken allemaal uit de collectie van Bachstitz Gallery afkomstig waren, antwoordde mevrouw Bachstitz-Hofer op 6 februari 1950 op de vraag van de SNK of de werken vrijwillig of onder dwang waren verkocht:

      In antwoord op Uw schrijven van 30 Januari jl. deel ik U mede, dat mijn man ook de genoemde kunstvoorwerpen – evenals de destijds opgegeven verkopen – tijdens de vijandelijke bezetting onder onbehoorlijke invloed heeft moeten verkopen.

    9. De naoorlogse correspondentie tussen Bachstitz Gallery en de SNK heeft zich met name gericht op de teruggave van de drie voorwerpen die Göring zich had toegeëigend. Uit de aangetroffen archiefstukken is niet gebleken dat Bachstitz Gallery na de oorlog met betrekking tot de thans geclaimde objecten een verzoek tot restitutie heeft ingediend of expliciet van een vordering tot teruggave heeft afgezien. Onder verwijzing naar de eerste aanbeveling van de Commissie Ekkart van april 2001 die ook op kunsthandelzaken van toepassing is, constateert de commissie dat geen sprake is van een in het verleden afgehandelde zaak en acht zij verzoekers ontvankelijk in hun restitutieverzoek.

      Beoordeling claim

    10. Verzoekers claimen 25 NK-werken. Voor de beoordeling of sprake kan zijn van restitutie is op grond van het geldende restitutiebeleid allereerst van belang of in hoge mate aannemelijk is dat de werken op het moment van verkoop gedurende de bezetting in eigendom toebehoorden aan Bachstitz Gallery. Uit het onderzoek is gebleken dat het grootste deel van de werken zich al geruime tijd voor de oorlog in de handelsvoorraad van Bachstitz Gallery bevond. Evenals verzoekers in hun reactie op het conceptonderzoeksrapport stellen, acht de commissie aannemelijk dat deze werken op het moment van verkoop tijdens de bezetting eigendom waren van Bachstitz Gallery en dat er geen sprake was van consignatie.

    11. Van drie geclaimde voorwerpen acht de commissie niet in hoge mate aannemelijk dat Bachstitz Gallery eigenaar was op het moment van verkoop gedurende de bezetting:
      - NK 1763: de onderzoeksgegevens wijzen op mogelijke bemiddeling door Bachstitz Gallery bij de verkoop van dit werk aan dr. E. Göpel voor een opdrachtgever, zodat de eigendom hier niet aannemelijk is gemaakt.
      - NK 1940: de herkomstgegevens van dit werk zijn onvolledig. Aangezien aanwijzingen zijn aangetroffen dat het werk tijdens de bezetting werd verkocht door een Nederlands veilinghuis aan de Dienststelle Mühlmann, is verkoop door Bachstitz Gallery aan een Duitse koper niet in hoge mate aannemelijk.
      - NK 2905: alhoewel er aanwijzingen zijn dat dit voorwerp in 1920 in eigendom toebehoorde aan de Bachstitz Gallery, valt uit de herkomstgegevens niet op te maken of dit werk op het moment van verkoop in de oorlog nog aan Bachstitz Gallery toebehoorde.
      De commissie adviseert de minister het restitutieverzoek voor deze drie werken reeds op deze grond af te wijzen.

    12. Voor de overige geclaimde werken heeft de commissie onderzocht of er aanwijzingen zijn die onvrijwillig bezitsverlies door Bachstitz Gallery in hoge mate waarschijnlijk maken. Ingevolge het restitutiebeleid voor de kunsthandel, zoals opgenomen in de Aanbevelingen voor de kunsthandel 4, 5 en 6 van de Commissie Ekkart, kan immers uitsluitend in dat geval tot teruggave worden geadviseerd. Van onvrijwillig bezitsverlies is in ieder geval sprake wanneer voorwerpen door de nazi’s zijn gestolen of geconfisqueerd, of onder dwang verkocht. Aanwijzingen voor onvrijwillig bezitsverlies kunnen ingevolge de zesde aanbeveling onder meer worden gevonden in naoorlogse aangifteformulieren waarin door de (erfgenaam van de) kunsthandelaar of diens vertegenwoordiger onvrijwillige verkoop is ingevuld. Als aangifteformulieren ontbreken, behoren tot aanwijzingen voor onvrijwillige verkoop in ieder geval dreiging met represailles en toezeggingen tot levering van paspoorten of vrijgeleides als onderdeel van de transactie.

