Een Gubbio-schaal uit de collectie Gutmann (Gutmann IV-B)

NK 615 (foto: RCE)

Advies inzake Gutmann (NK 615) IV-B

Dossiernummer: 
1.115-B
Soort advies: 
NK-collectie
Adviesdatum: 
18 juni 2012
Periode bezitsverlies: 
voor 1933
Oorspronkelijke eigenaar: 
Particulier
Plaats bezitsverlies: 
Buiten Nederland

(zaaknummer RC 1.115-B[1])

Bij brief van 9 november 2009 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) de Restitutiecommissie (hierna: de commissie) om advies gevraagd over het restitutieverzoek van 24 februari 2009 van N.P., F.F., M.M., C.E.G. en N.M.G. als gerechtigden op de nalatenschap van Herbert Gutmann (hierna: verzoekers I). 

Vervolgens verzocht de minister de commissie op 6 september 2011 om advies inzake het restitutieverzoek van 11 augustus 2011 van S.G., mede namens N.G. en L.V.C-G. als gerechtigden op de nalatenschap van Fritz Gutmann (hierna: verzoekers II). Beide restitutieverzoeken hebben betrekking op het kunstvoorwerp dat onder inventarisnummer NK 615 deel uitmaakt van de Nederlands Kunstbezit-collectie (hierna: NK-collectie) en dat thans aanwezig is in het depot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). 

NK 615 betreft een zogenoemde Gubbio-schaal van geglazuurd aardewerk met polychroom decor van vrouwenbuste met opschrift 'Maria Bella' (Gubbio, circa 1530) van een onbekende kunstenaar. 

De procedure 

De commissie heeft het adviesverzoek van de minister van 9 november 2009 betreffende de claim van verzoekers I aanvankelijk ondergebracht in de zaak RC 1.115. Naast de Gubbio-schaal (NK 615) betrof dit restitutieverzoek nog enkele andere kunstvoorwerpen.
De commissie heeft in het kader van dit adviesverzoek een onderzoek naar de feiten uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek heeft de commissie bij brief van 11 juli 2011 de erven van Fritz Gutmann (verzoekers II) benaderd om informatie te vragen over de aard van het bezitsverlies van onder meer de Gubbio-schaal (NK 615). Hierop hebben zij bij brief van 28 juli 2011 laten weten geen informatie te hebben. Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers II op 11 augustus 2011 eveneens een claim op NK 615 uitgebracht.
Naar aanleiding van deze tweede (aanvankelijk concurrerende) claim heeft de commissie besloten het dossier RC 1.115 te splitsen in twee dossiers. De vier kunstvoorwerpen die uitsluitend door verzoekers I werden geclaimd, werden ondergebracht in dossiernummer RC 1.115-A, waarover de commissie op 19 december 2011 advies uitbracht. De advisering over de twee restitutieverzoeken van NK 615 werden ondergebracht in dossiernummer RC 1.115-B, waarover hieronder het advies van de commissie volgt.
Bij brief van 19 december 2011 heeft S.G. (verzoekers II) gemeld dat hij in de onderhavige zaak in het vervolg tevens optreedt als vertegenwoordiger van verzoekers I. Na vragen hierover van de kant van de commissie hebben verzoekers I dit bevestigd bij brief van 14 maart 2012, van hun vertegenwoordiger tot op dat moment, O.S. Ossmann te Winterthur, Zwitserland. Tevens heeft S.G. bij brief van 14 maart 2012 een en ander nader toegelicht. S.G. treedt derhalve in deze procedure vanaf 19 december 2011 op in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van verzoekers I alsmede van verzoekers II (verzoekers I en II hierna tezamen ook: verzoekers). 
De commissie heeft haar onderzoek in deze zaak neergelegd in een conceptonderzoeksrapport dat bij brieven van 9 december 2011 aan verzoekers I, verzoekers II en aan de minister is toegestuurd. Bij brief van 17 januari 2012 hebben verzoekers I en II inhoudelijk gereageerd op het conceptrapport. De minister heeft op 20 januari 2012 laten weten geen aanvullende feiten onder de aandacht van de commissie te willen brengen. 
De commissie heeft in het kader van het feitenonderzoek op 20 april 2012 prof. dr. R.E.O. Ekkart, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), om zijn expertise gevraagd, naar aanleiding waarvan deze een rapport heeft opgesteld. De commissie heeft dit rapport bij brief van 1 juni 2012 ter informatie aan verzoekers toegestuurd, waarop verzoekers bij brief van 5 juni 2012 hebben gereageerd. Het onderzoeksrapport is vastgesteld op 18 juni 2012. Voor de feiten in deze zaak verwijst de commissie naar het onderzoeksrapport. 

