Arnhold (B)


Advies: Arnhold (B)
Nummer: 1.61B
Datum: 16-12-2012

NK 2924, foto: RCE

Advies inzake Arnhold (B)

(zaaknummer RC 1.61-B)

Bij brieven van 28 februari 2007 en 9 juni 2009 verzocht de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies over een restitutieverzoek van ‘die Erbengemeinschaft nach Adolf Arnhold’ (de gezamenlijke erfgenamen van Adolf Arnhold, hierna: verzoekers I). De gemachtigde van verzoekers I heeft bij brieven van 20 maart 2008 en 29 april 2011 aan de commissie laten weten dat niet de bedoelde Erbengemeinschaft gerechtigd is restitutie te verzoeken, maar de firma X.X. (hierna: verzoekster II), voor wie zij eveneens optreedt (deze beide verzoekers hierna ook: verzoekers).

Het verzoek betreft vier schilderijen die deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) in het beheer van de Nederlandse Staat. Ten aanzien van drie van de geclaimde werken adviseerde de commissie eerder in een deeladvies (RC 1.61-A). Onderhavig deeladvies betreft uitsluitend het verzoek tot teruggave van het schilderij Interieur met kaartspelers van Q.G. van Brekelenkam (NK 2924).

DE PROCEDURE

Verzoekers hebben bij brieven van 4 december 2006 en 7 december 2007 aan de Minister van OCW om teruggave verzocht van in totaal vier schilderijen uit de NK-collectie. De betreffende werken zijn geregistreerd onder de inventarisnummer NK 1532, NK 1747, NK 1750 en NK 2924. De commissie heeft naar aanleiding van de adviesverzoeken onderzoek verricht naar de feiten. De voorlopige resultaten van het feitenonderzoek in het kader van de aanvankelijke claim (NK 1747 en NK 2924) zijn neergelegd in een conceptrapport van 7 januari 2008. Dit conceptrapport is door de commissie voorgelegd aan de minister en aan verzoekers, die bij e-mail van 7 februari 2008 (de minister) en bij brief van 20 maart 2008 (verzoekers) hebben gereageerd. De voorlopige resultaten van het onderzoek inzake de aanvullende claim (NK 1532 en NK 1750) zijn met de eerdere onderzoeksresultaten en reacties gebundeld in een conceptrapport van 6 december 2010. Dit rapport is ter commentaar toegezonden aan verzoekers, die inhoudelijk hebben gereageerd bij brief van 29 april 2011. De commissie heeft verzoekers daarna op hun verzoek in de gelegenheid gesteld om aanvullend herkomstonderzoek te verrichten met betrekking tot de geclaimde kunstwerken. Daarnaast heeft de commissie verzoekers bij brief van 1 juli 2011 geïnformeerd over aanvullende onderzoeksgegevens van haar kant. Op 14 oktober 2011 hebben verzoekers de commissie bericht dat het in hun opdracht verrichte herkomstonderzoek geen nieuwe gegevens had opgeleverd.

De commissie heeft vervolgens met betrekking tot drie van de vier schilderijen (NK 1532, NK 1747 en NK 1750) op 21 november 2011 een deeladvies (RC 1.61-A) uitgebracht, strekkende tot afwijzing van het restitutieverzoek in verband met het feit dat deze werken niet te identificeren waren als werken uit de collectie Arnhold. Onderhavig advies met betrekking tot NK 2924 heeft de commissie in een apart dossier (RC 1.61-B) ondergebracht en aangehouden, omdat dit schilderij ook onderwerp was van een restitutieverzoek betreffende kunsthandel Firma D. Katz te Dieren (RC 1.90-B). De commissie heeft verzoekers in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de bij het Katz-onderzoek aangetroffen relevante feiten die betrekking hebben op NK 2924.

Nadat ook het onderzoek met betrekking tot de claim Katz was afgerond, heeft de commissie met betrekking tot het onderhavige teruggaveverzoek van NK 2924 het onderzoeksrapport
RC 1.61-B op 17 december 2012 vastgesteld.

Zowel verzoekers I als verzoekster II hebben zich in de onderhavige procedure laten vertegenwoordigen door dr. Sabine Rudolph, advocaat te Dresden, Duitsland. 