    13. De commissie stelt allereerst vast dat bij geen van de geclaimde werken sprake is geweest van diefstal of confiscatie. Dit volgt uit de brief van mevrouw Bachstitz-Hofer van 6 februari 1950 (overweging 8) waarin zij aangeeft dat er telkens van verkoop sprake is geweest. Voor zover documentatie bewaard is gebleven, is aannemelijk dat voor de werken marktconforme koopsommen zijn betaald. Verwezen wordt naar de overwegingen 15 en 16. De vraag is derhalve of de verkopen door Bachstitz Gallery desalniettemin gekwalificeerd kunnen worden als onvrijwillig, in de zin dat er dwang op de verkoper werd uitgeoefend door of namens de nazi’s. In de aangifte die Bachstitz Gallery in juli 1945 heeft gedaan, wordt geen uitspraak gedaan over de aard van het bezitsverlies. Dat Bachstitz en zijn echtgenote van mening waren dat de verkopen onvrijwillig waren, omdat anders ‘alles weg [was] geweest’, en dus onder ‘onbehoorlijke invloed’ waren geschied, blijkt uit de in overweging 7 en 8 geciteerde passages.

    14. De commissie stelt vast dat Bachstitz Gallery drie werken aan Nederlandse kopers, voor zover bekend geen collaborateurs, heeft verkocht of in commissie gegeven. Bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, acht de commissie aannemelijk dat het om reguliere transacties ging en dat er van dwang geen sprake was. Het betreft NK 394, waarvan de commissie aannemelijk acht dat Bachstitz Gallery het object tussen 1934 en 1943 heeft verkocht of in commissie heeft gegeven aan de Amsterdamse kunsthandel Delaunoy. Deze kunsthandel verkocht het werk in 1943 door aan de Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf. Ten aanzien van NK 1618 is aannemelijk dat Bachstitz Gallery het werk in 1941 heeft verkocht aan een Nederlandse verzamelaar (Thurkow), die het in 1942 aan een Duits museum verkocht. Ten aanzien van NK 1787 acht de commissie aannemelijk dat Bachstitz Gallery het werk aan een Nederlander (Wigman) heeft verkocht, die het in 1944 doorverkocht aan Posse.

    15. Een viertal werken is door Bachstitz Gallery gedurende de bezetting verkocht aan Duitse musea. Ook hier is, onder meer gezien de betaalde koopsommen, aannemelijk dat het normale handelstransacties betrof met zakenrelaties en zijn er geen aanwijzingen dat Bachstitz onder druk is gezet. De commissie wijst in dit verband op Bachstitz’ verklaring, geciteerd onder overweging 7, waarin hij aangeeft te hebben verkocht aan ‘musea-directeuren, met wie hij lang vóór de oorlog zaken had gedaan.’ Het gaat om de werken NK 602, NK 604a-b en NK 615, die Bachstitz Gallery in 1942 verkocht aan dr. W.H. Hupp, directeur van de Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf. Voor NK 602 is RM 4.000 betaald, voor NK 604a-b een bedrag van RM 1.000 en voor NK 615 een bedrag van NLG 2.500. Het werk NK 2436 is gedurende de bezetting voor een onbekend bedrag verkocht aan K. Martin, directeur van de Kunsthalle te Mühlhausen.

    16. Van de resterende objecten staat vast dat deze zijn verkocht aan kunstinkopers van Hitler en Göring.
      a) De werken NK 620, NK 631, NK 636a-b, NK 864a-b, NK 1552, NK 1553, NK 1627, NK 1798, NK 2484, NK 2581 en NK 2707a-b zijn in de periode augustus tot 10 december 1940 aan Posse verkocht ten behoeve van het Führermuseum te Linz. Het voorwerp NK 2904 is op 21 juni 1941 voor een onbekend bedrag aan het Führermuseum verkocht, eveneens vermoedelijk via Posse. De volgende bedragen zijn betaald: voor NK 620, samen met een ander beeldje, een bedrag van NLG 6.000; voor NK 631 een bedrag van NLG 4.750; voor NK 636a-b een bedrag van NLG 8.000; voor NK 864a-b een bedrag van NLG 24.000, samen met twee andere gouden voorwerpen; voor NK 1552 een bedrag van NLG 50.000; voor NK 1553 een bedrag van NLG 50.000; voor NK 1627 een bedrag van NLG 30.000; voor NK 1798 een bedrag van NLG 5.400; voor NK 2484 een bedrag van NLG 10.000; voor NK 2581 een bedrag van NLG 12.000 en voor NK 2707a-b een bedrag van NLG 45.000.
      b) De werken NK 2447 en NK 2919 zijn op 10 juni 1940 verkocht aan Hofer ten behoeve van de Carinhall, het landhuis van Göring. Voor NK 2447 is NLG 6.800 betaald en voor NK 2919 een bedrag van NLG 2.600.
      c) Het werk NK 1892 is op 10 juni 1943 voor een bedrag van NLG 15.000 aan Göpel verkocht ten behoeve van het Führermuseum te Linz.