Overwegingen

  1. Verzoekers I verklaren erfgenamen te zijn van Herbert Max Magnus Gutmann (hierna: Herbert Gutmann). Zij hebben ten bewijze hiervan erfrechtelijke stukken overgelegd op grond waarvan de commissie geen aanleiding ziet te twijfelen aan de positie van verzoekers I als gerechtigden tot de nalatenschap van Herbert Gutmann.

  2. Verzoekers II zijn gerechtigden tot de nalatenschap van Friedrich Bernhard Eugen Gutmann (hierna: Fritz Gutmann), zoals blijkt uit een verklaring van erfrecht verleden op 18 maart 2005 voor mr. M.R. Meijer, notaris te Amsterdam. 

  3. Verzoekers hebben gesteld dat de Gubbio-schaal (NK 615) behoorde tot de onverdeelde nalatenschap van de in 1925 overleden Eugen Gutmann, waartoe Herbert Gutmann en Fritz Gutmann mede gerechtigd waren. Verzoekers hebben voorts gesteld dat het huidige NK 615 zich tijdens de oorlog in commissie bevond bij kunsthandel K.W. Bachstitz N.V. te Den Haag (hierna: kunsthandel Bachstitz), die de Gubbio-schaal in 1942 in die hoedanigheid zou hebben verkocht buiten medewerking of medeweten van de familie Gutmann. Verzoekers stellen dat het bezitsverlies derhalve onvrijwillig was als gevolg van het naziregime. 

    Feitenoverzicht 

  4. De joodse bankier Eugen Gutmann (1840-1925) was medeoprichter van de in 1872 gevestigde Dresdner Bank AG te Dresden. Hij was gehuwd met Sophie Magnus (1852-1915), met wie hij zeven kinderen kreeg, te weten Lili, Antonie (Toinon), Walter, Herbert, Kurt, Max en Fritz Gutmann. Het gezin verhuisde naar Berlijn toen het hoofdkantoor van de Dresdner Bank in 1884 naar die stad werd verplaatst. 
    Eugen Gutmann legde een kunstverzameling aan die in de kunstwereld van zijn tijd welbekend was. In Amsterdam werd op 4 juli 1921 de N.V. Trust & Administratie Maatschappij (Trustenad) opgericht om de zakelijke belangen van de kinderen van Eugen Gutmann te behartigen. Omstreeks dezelfde tijd werd een deel van de collectie Eugen Gutmann in commissie gegeven bij kunsthandel Bachstitz in Den Haag. 
    Na de dood van Eugen Gutmann in 1925 werd zijn kunstcollectie door vererving gemeenschappelijk eigendom van zijn zes kinderen, ieder voor een zesde onverdeeld aandeel (de oudste zoon Walter was reeds in 1917 overleden). In de jaren daarna lijken zich verschillende veranderingen voorgedaan te hebben in de eigendomssituatie ten aanzien van de kunstcollectie en in de samenstelling ervan. Zo werden kort na de dood van Eugen Gutmann perse kunstwerken uit de verzameling verkocht. Een deel van de collectie werd beheerd door Fritz Gutmann in een aparte kluis in zijn woning.