OVERWEGINGEN

  1. Verzoekers vragen teruggave van het schilderij Interieur met kaartspelers van Q.G. van Brekelenkam (NK 2924), dat eigendom van de Duitse bankier Adolf Arnhold zou zijn geweest. Verzoekers stellen dat Adolf Arnhold (1884-1950) het bezit van NK 2924 heeft verloren als gevolg van anti-joodse maatregelen van het naziregime.

  2. Naar mededeling van verzoekers I vormen zij  de‘Erbengemeinschaft nach Adolf Arnhold’ naar Duits recht. Een Erbengemeinschaft kan in beginsel als zodanig in rechte optreden en een restitutieclaim als de onderhavige indienen. Aanvankelijk werd het restitutieverzoek op naam van (alleen) deze Erbengemeinschaft gedaan. Maar bij brieven van 20 maart 2008 en 29 april 2011 is mede namens verzoekers I aangevoerd dat niet zij tot de gevraagde restitutie gerechtigd zijn, maar verzoekster II aan wie onder meer de erfgenamen van Adolf Arnhold hun recht op restitutie van kunstwerken hebben overgedragen. Op grond van de in dit verband ter kennis van de commissie gekomen documenten heeft de commissie geen reden om te twijfelen aan de status van verzoekster II als cessionaris/gerechtigde tot de restitutieclaim. Gezien de inhoud van de hierboven vermelde brieven van de gemachtigde van verzoekers gaat de commissie er vanuit dat het onderhavige restitutieverzoek heeft te gelden als gedaan door verzoekster II en als ingetrokken door verzoekers I.

  3. Volgens verzoekers heeft de familie Arnhold na de Tweede Wereldoorlog actie ondernomen om voormalig kunstbezit van Arnhold op te sporen. Verzoekers hebben echter tevens verklaard dat na de oorlog geen aangifte van vermissing is gedaan bij de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK). Daarnaast is de commissie bij haar onderzoek niet op aanwijzingen gestuit dat (de familie) Arnhold de Nederlandse rechtsherstelautoriteiten om restitutie van NK 2924 en/of andere kunstwerken heeft verzocht. De commissie overweegt dat voor zover er in het verleden contacten met de Nederlandse rechtsherstelautoriteiten zijn geweest, deze in ieder geval niet hebben geleid tot een definitieve beslissing ten aanzien van NK 2924. Er is derhalve geen sprake van een in het verleden afgehandelde zaak, zodat verzoekster II ontvankelijk is in haar verzoek tot teruggave van NK 2924.

  4. De relevante feiten zijn in het onderzoeksrapport beschreven. Hier wordt volstaan met de volgende samenvatting. Adolf Arnhold stamde uit een prominente joods-Duitse bankiersfamilie en was vennoot van de bank Gebr. Arnhold, met vestigingen in Dresden en Berlijn. In 1931 ging deze bank een ‘Interessengemeinschaft mit Gewinnpooling’ aan met de bank S. Bleichröder te Berlijn, die op dat moment in financiële problemen verkeerde. Leden van de familie Arnhold werden na Hitlers machtsgreep vervolgd vanwege hun joodse achtergrond en hun invloed in financiële, industriële en politieke kringen. Adolf Arnhold trok zich in 1933 terug uit de leiding van Gebr. Arnhold. De bank werd in de jaren 1935-1937 geariseerd. Om het vertrek van de familie Arnhold uit Duitsland mogelijk te maken, werd een fonds opgericht ten behoeve van alle familieleden, waaruit zeer aanzienlijke bedragen aan de Duitse Staat zijn betaald. Vanaf 1937 verbleven Arnhold en zijn vrouw vanwege het naziregime veelal in het buitenland. Na 1938 vonden zij definitief een veilig heenkomen buiten Duitsland.

  5. Een voorwaarde voor teruggave in het geldende restitutiebeleid is dat het eigendomsrecht in hoge mate aannemelijk is en er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Op grond van het onderzoek is vast komen te staan dat het schilderij NK 2924 oorspronkelijk in eigendom heeft toebehoord aan dr. P.H. von Schwabach, vennoot van de bank S. Bleichröder en door hem (met vele andere kunstwerken uit zijn collectie) in 1931 in eigendom tot zekerheid is overgedragen aan Gebr. Arnhold voor zijn schuld aan die bank. Adolf Arnhold (in privé) heeft de eigendom van NK 2924 en vele andere kunstwerken uit de voormalige collectie van Von Schwabach in 1937 verworven van Gebr. Arnhold voor een totale koopprijs van RM 500.000, welk bedrag zou zijn verrekend met de schuld van Von Schwabach aan de bank van Arnhold. Verzoekers hebben verklaard dat die transactie plaatsvond om te voorkomen dat in het kader van de arisering van Gebr. Arnhold in Berlijn de vennoten gedwongen zouden worden de kunstwerken met de overige activa van de bank over te dragen aan de Dresdner Bank, die in 1935 onder druk van het naziregime de vestiging van Gebr. Arnhold in Dresden had overgenomen. Ook hebben verzoekers verklaard en aannemelijk gemaakt dat de eigendomsoverdracht plaatsvond aan Adolf Arnhold in persoon uit praktische overwegingen, maar dat het belang bij het vermogen van Gebr. Arnhold en daarmee bij de kunstwerken lag bij de leden van de familie Arnhold.