      • Ten aanzien van de verkochte voorwerpen genoemd onder de categorieën a en b, geldt het volgende. Hoewel de commissie oog heeft voor het feit dat Bachstitz mede onder druk van de oorlogsomstandigheden transacties aanging met vertegenwoordigers van de nazi’s, waardoor hij kon rekenen op een zekere mate van bescherming, is zij van oordeel dat bij deze verkopen geen sprake is geweest van onvrijwillige verkoop. De commissie acht in geval van de kunsthandel het enkele feit dat de kopende partij deel uitmaakte van het naziregime onvoldoende om tot onvrijwilligheid te concluderen, zeker bij transacties waar marktconforme prijzen lijken te zijn betaald en er verder geen aanwijzingen zijn dat er enige directe dreiging of dwang op de verkoper is uitgeoefend. De verklaring van Bachstitz (zie overweging 7) dat hij ’zoals dat met iedereen het geval was, af en toe [moest] bukken voor de pressie’ ziet meer op de moeizame omstandigheden tijdens de bezetting voor kunsthandelaren in het algemeen, dan op een directe dreiging jegens Bachstitz zelf. De commissie wijst er verder op dat het overgrote deel van de verkopen aan Posse en Hofer plaatsvond in 1940, gedurende de eerste maanden van de Duitse bezetting van Nederland. Ook het object NK 2904 werd in de beginperiode van de bezetting verkocht. Klaarblijkelijk was Bachstitz door zijn connecties binnen de kunstwereld gedurende de beginjaren van de oorlog in staat zich vrijelijk op de kunstmarkt te begeven en handel te drijven. Van enigerlei dwang gericht op zijn persoon of familie zijn in die periode geen aanwijzingen gevonden.

      • De verkoop van NK 1892, genoemd onder categorie c, voltrok zich echter onder geheel andere omstandigheden. De verkoop van dit werk vond plaats op 10 juni 1943, het jaar waarin zich de jodenvervolging in alle hevigheid voltrok. Een maand voor de verkoop was Bachstitz tot ‘Volljude’ verklaard. Als statenloos, joods ingezetene bevond hij zich derhalve ten tijde van de verkoop in een zeer kwetsbare positie. Anders dan in de beginjaren van de bezetting, had Bachstitz de aandacht van de Duitse politie op zich gevestigd, die hem mogelijk verdacht van hulp aan onderduikende joden en op de hoogte was van zijn met de nazistische wetgeving strijdige opgaven (zie onder overweging 5). Uiteindelijk mondde dit ook uit in zijn arrestatie in juli 1943. Bachstitz zal zich onder deze omstandigheden door een persoon als Göpel onder druk hebben voelen staan toen deze ten behoeve van Hitlers museum het werk NK 1892 wenste te kopen. Het feit dat Göpel in 1943 voor Bachstitz regelde dat hij gevrijwaard bleef van het dragen van een Jodenster (zie eind overweging 5), kan mogelijk onderdeel van die transactie zijn geweest. Conform het geldende restitutiebeleid, zoals beschreven in overweging 12, concludeert de commissie dat er daarmee aanwijzingen zijn van een onvrijwillige verkoop. Zij adviseert de minister dan ook het verzoek tot teruggave van het schilderij NK 1892 toe te wijzen.

      • De commissie ziet geen aanleiding te adviseren tot terugbetaling van de destijds ontvangen tegenprestatie (zie overweging 16, onder c). Het is immers aannemelijk dat Bachstitz dit bedrag heeft moeten aanwenden voor zijn vlucht naar Zwitserland, zodat Bachstitz dit bedrag niet ter vrije beschikking heeft gekregen in de zin van het restitutiebeleid. De commissie verwijst hiervoor naar de vierde en vijfde aanbeveling van de Commissie Ekkart uit 2001.

      CONCLUSIE

        De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om

        - het verzoek tot teruggave van de objecten NK 394, NK 602, NK 604a-b, NK 615, NK 620, NK 631, NK 636a-b, NK 864a-b, NK 1552, NK 1553, NK 1618, NK 1627, NK 1763, NK 1787, NK 1798, NK 1940, NK 2436, NK 2447, NK 2484, NK 2581, NK 2707a-b, NK 2904, NK 2905 en NK 2919 af te wijzen.
        - NK 1892 (P. Cappelli, Capriccio met ruïnes), te restitueren aan de erven van Kurt Walter Bachstitz.

        Aldus vastgesteld in de vergadering van 14 september 2009 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, J.C.M. Leijten, P.J.N. van Os, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

        (W.J.M. Davids, voorzitter)      (E. Campfens, secretaris)