  5. Herbert Gutmann, erflater van verzoekers I, werd op 15 oktober 1879 geboren als vierde kind van Eugen Gutmann. In 1903 werd hij onderdirecteur van de afdeling van de Dresdner Bank te Londen. Met zijn echtgenote Daisy Stephanie Thekla Anna Bertha Luise von Frankenberg und Ludwigsdorf(f) kreeg Herbert Gutmann drie kinderen. Het gezin woonde afwisselend in Berlijn en Potsdam, waar Herbert Gutmann zijn eigen kunstcollectie bijeenbracht. Vanaf 1933 verkeerde de Dresdner Bank, die onder rijkstoezicht stond, onder de invloed van de nationaal-socialisten. Herbert Gutmann werd gedwongen zich uit perse adviesorganen van de bank terug te trekken en zag zich voor financiële problemen geplaatst. In april 1934 liet hij zijn kunstcollectie veilen en in oktober 1936 verliet hij Duitsland om zich in Londen te vestigen. Herbert Gutmann overleed op 22 december 1942.

  6. Fritz Gutmann, vader en grootvader van verzoekers II, werd op 15 november 1886 geboren als jongste kind van Eugen Gutmann. Hij trad in het huwelijk met L(o)uise E. baronesse von Landau, met wie hij twee kinderen kreeg, te weten B. Gutmann (later: B.  Goodman) (1914-1994) en L. Gutmann (geboren 1919). In 1918 vestigde Fritz Gutmann zich in Nederland en in 1924 verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit. Fritz Gutmann woonde met zijn gezin op het landgoed Huize Bosbeek bij Heemstede. Na aanvang van de bezetting van Nederland in 1940 maakte het echtpaar Gutmann-Von Landau plannen om het land te ontvluchten. In dit kader probeerden zij zoveel mogelijk van hun kunstwerken te verkopen. Het plan van het echtpaar Gutmann-Von Landau om naar het buitenland te vluchten mislukte, en in 1943 werden zij gearresteerd en overgebracht naar het concentratiekamp Theresienstadt. Daar kwam Fritz Gutmann in 1944 om het leven. Zijn echtgenote Louise von Landau is in datzelfde jaar in Auschwitz omgekomen. De twee kinderen van het echtpaar overleefden de oorlog in het buitenland.

    NK 615

  7. Het huidige NK 615 is in 1948 vanuit Duitsland naar Nederland gerecupereerd. Dit op grond van het feit dat dit kunstvoorwerp tijdens de Duitse bezetting van Nederland door kunsthandel Bachstitz te Den Haag is verkocht aan de Duitser dr. H.W. Hupp, destijds directeur van de Kunstsammlungen der Stadt Düsseldorf.