  6. In de eigendomsoverdracht aan Arnhold was een aantal kunstwerken begrepen die Von Schwabach en zijn echtgenote in 1934 in Nederland hadden ondergebracht bij het Rijksmuseum Amsterdam (hierna: RMA). Deze kunstwerken zijn gespecificeerd in een ontvangstverklaring gedateerd 20 juli 1934 van de directeur van het RMA (hierna: RMA-lijst van 20 juli 1934). Nadat het RMA in september 1938 door de echtelieden Von Schwabach was geïnformeerd dat Arnhold eigenaar van de door het RMA in bewaring genomen kunstwerken was geworden, heeft Arnhold op 6 december 1938 in zijn verblijfplaats te Morcote, Zwitserland volmacht gegeven aan F.H. Brunner om over de schilderijen bij het RMA te beschikken en deze te verhandelen (‘verhandeln und verfügen’). Brunner was een vertegenwoordiger van zowel Gebr. Arnhold als S. Bleichröder, die een vooraanstaande rol heeft gespeeld bij de bank S. Bleichröder in Berlijn. Hij verklaarde op 16 december 1938 schriftelijk de betreffende schilderijen in goede orde van het RMA te hebben ontvangen. In de verklaring wordt verwezen naar een lijst van kunstwerken gedateerd 16 december 1938, kennelijk opgemaakt door het RMA en vrijwel identiek aan de RMA-lijst van 20 juli 1934. Tevens komen deze schilderijen, in identieke volgorde, voor op een bijlage bij een door Arnhold op 29 juli 1938 aan de nazi-autoriteiten in Duitsland gedane, voor joden verplichte opgave van zijn vermogensbestanddelen. Van al deze documenten heeft de commissie kennis kunnen nemen. De feitenreconstructie zoals hierboven weergegeven rechtvaardigt de conclusie dat Adolf Arnhold, in persoon optredend ten behoeve van de leden van de familie Arnhold, de eigendom van de kunstwerken uit de voormalige collectie van Von Schwabach, die zich fysiek bevonden in het RMA, in 1937 heeft verworven, en dat hij deze werken door zijn gevolmachtigde Brunner eind 1938 heeft laten ophalen.

  7. Op basis van het onderzoek is vast komen te staan dat zich onder deze schilderijen het door verzoekers geclaimde schilderij NK 2924 bevond. Op de beide hiervoor genoemde RMA-lijsten wordt als nummer 28 een schilderij vermeld met de titel Interieur, kaartspelers van de schilder Van Brekelenkam. Daarbij wordt op beide lijsten tevens het nummer 1975 vermeld, welk nummer bij het onderzoek van de commissie op de achterzijde van het huidige NK 2924 is aangetroffen. De commissie acht het op grond van deze feiten in hoge mate  aannemelijk dat NK 2924 het op de RMA-lijsten vermelde schilderij Interieur, kaartspelers van Van Brekelenkam is, en dat dit werk derhalve eigendom van Arnhold is geweest.

  8. Het onderzoek van de commissie heeft geen concrete aanwijzingen opgeleverd over wat Brunner met NK 2924 heeft gedaan na 16 december 1938. Gezien de volmacht die Arnhold aan Brunner gaf (tot ‘verhandeln und verfügen’) ligt de veronderstelling voor de hand dat Brunner de kunstwerken, of een deel daarvan, na ontvangst van het RMA voor Arnhold heeft verkocht of in commissie heeft gegeven. Ook lijkt er de intentie te zijn geweest om werken aan Arnhold in Zwitserland toe te sturen, zoals kan worden opgemaakt uit een brief die Brunner op 15 december 1938 aan dr. A.B. de Vries van het RMA schreef, en waarin hij vermeldde dat de kunstwerken die het RMA in bewaring had ‘(…) Herrn Adolf Arnhold zwecks Verbringung in die Schweiz herausgegeben werden’. Dat dit met ten minste een deel van de kunstwerken niet is gebeurd, valt af te leiden uit het feit dat NK 2924 en enige andere kunstwerken genoemd op de RMA-lijsten na de Duitse inval zijn verkocht door de Nederlandse kunsthandel D. Katz uit Dieren.