  8. Uit het bronnenonderzoek blijkt dat NK 615 in 1912 behoorde tot de collectie van Eugen Gutmann. Zo wordt de Gubbio-schaal vermeld in de catalogus Die Kunstsammlung Eugen Gutmann van Otto von Falke uit 1912. Verzoekers hebben gesteld dat de schaal omstreeks 1921 in commissie is gegeven aan kunsthandel Bachstitz. Dit lijkt te worden bevestigd door de vermelding van de Gubbio-schaal in een omstreeks 1921 gepubliceerde catalogus, getiteld The Bachstitz Gallery collection van kunsthandel Bachstitz, waarbij als herkomst de collectie Eugen Gutmann wordt genoemd, en de vermelding van de schaal in het Bulletin of the Bachstitz Gallery uit 1925, waarin bij de herkomst eveneens wordt verwezen naar de collectie Eugen Gutmann (en kunsthandel Bachstitz). In 1934 echter wordt in een tentoonstellingscatalogus van het Stedelijk Museum te Amsterdam bij het huidige NK 615 uitsluitend als herkomst genoteerd: ‘Kunsthandel K.W. Bachstitz, ’s-Gravenhage’. Dit riep tijdens het onderzoek de vraag op of kunsthandel Bachstitz het onderhavige NK 615, na dit in commissie te hebben genomen, op later datum heeft aangekocht. 
    Een aanwijzing hiervoor is de inventariskaart van het huidige NK 615, die bij het onderzoek is aangetroffen in de administratie van kunsthandel Bachstitz in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD). Op deze kaart zijn door kunsthandel Bachstitz onder meer de herkomstnamen ‘1897 Coll: Tollin’ en ‘Kollektion: E-Gutmann 212’ genoemd. Tevens is op deze kaart aangetekend: ‘Kommissionspreis lt. Brief 3.10.25 ₤mss’. Het woorddeel ‘Kommissions’ (commissie) is met de hand doorgestreept, en erboven is in handschrift genoteerd ‘Einstand’ (inkoop). De brief van 3 oktober 1925 is bij het onderzoek niet aangetroffen. Op de achterzijde van de kaart zijn onder meer bedragen van NLG 568,30 aan‘Gesamtspesen’ en NLG 184,17 aan ‘weitere Spessen b. 1930’ vermeld. 
    Een volgende aanwijzing is het ‘intern aangifteformulier’ dat de SNK na de oorlog, op basis van gegevens van kunsthandel Bachstitz, voor het huidige NK 615 heeft ingevuld. Hierop is vermeld dat de Gubbio-schaal oorspronkelijk ‘in bezit’ was van kunsthandel Bachstitz. In dit verband moet ook worden gewezen op de naoorlogse correspondentie van de SNK en Elisa Emma Bachstitz-Hofer, de weduwe van de in 1949 overleden eigenaar van kunsthandel Bachstitz. In reactie op een verzoek van de SNK om over een aantal kunstvoorwerpen, waaronder het huidige NK 615, mee te delen of deze voor de Duitse bezetting eigendom waren van de kunsthandel, verklaarde zij in 1950 dat de betreffende kunstvoorwerpen ‘allen uit onze collectie [zijn]’, en dat deze zich ‘daarin reeds sedert 1920, 1931 resp. 1937 [bevonden]’.

    Beoordeling van de claim

  9. De achtste aanbeveling van de Commissie Ekkart (2001) noemt als een voorwaarde voor restitutie dat het eigendomsrecht van het geclaimde voorwerp in hoge mate aannemelijk is terwijl er geen aanwijzingen zijn die dat tegenspreken. Bij de beoordeling van onderhavige claim dient daarom allereerst te worden bekeken of het mede- eigendomsrecht van Herbert Gutmann en/of Fritz Gutmann met betrekking tot het thans geclaimde NK 615 in hoge mate aannemelijk is, en of er geen sprake is van aanwijzingen die dit tegenspreken. Daarbij is het van belang dat dit eigendomsrecht gedateerd kan worden op het voor het restitutieverzoek relevante moment, te weten het moment van de verkoop aan dr. Hupp (19 augustus 1942).

  10. Zoals hiervoor in het feitenoverzicht in overweging 8 is beschreven, behoorde het huidige NK 615 in 1912 tot de collectie Eugen Gutmann en bevond het vanaf omstreeks 1921 in commissie bij kunsthandel Bachstitz. Daarnaast lijkt de Gubbio-schaal op enig moment door kunsthandel Bachstitz van de familie Gutmann te zijn aangekocht. Voor deze aankoop zijn tijdens het onderzoek de volgende aanwijzingen aangetroffen (zie eveneens overweging 8):
    - de wijziging op de inventariskaart van het woord ‘Kommissionspreis’ in ‘Einstandspreis’;
    - een vermelding in een catalogus in 1934 waarin bij de Gubbio-schaal uitsluitend de naam ‘Kunsthandel K.W. Bachstitz,’s-Gravenhage’ is vermeld; 
    - naoorlogse mededeling van mevrouw Bachstitz-Hofer dat het huidige NK 615 al ruim voor de oorlog in bezit was van kunsthandel Bachstitz. 

  11. Verzoekers verklaren dat het huidige NK 615 nooit aan kunsthandel Bachstitz is verkocht en dat het voorwerp ten tijde van de verkoop aan dr. Hupp in 1942 nog altijd bij de kunsthandel in commissie was. Zij stellen in dit kader dat de vermelding ‘Einstandspreis’ op de inventariskaart niet noodzakelijkerwijs hoeft te betekenen dat dit voorwerp ook daadwerkelijk door de kunsthandel Bachstitz is aangekocht. Een definitieve koopprijs’ zou naar het oordeel van verzoekers met de term ‘Einkaufpreis’ zijn aangeduid, en daarbij zou een inkoopdatum op de kaart zijn vermeld, hetgeen hier niet het geval is. Tevens stellen verzoekers dat niets erop wijst dat de ‘Gesamtspesen’ die op de achterkant van de inventariskaart worden vermeld, aan de familie Gutmann zijn betaald. Naar de overtuiging van verzoekers is er geen reden te bedenken waarom Bachstitz zou hebben willen betalen voor een voorwerp waar hij nog geen koper voor had gevonden. 

  12. Met het oog op de juiste interpretatie van de gegevens die zijn vermeld op de inventariskaart van het huidige NK 615 in de administratie van kunsthandel Bachstitz, heeft de commissie een informatieverzoek gericht aan prof. dr. R.E.O. Ekkart, directeur van het RKD. Dit vanwege diens kunsthistorische expertise en zijn bekendheid met het archief van kunsthandel Bachstitz in het RKD. In zijn antwoord wees Ekkart er onder meer op dat op de achterkant van de inventariskaart een bedrag aan kosten is vermeld tot 1930, groot NLG 568,39. Volgens Ekkart wijst de hoogte van dit bedrag er op dat kunsthandel Bachstitz een betaling aan de familie Gutmann heeft gedaan. Ekkart heeft dit gegeven vergeleken met twee andere inventariskaarten van Bachstitz waarop ‘Einstandspreis’ is genoteerd. Ook op de achterkant van deze kaarten zijn vrij hoge bedragen aan kosten vermeld, hetgeen er volgens Ekkart op wijst dat de betreffende voorwerpen door kunsthandel Bachstitz zijn aangekocht/overgenomen. Ekkart concludeert over het huidige NK 615: 

    ‘Aangezien bovendien de zo nadrukkelijke correctie van Kommissionspreis in Einstandspreis er op wijst dat er sprake moet zijn van een andere status dan die van een commissie en bovenstaande gegevens er op wijzen dat het begrip Einstandspreis bij Bachstitz inderdaad gehanteerd werd om een inkoopsprijs aan te duiden, acht ik het in hoge mate waarschijnlijk dat Bachstitz deze schaal in oktober 1925 van de familie Gutmann in eigendom heeft verworven.’

  13. De commissie is op grond van de hiervoor in overwegingen 8, 10 en 12 beschreven aanwijzingen van oordeel dat zodanige twijfel is gerezen met betrekking tot de eigendom van de Gubbio-schaal in de relevante periode, dat moet worden geconcludeerd dat het niet in hoge mate aannemelijk is dat de Gubbio-schaal (NK 615) ten tijde van de verkoop aan dr. Hupp op 19 augustus 1942 nog in eigendom was van de familie Gutmann. 

Conclusie

De Restitutiecommissie adviseert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de claim van verzoekers I en II op NK 615 af te wijzen.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 18 juni 2012 door W.J.M. Davids (voorzitter),  J.Th.M. Bank, P.J.N. van Os, D.H.M. Peeperkorn, E.J. van Straaten, H.M. Verrijn Stuart, I.C. van der Vlies (vice-voorzitter), en ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

(W.J.M. Davids, voorzitter)         (E. Campfens, secretaris) 

[1] Eerdere adviezen van de commissie inzake de Gutmann collectie betreffen: RC 1.2, RC 1.113, RC 1.114-A, RC 1.114-B en RC 1.115-A