  9. Hoe NK 2924 in bezit is gekomen van kunsthandel Katz, is niet bekend. Mogelijk heeft Brunner NK 2924 rechtstreeks aan Katz verkocht, maar het is ook mogelijk dat Brunner NK 2924 aan een derde heeft verkocht, waarna het werk bij Katz terecht is gekomen. Dit is een mogelijkheid waarop ook verzoekers hebben gewezen. Evenmin is duidelijk in welke hoedanigheid kunsthandel Katz het schilderij van Van Brekelenkam onder zich heeft gekregen, als consignatiehouder dan wel eigenaar. Verzoekers hebben verklaard dat Y.Y. - die zich na de oorlog intensief heeft bezig gehouden met restitutie van vermogensbestanddelen van de familie Arnhold, waaronder kunstvoorwerpen - de mening is toegedaan dat de NK-schilderijen waarvan verzoekers in 2006 teruggave hebben verzocht, aan Katz in commissie zijn gegeven en dat de familie de verkoopopbrengst niet heeft ontvangen. Evenals verzoekers zal de commissie ervan uitgaan dat Arnhold het huidige NK 2924 heeft verkocht of in commissie heeft gegeven, nu er geen aanwijzingen zijn voor een andere wijze van bezitsverlies van NK 2924 door Arnhold, bijvoorbeeld schenking, ruil, diefstal of confiscatie.

  10. De commissie gaat thans over tot beantwoording van de vraag of het bezitsverlies van NK 2924 door Arnhold als gevolg van een verkoop - al dan niet in het kader van een volmacht (commissie) aan kunsthandel Katz of een derde - moet worden beschouwd als onvrijwillig bezitsverlies door omstandigheden die direct verband hielden met het naziregime.

    De commissie adviseert daarbij met inachtneming van het verruimde restitutiebeleid, dat is gebaseerd op aanbevelingen van de Commissie Ekkart.In de derde aanbeveling uit 2001 is vermeld dat een verkoop van kunstwerken door joodse particulieren in Nederland vanaf 10 mei 1940 te beschouwen is als gedwongen verkoop, tenzij nadrukkelijk anders blijkt en dat hetzelfde uitgangspunt dient te worden gehanteerd bij verkopen vanaf 1933 door joodse particulieren in Duitsland.

  11. In het onderhavige restitutieverzoek is sprake van een joods-Duitse particulier die als gevolg van het naziregime na 1933 uit Duitsland is gevlucht, van diens familie waarvan een aantal leden zich ten tijde van het bezitsverlies in Duitsland bevond, en van een geclaimd object dat zich ten tijde van het bezitsverlies in Nederland bevond. Op grond van het beschreven feitenrelaas constateert de commissie dat het moment van het verlies van het juridische bezit van Adolf Arnhold en daarmee van het economische belang van de leden van de familie Arnhold onbekend is, maar dat dit moet worden geplaatst tussen 16 december 1938, de datum waarop F. H. Brunner verklaarde NK 2924 en andere kunstwerken te hebben ontvangen van het RMA, en 14 augustus 1940, de datum waarop NK 2924 via kunsthandel Katz terecht kwam bij kunsthandel Goudstikker-Miedl. Gezien het bovenstaande is de commissie van oordeel dat onderhavig verzoek dient te worden beoordeeld als ware sprake van een verkoop vanaf 1933 door een joodse particulier in Duitsland. Dit betekent dat wordt uitgegaan van onvrijwillig bezitsverlies, tenzij er nadrukkelijke aanwijzingen zijn van het tegendeel.

  12. De commissie heeft zich de vraag gesteld of er nadrukkelijke aanwijzingen zijn dat geen sprake is geweest van een gedwongen verkoop. In de derde aanbeveling van de commissie Ekkart is dit als voorwaarde gesteld om af te wijken van de veronderstelling van onvrijwillig bezitsverlies (zie hiervoor overweging 10). De commissie beantwoordt de vraag ontkennend, waarmee het bezitsverlies van NK 2924 is aan te merken als onvrijwillig bezitsverlies in het kader van het teruggavebeleid voor NK-werken. Daarbij wijst zij op de volgende omstandigheden. Het huidige NK 2924 werd afgehaald bij het RMA op 16 december 1938, ongeveer een maand na de Kristallnacht, toen het voor Arnhold duidelijk moet zijn geweest dat een terugkeer naar Duitsland niet meer mogelijk was. Een broer van Arnhold is in deze periode Duitsland ontvlucht door illegaal de Nederlandse grens over te steken en in december 1939 heeft Adolf Arnhold zelf het staatsburgerschap van Haïti proberen te verwerven. Uit een vermogensopstelling die Adolf Arnhold in juli 1938 inleverde bij de Duitse autoriteiten maakt de commissie op dat Arnhold weliswaar zeer vermogend was, maar dat het tevens zeer aannemelijk is dat hij in december 1938 en daarna, als gevolg van de toenemende beperkingen door het naziregime, geen beschikking meer had over (grote delen van) zijn vermogen in Duitsland. De commissie neemt in aanmerking dat Adolf Arnhold de schilderijen hield voor en ten behoeve van de leden van de familie Arnhold en dat de verkoop van de schilderijen voor hem een toegankelijke manier moet zijn geweest om mede ten behoeve van de familieleden die zich nog in Duitsland bevonden, dan wel op de vlucht waren voor de nazi’s, te beschikken over liquide middelen. De commissie is van oordeel dat de verkoop van Interieur met kaartspelers van Q.G. van Brekelenkam (NK 2924) door Adolf Arnhold in dit licht moet worden bezien en geplaatst moet worden in het kader van zijn eigen vlucht en die van familieleden.

  13. De commissie stelt vervolgens de vraag aan de orde of tegenover restitutie van NK 2924 een betalingsverplichting zou moeten worden gesteld in verband met een bij verkoop van het kunstwerk ontvangen tegenprestatie. Op grond van het geldende restitutiebeleid is terugbetaling alleen aan de orde indien en voor zover de toenmalige verkoper of zijn erfgenamen daadwerkelijk de verkoopopbrengst ter vrije beschikking hebben gekregen, waarbij deze het voordeel van de twijfel dient te worden gegund. Die twijfel is er in dit geval. Zoals hierboven al vermeld, stelt een familielid van Arnhold dat betrokken was bij de naoorlogse restitutie van kunstwerken, dat Arnhold de verkoopopbrengst voor NK 2924 nooit heeft ontvangen (zie overweging 9). De commissie overweegt dat, zoals hierboven beschreven, geen bijzonderheden over de transactie met betrekking tot NK 2924 bekend zijn, niet of het een verkoop betrof of consignatie, en evenmin de hoogte van een eventuele verkoopsom. Daarnaast acht de commissie het aannemelijk dat Arnhold de opbrengst van het kunstwerk, indien ontvangen, geheel of gedeeltelijk heeft aangewend in het kader van zijn vlucht of die van zijn familie. Een betalingsverplichting van verzoekers tegenover de restitutie van NK 2924 is daarom niet aan de orde.

  14. Op het huidige NK 2924 rust tevens een aanspraak in verband met het restitutieverzoek inzake de kunsthandel Katz (RC 1.90-B). Uit het onderzoek blijkt dat het huidige NK 2924 op of omstreeks 14 augustus 1940 door of via kunsthandel Katz is verkocht aan kunsthandel Goudstikker-Miedl. Naar het oordeel van de commissie komt in dit geval alleen de claim op NK 2924 van de verzoekers inzake Arnhold in aanmerking voor een positief advies. Immers, het eigendomsrecht van Arnhold is in hoge mate aannemelijk geworden, maar het onderzoek inzake kunsthandel Katz heeft niet kunnen uitwijzen of sprake was van bemiddeling door of van eigendom van Katz, welke eigendom dan in ieder geval na Arnhold zou zijn verworven.


CONCLUSIE

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om het schilderij Interieur met kaartspelers van Q.G. van Brekelenkam (NK 2924) te restitueren aan X.X..

Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 december 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter), J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart,
I.C. van der Vlies (vice-voorzitter) en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)                                      (E. Campfens, secretaris)




Gerelateerd advies: